woensdag 18 augustus 2010

Heeft geschiedenis nut? - Maarten van Rossem

Het nut van de geschiedenis voor míj zit 'm in de zin voor relativering die uit het grotere plaatje spreekt. Het lezen van een goed geschiedenisboek is als een kort verblijf in een gecapitonneerde kamer far from the madding crowd — een crowd die evengoed overspannen politici, journalisten en hooggeleerde doemdenkers behelst. Moraal van zowat elk geschiedenisverhaal: vroeger was het anders, of was het al net zo, maar hoogst zelden was het vroeger stukken beter.

Veel meer nut ziet ook Maarten van Rossem niet in zijn vakgebied, getuige het titelstuk van deze bundel. In de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw was dat wel even anders. Toen waren historici een hooggeachte bevolkingsgroep omdat zij een belangrijke rol speelden in het proces van natievorming — door het verleden door een nationalistische bril te bezien, konden ze hun eigen natie legitimeren.

Door de ontmythologisering van de natie die in de decennia daarop volgde, meent Van Rossem, hebben historici bijgedragen aan hun eigen marginalisering. Nu leven de geschiedwetenschap en alle andere alfawetenschappen in de schaduw van de bètawetenschappen, waarvan niemand ooit het immense nut betwijfelt, zelfs niet dat van een abstracte discipline als astronomie. Uit minderwaardigheidsgevoelens ontspringt dan een sterke drang tot legitimering.

Die zelfrechtvaardiging valt niet mee. Winstgevende kennis levert de geschiedenis immers niet op. Al is ze voor mensen op zoek naar het eigen grote gelijk — waaronder politici — een mooie grabbelton om ondersteunend materiaal of welgevallige parallellen te vinden. Van hun kant geloven moderne historici al lang niet meer dat er belangrijke lessen uit het verleden kunnen worden getrokken.

Ze weten dat het verleden ingrijpend anders was dan het heden en dat de geschiedenis zich, anders dan het spreekwoord wil, nooit herhaalt. Dat wil niet zeggen dat de geschiedenissen geen enkel patroon vertoont, maar wel dat die patronen geen significante voorspellende betekenis hebben. Het is met de geschiedenis en de toekomst als met het weer: we kunnen met zekerheid voorspellen dat het winter wordt, maar zelfs de beste weerkundigen met de snelste computers kunnen niet voorspellen of het een zachte, een gemiddelde of een strenge winter wordt. Geen enkele regerende politicus blijft eeuwig populair, maar wanneer de adoratie verandert in onverschilligheid of afkeer, valt niet te voorspellen. Een periode van hoogconjunctuur wordt met zekerheid gevolgd door een recessie, maar wanneer de recessie begint en hoe lang zij zal duren, is onvoorspelbaar.
Jammer dat Van Rossem volstaat met één voorbeeld: de zogenaamde lessen die getrokken kunnen worden uit de capitulatie van Engeland en Frankrijk in München, september 1938. Een boek met alleen maar tegenvoorbeelden had een leek als ik al mooi getoond wat geschiedenis is en hoe ze werkt.

Maar vergis u niet, vervolgt Van Rossem, toch is kennis van de geschiedenis nuttig — en niet alleen voor bejaarde stamboomonderzoekers. Zonder geschiedenis kan het politiek-culturele debat nauwelijks functioneren — een mens met compleet geheugenverlies is geen mens. Maar dat is dus iets anders dan haar gedetailleerde astrologische kracht toe te schrijven. Van Rossem geeft het voorbeeld van een of andere 'rijksplanologische' nota die reikt tot het jaar 2030, en roept dan op om in gedachten terug te gaan naar 1964, precies even lang geleden als er vooruitgekeken wordt. Snapt u het plaatje?

De allersimpelste functie van de geschiedschrijving is duidelijk te maken hoe een bepaalde situatie tot stand is gekomen. Dat het verleden zeer complex is om te beschrijven, en historici altijd bevooroordeeld zijn, is overigens geen vrijgeleide om feiten dan maar als luchtspiegelingen te beschouwen. Zelfs met voldoende vooroordelen blijft er genoeg substantieels over om het onder vakbroeders over eens te zijn. Er zijn verschillende visies mogelijk, maar toch altijd binnen vrij nauw getrokken grenzen.

Heeft geschiedenis nut? is voor de rest een onevenwichtige bundel. Naar samenstelling, niet zozeer naar kwaliteit. Bijna de helft van de bladzijden gaat over de Eerste en Tweede Wereldoorlog — lange stukken die Van Rossem later zal opnemen in een apart boek, waar ze trouwens ook beter tot hun recht komen, want afgezet tegen die derde belangrijke machtsstrijd, de Koude Oorlog. De kortere artikels zijn hier gegroepeerd in afdelingen zo ruim dat ze werkelijk alles kunnen lijmen: 'Meesterwerk', 'Cultuur', 'Politiek'...

Eén constante: Maarten van Rossem schrijft helder als pompwater. Al valt er veel minder te lachen dan op televisie. Of hebben zijn kanttekeningen gewoon dat lijzige geluid en onverstoorbare tempo nodig om voor bon mots te kunnen doorgaan? Als je Van Rossems muziekje niet kent, is de kans reëel dat je in volgende zinnen weinig meer ziet dan mededelingen.
De deskundige die op 11 of 12 september zou hebben opgemerkt dat er in de Verenigde Staten jaarlijks ruim 42.000 mensen in het verkeer omkomen zonder dat er een haan naar kraait, laat staat dat er een ‘war on traffic accidents’ wordt afgekondigd, zou waarschijnlijk onmiddellijk de deur van de studio zijn gewezen.

[...]

Voor het gewenste effect is een pantserdivisie afhankelijk van de geconcentreerde inzet van grote hoeveelheden tanks, goede luchtsteun en ruimte om vaart te maken en te manoeuvreren. Wordt aan die condities niet voldaan, dan is de tank maar al te vaak een crematieoven.
Misschien zit er op zinsniveau wel minder verschil tussen de schrijver en de mediafiguur Van Rossem dan gedacht. Op televisie maakt hij indruk door de achteloze manier waarop hij kant en klare volzinnen uit zijn mouw schudt, ironische twist incluis. Op papier schrijft hij niet zoveel ingewikkelder, en dat is allicht het probleem. Papier stelt veel hogere eisen, wil iets blijven boeien.

Kruisafnames
Over tanks gesproken: niet toegevoegd aan Drie oorlogen zijn de notities over de uitvinding van deze moordmachine op rupsbanden. Vreemd, omdat Van Rossem in zijn korte geschiedenis van de twintigste eeuw sterk de nadruk legt op de rol die technische vondsten hebben in geopolitieke confrontaties. En omgekeerd. Zo was het de statische loopgravenoorlog die de uitvinding van de tank noodzakelijk maakte: een succesvolle aanval vanuit de eigen loopgraven op de defensieve posities van de tegenstander bleek een vrijwel onmogelijke opgave.

In Van Rossems bespreking van Tank : the progress of a monstrous war machine van Patrick Wright wordt de tank neergezet als metafoor voor onverwoestbaarheid, maar ook als belangrijk middel om de eigen burgerbevolking onder de knoet te houden. Daarnaast is het echter ook een lomp tuig dat alleen gevaarlijk is in zeer specifieke omstandigheden. Naast de overbekende Blitzkrieg van de Duitsers en hebben ook de Israëli’s in 1967 een uiterst succesvolle bliksemaanval uitgevoerd met tanks.

Ook niet opgenomen in Drie oorlogen zijn twee boekbesprekingen in de slipstream van het stuk over de Tweede Wereldoorlog. Zo worden in 'Eichmann in Jeruzalem' de ideeën van Harry Mulisch (De zaak 40/61), Abel J. Herzberg (Eichmann in Jeruzalem) en natuurlijk Hannah Arendt (Eichmann in Jerusalem) — "de enige officiële auctor intellectualis van het idee van de banaliteit van het kwaad" — tegen elkaar afgewogen.

Wat zo verontrustend is: Eichmann had niet het profiel van een moordenaar, maar dat van een gehoorzaam burger van het Derde Rijk. Hij was een bureaucraat die geschokt was toen de nazikopstukken overschakelden op de fabrieksmatige moord (dus niet langer: uitwijzing) van alle joden, maar toch netjes zijn werk bleef doen. In de discussie over hoe dit kon gebeuren, staat het vraagstuk centraal of Eichmann in Hitler geloofde of niet. Zelf vond hij de grens tussen ideologische indoctrinatie of plichtsgevoel niet van tel. Van Rossem gaat ook in op de fout van de Israëlische regering om Eichmann tijdens zijn proces om propagandistische en educatieve redenen tot Hitler te bombarderen.

Ook Van Rossem gelooft dus in de banaliteit van het kwaad — de gedachte uit de jaren zestig dat een criminele en moordzuchtige overheid geen moeite zal hebben met het vinden van plichtsgetrouw personeel dat zonder bedenken bereid is haar misdadige politiek ten uitvoer te brengen.

Duitsers zijn daarop geen uitzondering, en dat is wat Daniel Goldhagen wel beweert in zijn Hitlers gewillige beulen, een boek waar Van Rossem geen goed woord voor over heeft. Hij geeft tegenvoorbeelden die de these ondermijnen als zou moorddadig antisemitisme het hart van de Duitse cultuur uitmaken. Is er ook nog de belangrijke vraag of de nazi’s altijd al van plan waren de joden te vermoorden of pas in een laat stadium hun antisemitische politiek daartoe hebben besloten. De effectieve nazi-propaganda en het feit dat de overgrote meerderheid van de Duitsers gehoorzame en enthousiaste burgers van het Derde Rijk waren, zijn voor Van Rossem voldoende precondities voor de holocaust.

Een volgende sectie van dit boek is gewijd aan schilderkunst, wat ik in mijn hokjesdenken gek vond — nooit had ik in Van Rossem een kunstliefhebber gezien. In zijn warme bijdragen over Brueghel, Saenredam, B.C. Koekkoek, P.J.C. Gabriël, Jacobus van Looy en Willem Witsen ageert de schrijver zijdelings tegen de intolerante monocultuur van het modernisme, die neerkijkt op zulke kleinburgerlijke genoegens. Kunstcritici, vindt de auteur, helpen ook gretig meebouwen aan dat manicheïstische wereldbeeld (denk ook aan de opdeling impressionisten versus academici). Ze ontnemen liefhebbers vaak het zicht op schilders die niet in hun kunsthistorische concepten passen of intimideren de schilders met hun esoterische denkbeelden en voorschriften.

Volgens het modernisme moet kunst bovenal vernieuwend zijn: kunst is avantgardistisch of het is geen kunst. Kunst moet de beschouwer verontrusten en aan het denken zetten. Het is uitgesloten dat kunst alleen maar vrijblijvend genoegen verschaft. Een van die profeten die beweerde dat een schilderij nooit meer dan verf op een plat vlak was en daaruit concludeerde elke werkelijkheidsillusie moest worden prijsgegeven, was Clement Greenberg. Van Rossem moet niets hebben van dat purisme. "Niets is aangenamer voor het oog dan virtuoos vakmanschap." Hij slaagt erin mijn interesse op te wekken voor portretschilder John Singer Sargent en zijn lof voor het Hollandse stilleven werkt aanstekelijk.
De museumbezoeker die uren lang door zalen vol met meesterwerken heeft gedwaald, krijgt wel eens genoeg van die meesterwerken, van de apocalyptische landschappen, bijbelse taferelen en zelfportretten van gekwelde genieën. Als het meezit vindt hij dan een tussenzaaltje met Hollandse stillevens uit de zeventiende eeuw: virtuoos geschilderde, op menselijke maat uitgevoerde schilderijen van min of meer alledaagse voorwerpen, met vaak de suggestie van een stichtelijke boodschap. Een schaaltje met frisse frambozen op wit damast met een glas witte wijn ernaast: dat kan een hele opluchting zijn na een paar sombere ruiterstukken of kruisafnames.
In een bijdrage over Holbein wordt Coetzee bijgetreden in zijn definitie van een meesterwerk. Misschien dat zo'n topstuk niet in elke epoche even goed standhoudt, maar het blijft bewaard voor het nageslacht omdat een meesterwerk per definitie in een kleine kring van kenners en liefhebbers blijft leven.

Zoutaccijns
Misschien het meest vermakelijk zijn de stukken waarin Maarten van Rossem alle paniekvoetballers tackelt, zeker als ze in eerste klasse spelen: journalisten, hoogleraren, beleidsmakers. In 'Deskundigen en risico's' legt hij dan uit wat voor weldaad rampen zijn, behalve dan voor de betrokkenen. In één beweging door rijt hij de maakbaarheidsillusie die burgers en bewindslieden koesteren aan flarden.
Een ramp wordt veroorzaakt door een zeer complexe, volledig onvoorspelbare samenloop van omstandigheden. Er gaat bij een ramp nooit één ding mis, maar juist een reeks van dingen, die dan ook weer een rampzalig effect op elkaar hebben. De kans dat eenzelfde ramp zich met enige regelmaat opnieuw zal voordoen is praktisch te verwaarlozen. Echte schuldigen heeft een ramp zelden.
En hoewel Van Rossem in 'De verschoolsing van het academisch onderwijs' nog te keer gaat tegen het slappe niveau van de meeste studenten (die het liefst leerstof reproduceren, en academische discussies uit de weg gaan) moet hij niets hebben van cultuurpessimisme in het algemeen. De eeuwige intellectuele gebreken van het genre zitten vooral in statistisch bewijsmateriaal, dat zelden wordt geleverd.
Het cultuurpessimisme is steeds gebaseerd op vage sentimenten en persoonlijke indrukken die vervolgens ongeremd gegeneraliseerd worden. Emma Brunt is verslaafd aan soaps, dus zijn alle Nederlandse intellectuelen verslaafd aan soaps. NRC Handelsblad publiceert een bijlage over Big Brother, dus heeft de culturele elite maandenlang tot de laatste man naar Big Brother gekeken.
Een verzameling anekdotes kan nooit een algemene trend bewijzen. Voor de rest blijkt uit niets dat de culturele elite al jarenlang geen behoorlijk boek meer heeft gelezen, vanwege een hopeloze collectieve televisieverslaving. Waarom zou die achteruitgang ook nu ineens inzetten? Stompzinnige radio- en televisieprogramma’s bestaan al decennia, maar hebben tot op heden niet geleid tot het herfsttij van de high culture.

Hetzelfde met de paniek over het gebrek aan algemene ontwikkeling bij de bevolking, die om de zoveel tijd opduikt. Studenten zijn daarbij vaak kop van jut. Maar, zegt Van Rossem, studenten zijn net als de meeste andere mensen pragmatische kennisverzamelaars. Ze doen de kennis op die in het dagelijkse leven en bij de studie goed van pas komt. Het aantal mensen dat gedreven wordt door de hartstochtelijke wens van alles en nog wat te weten over alle mogelijke onderwerpen, is zeer beperkt. Het probleem met alle onderzoek naar de algemene ontwikkeling is onveranderlijk dat de eigen algemene ontwikkeling als uitgangspunt genomen wordt. Wat men zelf weet, zou eigenlijk iedereen moeten weten.
Kennelijk wordt verondersteld dat de geschoolde Nederlander geen nuttig leven kan leiden als hij niet beschikt over een ruime algemene ontwikkeling en dat de Nederlandse cultuur ten dode is opgeschreven als eerstejaars studenten niet gedetailleerd op de hoogte zijn van de Statenvertaling en de werkzaamheden van de Eerste Kamer. Die veronderstelling lijkt mij apekool.
Een Tweede-Kamerlid kan uitstekend functioneren zonder te weten dat de eerste parlementaire enquête zich bezighield met de zoutaccijns. De Leidse studenten zullen tijdens hun studie geen hinder ondervinden van hun onkunde omtrent de paasviering en de Statenvertaling. Je zou zelfs kunnen beargumenteren dat het volkomen normaal is dat studenten in een vrijwel volledig geseculariseerde cultuur van deze zaken niet op de hoogte zijn. (...)
Degenen die zich zo bezorgd tonen over het gebrek aan algemene ontwikkeling, gaan er ook impliciet vanuit dat er een welgedefinieerde hoeveel kennis is, klaarblijkelijk handzaam samengebracht in het Cultureel woordenboek, waarover iedere Nederlander met een VWO-opleiding zou moeten beschikken. In de praktijk is dat natuurlijk helemaal het geval niet. Elke sociale groep, ja, elk individu zal weer een andere opvatting hebben over de noodzakelijke algemene ontwikkeling. Ongetwijfeld hadden de eerstejaars studenten Kohnstamm allerlei vragen kunnen stellen waarop hij het antwoord niet had kunnen geven. Ik las in de krant dat Kohnstamm niet bleek te weten wie de Spice Girls zijn. Dat hij dat niet wist is allerminst een ramp, het is per slot van rekening geen kennis die in het Leidse academische milieu van grote relevantie is, maar het is evenmin een ramp als de Leidse studenten niet weten wie Marinus van der Lubbe was.
Van Rossem koestert wantrouwen tegen elke vorm van systematische volksopvoeding. Het idee dat de meerderheid van de bevolking zodanig cultureel opgevoed kan worden dat zij kan participeren in de high culture, lijkt hem een illusie. Werkelijke deelname aan het culturele debat behoort voor de meerderheid van de bevolking niet tot de mogelijkheden, simpelweg omdat die deelname veel te veel tijd en inspanning vraagt. Er zijn ook goede redenen om een zelfverklaarde culturele elite te wantrouwen. Denk aan de late jaren veertig en de jaren vijftig.
De denkbeelden van de opvoederselite waren een bleekzuchtig mengsel van vaag christelijke en sociaal-democratische opvattingen. Als de culturele elite van toen haar zin had gekregen, hadden we nooit gehoord van De avonden en zou Bertus Aafjes als de grootste naoorlogse literator gelden. Jazz en popmuziek zouden waarschijnlijk verboden zijn als het aan deze culturele elite had gelegen.
Toch is in Heeft geschiedenis nut? ook het verweerschrift 'Het nut van dr. Clavan' opgenomen, waarin Van Rossem zijn functie als fel gemediatiseerde intellectueel verdedigt. Slechts een enkele deskundige is zo breed geïnteresseerd en mediageniek dat hij zich langzaam kan ontwikkelen tot een publieke intellectueel, en daar is niets mis mee, zegt-ie. Laten we niet doen of elk wetenschappelijk artikel met aangepast notenapparaat waardevolle lectuur is, en laten we niet doen of je ook in het publieke debat niet door de mand kan vallen. Een academische publieke intellectueel is nodig in de massamedia. Punt. Al was het maar om vanuit een bredere kennis in te gaan tegen onbedachtzaam conformisme.

Om maar iets te noemen: Van Rossem kijkt hoofdschuddend toe wanneer de jaren losbandige jaren steeds opnieuw de schuld van alles krijgen. In het essay 'De jaren zestig: vloek of zegen' komt hij tot dezelfde conclusies als het boek dat ik eerder deze week besprak, Laat ons feesten. Volgens Van Rossem is die hele protestgeneratie sowieso een fictie. Een groep mensen met dezelfde historische ervaringen definiëren in de geschiedenis een generatie. Maar: eenvoudige waarneming leert al dat mensen die vijf jaar ouder of jonger zijn dan jijzelf vaak heel verschillende historische ervaringen hebben opgedaan. De historische ervaringen van de leden van de zogenaamde generaties wisselen ook zeer sterk met de sociale klasse waartoe de generatiegenoten behoren. De oproeikraaiers van 1968 vormden een minuscuul deel van hun generatie.

In een stuk dat Van Rossem voor de goede orde dateert — "najaar 1998" — richt hij zijn pijlen op de zogenaamde multiculturele samenleving. Nonsens, klinkt het. Nederland heeft een relatief homogene, dominante cultuur. Minderheidsculturen, als ze al niet bezig zijn te assimileren, leven in een isolement. Hun invloed op de dominante cultuur valt te verwaarlozen. De 'multiculturele samenleving' is een politiek correct en dus vals begrip.
De gebruikers van deze term willen ermee suggereren dat de dominante cultuur uiterst tolerant is en vooral de nieuwe minderheden niet wil discrimineren. Het gevaar is dat de vertegenwoordigers van de diverse minderheden de politiek correcte vertegenwoordigers van de dominante cultuur op hun woord geloven en zo tot de overtuiging komen dat assimilatie niet geboden is. Zouden de minderheden dat inderdaad denken, dan veroordelen zij zich tot een armzalig bestaan in de marge van de Nederlandse samenleving.
Soapsentimenten
Een paar essays uit Heeft geschiedenis nut? neem ik op in mijn bestandje 'overzichtsartikels' — goed onderbouwde inleidingen tot onderwerpen die me maar half interesseren en toch belangrijk zijn.

'Het poldermodel in internationaal perspectief' schetst de geschiedenis van de Hollandse gedoogcultuur en hoe terecht de positieve dan wel negatieve perceptie is die daarvan in het buitenland leeft. Het poldermodel is de naam die gegeven wordt aan het Nederlandse consensusmodel waarin werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar aan tafel gaan zitten om afspraken over arbeid te maken. Deze afspraken zijn echter niet bindend, maar eerder richtinggevend voor het beleid naar de achterban toe. Als beginpunt van de term poldermodel wordt vaak het Akkoord van Wassenaar (1982) gezien, waarin de genoemde partijen een loonmatiging afspraken. Van Rossem eindigt met de interessante typologie van de verzorgingsstaat door de Zweedse politicoloog Esping-Andersen.

Volgen: drie beschouwingen over de democratie. In 'Regenten en populisten' stelt Van Rossem dat een parlementaire democratie, wil ze goed werken, een evenwicht moet zoeken tussen deze twee bestuursvormen. In een ander stuk relativeert hij de vraag die door steeds meer politicologen wordt opgeworpen (en ook Boeklog zorgen baart): 'Is Nederland een democratie?' De volksvertegenwoordigers vertegenwoordigen niet de belangen van het volk maar die van de zichzelf coöpterende regentenstand die in Nederland de dienst uitmaakt, zo luidt dan de kritiek. Politiek en openbaar bestuur raken zo hopeloos met elkaar verweven. Ideologisch lijken de partijen, de spil van het regenteske systeem, ook nog eens als twee druppels water op elkaar, zodat verschillen alleen worden benadrukt om de kiezers zand in de ogen te strooien.

Criticasters van het gebrek aan democratie staren zich blind op de volksvertegenwoordiging, de partijen en de regering, stelt Van Rossem daar tegenover. Vergeet de media niet, zegt hij, en de televisiedemocratie. Hij is geporteerd voor de ideeën van Fareed Zakaria (The future of freedom), die zegt dat de democratie tot de jaren zestig niet al te democratisch functioneerde, en juist daardoor aan efficiëntie won.

Meer democratie leidt er niet toe dat de belangen van de gemiddelde burger beter worden behartigd. De gemiddelde burger is nu eenmaal niet goed georganiseerd, omdat zijn belangstelling voor de politiek nooit meer dan incidenteel is. De grotere openheid van het bestel is dus vooral benut door goedgeorganiseerde deelbelangen, fanatieke minderheden en — in het geval van de Verenigde Staten — mensen met zoveel geld dat zij van de politiek een leuke hobby kunnen maken. De democratisering van de democratie, die de bedoeling had de wensen van de meerderheid van de kiezers beter tot uiting te laten komen, heeft geresulteerd in een bestel dat door nieuwe minderheden wordt gedomineerd. De oude elites zijn vervangen door nieuwe elites, die minder zichtbaar zijn en minder gemakkelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen.

Een opstel in het verlengde daarvan, 'Het volk en de democratie', is dan weer nuttig omdat het een goeie definitie herbergt van een begrip dat vaak verkeerd wordt gebruikt, in politieke en anderssoortige scheldpartijen: populisme. De ware boodschap van de populisten (zoals Fortuyn) is altijd dezelfde:
het volk is groot en goed, maar het wordt gemanipuleerd, bedrogen, belazerd en voorgelogen door een kleine elite, die het volk minacht en alleen maar op haar eigen belang uit is. Dat de kiezers die elite, althans in een democratie als Nederland, vier jaar geleden zelf hebben gekozen blijft onverklaard. Het probleem hier is nu juist dat het volk en de kiezers geheel verschillende zaken zijn. Het volk is een mythische eenheid, hoofdonderwerp van de populistische retoriek. De kiezers bestaan echt en stemmen in Nederland op een groot aantal verschillende partijen. Het meest beangstigende nevenverschijnsel van de opkomst van Fortuyn is deze verschijning van termen als ‘het volk’ en ‘de zwijgende meerderheid’ in de politieke discussie. De soapsentimenten rond de begrafenis van Fortuyn waren de rouw van het hele Nederlandse volk, in elk briefje dat bij zijn woning werd gedeponeerd sprak de stem van het volk. Zijn wereldbeeld is nu het wereldbeeld van het volk. Kortom, hij gaf het amorfe volk vorm.
Waarom tal van serieuze commentatoren meegaan in deze gevaarlijke populistische nonsens, begrijpt Van Rossem niet. Het volk als een handelende en denkende eenheid bestaat helemaal niet. Zij die in het verleden claimden te spreken voor een heel volk, of voor een sociale klasse, hebben de meest onbeschrijflijke narigheid aangericht. Het idee van een coherent handelend volk is dan ook in strijd met de democratische beginselen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Maarten van Rossem, Heeft geschiedenis nut?
336 p.
Uitgeverij Het Spectrum, 2003

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails