zaterdag 10 juli 2010

Echte mannen willen niet naar Mars - Hans van Maanen

Alleen kritiek verheft wetenschap boven borrelpraat, zegt wetenschapsjournalist Hans van Maanen. Juist van de felle discussies tussen wetenschappers mag je hopen dat ze de ergste onzin filteren. Niet-gespecialiseerde journalisten lijken dat niet te begrijpen. Die denken dat resultaten uit het eerste het beste wetenschappelijk onderzoek meteen de harde waarheid bevatten. Maar zelfs onverdachte bronnen als Nature en Science blijken niet vrij van fouten.

Wetenschappelijk nieuws wordt veel te serieus genomen, vindt Hans van Maanen. Nieuwe wetenschappelijke vondsten in de vakbladen zijn in wezen niet meer dan vermoedens, suggesties om raadselachtige verschijnselen beter te verklaren.

Er is een groot verschil tussen de wetten van de zwaartekracht of de thermodynamica en de jongste bevindingen van het genenonderzoek of de epidemiologie — de eerste zijn onwankelbare zekerheden, de tweede onzekere wankelbaarheden.
Van Maanen stelt zich in zijn columns tot taak om onderzoek dat als wetenschappelijk gepresenteerd wordt met een sceptisch oog te bekijken. Dat hij een boekje van tweehonderd pagina's dertig pagina's verantwoording meegeeft — technische details, aanmerkingen, en rechten van antwoord van betrokken figuren — is veelzeggend. Dat hij op zijn website een langwerpige pagina met errata en dubbelchecks heeft staan, typeert 'm evenzeer.

De leukere tweede helft van Echte mannen willen niet naar Mars — wat mij betreft onmisbaar voor elke geïntereseerde leek — staat vol met kort en kritisch doorgelicht wetenschappelijk onderzoek. Daarover straks meer.

Aftrappen doet de bundel echter met enkele langere beschouwingen, die in zekere zin óók aanmanen tot scepsis. Het titelstuk gaat bijvoorbeeld over de medische, praktische, psychologische problemen die een bemande Marsreis (en de thuiskomst) met zich meebrengt. Als je het eenmaal gelezen hebt, kijk je toch anders naar alle berichtgeving over verre ruimtereizen. ‘Oorverdovende stilte bij Seti’ relativeert dan weer de zoektocht naar buitenaardse beschaving sinds Frank Drake.

‘Kans op veroveren heelal verkeken’ ontvouwt het doemdagargument van het duo Carter en Leslie. Met niet meer dan de veronderstelling dat wij slechts willekeurige intelligente wezens zijn, is volgens de kansrekening met 95 procent zekerheid af te leiden dat de mensheid nog hooguit tussen de tweehonderdduizend en de acht miljoen jaar te gaan heeft, dat de kans op een overbevolkingsramp zeer groot is en dat de mogelijkheden tot kolonisatie van ons melkwegstelsel al verkeken zijn. Immers, het algemeen geldt dat de levensduur van iets waarover geen informatie beschikbaar is — bijvoorbeeld omdat het volstrekt uniek — met 95 procent betrouwbaarheid kan worden voorspeld: het zal langer bestaan dan 1/39ste van de tijd dat het al bestaat, en korter dan 39 keer die periode. En dat is ook wel logisch: de tijd dat iets bestaat, is een indicatie voor de standvastigheid, niet alleen in het verleden maar ook in de toekomst.

Echte mannen gaat niet alleen over interplanetaire toestanden. 'Het nadeel van kleine mannen' geeft alle redenen aan waarom lichaamslengte het eerste criterium is bij de partnerkeuze. 'Mijn mobieltje is kleiner dan het jouwe' is het fascinerende verslag van een onderzoek dat de functie van "telefoonpraal" (imponeren met gsm's) probeert te achterhalen. 'Gödel, Escher maar geen Bach' somt alle slordigheden op die Douglas Hofstadter beging in Gödel, Escher, Bach. Als hij zo slordig omspringt met Bach, vraagt Van Maanen zich af, wat dan met de precisie over wat hij ten berde brengt over de werking van DNA, kunstmatige intelligentie en de rest van de wereld?

In 'De taal van de wetenschapper' verontschuldigt Van Maanen het gebruik van jargon bij wetenschappers; alledaagse woordenschat is ontoereikend om over niet-alledaagse dingen te spreken — maar ook voetbaltrainers, boekhouders en reisjournalisten ontkomen daar niet aan. Het gevaar bestaat wel dat jargon dat gemeengoed wordt ('moedercomplex') vaak niet de bijbehorende inhoud heeft meegekregen.

Verfrissend, en een goede aanvulling op dat klimaatsceptische boek van Salomon Kroonenberg is het artikel ‘Piekeren over het klimaat is van alle tijden’. Van Maanen vat daarin de ideeën van Hans von Storch en Nico Stehr samen uit hun boek Klima, Wetter, Mensch. Van oudsher denkt men al dat het klimaat de mens bepaalt (‘Noord-Europeanen zijn ijverig dan Afrikanen omdat ze in een ruwer klimaat moesten zien te overleven’), en dat in klimaatverschijnselen een straffende hand gezien moet worden. In het pessimistische klimaatdeterminsme van tegenwoordig valt bovendien een interessante paradox te ontwaren. Von Storch:
Er lijkt een soort terugkeer van het klimaatdeterminisme in de wetenschappelijke arena op te treden. Natuurlijk niet in dezelfde vorm als vroeger, want het klimaat is nu niet meer vast maar veranderlijk, en de geleerden werken nu met computermodellen en scenario’s waarin waterverbruik, levensverwachting en toerisme worden meegewogen. Maar nog steeds wordt met minder goed te voorspellen zaken als economische ontwikkelingen, technische mogelijkheden en maatschappelijke veranderingen geen rekening gehouden. De mens is in dit model toch weer speelbal van het — nu veranderlijke — klimaat geworden.
Wat steeds buiten beschouwing blijft, is dat boeren niet dom zijn: als het klimaat verandert, zullen zij mee veranderen en andere gewassen gaan verbouwen. Dat hebben ze de afgelopen duizenden jaren gedaan, dus dat zullen ze ook in de toekomst doen. Ik geloof er niets van dat de mens het nu opeens tot een catastrofe zou laten komen. Als je klimaatdeskundigen vraagt wat er dan precies zal misgaan, noemen ze altijd iets wat ver weg is — van de gevolgen dichter bij huis weten ze wel dat ze die aankunnen. Uiteindelijk komen ze altijd uit bij overstromingen in Bangladesh en bij een toename van malaria.
Echte mannen bevat daarnaast een roundup van drie beruchte fraudegevallen in de Nederlandse wetenschapswereld. Uit elke casus valt wel iets te leren.

Zo was er de affaire-Buikhuisen. Wim Buikhuisen was een hoogleraar Criminologie en Penologie aan de Universiteit van Leiden. Anders dan in die tijd gebruikelijk was, wilde Buikhuisen zich in het nature-nurturedebat niet richten op omgevingsfactoren (nurture) maar op biologische factoren (nature). Buikhuisen meende dat mensen een criminele aanleg kunnen hebben. Zo reageert de één anders op bijvoorbeeld stress dan de ander. Vrij Nederland en de VN-columnist Piet Grijs liepen voorop in een felle aanval op Buikhuisen. Volgens VN werden criminaliteit en andere afwijkingen primair veroorzaakt door de moderne kapitalistische maatschappij en/of een autoritaire opvoeding.

De indruk bestaat dat Buikhuisen door deze lastercampagne ten onder ging. Maar Grijs blijkt maar bijzaak. In 1981 maakte de vakgroep van Buikhuisen bekend dat Buikhuisen, ondanks de royale middelen die hij had gevraagd en gekregen, niets uitvoerde, geen onderzoeksvoorstel had afgerond, zich onttrok aan vergaderingen en zonder toestemming van de vakgroep buitenlandse reizen maakte. Hij werd toen overgeplaatst naar de psychologiefaculteit, maar meldde zich kort daarop ziek. In december 1988 hield Buikhuisen op doktersadvies de wetenschap helemaal voor gezien.

Ondertussen vervuilt de naam Buikhuisen de discussie het debat over aanleg en opvoeding. Elke keer valt zijn naam (en de onheuse manier waarop Buikhuisen behandeld zou zijn) bij pogingen om kritiek op nieuw onderzoek in sociobiologische zin onschadelijk te maken.

De affaire-Swaab toont dan weer mooi hoe de media over wetenschap berichten. Neurobioloog Dick Swaab is vooral bekend geworden door zijn onderzoek en ontdekkingen op het gebied van de hersenanatomie en -fysiologie, met name de invloed die allerlei hormonale en (bio)chemische factoren al in de baarmoeder op de hersenontwikkeling hebben. De kleine verschillen in de bouw van de hersenen tussen hetero's en homo's die Swaab ontdekte, werden in de media, tegen alle nuances van Swaab in, geïnterpreteerd als oorzaak van homoseksualiteit.

Derde geval is de affaire-Buck. Halverwege de jaren tachtig verkondigde de scheikundige Henk Buck een grote doorbraak in de strijd tegen aids te hebben geforceerd. Dat bleek niet zo te zijn. Later verweet een commissie dat Buck onvoldoende had gereageerd op kritische signalen uit zijn eigen vakgroep. Zijn naaste medewerker bleek ook niet in staat om binnen de gestelde tijd zuiver fosfaatgemethyleerd DNA (waar het hele onderzoek rond draaide) te leveren. Op grond van de bevindingen van de commissie werd professor Buck ontheven uit zijn leidende functies. Zijn artikel in Science moest worden teruggetrokken.

Van Maanen schetst hoe Buck bescherm genoot van zijn alma mater, en hoe makkelijk journalisten eerbied tonen voor geleerden die in het verleden goed werk hebben geleverd. De journalisten tuinden dus in de kwakkel, maar waren in tweede instantie ook de klokkenluiders.

Gangbare fouten in wetenschappelijk onderzoek
Dan zijn we toe aan de sceptische doorlichting van wetenschappelijk onderzoeksresultaten zoals die in krant en vakblad worden gepresenteerd. Uiterst geestige lectuur is het, waarin Van Maanen denkfouten en belabberde statistiek tegen het licht houdt — bij werk van promovendi gaat dat altijd gepaard met een sneer naar hun weinig kritische promotor. Dat zoveel onderzoek draait rond gezondheid en geneesmiddelen zal wel iets zeggen over de tijdsgeest.

Doodjammer alleen dat Van Maanen in een boekje als dit geen checklist opneemt waarmee de leek krantenberichtgeving beter kan taxeren. Het had de meerwaarde kunnen zijn van wat nu een vrijblijvende bundeling columns blijft.

Daarom een eigenhandige poging om de voornaamste gangbare fouten in wetenschappelijk onderzoek (zoals ze in dit boekje tot uiting komen) op een rijtje te zetten.

1. Correlatie verwisselen met causaliteit. Er is ook een verband tussen het aantal ooievaars in een streek en het aantal geboorten, maar dat betekent niet dat de ooievaar de kindertjes brengt. Beide kunnen bepaald worden door een derde factor, die we nog niet kennen. Van Maanen geeft nog een scherper voorbeeld om aan te geven dat begeleidende omstandigheden niet noodzakelijk de oorzaak zijn van iets. "Mannen langer dan 1,85 meter hebben maar liefst 88 procent meer kans op alvleesklierkanker dan mannen kleiner dan 1,73 meter."

2. Gemiddelden nemen als bepalend kenmerk. Mannen zijn gemiddeld zwaarder dan vrouwen, maar niet elke vrouw is lichter dan elke man. Op dezelfde manier kunnen we — na de wetenschap dat de ringvinger van mannen, van homoseksuele vrouwen en van goede voetballers gemiddeld gesproken langer is — nog niet voorspellen of iemand met een lange ringvinger homoseksueel of een goede voetballer is.

3. Effecten? Misschien, maar sowieso heel minimale. Middelbare vrouwen die ruimschoots vis eten zouden minder kans hebben op een beroerte. Van Maanen noemt een onderzoekje waarin die kans inderdaad leek te dalen, van ruwweg 1 procent (überhaupt al geen groot probleem dus) tot 0,5 procent. Uiteindelijk kan door veel vis te eten slechts één beroerte voorkomen worden op tweeduizend vrouwen, blijkt verder. En dat geldt dan nog alleen voor herseninfarcten, niet voor hersenbloedingen. Een ander onderzoekje beweerde dat frambozen slokdarmkanker zouden voorkomen. Althans, 13 van de 13 ratten die geen frambozen hadden gegeten (maar met kankerverwekkende nitrosamine werden ingespoten) kregen kanker, tegen 11 van de 14 die niet zoveel hadden gekregen, en 12 van de 13 ratten die veel frambozen hadden gegeten. Geen resultaten om naar huis over te schrijven.

4. Gevaar? Misschien, maar sowieso in onrealistische omstandigheden. Kinderen worden teveel blootgesteld aan bestrijdingsmiddelen. Ja maar alleen als ze een paar kilo appels (!) per dag opeten.

5. Onderzoek dat gefinancierd wordt door belanghebbenden. Voorbeeld uit Echte mannen: een onderzoek waaruit blijkt dat drie op de tien gebruikers van antidepressiva seksuele klachten hebben (het resultaat van een schriftelijk onderzoek onder tweehonderd psychiaters) werd besteld en gefinancierd door het bedrijf Bristol-Myers Squibb, dat een paar weken later een antidepressiemiddel introduceerde dat... minder negatieve bijwerkingen op het seksuele vlak zou hebben.

6. Al te vlotte extrapolatie. Van Maanen verwijst naar onderzoek dat resultaten bevonden bij 667 Zutphense oude mannen werden geprojecteerd op de complete Nederlandse bevolking.

7. Onderschatten van de kans op een zeldzame gebeurtenis. Stel, het gemiddelde aantal verkeersdoden per jaar in Amsterdam van 1992 tot 1998 was 26,6. En stel dat er in 1999 opeens 32 verkeersdoden zijn. Dat lijkt een dramatische stijging. Maar volgens de poissonverdeling, puur door toevallig fluctuaties, is de kans op 32 of meer doden 17 procent. Zo’n extreem geval mogen we dus eens in de zes jaar verwachten, ook bij een gemiddelde van 26,6. Bovendien mag je bij onderzoeken, op grond van het enorme aantal gevoerde onderzoeken en op grond van het toeval, verwachten dat er altijd wel eentje een onverwachte vondst oplevert. Die spectaculaire uitkomst moet bijgevolg tegen herhaling van het onderzoek opgewassen zijn.

8. Betekenisloze cijfers. Zelfs enorme cijfers kunnen meevallen. Het grote aantal wachtenden in de zorgsector zegt an sich niet zoveel over het wachtprobleem. Cijfers hebben alleen betekenis bij een voldoende ruim genomen periode. Een spectaculaire stijging (van het aantal autodiefstallen) valt wel mee als je de jaren die buiten het gepubliceerde statistiekje er ook bij neemt. Nieuws is wat anders is dan gisteren; maar misschien is het wel niet zo nieuw in vergelijking met eergisteren.

9. Misleidende gemiddelden. Van Maanen, opnieuw over de wachttijden in de zorgsector: "Stel u gaat naar het postkantoor, er staat een rij van tien mensen en u vraagt hoe lang iedereen al wacht. De voorste wacht tien minuten, de tweede negen, de derde acht enzovoort tot de laatste, die een minuut wacht. De gemiddelde wachttijd is dan 5,5 minuten, maar u zult toch echt 11 minuten moeten wachten. De verwachte wachttijd is het dubbele van de gemiddelde wachttijd op een bepaald moment."

10. Enquetes die hun data zodanig kiezen dat ze de gezochte trend zo goed mogelijk weergeven. Van Maanen noemt het voorbeeld van de Britse scheepvaartdienst, die na de ramp met de Estonia in 1994 een persbericht verspreidde dat er ondanks deze ramp geen veiliger manier van transport was dan de boot, want sinds 1988 waren er bij het varen veel minder mensen omgekomen dan bijvoorbeeld bij vliegen of autorijden. Was de dienst in 1987 begonnen met tellen, dan had ze de ramp met de Herald of Free Enterprise erbij moeten rekenen.

11. Al te optimistische criminaliteitcijfers. Als er een bepaalde vraag is op de markt, komen criminelen altijd wel aan hun waar. Van Maanen schrijft over de vraag naar gestolen auto’s. Die ligt elk jaar rond de 25.000. Hij schrijft: "Als een nieuwe auto een startonderbreker heeft zodat hij niet op straat open te breken is, gaan de dieven de showroom in en stelen hem daar — proefritje maken, sleutels kopiëren, inbreken en klaar. Als ook een oudere auto een startonderbreker krijgt, stelen ze een nog wat oudere auto zonder startonderbreker. Als de politie in Zuid-Limburg actie onderneemt omdat het aantal gestolen auto’s de pan uit rijst, zoals in 1999, verplaatst het werkterrein zich naar de regio Gelderland, zoals in 2000."

12. Voorkennis ('dit is een test') of een onaangepaste locatie die de uitkomst van de enquête corrumperen. Van Maanen noemt een onderzoekje over het stemgedrag bij ingebruikname van twee soorten formulieren: een overzichtelijk formulier, en een naar verluidt minder overzichtelijk formulier. De test werd afgenomen in een winkelcentrum met een geïmproviseerd stemhokje. Alsof mensen even geconcentreerd hun stem zullen uitbrengen in een winkelcentrum dan in een echte verkiezingssituatie.

13. Een zogezegd bepalende factor hangt nauw samen met bepalende factoren waar niet over gesproken wordt. Volgens een onderzoek zouden kinderen die moedermelk drinken intelligenter zijn dan wie geen moedermelk drinkt. Bij nadere inspectie van Van Maanen bleek de intelligentie van de kleuters, behalve met borstvoeding, ook samen te hangen met het rookgedrag van de moeder voor de geboorte, haar leeftijd, haar opleiding, en, uiteraard, haar intelligentie. Wat blijkt? Slimme moeders roken minder vaak en geven ook langer borstvoeding — de factoren hangen dus allemaal met elkaar samen zodat het kluwen niet meer ontward kan worden.

14. Het overschatten van de toepasbaarheid van remedies met een schijnbaar lage foutenmarge. Van Maanen noemt een onderzoek dat zegt dat mensen die jokken systematisch warme ogen krijgen. Als dat waar is, dan is dat zichtbaar te maken met een gevoelige infraroodcamera, en dat zou een mooie manier zijn om terroristen uit de menigte te pikken. Stel dat zo'n camera in 85 procent van de gevallen inderdaad een juiste analyse maakt. Dat lijkt veel, maar is het niet, zeker bij een vrij zeldzaam fenomeen als terrorisme. "Stel dat vanaf Schiphol per jaar 4 terroristen wllen vertrekken. Er gaan per jaar ruwweg 40 miljoen mensen van Schiphop. Met de warme-ogentest zal er 1 terrorist ten onrechte worden doorgelaten, en 3.333.333 onschuldigen, ruim negenduizend per dag, vijfhonderd per uur, worden ten onrechte verdacht: zij moeten mee naar het bureau, moeten alles uitpakken, missen hun vliegtuig enzovoort. Zachtzinnig kan het er daarbij niet aan toegaan. Zelfs als de test 99,9 procent scoort, blijven 40.000 mensen per jaar de klos. De kans dat iemand die eruit gepikt wordt echt een terrorist is, is dan 0,01 procent." Denk dan maar eens na over de verveling van de marechaussee, die steeds opnieuw met onschuldige mensen te maken krijgt.

15. Scores relatief maken, zodat ze impressionanter zijn. Scores relatief maken betekent: scores nemen die een maat zijn voor de verbetering of verslechtering van de beginwaarden. Absolute cijfers, dus als werkelijke scoren van 1 tot 10, maken veel minder indruk.

Waardevol voor mij persoonlijk waren de kritische kanttekeningen van Hans van Maanen bij de sociobiologie. Deze discipline zegt dat het gedrag van mensen uiteindelijk verklaard moet worden uit de evolutionaire voordelen die dat gedrag voor onze voorouders heeft gehad — als het nadelen had gehad, was het immers niet overgeëerfd. Sociobiologen willen weleens neerkijken op sociologen of activisten.

Maar laten we eens kijken naar onze angsten voor spinnen en slangen. Ook die worden door bepaalde auteurs als evolutionair afdoen. Maar welk evolutionair voordeel zou die angst hebben, vraag Van Maanen zich af. Dat de vroege mensheid tijdens het jagen en verzamelen snel de gifslangen en de vogelspinnen herkende? Waren dat dan de belangrijkste vijanden van Homo erectus? "Als er werkelijk sprake van een evolutionair proces zou zijn, moeten mensen die niet bang zijn voor spinnen en slangen van oudsher zijn weg geselecteerd, doordat ze minder nageslacht produceerden dan de bangerds. Dat is moeilijk voorstelbaar. Een confrontatie met een giftige slang of spin is onplezierig, maar staat over het algemeen de verdere voortplanting niet in de weg. Bovendien zijn er veel te weinig dodelijke slangen en spinnen om voor voldoende ‘selectiedruk’ te zorgen."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Hans van Maanen, Echte mannen willen niet naar Mars
Rafelranden van de wetenschap
211 p.
Uitgeverij Prometheus, 2002



Extra. Staat u voldoende kritisch tegenover de sociobiologie? Een kleine test. Van Maanen bespreekt de theorie die Randy Thornhill en Craig Palmer ontvouwen in het boek A natural history of rape. Zij stellen daarin dat verkrachting uiteindelijk is ontstaan doordat vrouwen meer moeten investeren in het nageslacht dan mannen. Dat maakt vrouwen kieskeurig en mannen hebberig. "Verkrachting is daaraan ‘aangepast’ seksueel gedrag: het vergroot het voortplantingssucces van mannen die anderszins weinig kans op nageslacht hebben."

Waar zit de denkfout? Oplossing in de commentaren hieronder.

____

3 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Van Maanens kritiek op de theorieën van Thornhill en Palmer:

"De kans op bevruchting van een vrouw op een willekeurig moment van haar cyclus – de verkrachter weet immers niet in welke fase hij zijn slachtoffer treft – is niet meer dan drie procent. Thornhill en Palmer schatten het cijfer nog wat lager, omdat zij zich aansluiten bij sociobiologische inzichten dat vrouwen in staat zouden zijn hun bevruchtingskansen te beïnvloeden, bijvoorbeeld door al dan niet klaar te komen. Maar ook bij een kans van drie procent zijn de voortplantingskansen van een verkrachter amper de moeite waard: zelfs als hij elke maand één vrouw verkracht (een ongehoorde score) heeft hij na een jaar slechts dertig procent kans op een geslaagde bevruchting. De gebruikelijke strategie is duidelijk veel voordeliger: zeker tachtig procent van de echtparen met kinderwens slagen binnen een jaar in hun opzet. En dat is alleen nog maar de bevruchting, dan moeten de bevalling en de opvoeding nog volgen. Succes is bepaald niet verzekerd, ook niet bij liefhebbende stellen, en de verkrachter heeft nog als extra nadeel dat na een verkrachting niet meer dan dertig procent van de vrouwen besluit de vrucht te houden. Een oogje in het zeil houden om te zorgen dat de kinderen goed terechtkomen, is al helemaal uitgesloten."

Ben Hoogeboom zei

Geweldig goed stuk op een geweldig goed boek! Klasse.

Anoniem zei

Mmmh, interessante tegenwerping, maar ... misschien dat de kans op nageslacht voor de verkrachter groter is als hij verkracht (hoe klein die kans dan ook is, zoals hier voorgespiegeld), dan wanneer hij nix doet en zijn kans op nageslacht zo ongeveer nul is.

Daar komt nog bij, 3% kans per keer lijkt weinig, en dan houden de vrouwen het kind ook nog maar in 30% van de gevallen; maar dmv de wet van de grote getallen, zullen er toch een hoop kinderen uit zulke verkrachtingen geboren worden die er anders niet waren geweest - en iet is meer dan niet, dus wellicht toch succesvol?

Related Posts with Thumbnails