woensdag 2 juni 2010

Profeten en charlatans - Theodore Dalrymple

Geen criticus zo unzeitgemäss als Theodore Dalrymple. Hedendaagse literaire kritiek neemt grosso modo twee vormen aan. Er is de dagbladkritiek, met zijn vaag-esthetische criteria (door Frank Albers meesterlijk ontleed op zijn blog). En er is de bijziende, op taal en structuur toegespitste, kritiek van letterkundigen in hun postmoderne tijdschriftjes. Dalrymple wijkt af van beide en doet iets wat lang niet meer mocht: peilen naar moraal in boeken.

Wat Theodore Dalrymple, in tegenstelling tot de doorsnee fatsoensrakker, echter een groot moreel gezag verleent, is het feit dat hij de universiteit van het leven uitgebreid doorlopen heeft — iets waar de volbloed literatoren die hem bekritiseren gemakshalve over zwijgen.

Voor zijn pensionering in 2005 werkte Anthony Daniels, zoals Dalrymple echt heet, als arts-psychiater in Birmingham in een gevangenis en een ziekenhuis. De ervaringen met zijn patiënten, veelal afkomstig uit achterstandswijken, leverde hem de stof voor zijn cultureel-conservatieve boeken en artikelen, waarin hij zich een scherp criticus van het links-liberale en utopische denken betoont. Om een accuraat beeld van de wereld te krijgen, zegt Dalrymple, moet je dan ook niet te veel vertrouwen op kennis die je lukraak uit literaire werken hebt opgedaan. Schrijvers zijn niet per se grote intellectuelen, en of hun denkbeelden waardevol, hun personages plausibel zijn, is nog maar zeer de vraag.

In Profeten en charlatans bracht Jabik Veenbaas de kritieken samen waarin Dalrymple vanuit die optiek — de schrijver als wereldbeschouwer — de literatuur bekijkt. Veenbaas putte uit de bundel Not with a bang but a whimper (2008) en vulde zijn selectie aan met opstellen uit het tijdschrift The New Criterion uit de periode 1999-2008. Doorgaans heb ik een hekel aan bloemlezingen, maar de keuze van Veenbaas, die de essays ook uitstekend vertaalde, geeft het boek een grote thematische eenheid, wat de uitgave ervan rechtvaardigde.

Verantwoordelijkheid
Het grote uitgangspunt van Dalrymple is het geloof dat kunst, literatuur en ideeën diepgaande en niet noodzakelijk gunstige maatschappelijke consequenties hebben. Literatuur is niet onschuldig. Door artistiek meesterschap kunnen ideologisch geïnspireerde schrijvers mensen ideeën in de maag splitsen die dom, vals of allebei zijn. Dat impliceert niet dat Dalrymple serieuze non-fictie en theoretische filosofie hoger acht dan, laten we zeggen, de romankunst. Hij is de laatste die zegt dat literatuur weliswaar amusant en ontroerend kan zijn, maar intellectuele inhoud mist. Integendeel, niet alles wat werkelijk van belang is, is het beste door middel van eenduidige uitspraken te zeggen — iets wat Dalrymple in deze bundel demonstreert in het opstel waarin hij een filosofisch traktaat afzet tegen een toneelstuk van Ionesco.

Dalrymple verwacht van schrijvers wel een "maatschappelijke augurenblik" en wijsgerige diepzinnigheid. Niet alleen de ervaring, maar vooral het nadenken óver die ervaring vormt voor hem de schrijver. Let wel: beide zijn dus belangrijk — reflectie én ervaring. Literatuur is geen theoretisch gezelschapsspel. Dalrymple hamert herhaaldelijk op de plausibiliteit van fictie. Een schrijver moet illustraties gebruiken die ontleend zijn aan zijn persoonlijke kennis of ervaring, en als hij vanuit zijn verbeelding schrijft, dient zijn intuïtie te kloppen. Voorbeeld: zonder blind te zijn voor het stilistische kunnen van Guy de Maupassant, legt Dalrymple uit dat diens beeld van de prostitué-met-het-goede-hart in sommige van zijn verhalen absolute kul is.

Nu is het wel dat zo dat Dalrymple de morele waarde van schrijvers uitsluitend afmeet aan zijn eigen conservatieve gedachtengoed — een punt waar nogal wat recensenten van Profeten en charlatans op afknapten en daardoor alle verdiensten van deze essayist, inclusief zijn pleidooi voor levenservaring, meteen maar afserveerden.

Wat dat conservatieve gedachtengoed van Dalrymple inhoudt, kennen we nog uit Leve het vooroordeel! De Britse arts is een bijtend criticaster van de permissieve samenleving. Elke vorm van gezag of autoriteit heeft tegenwoordig een kwalijke reputatie, en daar baalt hij van. Progressieve mensen zijn doodsbang om zich te bezondigen aan kuddegedrag. Onconventionaliteit is een deugd op zich geworden — een idee dat zeer duidelijk speelt bij anti-autoritaire opvoeding (wie zijn wij immers om onze kinderen te vertellen hoe zij moeten leven?) en hedendaagse vormen van socialisme (dat niet, zoals vroeger, het cultuurniveau van de arbeidersklasse wil verheffen, maar alle cultuur onder de laagste gemeenschappelijke noemer wil brengen).

Er is in de optiek van Dalrymple een verschuiving aan de gang van het culturele gezag van de ouderen naar de jongeren. De volwassenen worden bang en onderwerpen zich aan de jeugd. Adolescenten vatten elke weigering op "als majesteitsschennis, als een zware aanval op hun ego". Rocksterren zijn eeuwige pubers, gevangen in de poses van de jeugd, omdat ouderdom voor hen niets dan onwaardigheid betekent.

Steeds meer mensen beschouwen onze moderne materiële overvloed ook als vanzelfsprekend. Ze zien in het alledaagse niets bijzonders en worden door hun gebrek aan contemplatief vermogen tot grove sensatiezucht verdreven. Het syndroom doet denken aan de massamens die José Ortega y Gasset zag opkomen. Een 'massamens' (die trouwens niet per se arm of dom hoeft te zijn) is in Ortega's optiek:

een mens die geen transcendent doel in het leven geeft, die in een eeuwig tegenwoordig ogenblik leeft dat hij op grove, sensuele wijze aangenaam wil maken, die denkt dat voortdurend toenemende consumptie het doel van het leven is, die van vermaak naar vermaak springt, die slaaf is van absurde modes, die nooit diep nadenkt en bovenal een venijnige afkeer heeft van elke levenswijze die afwijkt van de zijne, omdat hij zo’n levenswijze instinctief als berisping ervaart.
Dalrymple ziet met lede ogen hoe verantwoordelijkheid steeds meer wordt afgeschoven: "Het noodlot is het laatste toevluchtsoord van de ploert". Dat kan ook makkelijk; overmacht is inmiddels een maatschappelijk aanvaard concept. Waar vroeger alle onheil werd verklaard aan de hand van zonsverduisteringen en dergelijke, schrijft Dalrymple, doen wij dat aan de hand van de maatschappelijke omstandigheden, of, als we echt bij de tijd willen zijn, aan de hand van de neutrotransmitters. Maar verregaande medicalisering berooft menselijk gedrag van zijn morele betekenis, en dat is gevaarlijk. In zijn praktijk als gevangenispsychiater zag de auteur hoevaak mensen de metafoor van Jekyll en Hyde gebruikten als verontschuldiging. De stoffen die onze hedendaagse Jekylls in Hydes tranformeren, zegt Dalrymple, zijn alcohol, cannabis en cocaïne, die als bijkomend voordeel hebben dat ze ons op het moment van de daad zodanig bedwelmen dat we ons die daad niet meer herinneren.
Niemand heeft het gevoel dat hij zijn goede daden of eigenschappen moet verklaren of wegredeneren; hij gaat er gewoonlijk van uit dat ze even natuurlijk en onontkoombaar uit zijn diepste wezen voortvloeien als een rivier uit zijn bron. Maar de meeste mensen hebben dat gevoel wel als het om slechte daden of morele tekortkomingen gaat. Daarom is het probleem van het kwaad zoveel dwingender dan het probleem van het goede; je meent dat het kwaad — vooral dat van jezelf — tegen de natuurlijke orde van de dingen ingaat. En dan rijst dus de vraag waarom wezens die van zichzelf zo goed zijn vaak zo verschrikkelijk slecht blijken te zijn. Je kunt het probleem onder meer oplossen door je te beroepen op het fenomeen van de dubbele identiteit. Minimaal eenmaal per week, en gewoonlijk vaker, omschrijft een patiënt in mijn kliniek zich als Jekyll en Hyde. Daarbij wordt er uiteraard altijd van uitgegaan dat Jekyll de echte hij of zij is, terwijl Hyde een binnendringer is, een vreemde, een onderkruiper.
In de loop van Profeten en charlatans wijst Dalrymple hier en daar figuren aan uit het socio-culturele veld die deze evolutie via hun ideeën hebben versneld. De kiem werd eigenlijk al gelegd door Rousseau, die in feite de calvinistische verkiezingsleer democratiseerde. De calvinistische uitverkorenen vormden een kleine elite; voor Rousseau was "ieder mens uitverkoren, louter omdat hij ademde, omdat hij behoorde tot de menselijke soort, ook al verhulde het vernis waarmee de maatschappij hem vervolgens bedekte zijn wezenlijke goedheid."

Freud was ook zo'n katalysator, met zijn hydraulische wereldbeeld. Voor hem eindigde de onderdrukking van seksuele drift tot agressie en frustratie. Velen van zijn populisatoren zagen daarbij over het hoofd dat Freud zelf een keurige Weense burgerman was. Hij mocht dan geloven dat de beschaving mensen ongelukkig maakte, hij dacht niet dat ze haar gemakken en veiligheid graag zouden opgeven voor een terugkeer naar de natuur. Frustratie is een noodzakelijk kwaad.

In de twintigste eeuw fungeerden de jaren zestig als kantelmoment. Zo kan Dalrymple met kennis van zaken de invloed inschatten van Michel Foucault, een grote criticus van zowel het inrichtingensysteem als de psychiatrie — zelfs na (1961) de introductie van medicijnen waarmee psychoses effectief konden worden behandeld.
Hij bekommerde zich niet om de deerniswekkende omstandigheden in de gestichten (zoals een echte hervormer) maar probeerde staande te houden dat de tweedeling krankzinnigen versus normalen niet gerechtvaardigd was en een nietzscheaans voorbeeld was van machtsuitoefening door de opkomende bourgeoisie, die een gehoorzame beroepsbevolking wou als brandstof voor de economie. Daarmee ging hij voorbij aan de moeilijkheid om van een toestand van volstrekte onwetendheid tot een toestand van gedeeltelijke kennis te komen, en dat het dikwijls noodzakelijk is om in een staat van onwetendheid te handelen.
In dezelfde lijn dacht R.D Laing, de psychiater die in de jaren zestig en zeventig opperde dat krankzinnigheid een alternatieve en in sommige opzichten superieure manier was om in de wereld te zijn, dat waanzin in feite normaal was, en normaliteit eigenlijk waanzin, een product van onderdrukkende maatschappelijke structuren — een opvatting die uiteraard populair was in een tijd die sowieso alle instellingen bekritiseerde. De ideeën van Foucault, Laing en co, schrijft Dalrymple, maakten de weg vrij voor een ondoordachte, gehaaste opheffing van psychiatrische inrichtingen. Elke dag als gevangenisarts is hij getuige geweest van de gevolgen van dit gebrek aan voorzieningen. Gekken werden niet verzorgd maar gewoon in verzekerde bewaring gesteld, waarbij de Engelse wet stelt dat gevangenisartsen patiënten niet tegen hun wil mogen behandelen.

Door die praktijkkennis is Dalrymple zo gebeten op auteurs die de vloer aanvegen met de traditionele instellingen. Zoals daar zijn: Henrik Ibsen. Dalrymple doet niets af van het literaire talent van de Noorse auteur, die, hoewel hij in een obscure taal schreef, in zijn eentje aan de wieg stond van het moderne theater, na een lange negentiende-eeuw dat vrijwel geen stukken had voortgebracht die vandaag nog speelbaar zijn. Ibsen schreef geloofwaardige drama’s waarin de conflicten, leugens en problemen in het gezinsleven werden geïllustreerd. Hij wees op de onechte moraal van mensen — waarin schaamte of maatschappelijke afkeuring de plaats inneemt van het persoonlijk geweten of ware morele beginselen. Maar Dalrymple kan de ideeën van sommige van zijn personages niet hebben — ideeën die Ibsen kennelijk ook was toegedaan, gezien het feit dat hij duidelijk de sympathie van het publiek probeert te winnen voor die personages.

Zo is daar Nora uit het toneelstuk Het poppenhuis. Nora, die op het einde van het stuk haar man verlaat, vindt dat ze plichten heeft tegenover haarzelf. Ze wil haar eigen antwoorden ontdekken en zich losmaken van alle maatschappelijke constructies die haar frustreren. Ze verheft het gevoel boven het principe, de neiging boven de plicht, de rechten boven de verantwoordelijkheden. Het oordeel over de juistheid van haar eigen antwoord zal ze laten afhangen van de vraag of dat juist is voor haar. Anti-utopist Dalrymple, die in de gevangenis al te vaak de gevolgen heeft gezien van mensen die hun kinderen in de steek lieten, pleit voor gematigdheid. Hij vindt dat je de gebreken van een instelling (zoals het huwelijk) in zijn juiste perspectief moet zien. Zijn grote handleiding is Rasselas, waarin de hoofdpersoon ontdekt dat "er geen enkele manier van leven zo bevredigend is dat er niet vele vormen van onvrede aan ontbreken". Dat onder ogen zien is een intellectuele plicht. Dalrymple:
Het menselijk bestaan is onverbrekelijk verbonden met onvrede, omdat de mens nu eenmaal ten prooi is aan onverenigbare verlangens. Daarom hoeven we echter nog niet utopieën (simpele oplossingen voor complexe problemen, eenvoudige abstracte principes die indien strikt nageleefd het paradijs op aarde zouden bewerkstellingen) geloven maar omgaan met het onvolmaakte leven — hetgeen lastiger intellectuelen eisen stelt.
Dalrymple gelooft ook niet dat het omgaan met de zinloosheid van het bestaan, met de angst voor de dood, en met de daaruitvolgende opdracht het leven eigenhandig zin te geven, afgedaan kan worden als een koud kunstje, zoals rationalisten vaak doen uitschijnen. Dalrymple, het communisme indachtig, huivert van een levenswijze puur gebaseerd op de rede. Daarom probeert hij de Nieuwe Atheïsten (Dennett, Grayling, Onfray, Harris, Dawkins, Hitchens) ook wat te counteren. Afwezigheid van geloof is niet hetzelfde als goed gedrag. Absolute twijfel, zoals Dawkins voorstelt, leidt tot stilstand en ontreddering. Factualiteit en niets dan factualiteit is schraal.
Als je de wereld ontdoet van haar doel, en alleen de wrede feiten laat bestaan, ontdoe je die wereld (voor veel mensen in elk geval) van redenen tot dankbaarheid, en een gevoel van dankbaarheid is zowel voor het geluk als voor het fatsoen noodzakelijk. Het gevoel van dankbaarheid kan snel, en maar al te gemakkelijk, plaatsmaken voor het gevoel dat je er recht op hebt. Zonder dankbaarheid is het moeilijk te waarderen wat je hebt of daar tevreden mee te zijn; en het leven wordt één grote existentiële koopwoede die door geen enkel product wordt bevredigd.
Profeten
Zoals we eerder zagen verwacht Dalrymple van schrijvers een "maatschappelijke augurenblik" en wijsgerige diepzinnigheid. Een schrijver moet illustraties gebruiken die ontleend zijn aan zijn persoonlijke kennis of ervaring, en als hij vanuit zijn verbeelding schrijft, dient zijn intuïtie te kloppen.

Naar Dalrymple's smaak is Anthony Burgess met zijn roman A clockwork's orange een van die profeten geweest met een juiste intuïtie. Aan Burgess was het orthodoxe progressieve standpunt dat misdaad wordt veroorzaakt door economische ontberingen en een gebrek aan kansen óók niet besteed. In zijn roman schept hij een wereld die Dalrymple deed denken aan de leefwereld waarin zoveel van zijn patiënten leefden, een wereld "waarin mogelijk een derde van de Engelse bevolking verkeert". Mensen zijn niet langer in staat om zich in een ander te verplaatsen. Alleen steeds extremere gevoelens kunnen hen wakker schudden uit hun geestelijke apathie; vandaar de zelfvernietiging die in het kielzog van de jeugdcultuur is gevolgd. De methode Ludovico uit het boek van Burgess herinnert aan de visie van Skinner in diens Beyond freedom and dignity, waarin deze "profeet van de gedragstechnologie" zich laatdunkend uitlaat over het idee dat reflectie op onze persoonlijke ervaring en op de geschiedenis een waardevolle bijdrage zou kunnen leveren aan onze pogingen om greep op het leven te krijgen.

Profeten en charlatans bevat daarnaast een apologie van La Rochefoucauld, die in Dalrymple's ogen geen boosaardige cynicus was, maar iemand die in zijn Maximen de menselijke ziel naar waarde kon taxeren. La Rochefoucauld is zowat de tegenpool van Rousseau — de filosoof die de aanzet gaf voor het huidige tijdperk van ‘de psychologische romantiek’, het tijdperk waarin "het zintuiglijk waarneembare ik zich slecht mag gedragen omdat het echte ik zijn wezenlijke kern van goedheid bewaart".
Door zijn onverschrokken moed in het erkennen van de feiten van de menselijke natuur wist hij (en weten wij, als we hem goed lezen) zich te verheffen boven het dubbele bewustzijn dat ervoor zorgt dat een mens weet en niet weet, dat hij zich slecht gedraagt en goed van zichzelf denkt. La Rochefoucauld bevrijdt ons echt, namelijk van het boerenbedrog. Hij ontmaskert de veelvormige manifestaties van eigenbelang en eigenliefde. Zijn kleine boekje vertelt ons meer over de menselijke natuur dan duizend bladzijden Freud.
Dalrymple koestert een speciale voorliefde voor eilandenboeken (van R.M. Ballantyne over Daniel Defoe tot The tempest van Shakespeare) vanwege het feit dat, als het karakter van een mens, of althans de diepte daarvan, zich ooit toont, het wel is wanneer hij schipbreuk lijdt. Dalrymple schrijft uitgebreid over Heer der vliegen van Golding, dat de lezer verlost van de illusie dat er op aarde een idyllisch plek bestaat waar de mens zonder zorgen en angsten kon leven.

En welbeschouwd hebben de romans van J.G. Ballard ook allemaal een Robinson Crusoe-thema: wat gebeurt er met de mens als de rekwisieten der beschaving worden weggehaald, hetzij door externe omstandigheden, hetzij door de werkzaamheid van zijn heimelijke verlangens? Dalrymple bespreekt de evolutie die Jim doormaakt in Empire of the sun. Jim zal na de Tweede Wereldoorlog nooit meer kunnen denken dat de wereld enkel en alleen ten gerieve van hem bestaat. Hij beseft

dat beschaafd gedrag een vernislaag is die door onverwachte omstandigheden verdwijnt; dat mensen die eerste belangrijk waren in nieuwe omstandigheden onbeduidend kunnen worden; dat trots op je ras, je land en je positie geen bescherming bieden tegen demoralisering; dat wreedheid gewoon is en opofferingsgezindheid zeldzaam. Kortom: dat alles wat hij met betrekking tot de wereld heeft aangenomen onjuist was.

Interessant is dat Ballard in zijn dystopische verhalen (zoals deze in Low-flying aircraft) nooit iemand uit de onderklasse opvoert. Voor Dalrymple is dat geen toeval; het is immers de ontwikkelde klasse die het land moet besturen en de morele toon moet aangeven. Ballard is voor Dalrymple de eerste die signaleerde dat de bourgeoisie zichzelf wilde proletariseren zonder haar economische privileges en politieke macht prijs te geven. Gegoede burgers gedragen zich in de massa meer en meer met dezelfde ongeremdheid als zij die qua maatschappelijke status hun minderen heetten te zijn.

In het opstel 'Een drinker der oneindigheid' wordt Arthur Koestler gerehabiliteerd. Diens reputatie werd besmeurd door zijn gewelddadige verhoudingen met vrouwen (zie dienaangaande de onthullende biografie van Cesarini). Een opvallend milde Dalrymple is zeker niet blind voor die problematiek en wijst erop hoe in de roman Arrival and departure de hoofdpersoon het onderscheid tussen vrijwillige en gedwongen seksuele handelingen probeert uit te wissen. Ook het feit dat Koestler later afgleed naar spiritualistische excentriciteit, in een zoektocht om wetenschap en mystiek met elkaar te verenigen, wordt niet onder de mat geveegd. Maar Dalrymple prijst Koestler vanwege zijn kritiek op de communistische showprocessen, omdat de schrijver het verband zag tussen de welbewuste genocidepolitiek in de Tweede Wereldoorlog en de overeenkomsten met de sovjetmethoden én "omdat hij ons op een geloofwaardige manier wijst op de verschrikkelijke logische en praktische consequenties van het geloof dat het doel de middelen heiligt". Koestler is in Frankrijk wat dat betreft van beslissende betekenis geweest.

In 'De terroristen onder ons' neemt Dalrymple het op voor de door critici met gemengde gevoelens ontvangen roman Terrorist van John Updike. Hij plaatst 'm in de goede traditie van The secret agent, waarin Joseph Conrad ons vertelt dat terrorisme onder meer voorkomt uit luiheid, of althans uit ongeduld — "dat wil zeggen ambitie die niet gepaard gaat met voharding en het verdragen van routine". Ook Updike vestigt er de aandacht op dat terrorisme geen simpele, directe reactie vormt op of het resultaat is van maatschappelijk onrecht, armoede of een andere vorm van objectief waarneembaar menselijk kwaad. Dalrymple, over de hoofdpersoon van het boek:
Ahmads weigering om naar college te gaan zou in dit licht kunnen worden beschouwd; want de weg naar constructieve prestaties is lang, zwaar en onzeker en bezaaid met veveling en kansen op mislukking, terwijl het leven van destructie opwindend is, zelfs op de meest saaie ogenblikken, door de rol der Voorzienigheid die de destructieve revolutionair zichzelf heeft toebedeeld. Als er eenmaal met het toverstokje der revolutionaire destructiviteit is gezwaaid, raakt zelfs de saaiste routine doordrenkt van betekenis en opwinding.
Dalrymple misprijst het huidige klimaat waarin je het als minderheid niet verkeerd doen; je kunt alleen maar door anderen verkeerd worden behandeld. Die mentaliteit speelt in de kaart van fundamentalisten die hun gekoesterde ideologie niet willen prijsgeven — "hun enige mogelijke bron van collectieve trots en bekwaamheid" — en in hun eeuwige gekwetstheid de technische en economische superioriteit van anderen verklaren met complotdenken.
Het is niet zo dat het persoonlijke politiek is, maar dat het politieke persoonlijk is. Mensen met ongewoon dunne huiden schrijven de kleine beledigingen, vernederingen en teleurstellingen die voortvloeien uit het menselijk leven toe aan grote, boosaardige politieke krachten; ze projecteren hun eigen lijden op de hele mensheid en bedenken plannen, waar gewoonlijk geweld mee gemoeid is, om iets aan de toestand die hen zo heeft gekwetst te veranderen.
Een van de allergrootste helden van Dalrymple is Samuel Johnson — de auteur die intellect, welsprekendheid, morele ernst, praktische levenskennis (én diepe reflectie daarop) combineerde. Een anti-romanticus van het zuiverste water was hij: zijn biografische essay Life of Savage eindigt met de impliciete verwerping van het Romantische ideaal dat het bezit van talent een man ontheft van de eisen van een moreel leven of een maatschappelijk bestaan. Dalrymple onderwerpt het eerdergenoemde Rasselas en Candide van Voltaire — twee moraliserende vertellingen die beide in 1759 verschenen — aan een vergelijkend onderzoek. Rasselas haalt het, onder meer omdat Candides ongeluk voortkomt uit oorzaken die buiten hemzelf liggen, terwijl Rasselas de existentiële onvrede ervaart die van binnenuit ontstaan.

Misschien wordt inderdaad nooit duidelijker wat Dalrymple van literatuur verwacht, dan wanneer hij twee boeken tegen elkaar opzet. Ook Tolstoj en Tsjechov worden met elkaar geconfronteerd, middels twee gelijkoplopende verhalen. Het is algemeen bekend dat Tolstoj na het schrijven van Anna Karenina voortaan moraalfilosoof wou zijn; een profeet en een heilige, eerder dan een kunstenaar. In zijn analyse van het nochtans breedbejubelde De dood van Ivan Iljitsj toont Dalrymple aan hoe de ideoloog Tolstoj het van de schrijver wint, en daardoor de lezer een versimpeld verhaal voorschotelt. De lezer wordt gemanipuleerd omdat hij wordt verondersteld de onoprechte gevoelens van de weduwe Iljitsj (die aan haar pensioen denkt) en Iljitsj' vriend (die blij is een robbertje te kunnen bridgen met zijn vrienden) te verachten. Tegenover hen plaatst Tolstoj doelbewust het knechtje van de man ("waarvan de socialistische, slavofiele Tolstoj een ongerepte plattelander maakt"), de enige die lijkt te begrijpen dat zijn meester doodgaat. Dalrymple veracht deze grove tweedeling en wijst erop dat de onverschilligheid van beide personages nu ook weer geen halsmisdaad is.


Theodore Dalrymple; afbeelding via Wikimedia Commons

Charlatans
Onder charlatans verstaat Dalrymple schrijvers die voor het gemak maar even vergeten dat hun werk een morele dimensie heeft. Dat kan vele gradaties aannemen: door het probleem van de moraal op onduldbare wijze te versimpelen; door een opportunistische vaagheid te betrachten waar het morele kwesties betreft; of door alle moraliteit in zijn geheel te verwerpen. Immoraliteit kan in het karakter liggen van de schrijver, zegt Dalrymple, óf door bepaalde omstandigheden worden opgeroepen. "Sommige mensen zijn geboren charlatans, sommige worden charlatan, en sommige krijgen het charlatanschap toegeworpen." Van elk type schrijver worden in dit boek voorbeelden gegeven.

Het schoolvoorbeeld van een opportunist ziet Dalrymple in de persoon van Carl Gustav Jung. Hij wordt door hem "een exceptioneel onheldere schrijver en denker" genoemd; het type schrijver dat nooit iets helder zal zeggen wanneer hij het met vertroebeling kan stellen. Als je Jung leest, schrijft Dalrymple, ga je eerder "een wereld van connotatie dan van denotatie binnen, eerder een wereld van gesuggereerde dan van rechtstreeks benoemde betekenis".

Jung als maatschappelijk fenomeen is zeker interessant. Hij stierf in 1961, en uit mijn kinderjaren herinner ik me hem vagelijk als lid van het triumviraat Germaanse goeroes die over alle onderwerpen werden geraadpleegd en wier uitspraken een dusdanige aforistische wijsheid werd toegedicht dat die iedere tegespraak of zelfs iedere analyse te boven gingen. Dat triumviraat bestond uit Albert Einstein, Albert Schweitzer en Carl Jung. Ze werden alledrie bijgestaan door hun verschijning, en ook door hun accent, dat zich zo goed voor wijsheid leende.

Jung was eerder een intellectueel dan een empirisch wetenschapper. Zijn theorieopbouw "heeft altijd iets weg gehad van een omgekeerde piramide: een berg speculatie die rust op een speldeknopje feit." Het is niet gezegd dat hij de kennis van de mens uitbreidde; want het is heel goed mogelijk om namen aan niet-bestaande dingen te geven. Erger is Jungs opportunisme tijdens het naziregime, in de zin dat hij zulke verbloemde uitspraken deed dat ook de nazi's er iets van hun gading in konden vinden. Dalrymple laakt het onvermogen van Jung, de grote zieleknijper, om directe uitspraken te doen over de meest brandende kwesties van zijn tijd.

In zijn opstel over Pound lapt Dalrymple de ongeschreven wet aan zijn laars als zou je het oeuvre van een dichter moeten taxeren los van de politieke overtuigingen en autobiografische frustraties van de schrijver. Hij heeft om te beginnen niet veel op met Pounds modernistische poëzie ("een eerbetoon aan de volstrekte ononthoudbaarheid"), maar misprijst in het bijzonder diens frontale aanval op bankiers, makelaars, de markt, en lenen met rente — inclusief de onderliggende misvatting dat de rijkdom van de een wel de armoede van een ander moeten betekenen. "Dat zijn geboorteland Amerika nooit op zo’n snelle en indrukwekkende wijze welvarend zou zijn geworden zonder de import van buitenlands kapitaal, komt geen moment bij hem op." Dalrymple poneert als bron van Pounds ergernis de weigering van Amerika om hem de waardering te geven die hem naar eigen opvatting toekwam. Schrijvers, ook schrijvers uit de avant-garde, zijn niet noodzakelijk op alle vlakken grote denkers, zo blijkt.

Wie er ook niet goed vanaf komt is Jack Kerouac, in wiens On the road Dalrymple ook een van de belangrijkste bijbels ziet van de zedenverwildering van tegenwoordig ("Zij die de conventie bewust verwerpen, gaan altijd op zoek naar goeroes"). Door boeken als On the road gingen vele intelligente mensen van zichzelf verwachten dat ze hun eigen ziel moesten vormen zonder zich te laten leiden door de wijsheid van hun voorouders. Het gebruik moest voortaan niet verworpen worden omdat het verkeerd was, maar simpelweg omdat het een gebruik was. Dalrymple geeft zeker ook literairtechnische kritiek — de extreme banaliteit van Kerouacs proza, het feit dat hij Sal Paradise laat vertellen dat Dean Moriarty een geweldige spreker is zonder daar voorbeelden van te verstrekken, enzovoort — maar laakt vooral de verheerlijking bij Kerouac van onverantwoordelijk gedrag. Zijn hoofdpersonages Sal en Dean zijn geen van beiden geïnteresseerd in dingen die buiten zichzelf liggen, en zelfs in zichzelf alleen in de meest oppervlakkige, onbeduidende zin. Ook in het echte leven, zegt Dalrymple, bleek Kerouac niet in staat blijvende menselijke relaties aan te gaan, strookt Kerouacs imago niet echt met het feit dat hij het grootste deel van zijn leven bij zijn moeder bleef wonen.

Een van de nuttigste essays uit Profeten en charlatans vond ik 'De valse profeet'. Nuttig, omdat Dalrymple, schrijvend over De profeet van Kahlil Gibran, met argumenten komt die toepasbaar zijn op alle new age-gezwatel die ons heden ten dage bereikt, niet in het minst de romannetjes van Paulo Coelho. New age is niet alleen kitsch, het is ook moreel oneerlijk. Gibran, schrijft Dalrymple, verstond de kunst om in clichés te schrijven zonder veel te zeggen dat waar was. Hij was eerder een voeler dan een denker, wat niet zo erg is, ware het niet dat zijn gevoelens onecht zijn omdat hij ze weigert in het gareel te brengen door iets wat op denken lijkt. In Gibrans weigering de grote paradoxen van het leven onder ogen te komen, en in plaats daarvan de voorkeur te geven aan de illusie van suikerzoete goedwilligheid, ziet Darymple een groot moreel tekort. Gibran was immers de zoveelste charlatan die dacht dat mensen spontaan tot vrije en interessante denkers toegroeien, zonder dat opvoeding ze daartoe moet aanmoedigen. Gibrans boodschap lijkt erop neer te komen dat goedheid inhoudt dat je precies doet wat je bevalt, zolang het je echt en oprecht bevalt, en je wat je doet met je hele hart doet. Dalrymple citeert een stukje Gibran en schrijft dan:
(...) in deze regels zijn we getuige van het karakteristieke moderne onvermogen om te begrijpen dat mensen naar vrijheid en onafhankelijkheid van denken toegroeien en die eigenschappen niet bij de geboorte toegediend krijgen, als was het een injectie met vitamine K. Natuurlijk, als hun die vrijheid nooit wordt toegestaan blijven ze onvolgroeid, maar ze blijven op een andere manier onvolgroeid als hun te vaak en te vroeg in hun leven vrijheid wordt toegestaan (en het gezag dat zich aan vrijheid paart). De uitoefening van vrijheid van denken vereist instrumenten die zich niet spontaan ontwikkelen, en zonder deze instrumenten denkt iedereen uiteindelijk gelijk. De moeilijke kunst van het opvoeden, die ongetwijfeld nooit volmaakt wordt beoefend, bestaat voor een groot deel uit het aanmoedigen van kinderen om toe te groeien naar een vrijheid waarvan zij en anderen profijt kunnen trekken. Vergissen blijft altijd mogelijk en zelfs waarschijnlijk als het oordeelsvermogen moet worden ingezet, maar dat maakt het inzetten van dat oordeelsvermogen nog niet minder noodzakelijk. Iets wat verklaart waarom onze levens zo weinig weg hebben van een mes dat door de boter snijdt, en ook waarom een categorische uitspraak als ‘Je kunt je liefde maar niet je gedachten geven’ niet alleen dom is, maar ook kwalijke gevolgen heeft, zelfs als ze niet kwaad bedoeld is, aangezien ze de problemen moedwillig ontwijkt door het werkelijk reflecteren te vervangen door een warme, vage sentimentaliteit. Het is opvoedingsadvies voor ouders die het te druk hebben om hun kinderen veel aandacht te schenken. Het is ook materialistisch in de slechts denkbare betekenis; want je geeft je kinderen liefde als je hun het nieuwste electronische speeltje geeft, maar je geeft hun gedachten als je nee tegen hen zegt (wat veel moeilijker is).
Al even verwend noemt Dalrymple publiekslieveling Oscar Wilde. De Ierse schrijver was een van de eersten die de weg van de publiciteit en de persoonlijke promotie verkoos boven die van de prestaties, wat ten koste ging van zijn eigenlijke werk, maar dat is niet eens het punt. Het drama is dat het tot zijn detentie moest duren eer hij de waarde leerde kennen van waarheid, oprechtheid en goedheid, en tot die tijd kon grossieren in weliswaar vermakelijke, maar in wezen gratuite oneliners. Dalrymple, goedgeplaatst als gewezen gevangenispsychiater, wijst terloops op de onjuistheden over het gevangenisleven in zowel De ballade van Reading Gaol als Wilde's lange brief De profundis: de 'nobelheid' van de gevangenen, moordenaars die zogenaamd in een opwelling tot hun daad zijn overgegaan, de wildgroei van executies achter de tralies...

Het is even schrikken wanneer Dalrymple daarna de gevierde toneelschrijver Harold Pinter de mantel uitveegt. Hij acht de "pseudorevolutie" in het Britse theater van de jaren vijftig nauw gerelateerd met het culturele wantrouwen dat Groot-Brittannië overviel toen het land na de Tweede Wereldoorlog ontdekte dat het geen wereldmacht meer was. Het feit dat Terence Rattigan (schrijver van onderhoudend en toegankelijk drama waarbij morele diepte was ingebed in een samenhangend verhaal) plaats maakte voor Pinter als de dominante kracht, wijt Dalrymple aan
de verruwing van het gevoelsleven, de triomf van het irrationalisme, de scepsis jegens het vermogen van de menselijke geest om de ervaring te ordenen, het verlies van het geloof in het vermogen van de taal om betekenis te genereren, het geloof dat alleen machtsrelaties echt zijn en dat al het overige illusie is, het afglijden naar intellectuele oneerlijkheid en poseren, en de verdraagzaamheid jegens psychopathie.
Pinter ontleende zijn personages aan een lager sociaal echelon dan Rattigan. Door de tijdsgeest — lelijk was echter dan schoon, verpaupering echter dan rijkdom — werd onmiddellijk aangenomen dat Pinters beschrijving van de lagere klassen, die inhield dat het hun aan iedere vorm van welsprekendheid en begripsvermogen ontbrak, levensecht was. Maar in feite, zegt Dalrymple, hingen in de oude werkende klassen in Engeland nog veel mensen de waarden van terughoudendheid, zelfbeheersing en goede manieren jegens hun maatschappelijk superieuren aan; "waarden die je bij de ouderen nog altijd aantreft". Het ontbreekt Pinters stukken aan iedere morele dimensie. Maar vooral, en dat is wat Dalrymple stoort, ook de morele stem van de auteur blijft afwezig. Dalrymple is gekant tegen de pinteriaanse opvatting dat een meningsverschil niets is dan een machtsstrijd tussen mensen. Hij vindt dat de filosofische positie van een poseur. Immers, Pinters politieke uitspraken roepen niet het beeld van een man op die problemen heeft met het doen van morele uitspraken.

Kritiek
Het moge duidelijk zijn dat ik dit een zeer aanbevelenswaardig boek vind. Profeten en charlatans heeft mijn morele barometer herijkt. Het vormt een nuttig correctief op de, inderdaad, oppervlakkig-esthetische criteria die ook ik al te vaak hanteer op dit weblog. Het is zo'n boek dat je grenzeloos ontevreden achterlaat met het meeste van je eigen werk (al voel ik me qua aanpak ook gesteund door het verwoede citeergedrag dat Dalrymple aan de dag legt).

Kort na het beëindigen van dit boek heb ik Johnsons Rasselas gelezen en, verdomd, ondanks de gedateerde vertaling, vond ik het schitterend. Ik wou dus dat ik het beargumenteerde conservatisme van Dalrymple al als tiener had leren kennen; dat had me kunnen behoeden voor een eindeloos voortzwalkende puberteit. Conservatisme, ook literair gesproken. Helderheid acht Dalrymple als een intellectuele en morele plicht. Wie het welgevormde verhaal veracht, schrijft hij ergens, doe impliciet afbreuk aan de kracht van het intellect. Een prachtige, onverwachte bevestiging — ik lees nooit de inhoudstafel van boeken — van mijn verwantschap met de auteur kreeg ik, toen Dalrymple op het laatst een waarderend stuk bracht over Maugham.

Dat alles betekent niet dat ik een kritiekloos bewonderaar ben. Hoe raar de kronkel is om Pinter en Kerouac nihilisme te verwijten en schrijvers als Burgess en Golding juist als grootheden te behandelen, enkel alleen omdat deze laatsten een expliciete morele leidraad in hun boek stopten, heeft Marc Reugebrink al schrander opgemerkt. Een kritiek waar ik het absoluut mee eens ben.

Dalrymple overdrijft voorts nogal in zijn angstvisioenen, als zou de cultuurcatastrofe ophanden zijn. De passages waarin hij na een klassiek concert doodsbang voor hangjongeren door een Engelse provinciestad banjert — de Morlocks versus de Eloi, zoals hij de situatie omschrijft in een stuk over De tijdmachine van H.G. Wells — lijken me dik aangezet. Zou het kunnen dat de auteur door die dagelijkse omgang met zware criminelen paranoïde is geworden tegenover doordeweekse mensen?

Dalrymple draagt ook niet voor alles argumenten aan. Zo had ik weleens willen weten waarom "de glibberige, onoprechte en escapistische" Cioran, die ik zeer bewonder, opeens een veeg uit de pan moest krijgen.

Tot slot gaat hij net als zijn conservatieve collega Scruton serieus over de schreef wanneer hij met duidelijk leedvermaak mag melden hoe Foucault zijn sadomasochistische homoseksuele fantasieën in San Francisco uitleefde en "als gevolg daarvan" (!) overleed aan aids.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Theodore Dalrymple, Profeten en charlatans
Hoe schrijvers ons de wereld laten zien
376 p.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2009
Oorspr. Not with a bang but a whimper (2008) [selectie]
Aangevuld met essays uit The New Criterion uit de periode 1999-2008
Vertaald door Jabik Veenbaas

____

5 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

The man in the gray flannel suit – Sloan Wilson
Why Kerouac matters – John Leland
The private memoirs of a justified sinner – James Hogg
Treasure island - Robert Louis Stevenson
Coral Island – R.M. Ballantyne
The tempest – William Shakespeare
The admirable Crichton – J.M. Barrie
Studies in the literature of Sherlock Holmes – Ronald Knox
Essays in satire – Ronald Knox
Contemplations upon the principal passages of the holy story – Joseph Hall
Characters of virtues and vices – Joseph Hall
Occasional meditations – Joseph Hall
The empire of the ugly – Simon Leys

Arthur Koestler:
The God that failed
Spanish testament
Dialogue with death
The age of longing
Arrow in the blue + The invisible writing (tweedelige biografie)

J.G. Ballard:
Concrete island
Cash
High-rise
Cocaine nights
Millennium people
Kingdom come

De 'beste stukken' van Terence Rattigan:
The deep blue sea
The Browning version
The Winslow boy

reinswart zei

mooi artikel dat aan het denken zet

Guido Vanhercke zei

Bedankt voor deze inspirerende samenvatting.

walter zei

Goede bespreking van een goed boek.
Heb zelf literatuurstudies gedaan, aan de VUB, in de jaren 70. Met zulke opvattingen werd je er daar in pek en veren uitgebonjourd.Na een lang leven als lezer ben ik het nochtans helemaal eens met Dalrymple: een fasoenlijke roman leert je empathie, verruimt je intellectuele blik en maakt je een minder slecht mens.Mits goed gelezen.

Achille van den Branden zei

Welke literatuurtheoretici waren toen wel en vogue op de VUB, als ik vragen mag?

Related Posts with Thumbnails