maandag 30 augustus 2010

De vliegende reporter - Egon Erwin Kisch

De legendarische journalist Egon Erwin Kisch, een Duitstalige Prager, maakte het begrip 'razende' of 'vliegende' reporter spreekwoordelijk. Kisch werkte dag en nacht en reisde de wereld rond voor zijn stukken. Om onder de hoon van 'echte' literatoren en commentatoren uit te komen, ging Kisch zijn krantenreportages ook bewerken, zodat ze de tand des tijds konden doorstaan. Zijn allerbeste bijdragen lijken op fotografische momentopnames van 360 graden.

Het eerste stuk in deze bloemlezing geeft dat meteen al te zien. Egon Erwin Kisch neemt in het begin van de Eerste Wereldoorlog dienst als korporaal in zijn Praagse huisregiment en trekt naar het Servische front. Hij houdt een dagboek bij, dat uitgroeit tot een volwaardig boek: Schreib das auf, Kisch!, naar de kreet waarmee zijn kameraden hem ertoe zouden hebben aangezet vooral niets van de dagelijkse gruwelen onvermeld te laten. Terwijl de artilleriegranaten over zijn hoofd suizen (en de stam van een boom achter hem vellen) maakt hij zijn notities. Althans, zo laat Kisch het voorkomen.

Eergisteren had ik tot het woord ‘flank’ geschreven. Het grootste deel tijdens rustpauzes in de mars, de laatste zinnen heb ik in de vuurlijn proberen te stenograferen.
Door de prachtige visualiteit, de uitgekiende montage en het jachtige tempo van de tekst wordt de lezer midden in de actie gekatapulteerd. Het resultaat is oorlogsproza dat zich makkelijk met dat van Ernst Jünger kan meten. Maar waar Jünger gretig de heroïek van het soldatenleven oppimpt met literaire kunstgrepen, wil Kisch met zijn aan de film ontleende technieken vooral de ontluisterende werkelijkheid van de oorlog laten zien ("Blouse, jas en verband zijn met één enkele kleurstof geïmpregneerd: met bloed"). Zijn beschrijving van de aftocht van het Oostenrijkse leger bij de Drina en de Save staat bewust in schril contrast met de juichende officiële zegebulletins van Oostenrijk-Hongarije, die hij haatte.

Het sprekende, realistische detail is daarbij belangrijk. Kisch berekent bijvoorbeeld het aantal schoten op het slagveld ("meer dan een miljoen") en rapporteert over het kleingeestig gedief onder soldaten. De manier waarop hij zijn indrukken ordent is knap, de toon aanstekelijk. Kisch is een kranige, goedgeluimde man die er duidelijk voor kiest feiten te dramatiseren. Dat kon ook nog: Kisch leefde in een tijd, de jaren twintig en dertig, waarin artikels niet suf werden gecheckt en gevierde journalisten zich in een enorme populariteit konden verheugen.

Het enige van Kisch dat voor de moderne Nederlandstalige lezer beschikbaar is, staat in dit boek. Geert van Istendael en Mark Schaevers maakten een selectie uit het totale oeuvre en schreven voor De vliegende reporter een zeer genereus nawoord, 'Sensatie en stalinisme', waar ik voor de volgende alinea's gaarne uit put.

Egon Erwin Kisch wordt geboren in 1885 in een Sefardische Duitstalige familie. Zoals de grote meerderheid van de Duitstalige Pragers, zijn ze joods en welgesteld. Duitstalige Pragers beperken hun betrekkingen met de Tsjechische meerderheid tot het strikte minimum, al is er ook stiekem respect: Bohemen en Moravië worden gerekend tot de economisch verst ontwikkelde gebieden in het Oostenrijkse keizerrijk en Europa.

Onderwijs kreeg Kisch in het Duits. Net zoals Rainer Maria Rilke, Max Brod en Leo Perutz liep hij school bij de katholieke Orde der Piaristen (zie het opstel 'De Piaristenschool'). De orde was gesticht door de Spaanse priester en heilige Jozef van Calasanza (1566-1648). Het doel van zijn orde was onderwijs en opvoeding te bieden aan de onderkant van de samenleving, een vorm van basisonderwijs. De eerste scholen, stichtte hij in het zestiende-eeuwse Rome. In de landen van de Oostenrijkse monarchie gingen zij zich in latere tijd ook op het middelbaar onderwijs richten. De Orde der Piaristen werkte naast die der Jezuïeten. Toen deze orde tijdelijk verboden werd en de Jezuïeten verbannen werden, namen zij een tijd lang de werkzaamheden over.

In 1904 gaat Kisch vrijwillig in militaire dienst. Hij wordt voor één jaar ingelijfd bij het Praagse huisregiment. Daarmee doorbrak hij, in de woorden van Schaevers en Van Istendael "voor het eerst de drievoudige grens — Duits, joods, burgerlijk — die hem tot dan toe van de Tsjechische arbeiders, boerenzonen en kleine kantoorbedienden gescheiden had." Een substantieel deel van zijn diensttijd zit hij in de bak, waar hij de onderkant van de samenleving leerde kennen, het tuig van de richel. "Zijn medearrestanten — allemaal Tsjechen — bevielen hem zeer, vooral omdat ze geen enkele zin hadden voor hiërarchie, uniformen en de daarmee verbonden keizerlijke en koninklijke Oostenrijkse waardigheid."

Na een maar halfgeslaagde journalistenopleiding in Berlijn gaat hij voor Tsjechische bladen schrijven: het Prager Tagblatt, gevolgd door de krant Bohemia. Kisch doet de stadspolitiek en de kleine criminaliteit. De onderbuik van de stad ligt hem. Jan Neruda, Emile Zola en Charles Dickens zijn de literaire voorbeelden. Hij wordt een meester in het opsmukken van anekdotes, wat zijn collega's, die consciëntieuzer waren maar niet zo goed konden schrijven, de ogen uitstak. Zeldzaam voor een Duitstalige journalisten is dat Kisch wordt opgenomen in het Praagse nachtleven. Hij heeft respect voor de niet-Duitstalige meerderheid van de stad en doorspekt zijn teksten graag met Tsjechische wendingen.

In 1910 kan hij zich losmaken van de dagelijkse primeurs en gaat hij ook speciale reportages maken voor de cultuurpagina. Hij vaart mee met de houtvlotters vanuit Smíchov naar Maagdenburg en gaat als clochard vermomd het nachtasiel in ('Een nacht in het asiel voor daklozen'). Wie denkt dat Serge Simonart vernieuwende dingen doet, think again.

Vanaf 1912 zal Kisch zijn beste stukken op elkaar afstemmen en bundelen. Hij verruimt ook zijn actieterrein. Kisch gaat op reis naar Napels, Constantinopel, Londen en Antwerpen. De journalist kent goed zijn talen: hij spreekt Duits en Tsjechisch en bekwaamt zich in het Frans, Engels, Russisch en Spaans. Brandhaarden zijn een specialiteit van Kisch: in het Albanese Scutari bericht hij over de oorlog tussen het koninkrijk Montenegro en het Ottomaanse Turkije (beiden grenzend aan de dubbelmonarchie). Het in De vliegende reporter opgenomen stuk 'Jachtige balkanreis' gaat daarover.
De kabinetten van alle grote mogendheden onderhandelen over Scutari, doen stappen voor- en achteruit, blokkeren en mobiliseren, demonstreren en confereren in plaats van met honderd wagons meel de stad van de hongersnood te verlossen, wat het enige acceptabele Europese beleid is! Minachtend kijkt men naar de Balkan vanuit die nog verschrikkelijker Balkan die Europa is.
1913 is het jaar van de grote doorbraak. Kisch wordt ook buiten Tsjechië beroemd vanwege zijn onthullende stuk over de zaak Redl. In het jaar voor het uitbreken van de Wereldoorlog brengen de onvrijwillige zelfmoord van de Praagse stafchef kolonel Alfred Redl en zijn kort daarop bekend geworden spionageactiviteiten een ongekende sensatie teweeg. Redl bleek voor de Russen te werken. De lange, ambachtelijke reportage van Kisch is een boeiend verhaal van dubbelspel en hoogverraad, en beschrijft ook mooi hoe spionnen worden geronseld en afgeperst.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Kisch, zoals eerder gemeld, opgeroepen voor het Oostenrijkse leger. Hij vecht in de frontlinie in Servië en de Karpaten, maar wordt korte tijd gevangengezet omdat zijn verslagen de legertop onwelgevallig waren. Daarna wordt hij, net als collega-schrijvers als Musil, Rilke, Hofmannsthal en Werfel, ingeschakeld in het Kriegspressequartier te Wenen, waar hij ondanks alles braafjes zijn bijdrage tot de Oostenrijkse oorlogspropaganda levert.

De oorlog radicaliseert de politieke opvattingen van Kisch. In de herfst van 1918 nemen spanning en chaos in Wenen toe. Horden soldaten van de meest uiteenlopende nationaliteiten lopen weg van het front en doorkruisen de hoofdstad van het keizerrijk, "op zoek naar een trein die hen naar Moravië, Bosnië of Wolhynië terug zou brengen". Het k.e.k. Oostenrijks-Hongaarse leger wordt niet gemobiliseerd, het valt uit elkaar.

Ook Kisch deserteert en speelt een leidende rol in de Weense revolutionaire beweging van dat jaar. In de stad heerst gebrek (alleen in de kazernes krijgen de soldaten nog geregeld hun eten), gewapende arbeidersmilities struinen door de fabrieksbuurten, en de roep om een rode machtsovername wordt gehoord. Kisch roept de soldaten op het voorbeeld van de Russische Revolutie te volgen. Maar Oostenrijk is Rusland niet: de ambities van de Rode Garde en de arbeidersmilities worden afgeblokt door de restanten van het oude regime en de sociaal-democraten. Werfels vuistdikke roman Barbara of de vroomheid beschrijft deze woelige periode; Kisch is een van de hoofdpersonen.

Kisch wordt communist in 1919 en zal dat zijn leven lang blijven. Communisme staat in zijn ogen voor "humanisme in ethische en sociale zin" en is dé "standplaats van de cultuur". Het is een opmerkelijke overgang: de kritische, beschaafde journalist met de niet te stuiten energie wordt een dogmaticus en verdediger van Stalin. Dat valt in de nadagen van de oorlog niet eens mee. Werk is moeilijk te vinden. Het blad Der Neue Tag met Musil, Polgar, Werfel en Joseph Roth is Kisch te weinig radicaal. Karl Kraus boort hem de grond in. De succesrijke journalist van weleer leeft in armoede. Hij moet terug naar Praag, waar hij volkse theaterstukken maakt in samenwerking met zijn oude vriend Jaroslav Hašek.

In 1921 gaat het opnieuw naar Berlijn, in de woorden van Schaevers en Van Istendael de "bruisende hoofdstad van een failliete wereldmacht, wegzinkend in een snel aanzwellende poel van inflatie, de stad waar de moraal eens en voorgoed afgeschaft leek te zijn en waar de hele briljante kunstenaarsmeute van het vernietigde keizerrijk Duitsland samenkloekte." Kisch schrijft er voor burgerlijke maar ook voor enkele donkerrood gekleurde bladen. Gepubliceerd worden door Carl von Ossietzky en Kurt Tucholky is in die dagen het hoogste voor een radicale schrijver. Het stuk 'Zin in Bacchanalen' is een sfeerbeeld van de eerste orde. In het Berlijn van 1922 houdt men zich strikt aan de sluitingstijd: één uur. Duizenden mensen worden om die tijd op straat gezet en moeten naar huis, hoewel ze daar totaal geen zin in hebben. Kisch:
Dan beginnen de activiteiten van de ambulante nachtclubs, actief en een nieuw geheim beroep, dat in Berlijn tegenwoordig al veel meer dan duizend vertegenwoordigers telt, het beroep van klantenlokker of runner. De ondernemers van die ambulante nachtclubs vormen een groep, de zogenaamde ‘partij’, die van tijd tot tijd particuliere woningen huurt, ze van sandwiches, champagne, kaviaar, wijn en sterkedrank voorziet en een of twee naaktdanseressen, een orkestje bestaande uit één violist, een kelner en vooral de runners engageert. Want die runners moeten het grootste deel van het werk doen en krijgen ook het leeuwendeel van de opbrengst van deze reusachtige zwendel.
In 1924 verschijnt dan de beroemde bundel Der rasende Reporter. De cover laat Kisch zien met zijn onafscheidelijke sigaret — een manisch mannetje dat vele zaken met robotachtige simultaniteit afhandelt. 'Razend' was dan ook een modewoord in de jaren twintig. De Weimar-republiek was geobsedeerd door snelheid en beweeglijkheid en Kisch cultiveerde graag zijn imago van bijdehante duivel-doet-al.


Foto via Photobibliothek.ch

De rasende Reporter (onderhavige bloemlezing beperkt zich overigens niet tot het gelijknamige boek) is zeer afwisselend opgebouwd en de betrokkenheid van de journalist bij zijn materiaal is groot. Kisch moest dan ook vechten voor het respect van literatoren, dichters en feuilletonschrijvers die feiten maar platvloers vonden. In een artikel uit 1918 had Kisch al het begrip 'logische fantasie' ontwikkeld. Volgens Kisch is de logische fantasie onmisbaar om feiten met elkaar te verbinden tot een zinvol en begrijpelijk bericht. Een journalist is evengoed een personage in zijn artikel, want moet ruim uit eigen ervaring putten:
‘De resultaten van het onderzoek komen uit de eerste hand, komen uit het leven zelf. Natuurlijk is een feit niet meer dan het kompas waarop hij vaart; hij heeft echter ook een verrekijker nodig: de “logische fantasie”. Want nooit verschijnt uit de autopsie van de plaats van een misdrijf of een gebeuren, uit wat betrokkenen en getuigen loslaten en uit de tegen hem geuite vermoedens een volledig beeld der gebeurtenissen. Hij moet zelf het verloop van de zaken, de overgangen tussen resultaten van het onderzoek construeren en daarbij moet hij er goed op letten dat de rechte van zijn uiteenzetting precies door de hem bekende feiten (de gegeven punten op het lijnstuk) loopt. Het ideaal is dan dat de waarschijnlijkheidskromme die de reporter trekt, samenvalt met de werkelijke verbindingslijn die alle fasen van het voorval met elkaar verbindt.’
In Berlijn verandert Kisch van een Oostenrijke communist in een Duitse communist. Hij moet echter op zijn hoede blijven voor de ultraconservatieve garde van ambtenaren en rechters die na de oorlog is blijven zitten en het op linkse elementen hebben gemunt. In 1925 maakt hij een reis door Rusland en publiceert daarover het enthousiasmerende boek Zaren, Popen, Bolschewiken.
De interessantste passagiers, verreweg de interessantste, maken gebruik van de harde klasse; wie het geluk heeft een aantal dagen of zelfs weken te reizen en te wonen in de donkergroene wagon, die ziet en hoort het oude en het nieuwe, het noordelijke en het zuidelijke, het enthousiaste en het verontwaardigde Rusland. Die leert de oervormen van alle types uit de literatuur kennen, van Gorki’s boeren op blote voeten tot en met Tolstoj’s vorsten, van de helden uit de van Napoleon die Lermontov zo nobel afschilderde tot en met de rode ruiters van Boedjonni, over wie Babel nu vrijpostige satires schrijft. Die heeft vriendschappen gesloten en tal van komedies en tragedies meegemaakt. Het publiek is gemengd, iets beters valt er over een publiek niet te zeggen.
In zijn vurigheid wordt Kisch een oprecht verdediger van de Russische censuur. Zijn journalistieke opvattingen evolueren mee. Een reporter moet nu partij kiezen. Kisch brengt dat zelf in de praktijk, door mee te werken aan de propagandistische bladen van Willi Münzenberg, die voor de Komintern werkt. Hij maakt reizen naar China én de Verenigde Staten, waarover hij het sarcastisch getilde Paradies Amerika publiceert. In LA ontmoet hij Upton Sinclair en de hogelijk bewonderde Charlie Chaplin, die aan zijn meesterwerk City Lights zit te werken (zie 'Aan de slag met Charlie Chaplin'). Het gesprek gaat onder meer over Shakespeare. Chaplin: "Alle mannen bij Shakespeare zijn verklede vrouwen en alle vrouwen verklede mannen."

Op 27 februari 1933 wordt de Rijksdag in brand gestoken, een prima alibi voor de nazi's om duizenden tegenstanders van het nationaal-socialisme op te pakken. Ook Kisch wordt in de gevangenis van Spandau gegooid, maar komt vrij omdat hij nog steeds Tsjecho-Slowaaks staatsburger is. Anti-fascistische intellectuelen krijgen het alsmaar moeilijker. Duitse emigranten blijven Praag binnenstromen, maar ook daar worden ze door zwaar gewapende leden van de SA en SS op de hielen gezeten.

In die periode, hij is verbannen uit Duitsland, zit Egon Erwin Kisch in Parijs. In juli 1933 wordt daar de uiteengevallen schrijversbond Schutzverband Deutscher Schriftsteller weer opgericht. Kisch zit in het bestuur. Onvermoeibaar zet hij zich in voor anti-fascisten die het genazificeerde vaderland niet hebben kunnen ontvluchten. De tafeltjes van Les deux Magots en de wijk Saint-Sulpice worden zijn hoofdkwartier; later verhuist hij naar het goedkopere Versailles.

Door zijn natuurlijke charme weet hij communisten en sociaal-democraten tot een brede coalitie om te vormen. Arthur Koestler ziet in hem een soort vaderfiguur. Kisch' boeken verschijnen bij Allert de Lange in Nederland, de Verlagsgenosenschaft ausländischer Arbeiter in der UdSSR in Moskou en bij Münzenbergs Editions du Carrefour. Het communisme is nog steeds heilig: Kisch houdt zich opvallend stil tijdens de processen tegen trouwe communisten die Stalin in 1936-1938 laat organiseren en breekt met André Gide na diens kritische USSR-boek.

In februari 1935 spreekt Kisch in Sydney een menigte van 18.000 mensen toe over de concentratiekampen en de andere gevaren van Hitlers regime. Zijn "landing" in Australië gaat met heel wat gedoe gepaard. De rechtse Australische regering is niet erg op de komst van de journalist gesteld. Voor anker slaagt Kisch niet voor een moeilijke taaltest, waarop hij hals over kop van boord springt en daarbij zijn been breekt. Linkse krachten binnen Australië zorgen ervoor dat hij toch het land kan binnenkomen.


Kisch in Sydney (1935); foto via Wikipedia

Kisch maakt in de jaren dertig ook reizen naar België en Nederland, waar het leven de helft goedkoper is dan in Parijs. In 1936 vinden we samen met Joseph Roth en Stefan Zweig in Oostende, een ontmoeting waar Schaevers een elegant boekje over heeft geschreven. Ook uit de Laaglandse periode van Kisch is iets opgenomen in De vliegende reporter. En jawel, ter hoogte van het prachtige opstel 'De borinage, een viervoudig klassiek land' wordt ineens duidelijk waar Geert van Istendael de mosterd vandaan haalt voor zijn reportages. Ook Kisch zoekt de groezelige feiten op, en smeedt ze om in een taal van massief goud.
Op elk van deze bergen, die het groene, vlakke Henegouwen in een steile, duistere karst veranderen, hurkt een basilisk. Met zijn voorpoten op de bergtop en zijn achterlijf tegen de helling, strekt hij zijn hals en zijn muil uit. Van vroeg in de ochtend tot twee uur ’s middags spuwt hij om de twee minuten gruis en aarde uit.
Andere parallel is de combinatie van kunstzinnige gevoeligheid en sociale bekommernis van beide heren. Kisch schrijft over Constantin Meunier, over Vincent van Gogh en diens "vlucht van het steenkoolstof naar het stuifmeel", maar evengoed over de anonieme leden van de raad van beheer en de anonieme directeuren van de Société Générale de Belgique en de Banque de Bruxelles. Zij
regeren op grote afstand de mijnen van de Borinage: Établissement du Grand Hornu, Charbonnages du Nord de Geuly, Société du Levant de Flénu, Compagnie des Charbonnages belges en Charbonnages Réunis, alles wat hier met schachttoren, machinekamer, koolwasserij, schacht, mijngangen en 30 000 ondergrondse arbeiders werkelijkheid is, is bij de koersnotering op de Beurs van Brussel niet meer dan een dagelijks wisselend cijfer.
Zijn vijftigste verjaardag maakt duidelijk dat Kisch een zeer gewaardeerd schrijver is geworden onder vakgenoten. Hij wordt geprezen door Feuchtwanger, Zweig, Roth, Henri Barbusse, Anna Seghers, Brod, Koestler, Georg Lukács en Bertolt Brecht. Dat betekent niet dat hij op zijn lauweren gaat rusten. Hij gaat naar het front van de Spaanse burgeroorlog, al vecht hij niet. De oppositie tegen Franco is verdeeld, en de communisten, die de steun van de Internationale Brigades krijgen, kunnen zich stilaan met de anarchisten meten. Kisch bezoekt de hoofdstad en treft daar een onvoorstelbare ravage aan ('De huizen en paleizen van Madrid').
Je familie was talrijk en je woning was navenant, moeder Madrid. Je bezat twintigduizend huizen in elk daarvan had je gemiddeld vijftig van je kinderen ondergebracht. Zo’n tweehonderdduizend kartetsen en vliegtuigbommen suisden sinds november vorig jaar op je neer.
Toch heeft Kisch in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog grote moeite om geld te krijgen voor zijn werk. Als verdacht buitenlander wordt hij in de gaten gehouden door de Sûreté. In Duitsland is zijn werk sinds 1933 streng verboden. Na de Anschluss worden zijn Oostenrijkse lezers van hem afgesneden, en een paar maanden later bezet Duitsland ook de Duitstalige gebieden van Tsjechov-Slowakije. De ironie van het lot wil dat een stuk van Kisch (over een inrichting om gevallen meisjes op het goede pad te brengen) wordt geplagieerd en een literaire wedstrijd van de nazi's wint. Kisch:
Nadat de oorkonde van de nazi-jury en de duizend mark met tal van fraaie toespraken in de feestzaal van de Hamburgse Senaat aan de prijswinnaar waren overhandigd en de virtuoze humorekse onder daverend gelach was voorgelezen, verscheen ‘deze kostelijke, aan Fritz Reuter herinnerende, maar toch iets platter proeve van onvervalste volkshumor van de Noordzeekust’ in de kranten van Hitler-Duitsland.
Vrienden, ik wist niet wat ik zag. Het was letter mijn Praagse Magdalena-tehuis. Hanns ut Hamm had mijn tekst alleen naar Hamburg verplaatst, in het Plat-Duits opgeschreven en er een kleine, maar effectieve wijziging in aangebracht. In plaats van met ‘Egon’ laat hij zich door de gevallen engelen met ‘Hanns’ begroeten.
Ik wilde deze bekroning van mijn werk door de nazi’s in ons tijdschrift Schriftsteller ter overdenking aan onze in Duitsland achtergebleven collega’s aanbevelen. Maar het Schwarze Korps, het lijfblad van de SS, was me met de onthulling te snel af. Het had de bron ontdekt en was woest. Niet de literaire diefstal deed het bloed van het Schwarze Korps op 6 mei 1939 koken, maar het ‘schaamteloze binnensmokkelen van typisch volksvreemde gedachtegangen in de nationaal-socialistische volksaard en gebruiken’.
Het idee dat nationaal-socialistische leiders feestelijk bijeenkwamen ‘om het product van een sensatieschrijver te bekronen, wiens boeken terecht al op onze eerste brandstapel werden verbrand,’ vervulde het blad, zoals toegegeven werd, met een gevoel van zeer diepe schaamte. Het eiste dat de nieuwe schrijver van mijn oude artikel onmiddellijk gearresteerd werd, ‘opdat Hanss ut Hamm eens voor al leert, wat het kost om de versleten schoenen van Egon Erwin Kisch aan te trekken en in het Plat-Duits te gaan jodelen…’
Alleen schrijvers die het nazisme aanhangig zijn, kunnen publiceren. Opgenomen in De vliegende reporter is niet toevallig het stuk 'Kachetiner rode wijn', waarin Kisch fulmineert tegen Gottfried Benn: "Goed, dr. Benn, gaat u naar die mecenassen toe, betoont u hun uw trouw en politieke solidariteit, al u dat per se wilt." Geïnspireerd door de 'irrationele' psychologieën van onder andere Jung zocht Benn heil in de scheppingskracht van de kunstenaar, getuige o.a. de stukjes die hij schreef over de jonge Nietzsche en de jonge Hebbel. Dit waren voor hem voorbeelden van grote, zelfstandige figuren, die zich weinig hadden aangetrokken van sociale conventies. De oplossing voor het probleem van de teloorgang van de cultuur school volgens Benn in het nationaalsocialisme. (Desalniettemin nam de nazistische overheid aanstoot aan Benns notoire lijken- en rottingsgedichten, die niet bij de uitstraling van het Derde Rijk pasten. Teneinde zich tegen meer kritiek in te dekken, nam Benn dienst bij de Wehrmacht. Benn kreeg in 1938 een publicatieverbod opgelegd en hield zich tijdens de Tweede Wereldoorlog gedeisd.)

In maart van 1939 marcheren nazi-soldaten door de straten van Praag. Kisch' Praagse vrienden, die hem na 1933 meer dan één keer daadwerkelijk konden helpen, zijn nu zelf hulpbehoevend geworden. Kisch moet improviseren. Om aan geld te geraken treedt hij zelfs op als beroepsgoochelaar in Nice. (Het deeltje over Nice in de stedenreeks Het oog in 't zeil zegt er jammer genoeg niets over.)

Een grote teleurstelling voor alle communisten, dus ook voor Kisch, is hiet-aanvalspact dat Rusland sluit met Duitsland in datzelfde jaar, 1939. En het wordt nog erger dan dit 'pact met de duivel'. Wanneer Frankrijk Duitsland de oorlog verklaart zijn alle Duitse staatsburgers op Frans grondgebied ineens vijanden. Kisch ontkomt opnieuw, voor de tweede maal gered door zijn Tsjecho-Slowaaks paspoort.

Met een visum op zak "van een land dat niet meer bestond", vaart hij naar New York. Van daar gaat het naar Mexico, een land dat een links bewind voerde, gericht tegen de almacht van Kerk, grootgrondbezit en internationaal kapitaal. Mexico had na de nederlaag van republikeins Spanje de anarchistische vluchtelingen ontvangen. Kisch verkeert er in het gezelschap van Anna Seghers, Ludwig Renn en Lenka Reinerová, en ziet het politieke geruzie tussen de vele ballingen met lede ogen aan. In Latijns-Amerika krijgt hij te horen dat zijn twee broers door de nazi’s zijn vermoord.

In 1946 keert Egon Erwin Kisch terug naar Praag, maar wordt door weinigen meer herkend. De tijden zijn veranderd, de grote schrijver is vergeten. Van de reportages die Kisch plant over inheemse, Tsjechische onderwerpen komt weinig terecht. Hij is zijn bibliotheek kwijt; zijn Franse had hij niet mee kunnen nemen naar Amerika (te duur), de boeken die verborgen zaten in Praag hebben een overstroming niet overleefd. Bovendien is het Duits uit zijn vaderland verbannen. De drie miljoen Sudetenduitsers hebben overwegend gecollaboreerd met de nazi’s en in Praag heeft de bezetter zijn eigen cultuur systematisch uitgeroeid (de Duitstalige Pragers waren in hoofdzaak joods). Kisch, die het vroeger voor het Tsjechisch had opgenomen, mag niet meer in zijn moedertaal schrijven.

Overgewicht, de vele sigaretten en een leven lang sterke koffie eisen uiteindelijk hun tol. In 1947 krijgt Kisch een hartaanval, het jaar daarop bezwijkt hij aan een tweede. Tegenwoordig is zijn naam verbonden aan een prestigieuze Duitse geldprijs die literaire reportages bekroont.

De vliegende reporter was een openbaring voor me. Het heeft de bruisende, aardse toon gemeen met de Berlijnse reportages van Joseph Roth die ik inmiddels aan het lezen ben. Al schat ik Kisch als journalist hoger in. Hij paart literaire bluf aan grote eruditie en feitenkennis, persoonlijke betrokkenheid aan aandacht voor het grotere plaatje. Kisch speelt in dezelfde afdeling als A.J. Liebling, of tegenwoordig David Remnick (die een stuk minder speelruimte heeft, nu een handvol dubbelcheckers over zijn schouder meelezen bij The New Yorker).

Een pluim voor de samenstellers, die in dit boek de perfecte mix hebben gevonden. Een sociaal bewogen stuk als 'Het giftige koninkrijk aan de rijn' (over de gevaren van het werken in de textielindustrie) wordt afgewisseld met een poëtische impressie als 'De dag breekt aan in Praag'. Als Prager kon Kisch kennelijk niet om de Golem heen: in weer een ander opstel bezoekt hij de vliering van de Altneusynagoge, die volgens de overlevering het graf van de Golem zou zijn.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Egon Erwin Kisch, De vliegende reporter
377 p.
Uitgeverij Atlas, 1999
Vertaald door Dik Linthout
Samengesteld en van een nawoord voorzien
door Geert van Istendael en Mark Schaevers uit:

Prager Kinder (1911)
Aus Prager Gassen und Nächten (1912)
Die Abenteur in Prag (1919)
Der rasende Reporter (1924)
Zaren, Popen, Bolschewiken (1926)
Hetzjagd durch die Zeit (1926)
Paradies Amerika (1929)
Schreib das auf Kisch! (1929)
Prager Pitaval (1930)
Geschichten aus sieben Ghettos (1934)
Eintritt verboten (1934)
Landung in Australien (1937)
Marktplatz der Sensaationen (1942)
Entdeckungen in Mexiko (1945)
Mein Leben für die Zeitung 1906-1925 (1993)
Mein Leben für die Zeitung 1926-1947 (1993)

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails