dinsdag 15 juni 2010

Italianen voor gevorderden - Beppe Severgnini

De troeven van Italië hebben meer te maken met het land dan met zijn bewoners. Naar Italië zakken we af omwille van zijn kunstschatten, landschappen, zonnige weer. Wat we over de Italianen zelf weten, steunt op een handvol clichés: de Latin lover, het gevoel voor theater, de bestuurlijke onkunde van Berlusconi. Goed, de literaire reiziger kent allicht zijn Goethe, Stendhal en Byron. Alleen: tot op vandaag worden die auteurs geciteerd alsof er niets is veranderd.

En dat zinde Beppe Severgnini allemaal niet. Net zo min als hij gediend was van al die reisverslagen van verliefde buitenlanders die een Cisalpijns huisje hadden opgeknapt, toch niet konden aarden tussen de olijfbomen, en gedesillusioneerd terugkeerden naar eigen bloed en bodem.

Daarom werd dit boek een reusachtig verweerschrift dat ons iets moet tonen van de complexiteit en de loffelijkheid van de Italiaanse volksaard. Italië is meer dan barok en opera, scooters en espresso, veterloze schoenen en rooskleurige tv-decors. Het is een natie om u tegen te zeggen.

Beppe Severgnini — journalist, columnist, ooit een poulain van Indro Montanelli — bezocht in tien dagen tijd dertig plekken in Italië en gaf zijn ogen goed de kost. Hoewel de grote steden allemaal langskomen, zijn ze, eerder dan een aanleiding voor cultureel correcte praatjes, vooral het decor voor Severgnini's fenomenologie van het dagelijks leven. Wat vertellen een hotellobby (p. 26), de toiletten in restaurants (41), enige appartementsblokken (60), een tinello of bijkeuken (65), een slaapkamer (73), een treinstel (73), de doorsnee piazza (116), een Italiaans raam (125) en een trottoir (163) ons over het land waar de citroenen bloeien?

Severgnini gaat ergens neerzitten, beschrijft wat zich onder zijn neus afspeelt in timelapse-tempo, en ontrafelt dan het verhaal achter het oppervlakkige tafereel. Hij is daar werkelijk goed, maakt de lezer makkelijk deelgenoot van wat hij meemaakt.

Is het nog steeds niet duidelijk waarover die twee het hebben? Kijk dan even mee. Hij balt beide vuisten: hij is boos. Zij laat haar handpalmen zien: ze zegt dat hij het zich niet moet aantrekken. Hij wrijft met zijn rechterduim over het middelste kootje van zijn wijsvinger: het gaat dus om geld. Zij beweegt de toppen van beide wijsvingers naar elkaar: ‘twee handen op één buik’. Heel simpel: de twee echtelieden bespreken een verdacht geval van corruptie.
Gebruikmakend van een aanstekelijke pluralis ('En nu lopen we...') verdedigt Severgnini zijn land tweehonderdvijftig pagina's lang tegen gemeenplaats en vooroordeel. De toon is fier, opgewonden, offensief. Italianen voor gevorderden is Italiaans in zijn chauvinisme en uitbundige humor, Frans in zijn gevoel voor rationalisatie (ergens worden de leerstellingen van Thomas van Aquino gebruikt om de toevloed aan modeontwerpers in Milaan te verklaren). Hans E. van Riemsdijk, by the way, heeft uitstekend zitten vertalen.

Severgnini probeert op zijn minst aan te tonen dat een Italiaan niet voor één gat te vangen is. De middeleeuwse stadstaatjes bestaan in zekere zin nog altijd. Wanneer de klok één uur slaat, is het in Milaan tijd voor de colazione — wat in Rome wil zeggen ontbijt, maar in Londen juist de lunch is. In Rome noemen ze de lunch dan weer pranzo; een woord dat in Milaan voor menigeen weer de maaltijd is die ze in Napels cena noemen.

Het gedrag van een Italiaan wisselt ook per locatie (restaurant, café, nachtclub, thuis, op zijn werk), waarbij je die verschillen niet zomaar als afgeleiden mag beschouwen van een of andere massieve Italiaanse volksaard. Wanneer Severgnini het gewemel op een plein beschrijft, ontbindt hij die biotoop daarom doelbewust in factoren: het politieke plein, economische plein, theaterplein, seksuele plein, sociale en sentimentele plein, therapeutische plein. Ook het strand is zo'n polyvalente ruimte: catwalk, sportveld, dansvloer, restaurant, markt, laboratorium, sauna, leeszaal, meditatieplek of liefdesnestje.

In het oog springen natuurlijk meteen de drukte en de babbelzucht van de Italianen. Die hartelijkheid en bereidwilligheid zijn oprecht, zegt Severgnini, en bedoeld om de sociale banden door alle bevolkingsklassen heen soepel te maken en te houden. Sympathiek optreden stemt gelukkig en maakt alles eenvoudiger; een chagrijnige houding compliceert de zaken alleen maar. Dat hebben de Italianen al eeuwen begrepen, en ze handelen ook naar dat inzicht.

Ook de mediterrane breedsprakerigheid heeft zijn nut. Taal duidt op lidmaatschap van een bepaalde sociale geleding, op bekwaamheid, op jaren studie. Maar wollig taalgebruik is evengoed een soort verzekeringspolis.
Weet je wel waarom ze het in het parlement niet met elkaar eens zijn, maar ‘een op hoofdlijnen gelijkluidend standpunt noteren’? Of waarom het in de weersvoorspellingen nooit gewoon gaat regenen, maar ‘men neerslag verwacht als gevolg van een samenpakking van de bewolking’? Wel, omdat de zaken complex maken een vorm van bescherming is (mijn woorden zijn verkeerd uitgelegd), van goede sier (ik ben een geletterd man), van cosmetica (ik maak de werkelijkheid graag mooier), een vorm van erbij horen (ik ben lid van de kaste van artsen, weerkundigen of advocaten, en wij praten nu eenmaal zo, het spijt ons reusachtig).
Even cruciaal is het ongemak dat Italianen voelen ten overstaan van gezag. Om dat gezag te verslaan, beschikken ze over een heel arsenaal aan middelen: "vleierij en onverschilligheid, ouwe-jongens-krentenbroodgedrag, onverholen vijandigheid en gespeelde bewondering". Een Italiaan, "nooit gemasseerd door Calvijn", ziet bijvoorbeeld geen graten in belastingsontduiking. Dan voelt hij zich geen zondaar, maar een soort stille wreker die handelt in het belang van de familie.

Gehoorzamen in het algemeen is te banaal voor Italianen, schrijft Severgnini. Ze beredeneren de zaken liever. Ze maken graag zelf uit of een bepaalde vorm van toepassing is op hun specifieke geval. En dat doen ze bij voorkeur ter plaatse en op het moment zelf. Een scène op straat is daarom geen janboel maar een toneelstuk; een vorm van improvisatie, uitgevoerd door begenadigde acteurs. Niemand beschouwt zichzelf als een figurant; iedereen waant zich in een hoofdrol. Zelfs de verkeersagenten oordelen niet op basis van algemeen geldende regels: "Ze analyseren de persoonlijke keuzes van de automobilist en geven daarbij blijk van een flexibiliteit die de politiediensten van andere landen totaal vreemd is."

En zo vindt Severgnini altijd wel een positieve herbestemming van een of andere Italiaanse ondeugd. Liegen omschrijft hij als "iets artistieks". Eenvoud "dreigt te worden verward" met simplisme, lichthartigheid met gebrek aan autoriteit. Ironie wordt in Italië beschouwd als een gebrek aan engagement en "daarom stilzwijgend afgekeurd". Slechte smaak qua aankleding in een restaurant is "een graadmeter voor de authenticiteit" ervan. De passie voor alles wat mooi is "weerhoudt" de Italianen er dan weer van om te kiezen voor wat goed is.
In de rest van Europa neigen de mensen tot het vormen van rechte rijen; in Italië houden we van wat kunstzinniger opstellingen. Golven, parabolen, haarspeldbochten, groepjes, kleine samenscholingen. Het is een choreografie die het wachten ingewikkelder maakt, maar het leven wel invulling geeft.
Severgnini, ondanks alle ijdelheid, ziet de dingen scherp. Maar net zoals ook het gevoel voor perspectief erbij inschiet als je één oog afdekt, krijgen zijn typeringen pas werkelijk betekenis wanneer hij de Italiaanse volksaard afzet tegen andere nationaliteiten. Dan wordt duidelijk dat er niet zoiets bestaat als het beste volk van Europa, met absoluut prijzenswaardig gedrag, maar dat aan eenzelfde nationale karaktertrek juist altijd en overal een positieve en een negatieve zijde zit.

Dat ambivalente komt mooi tot uiting wanneer in dit boek het verschil tussen een Italiaanse en Amerikaanse schoenenverkoopster wordt beschreven (p. 48), of het verschil tussen een Italiaanse en een Britse vliegtuigstewardess. In dat laatste tafereel haalt een eenvoudig, efficiënt Engels meisje het in eerste instantie van het hooghartige, afstandelijke poppetje uit Italië.
Maar dan gebeurt er iets. Laten we zeggen dat iemand koffie morst over jouw kleren. Op dat moment zijn we getuige van een plotselinge gedaanteverandering bij de twee persoonlijkheden die — u voelt hem al aankomen — een neerslag vormen van de respectieve volksaarden. Het Engelse meisje verstijft: je bent afgeweken van het vaste patroon, van de wijzer waarop dingen horen te gaan. Je hebt iets gedaan dat je niet had mogen doen. Op slag ontpopt ze zich als een kinderjuffrouw. Ze zegt niet dat ze boos is, maar laat je dat wel duidelijk merken.
Ook de Italiaanse schone ondergaat een transformatie. In een dergelijke alarmsituatie laat ze haar afstandelijkheid varen. Als de noodzaak zich voordoet, komt in haar de mamma, de zus, de vertrouwelinge, de vriendin, de minnares naar voren: ze doet haar jasje uit, helpt je écht. In de gewone routine is zij slecht en verveelt zij zich zelfs een ongeluk, maar nu slooft zij zich op uitzonderlijke wijze uit, een manier waarop ze haar beste eigenschappen kan tonen. Waar is opeens die afstandelijke diva gebleven? Verdwenen. In haar plaats is een stralend meisje verschenen dat zich nuttig probeert te maken.

American girl in Italy, Ruth Orkin (1951)

Het valt op hoe de flanerende, filosoferende Severgnini steeds de behoefte voelt zich af te zetten tegen andere naties. Naast Engeland, Duitsland, Frankrijk en Scandinavië, vormt Amerika het belangrijkste richtpunt. Vooral de rechtlijnigheid elders wordt nogal smalend bekeken.

Bij gelijklopende kwaliteiten zijn Italianen ook altijd net iets beter. Zeker, in Parijs hebben ze ook verstand van koken, maar glijden die Fransozen niet snel weg in maniërisme? En tuurlijk, elk land heeft zo zijn eigen vorm van lethargie ontwikkeld. Maar waar de Duitse ledigheid een drukke boel is ("reizen, bier hijsen, spijtgevoelens") en Amerikanen zelfs bewegen bij het verpozen (in een schommelstoel!), is het Italiaanse farniente het enige echte nietsdoen.

Mooie bladzijden schrijft Severgnini over het zuiderse gezinsleven. Het gezin is een van de peilers van de Italiaanse maatschappij — als bank, als levensverzekering, als arbeidsbureau (een op de drie Italiaanen zegt werk te hebben gevonden dankzij familieleden), als ruilmarkt, als bejaardentehuis, als ziekenboeg, als hotel, als studentenhuis. Severgnini legt uit hoe rond de Italiaanse tafel geredeneerd en gediscussieerd wordt. Men leert er zijn eigen standpunt te verdedigen (of te herzien), als betrof het "een overlegplatform en een talmoedschool tegelijk". De televisie — "een kathodische afspiegeling van de dorpskermissen" — is een belangrijk bindmiddel binnen het gezin. En anders houdt mobiele telefonie de familiebanden wel warm.
Papa belt mama, mama belt zoon, zoon belt vriend, vriend belt collega, collega belt kennis, kennis belt zijn verloofde, verloofde belt haar zus, zus belt ouders, ouders bellen ooms en tantes, ooms en tantes bellen neven en nichten, neven en nichten bellen naar huis, en thuis krijgt mama en belletje van papa, die bij de bank in de rij staat. De cirkel is rond en we kunnen weer opnieuw beginnen.
Figli mammoni, moederskindjes, zijn een serieus probleem in Italië: de helft van de ouders woont onder één dak met meerderjarige kinderen. Dat komt omdat er een tekort is aan huurwoningen, jongeren moeilijk werk vinden en de kosten van het stichten van een eigen gezin hoog oplopen. Professionele mislukking of faillissement wordt als een schande gezien, het onderwijs is sowieso pover, leraren staan in laag aanzien en geven vaak les in gebouwen die daar praktisch nooit voor zijn bedoeld. Tijdelijke contracten en stages tieren welig op de arbeidsmarkt. De overheid hangt aan elkaar van corruptie en schandalen.

Wat ons bij het politieke profiel van Italië brengt — aanleiding voor de weinige echt kritische bemerkingen in het boek. Over de maffia zwijgt Severgnini in alle talen, maar zelfs een motormouth als hij kan alle andere problemen van zijn vaderland niet verbloemen: de economie die niet meer groeit, een verlamde rechtsorde, het gedoe met migranten ("Italië bungelt als een vette worst boven de hoofden van de armen in Afrika, de Balkanlanden en het Nabije Oosten"). Ook de overheidsinstellingen zijn een ramp. De VS heeft de semi-overheidsinstellingen in de jaren zeventig een facelift gegeven; Japan, Groot-Brittannië en Frankrijk deden dat in de jaren tachtig. Duitsland in de jaren negentig na de hereniging. Het publieke Italië, zo staat hier ergens te lezen, "heeft zich nog niet eens bijgeschminkt".

Besturen is lastig in Italië, zoveel is duidelijk. Veel goede dingen — het terugdringen van het begrotingstekort, een aantal privatiseringen, meer concurrentie, minder bureaucratie, strengere veiligheidsnormen — zijn niet toevallig uit Brussel gekomen en niet uit Rome. Inheemse toppolitici improviseren liever dan repeteren, bespelen liever het podium dan te ploeteren achter de schermen. De bevolking is zich bewust van Berlusconi’s media-imperium, maar ziet het niet als een probleem zolang het niet in primetime als zodanig wordt benoemd.

Belangenconflicten zijn dan ook een nationale ziekte, die álle geledingen van de maatschappij besmet: banken en beleggingsprodukten, journalisten aan het hoofd van pr-afdelingen, architecten die optreden als wethouder van ruimtelijke ordening, leraren die privélessen geven aan leerlingen uit hun eigen klas.

Oplossingen heeft Severgnini niet. Hij volstaat ermee een parallel te trekken met de Italiaanse bestuursvormen van weleer:
In Italië zijn de enige, echt inheemse politieke instituties de Comune [de collectief bestuurde stadsstaat] en de Signoria [een stadsbestuur onder leiding van een heer, de Signore]. De andere bestuursvormen hebben we geïmporteerd, met inbegrip van de parlementaire democratie: sommige werken, andere minder. Volgens Giuseppe Prezzolini, iemand die verstand had van zijn landgenoten, dachten de Italianen in de 15de eeuw: ‘Nogal logisch dat de Signore zijn eigen belangen nastreeft!’ Er is weinig veranderd: velen denken er nog altijd zo over en gedragen zich navenant. De Signore is iemand die je maar beter kan vleien en van wie je moet profiteren, dan iemand van wie je loyaliteit moet verwachten.
(Gebaseerd op notities van 6 augustus 2009.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> zeer beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Beppe Severgnini, Italianen voor gevorderden : een ongewone gids
251 p.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2006
Oorspr. La testa degli Italiani : una visita guidata (2005)
Vertaald door Hans E. van Riemsdijk

____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Die Italianen : portret van een volk - Luigi Barzini
Understanding global cultures - Martin J. Gannon
De wetenschap in de keuken en de kunst om goed te eten - Pellegrino Artusi
The Italy of the Italians - E.R.P. Vincent
Du vésuve à l'Etna - Roger Peyrefitte
How to be an allien - George Mikes
That fine Italian hand - Paul Hofmann
Désir d'Italie - Jean-Noël Schifano

Related Posts with Thumbnails