woensdag 16 juni 2010

On bullshit - Harry G. Frankfurt

Veel boeken koop ik blind, afgaande op een fascinerende titel en een zeer diagonaal gelezen synopsis. Ik vind het plezierig zelf uit te zoeken hoe ik een boek moet inschatten. Dat ik achteraf weleens schaapachtig opkijk van de soms erg afwijkende mening van specialisten, deert me niet. Een gebrek aan houvast speelde me ook parten bij On bullshit. Pas na een bladzij of twintig bleek dit essay echt niet het studentikoze cabaretnummer waarvoor ik het eerst hield.

Harry G. Frankfurt is professor emeritus in de filosofie aan de universiteit van Princeton. Hij is vooral geïntereseerd in moraalfilosofie, de studie van het menselijk bewustzijn en het zeventiende-eeuwse rationalisme. Hij is de bedenker van de Frankfurt counterexamples — gedachtenexperimenten die het debat over de vrije wil op scherp zetten.

In On bullshit legt hij het fenomeen kletskoek onder het vergrootglas. Kletskoek is immers een onderwerp dat serieuze studie verdient. Omdat we met zijn allen denken dat we zin en onzin goed van elkaar kunnen onderscheiden, denken we er niet zoveel over na, laat staan dat we een duidelijk idee hebben over wat de gevolgen zijn van kletskoek, waarom er zoveel kletskoek de ronde doet en welke functies kletskoek allemaal heeft.

On bullshit verscheen voor het eerst in een universitair tijdschrift, in 1986. Het oude essay werd in 2005 alsnog een (onverwachte) bestseller toen Frankfurt er een apart boekje van maakte. De tekst kenmerkt zich door beknoptheid en een heerlijk strakke redeneertrant, en is daarmee een aardige cadeautip.

1.
Met bullshit ('flauwekul' of 'kletskoek') worden volgens het woordenboek beweringen aangeduid die volgens de wetten der logica of het gezond verstand niet waar kunnen zijn of uitspraken waarbij zeer merkwaardige verbanden worden gelegd. "Ze zijn niet zinnig en dus onzinnig, kortweg: onzin." Maar is het allemaal wel zo simpel? Frankfurt drijft, zoals een filosoof behoort te doen, het probleem op de spits. Hij neemt als uitgangspunt de definitie die Max Black gaf van het begrip 'humbug' in diens The prevalence of humbug:

HUMBUG: deceptive misrepresentation, short of lying, especially by pretentious word or deed, of somebody’s own thoughts, feelings or attitudes.
Bij humbug gaat het dus in de eerste plaats om een misleidende verkeerde voorstelling van zaken. Misleidend betekent hier: met de bedoeling de ander om de tuin te leiden. Een misleidende verkeerde voorstelling van zaken is dus een voorstelling van zaken die iemand geeft in het volle bewustzijn dat deze voorstelling verkeerd is.

Maar, vervolgt de definitie, dat is nog iets anders dan liegen. Liegen betekent immers: leugens verspreiden, onwaarheden verkondigen. En je kan ook leugens verspreiden in de volle overtuiging dat je de waarheid spreekt (net zoals je per ongeluk de waarheid kan spreken terwijl je eigenlijk doelbewust wil liegen).

De vorm waarin humbug wordt verkocht, stelt de definitie van Black verder, zijn "pretentieuze woorden of pretentieuze daden". Maar, verduidelijkt Frankfurt op zijn beurt, pretentie moet hier niet verstaan worden als het wezenskenmerk van wat iemand die humbug verkoopt vertelt. Pretentie is niet het wezenskenmerk, het is het motief van het verkopen van humbug.

De spreker die humbug verkoopt, liegt niet over het onderwerp waarover hij spreekt, maar liegt de toehoorder voor over wat zich in zijn hoofd (het hoofd van de spreker) afspeelt. Iemand die humbug verkoopt, geeft doelbewust een verkeerde indruk van zijn overtuigingen. Hij liegt de toehoorder voor over overtuigingen die hij, de spreker, zelf niet heeft. Het creeëren van die verkeerde indruk, is het grondmotief van het vertellen van humbug.

Een voorbeeld. Stel je een Amerikaanse politicus voor, zegt Frankfurt, die een ronkende speech houdt over de Fourth of July, waarbij deze politicus zich op clichématige wijze uitlaat over ‘ons groot en gezegende land dat de Founding Fathers hebben gesticht onder het toeziend oog van de goden, met de bedoeling een nieuwe start voor de mensheid te scheppen’.

Humbug, natuurlijk. Maar waarom? Strikt genomen bevat de speech geen enkele leugen (waarbij een leugen zoals gezegd niet zomaar een onwaarheid is, maar het doelbewust vertellen van een onwaarheid). De spreker zou alleen hebben gelogen als het zijn bedoeling was geweest het publiek ideeën diets te maken waarin hij zelf niet gelooft, namelijk dat Amerika een groot land is, dat de Founding Fathers het hebben gesticht onder het toeziend oog van de goden, enzovoort.

Maar de spreker heeft net maling aan wat het publiek denkt over Amerika, de Founding Fathers en de rol van de goden bij de stichting van Amerika. Dat zijn speech humbug is, komt niet omdat er leugens in staan, maar omdat de spreker een bepaalde stemming wil creeëren, het publiek op een bepaalde manier over hem wil laten denken. Wat het publiek over hem denkt, dát is voor de spreker belangrijk. Hij wil dat het publiek hem ziet als een goede patriot, iemand die diepe gedachten heeft over het ontstaan van zijn vadeland, die zin heeft voor geschiedenis, noem maar op.

2.
Goed, we weten intussen wat humbug is: het creeëren van een misleidende indruk van de spreker over zichzelf. Toch is Frankfurt niet tevreden met deze definitie. Althans, ze definieert naar zijn smaak niet goed wat bullshit is. Bullshit is nog iets anders dan humbug. Maar wat? Waarin verschilt bullshit van humbug?

Zou het kunnen, oppert Frankfurt, dat bullshit vooral te maken heeft met slordigheid, met nonchalance? Niet een sympathiek soort nonchalance, maar het volslagen verstoken zijn van de bedoeling iets precies, oordeelkundigs, meticuleus te doen. Het woord shit, stront, lijkt dat alvast te willen aangeven. Excrementen berusten immers niet op een of ander weloverwogen design, wel integendeel.
It may have a more or less coherent shape, or it may not, but is in any case certainly not wrought. The notion of carefully wrought bullshit involves, then, a certain inner strain. Thoughtful attention to detail requires discipline and objectivity. It entails accepting standards and limitations that forbid the indulgence of impulse or whim. It is this selflessness that, in connection with bullshit, strikes us a inapposite. But in fact it is not out of the question at all. The realms of advertising and of public relations, and the nowadays closely related realms of politics, are replete with instances of bullshit so unmitigated that they can serve among the most indisputable and classic paradigms of the concept. And in these realms there are exquisitely sophisticated craftsmen who — with the help of advanced and demanding techniques of market research, of public opinion polling, of psychological testing, and so forth — dedicate themselves tirelessly to getting every word and image they produce exactly right.
Maar, vervolgt Frankfurt, er is meer in het spel dan louter slonzigheid van denken. De bullshitter probeert ook met iets weg te komen, of liever: probeert iets weg te maken, van iets af te komen.

Om dat uit te leggen, vertelt Frankfurt een anekdote over Ludwig Wittgenstein. Aan de universiteit van Cambridge werd een vrouw eens ernstig door de filosoof berispt. Deze Fania Pascal voelde zich op een dag niet lekker, en vertelde Wittgenstein over de telefoon dat ze zich voelde 'als een hond die was overreden'. Waarop de filosoof in woede ontstak. Hoe kon de vrouw nu weten hoe zo'n hond zich voelde? Of Wittgenstein serieus was, of alleen een grapje maakte, is hier niet van tel. Wat belangrijk is, is dat deze anekdote ons dichter bij een correcte definitie van bullshit brengt.

Opnieuw is hier geen leugen in het spel. Fania Pascal was niet aan het liegen. Ze kan niet weten hoe het voelt om als een hond te zijn overreden, dus kan ze ook niet doelbewust onwaarheden verkopen. Bovendien voelde ze zich ook echt niet goed, dus ook qua intentie was ze niet aan het liegen. Niettemin verkocht ze bullshit.

Immers, wanneer ze het beeld met de hond inzet, is dat met de bedoeling iets te verduidelijken over haar toestand, specifieker te zijn dan wanneer ze zich er gewoon had vanaf gemaakt met de mededeling ‘Ik voel me slecht’. Alleen is ze te specifiek — specifiek op een manier die kant noch wal raakt. Ze verkoopt bullshit, niet omdat ze staat te liegen, maar omdat ze niet echt bezorgd toont om de waarheid. Ze uit een gedachte, zonder daarover goed te hebben nagedacht, en, al even belangrijk, ze maalt daar niet eens om.

Leugens verkopen enerzijds en de waarheid vertellen anderzijds hebben op zijn minst de overtuiging met elkaar gemeen dat er een netjes omlijnde waarheid is. Het verkopen van bullshit echter is het tijdelijk loslaten van die bezorgdheid om de waarheid. Bullshit lijkt meer op bluffen dan op liegen.
Lying and bluffing are both modes of misrepresentation or deception. Now the concept most central to the distinctive nature of a lie is that of falsity: the liar is essentially someone who deliberately promulgates a falsehood. Bluffing too, is typically devoted to conveying something false. Unlike plain lying, however, it is more especially a matter not of falsity but of fakery. This is what accounts for its nearness to bullshit. For the essence of bullshit is not that it is false but that it is phony. In order to appreciate this distinction, one must recognize that a fake or a phony need not be in any respect (apart from authenticity itself) inferior to the real thing. What is not genuine need not also be defective in some other way. It may be, after all, an exact copy. What is wrong with a counterfeit is not what it is like, but how it was made. This points to a similar and fundamental aspect of the essential nature of bullshit: although it is produced without concern with the truth, it need not be false. The bullshitter is faking things. But this does not mean that he necessarily gets them wrong.
Het woord bullshit is niet toevallig verwant met het woord bull session. Een bull session is een gesprek waarbij een paar mensen besloten hebben om quasi-openhartig te praten over heikele thema's zoals religie, politiek of seks. Met nadruk op quasi-openhartig: tijdens een bull session proberen mensen op een gratuite manier bepaalde gedachten uit, om te zien of ze met die gedachten staan, en om te zien welke reacties die gedachten uitlokken bij andere mensen. Een bull session maakt de deelnemers minder terughoudend omdat ze niet per se de waarheid hoeven te vertellen — zo'n sessie drijft zelfs goeddeels op het plezier van dat gevoel van onverantwoordelijkheid.

Het grote verschil tussen deelnemers aan een bull session en verkopers van bullshit is dat de eerste groep kletskoek verkoopt met medeweten van alle toehoorders. Bij de tweede groep is er niet zo'n duidelijke context. Verkopers van bullshit hebben maling aan hun toehoorders en hun wens de waarheid te horen. Ze willen hun toehoorders imponeren en overtuigen, maakt niet uit hoe.

3.
Rest Frankfurt nog één belangrijke kwestie: de vraag waarom er zoveel bullshit de ronde doet. Als het de bedoeling is iemand om de tuin te leiden, zijn leugens toch effectiever, zou je denken.

Inderdaad, zegt Frankfurt, maar juist omdat bullshit vager is dan leugens, heeft het voordelen die leugens niet hebben. De gevolgen van wanneer je betrapt wordt op een leugen zijn veel erger dan wanneer je ontmaskerd wordt als iemand die bullshit heeft verkocht. Mensen zijn toleranter tegenover bullshit dan tegenover leugens, omdat ze zich minder persoonlijk aangevallen voelen. In zijn doelgerichte precisie, in zijn uitgekiend vakmanschap, kwetst een leugen de belogene meer dan bullshit. Wie liegt, is zich immers zeer goed bewust van de waarheid. Bij wie kletskoek verkoopt, is dat minder duidelijk.

Er is nog een ander verschil tussen een leugenaar en een bullshitter. Beiden doen uitschijnen dat ze hun toehoorders een waarheid willen vertellen. Maar waar het de leugenaar niet is aan te zien dat hij ons wil wegleiden van een correct begrip van de werkelijkheid (we mogen niet weten dat hij ons iets voorliegt), is het de bullshitter niet aan te zien dat de vraag of wat hij zegt waar is of niet hem eigenlijk niet kan schelen. Een bullshitter is niet geïnteresseerd in het correct beschrijven van de werkelijkheid; hij selecteert uit de werkelijkheid de dingen die zijn doel dienen, of zuigt die dingen desnoods uit zijn duim.
Someone who lies and someone who tells the truth are playing on opposite sides, so to speak, in the same game. Each responds to the facts as he understands them, although the response of the one is guided by the authority of the truth, while the response of the other defies that authority and refuses to meet iets demands. The bullshitter ignores these demands altogether. He does not reject the authority of the truth, as the liar does, and oppose himself to it. He pays no attention to it all. By virtue of this, bullshit is a greater enemy of the truth than lies are.
Een andere belangrijke reden volgens Frankfurt waarom er zoveel bullshit de ronde doet, is dat bullshit haast onvermijdelijk wordt wanneer we gedwongen worden te spreken over dingen die onze kennis van de feiten te boven gaan. Korter gezegd: bullshit komt uit de mond van diegenen die niet weten waarover ze praten. Dat zou niet eens een probleem zijn, ware het niet dat dat ongeïnformeerde praten onvermijdelijk is in het openbare leven, en zeker in een democratie, waarin iedereen geacht wordt over alles een mening te hebben (én deze ook nog eens kan rondstrooien, bijvoorbeeld op het internet).

De eerste persoon die het slachtoffer wordt van de dwang over alles een mening te hebben, zegt Frankfurt (en zo terloops dat je bijna over deze belangrijke conclusie heenleest), is de persoon die zich in een functie bevindt die van hem vraagt dat hij gebeurtenissen onophoudelijk evalueert. Een politicus, quoi.

Een intelligent bespreker van dit boek op Slate paste Frankfurts definitie van bullshit met succes toe op de recente Amerikaanse politiek. Richard Nixon loog; hij wist dat hij Cambodja aan het bombarderen was, maar vertelde het tegenovergestelde. De fabeltjes van George W. Bush over de sociale zekerheid zijn echter geen leugens, maar bullshit; hij en zijn administratie hebben zich simpelweg niet de moeite getroost om uit te zoeken hoe de zaken er werkelijk voor stonden.

Maar goed. Een derde factor die de "proliferatie van bullshit" in de hand werkt, is de modieuze vorm van skepsis die heden ten dage schering en inslag is. Frankfurt spreekt van de "anti-realistische" doctrine, die het onderscheid opzegt tussen waarheid en onwaarheid. Die doctrine is niet zonder gevolgen. Wanneer een correcte weergave van een objectieve waarheid niet meer mogelijk wordt geacht, is de meestvoorkomende reactie daarop: het vluchten in het ideaal van de oprechtheid. Met andere woorden: het correct weergeven van je persoonlijke waarheid. In onvertaalbaar Engels spreekt Frankfurt van "not being true to the facts" maar "being true to your own nature".

Dit trouw blijven aan je eigen waarheid schept een heleboel filosofische problemen. Om te beginnen zijn we wezens met een bewustzijn, die voornamelijk bestaan in respons op dingen die buiten ons liggen; we kunnen onszelf niet kennen zonder kennis van wat buiten ons ligt. Komt daar nog de bezwarende omstandigheid bij dat wij allicht de slechtst geplaatste personen zijn om de waarheid over onszelf te kennen. En derde en belangrijkste bezwaar van allemaal: we zijn geen gedetermineerde wezens, maar instabiel, in permanente ontwikkeling. En dus, zegt Frankfurt in een moker van een slotzin,
insofar as this is the case, sincerity itself is bullshit.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Harry G. Frankfurt, On bullshit
67 p.
Uitgeverij Princeton University Press, 2005

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails