vrijdag 25 juni 2010

Humanisme en het Avondland - Jeroen Vanheste

Een dun boekje dat aanvoelde als een warme, behouden thuiskomst. In een ijdele bui mag ik graag denken dat mijn leespatroon — met zijn bewuste balans tussen fictie en non-fictie — gestuurd wordt door een humanistisch ideaal: het speuren in boeken naar het beste wat ooit werd gezegd en gedacht, in de hoop daar zelf een beter mens van te worden. Jeroen Vanheste heeft me doen inzien dat humanisme breder gaat dan dat, en eigenlijk nog dieper in me zat dan ik dacht.

Ik heb lang lopen zoeken naar wat al die verschillende facetjes van mijn persoonlijkheid te betekenen hadden. Mijn voorkeur voor conservatieve cultuurcritici als Scruton en Dalrymple. Mijn afkeer voor kathedralenbouwers à la Hegel. De liefde voor Thomas Mann en de grote schrijvers uit de Donaumonarchie. Het onbegrip voor denkers die tekst zien als louter tekst. Het geloof dat mimesis (de afspiegeling van de menselijke conditie) een van de belangrijkste taken is van kunst en literatuur. De hekel aan filosofen die een waardevolle filter — het zien van idealen in termen van machtsuitoefening — helemaal op de spits drijven. De overtuiging dat rationaliteit getemperd moet worden door medemenselijkheid. De weerzin voor iedereen die het bestaan van schoonheid, waarheid en gerechtigheid ontkent.

Na het lezen van deze korte cultuurgeschiedenis was het alsof alle puzzelstukjes ineens op zijn plaats vielen. Al die facetten blijken immers één iets gemeen te hebben: ze kaderen in het grote verhaal van de idealen van het Europese humanisme sinds de oude Grieken.

Humanisme en het Avondland ontstond in de slipstream van het dikke en bijna onbetaalbare boek Guardians of the humanist legacy dat de schriftelijke neerslag is van het promotie-onderzoek van Jeroen Vanheste. Deze filosoof aan de Radboud Universiteit ziet niet het christendom als de bepalende factor van Europa, noch de rationaliteit en het wetenschappelijke denken, noch de liberale democratie, de burgerrechten of de scheiding van kerk en staat.

Vanheste stelt een overkoepelende benadering voor: wat Europa bijeenhoudt is het humanistische denken. Alleen met die gedachte in het achterhoofd kan je je serieus buigen over de vraag of het voormalige Oostblok, de Balkan en Turkije de Europese cultuur delen.

Vanheste vindt het humanisme ook een typisch Europese traditie, al voert hij daarvoor geen duidelijke argumenten aan. Behalve dan dat hij alleen de Europese cultuurgeschiedenis samenvat. Amerika valt uit de boot, omdat ze daar, met hun nadruk op fun en materiële genoegens, zouden kampen met een gebrek aan levenskunst.

Eigenlijk interesseert die discussie me niet. Mijn inziens is de enige factor die Europa voorheeft op de Amerikaanse situatie de wildgroei aan talen en nationaliteiten, die elkaar kunnen kruisbestuiven, maar ook relativeren. Een beetje intellectueel spreekt in Europa nog altijd vlot zijn talen: Engels, Frans, Duits. Al die culturen samen dwingen ons wel te zoeken naar universele waarden in die verscheidenheid, waar Amerikanen nogal snel denken hun maatschappij-inrichting vlotjes te kunnen overhevelen naar de andere kant van de wereld.

Humanisme en het Avondland deed me opnieuw zien, maar dan nu eens vanuit cultuurhistorische hoek, hoe de humanistische idealen van weleer verbleekt zijn. Aan de universiteiten en hogescholen natuurlijk, met hun beroepsgerichtheid, nuttigheidsdenken, competenties, vakkennis en specialisatie, maar ook in het middelbare onderwijs. Nooit heb ik op de schoolbanken iets geleerd over politiek, sociologie of techniek.

Ik laat hieronder graag een uitgebreide samenvatting van het boekje volgen, dat nog mooier was geweest, als Jeroen Vanheste er ook iets van zijn persoonlijke engagement had in gestoken..

Een korte geschiedenis van het humanisme
We moeten beginnen met een begripsbepaling. Want wat is nu humanisme? In de optiek van Vanheste is het humanisme geen doctrine of ideologie, maar veeleer een bepaalde houding ten opzichte van de mens, het menselijke leven en de cultuur. Eenvoudig gezegd is het een levensbeschouwing waarin de mens en zijn mogelijkheden een centrale positie innemen. Hoewel een humanist het individu belangrijker vindt dan de groep, gelooft hij dat er zoiets bestaat als een "univerele grammatica in elk mensenhart" (Santayana) die geslacht, seksuele geaardheid, ras of godsdienst overstijgt.

Op de twee belangrijke vragen die het humanisme zich stelt, overstijgen de antwoorden die het geeft dan ook de specifieke situatie van een cultuur. Die twee vragen zijn: Wat is de mens? (Van nature goed? Van nature slecht? Een onbeschreven blad? Is hij autonoom? Beschikt hij over een vrije wil?) en Wat is een vervuld leven? (Hoe moet ik leven? Wat is geluk? Hoe kan ik omgaan met leven en verlies?)

Op de vraag Wat is de mens? antwoordt het humanisme — foutief — dat de mens niet gradueel, maar principieel verschilt van het dier in zijn vermogen tot zelfbewustzijn en, door de gave van taal en het verstand, tot intellectuele, sociale en morele ontwikkeling.

Op de vraag Wat is een vervuld leven? antwoordt het humanisme dat de mens het gelukkigst is als hij zijn individuele mogelijkheden realiseert. Onderwijs en vorming acht een humanist dan ook cruciaal om dat potentieel te kietelen. Een student moet volgens de humanistische cultuuropvatting geen specialistische kennis opdoen, maar algemene kennis van wetenschap, techniek, politiek en maatschappij, geschiedenis, literatuur, en de kunsten.

De westerse humanistische tradities hebben volgens Vanheste hun wortels in het oude Griekenland. In enkele Griekse mythen komt de mens al stilaan naar voren als een onafhankelijk wezen dat de goden trotseert, en niet als een marionet van diezelfde goden. Het beeld van de mens als autonoom wezen kreeg echter pas echt filosofische grond in de zesde en vijfde eeuw voor Christus.

In het werk van de Ionische natuurfilosofen, de sofisten en Thucydides zien we de mens steeds meer als een rationeel en zelfstandig opererend persoon. Bij de Eleaten en de Pythagoreeërs vinden we de cultus van universaliteit en abstract denken die een permanente karakteristiek van de westerse cultuur zou blijven. In de dialogen van Socrates, de geschriften van Plato en Aristoteles en de stoïsche filosofie worden ideeën over menselijke waardigheid verder uitgewerkt.

Centraal in het humanisme van de Grieken staat het concept paideia: de ontplooiing van het menselijk potentieel en het streven naar het goede leven. Plato en Aristoteles zijn het erover eens dat de rede daarbij essentieel is. Maar in tegenstelling tot het vita centemplativa dat Plato voorstaat, zit er voor Aristoteles zit er ook een belangrijke praktische component aan vast: phronesis: praktisch verstand en levenservaring. Het vita activa.

De Romeinse variant en opvolger van het Griekse humanisme was het ideaalbeeld van de humanitas: hogere beschaving en menslievendheid, met Cicero als grote voorbeeld. Een gezond huwelijk van geest en lichaam, rede en zintuigen.

Humanitas heeft meer civiele en sociale connotaties dan het meer op zichzelf betrokken Griekse paideia. Beide idealen impliceren echter universalisme — de rede is in elke mens aanwezig — en een geloof in universele ethische normen. Let wel: dit moraalfilosofische kosmopolisme kreeg bij de antieke Grieken en Romeinen geen politieke of economisch pendant. Het ging hen alleen om ethiek.

De Middeleeuwen worden dikwijls overgeslagen in de geschiedenis van het humanisme, en dat is ten onrechte, aldus Vanheste. Überhaupt kon het christendom in zijn beginfase verspreidt worden dankzij het gegeven dat de omringende wereld verenigd was door de Griekse (hellenistische) beschaving en taal — het Nieuwe Testament werd in het Grieks geschreven. In de eerste eeuwen na Christus stelde men in Alexandrië pogingen in het werk om de Griekse-Romeinse traditie en christendom theoretisch te verzoenen en het bindelmiddel daarbij was het idee van paideia. Ook de latere kerkvaders (Ambrosius, Hieronymus en Augustinus) en de vroege scholastici (Boethius) werden sterk geïnspireerd door de klassieke traditie (die laatsten voornamelijk door de autoriteit van Aristoteles).

De synthese kwam erop neer dat de christenen ook konden geloven dat de mens, ondanks zijn erfzonde, nog het vermogen had om zich te verwezenlijken, hoewel hij daar in dit aardse leven niet volledig in kon slagen. Andere overeenkomst is de nadruk op het individu dat het christendom legt, en de grote rol van de menselijke rede (hoewel de rede bij de christenen slechts een dienstmaagd is van de theologie). Het belangrijkste verschilpunt is natuurlijk het ontbreken van elke gedachte over levenskunst en levensvreugde. In de Bijbel staat geen enkele grap.

Met de ontdekking van de mens in de Renaissance komt het humanisme weer dichter bij dat van de Oudheid te staan. Centraal staan figuren als Bartolomeo Facio, Gianozzo Manetti, Pico della Mirandola, Marsilio Ficino, Lorenzo Valla en — allicht de meest complete figuur van allemaal, dapper, werelds en erudiet — Baldassar Castiglione.

Een christelijk geïnspireerd humanisme werd gepropageerd door Erasmus (die in tegenstelling tot Luther geloofde dat de mens een vrije wil kreeg van God) met zijn afkeer van dogma's en vroomheid zonder geleerdheid. Op artistiek vlak geven Michelangelo, Leonardo, Boccaccio, Dante, Shakespeare, Rabelais en Montaigne een visie weer waarin de mens centraal staat.

De zeventiende en achttiende eeuw, vervolgt Vanheste, worden dan wel gedomineerd door katholiek en protestants dogmatisme, tegelijk vinden er een paar ontwikkelingen plaats met wortels in het humanisme (hier denk ik dat het een stuk ingewikkelder ligt dan Vanheste het voorstelt, maar goed). Het geloof in de menselijke rede vormde de voedingsbodem voor de wetenschappelijke en de latere industriële revoluties. Op eenzelfde manier vormde het universalisme en het geloof in de waardigheid van ieder mens een voedingsbodem voor het natuurrecht-denken, de Verlichting en de door de Engelse, Amerikaanse en Franse revoluties in gang gezette democratiseringsprocessen.

Belangrijke figuren in de zeventiende eeuw waren Spinoza, Locke, Hugo de Groot, Rembrandt, Racine en Cervantes; in de achttiende eeuw hebben we Voltaire en Kant. Deze laatsten stonden overigens geen pure rationaliteit voor en ook geen verwerping van religie, zoals nu vaak wordt gedacht. Hun deïsme was een redelijke godsdienst zonder heilige wonderen maar ook zonder twijfel aan de goddelijke orde.

Het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw laten de laatste humanistische bloeiperiode zien, vooraleer de grote anti-humanistische tendenzen hun slag slaan. Er is het Weimar humanisme, ook wel Duitse Renaissance genoemd, met zijn hernieuwde interesse in vooral Griekse Oudheid. Het geloof in Bildung en geestesleven van Winckelmann, Schiller, Goethe en Wilhelm von Humboldt, was sterk verbonden met het Duitse filosofische idealisme.

Voor Jeroen Vanheste neemt in de negentiende eeuw het anti-humanisme twee gedaanten aan: enerzijds een al te sterk voortgezette en eenzijdige nadruk op rationaliteit, anderzijds juist een volledige afwijzing van die rationaliteit.

De eerste visie, de strikt rationele, openbaart zich in het positivisme van Comte en Durkheim, de utilitaristische ethiek van Bentham, het determinisme van van Herbert Spencer en Darwin, het idealisme van Hegel, en het materialisme van Marx. Wetenschappelijk rationalisme wijkt af van de humanistische traditie doordat ze het geloof in de menselijke wil, het ideaal van intellectuele en morele vorming, de betekenis van kunst en literatuur, en de nadruk op de morele, praktische, sociale en maatschappelijke toepassingen negeert. De leerstellingen van Hegel en Marx zijn ook een ander soort ‘wetenschappelijk’ rationalisme: de geschiedenis als een noodzakelijke beweging vol causale relaties.

Vooral de marxistische filosofie is anti-humanistisch in de zin dat zij menselijk gedrag, inclusief uitingen van kunst en literatuur, interpreteren als deel van de ‘bovenbouw’ en daarmee reduceert tot de expressie van klassebelangen. Humanisme is een bourgeois ideologie die de notie van het menselijk subject hanteert als een ideologisch machtsinstrument, als een middel om klasseverschillen aan het oog te onttrekken. Mensenrechten zijn in de praktijk slechts de rechten van de sociaal-economisch dominerende klasse, zoals het burgerrecht in de Griekse stadstaten slechts bestond ten koste van de slavernij.
De tweede visie, de irrationele, komt tot uiting in Herder en de Romantiek. Zij wijst een humanistisch geloof in rede en universalisme af en stelt daar tegenover dat elk volk beschikt over een unieke Volksgeist. Dat zou later een van de fundamenten vormen voor het nationalisme van de negentiende en twintigste eeuw en van het cultuurrelativisme van onze tijd, schrijft Vanheste.

Later schortte ook een denker als Nietzsche het geloof in absolute waarden op. Een mens is geen kuddedier, vond-ie, en moet zijn eigen waarden scheppen. Maar wat de nationaal-socialistische en postmoderne recuperatie van zijn gedachtengoed uit het oog verliest, is dat Nietzsche een sterk voorstander was van onderwijs en beschaving.

Ondanks alles bleven er in de negentiende eeuw en de vroege twintigste eeuw — toen het geloof in de rede en het vrije menselijke subject ook nog eens door de freudiaanse psychologie aan de kaak werd gesteld — denkers die zochten naar een gulden, humanistische middenweg. Enerzijds denkers als Max Weber, John Stuart Mill en Matthew Arnold. Anderzijds de vele intellectuelen tussen 1870 en 1914 in de steden van de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie — Wenen, Praag, Boedapest, Bratislava, Czernowitz.

Dit laatste soort humanisme — met figuren als Arthur Schnitzler, Karl Kraus, Hermann Broch, Gustav Mahler, Sigmund Freud, Arnold Schönberg, Stefan Zweig, Franz Kafka, Joseph Roth, Hugo von Hofmannsthal, Martin Buber en Ludwig Wittgenstein — werd gekleurd door de seculiere joodse cultuur. En werd bijgevolg verwoest door het nazisme en stalinisme. Vanheste haalt George Steiner aan, waar die zegt dat Europa zelfmoord heeft gepleegd door de joden te vermoorden, omdat zij de belangrijkste exponent vormden van de Europese humanistische waarden.

Een korte geschiedenis van het anti-humanisme
Het humanisme heeft tijdens het interbellum — Benda, Mann, Ortega y Gasset, Eliot, Valéry, Proust, Maritain, Broch, Huizinga — nog een sterke positie. Na de oorlog wordt het humanisme een minderheidsstandpunt. Jeroen Vanheste haalt De Toverberg aan, waar dit kantelmoment in de laatste bladzijden wordt voorvoeld.
In de slotpassage van Manns boek zakt de hoofdpersoon Hans Castorp, en met hem het humanisme, weg in de modder van de loopgraven aan het westelijk front, op zijn lippen Schuberts lied Die Lindenbaum. De invloeden die op Hans Castorp hebben ingewerkt: het romantische zwelgen in het gevoelsleven, het nihilisme en militante irrationalisme van Naphta en de Dionysische levenskracht van Peeperkorn, bleken tezamen sterker dan het nuchtere humanisme van zijn leermeester Settembrini.
Het humanisme wordt in de twintigste eeuw genadeloos ingehaald door de werkelijkheid. Twee wereldoorlogen, en driest imperialisme en kolonialisme moeten wel duidelijk maken dat het goede kennen niet noodzakelijk leidt tot het goede doen. Waarden kunnen makkelijk gekaapt worden voor allerlei machtsdoeleinden. Iedereen kent het verhaal van de kampbeul die met Goethe dweept of deuntjes van Schubert neuriet — type Hans Frank in Kaputt van Malaparte.

De aanvankelijke kritiek — van Sartre, van de Frankfurter Schule — gooide het geloof in menselijke vrijheid, emancipatie en de mogelijkheid van vooruitgang nog niet overboord. De latere stromingen in de continentale filosofie, het poststructuralisme en de deconstructiefilosofie, deden dat wel. Steiner, opnieuw Steiner, heeft de Duitse invloed — Marx, Freud, Nietzsche, Heidegger — op de naoorlogse Franse filosofie cynisch gekarakteriseerd als de "voorzetting van de Duitse bezetting van Parijs".

Niet de rede maar de driften en de ‘wil tot macht’ waren respectievelijk voor neo-Freudiaan Lacan en neo-Nietzscheaan Foucault de ware aard van het beestje dat mens heet. Vrije wil, kennis, waarheid en moraal zijn voor hen loze begrippen — dekmantels voor het streven naar macht of een manier om zich te onderscheiden van anderen (Bourdieu). Cultuur is bovenbouw. Cultuur is discours. Finkielkraut noemde dit extreme standpunt een soort verlangen om te boeten voor een zondig verleden.

Ook de deconstructiefilosofie van Derrida staat een nietzscheaanse ‘genealogische’ benadering voor waarbij ethische, esthetische en andere waarden gezien worden als symptomen die men kan herleiden tot achterliggende drijfveren. Daarenboven propageert zij een extreem taalscepticisme: zij vindt dat de relatie tussen woord en wereld volstrekt willekeurig is. Elke interpretatie (van een boek) is geldig, literatuur verwijst uitsluitend naar zichzelf, er zijn geen canonieke boeken, een tekst is niet meer dan de uitdrukking van een ideologie. Een auteur heeft niet langer de controle over de interpretaties van een tekst. Woorden verwijzen naar andere woorden, ad infinitum.

Voor postmoderne denkers in het algemeen, zoals een Rorty, is het menselijk ego niet meer dan een illusie, een constructie. Postmodernisten zien ook geen graten in het omarmen van populaire cultuur, wat ook weer aanslag is op de waarden van het humanisme.

Een laatste klap die het humanisme te verwerken kreeg in de twintigste eeuw, is de opkomst van sciëntistisch determinisme. Zeg maar: de evolutiebiologie, neurologie en genetica. Beoefenaars van deze wetenschappen huldigen de opvatting dat het verschil tussen mens en dier gradueel is, en niet principieel. Intelligentie is niet iets nobels, maar een overlevingsstrategie als een andere. De enige menselijke wil is die om te overleven.

Pleidooi voor het humanisme
Niettemin zijn er nog altijd denkers en kunstenaars die, in de woorden van Jeroen Vanheste, het geloof in de menselijke eindregie uitdragen en vasthouden aan een humanistische opvatting van vrijheid. Voor hen is de mens niet goed of slecht, maar dan toch een open wezen dat zijn leven lang zijn eigen keuzen, karakter en identiteit vorm kan geven.

Vanheste noemt als voorbeelden George Steiner, Luc Ferry, Tzvetan Todorov, Roger Scruton, Stephen Toulmin, Alain Finkielkraut, Jacques Barzun, Saul Bellow, Milan Kundera. Dit soort intellectuelen, schrijft hij, herinnert er ons aan dat het humanisme geen ideologie of (politiek of ander) systeem is, maar bovenal een antropologie, waarop morele, culturele, artistieke of politieke ideeën gebouwd kunnen worden. Zij drukken op de relatieve onbepaaldheid van de mens (binnen onze eigen actieradius zijn we vrij), zijn sociale aard en het universeel menselijke dat we allen delen.

Moderne humanisten zien romanticisme, freudianisme, nietzscheanisme en vele vormen van postmodernisme als overreacties op de vermeende arrogantie van het rationalisme en diens onderdrukking van irrationele krachten — denk aan de ondergrondse man van Dostojevski, die vecht tegen een opvatting die de mens wil reduceren tot rationaliteit. Deze criticasters vergeten volgens de humanisten dat het humanisme net twijfel en tolerantie hoog in het vaandel heeft staan. Kennis van, bijvoorbeeld, de wereldliteratuur kan volgens een humanist juist begrip doen ontstaan voor andere culturen, en niet het opportunistische gebruik van andere culturen zoals-het-hem-uitkomt door de postmodernist.

Een humanist blijft geloven in het vermogen tot levenslange ontwikkeling, en de ontvankelijkheid en waardering van belangeloze kennis. De mens moet dan ook opgevoed worden tot een redelijk wezen, in alle betekenissen van het woord. Rationaliteit, akkoord, maar vooral als ze het goede leven dient.
Meer in het algemeen zou men kunnen stellen dat ieder humanisme een gezond midden probeert te vinden tussen diverse tegengestelden: tussen filosofisch idealisme en materialisme; tussen rationalisme en empirisme; tussen subjectivisme en objectivisme; tussen metafysisch dualisme en naturalistisch monisme; tussen irrationalisme en sciëntisme; tussen het geestelijk leven en het werelds leven; tussen individualisme en communitarisme; tussen authenticiteit en sociale betrokkenheid; tussen een pessimistisch mensbeeld waarin de mens beschouwd wordt als besmet door de erfzonde en een naïef optimistisch beeld waarin de mens gezien wordt als van nature goed.
Het palmares van het humanisme mag trouwens gezien worden, vindt Vanheste: algemeen stemrecht, recht op zelfbeschikking, algemeen recht op onderwijs, afschaffing van kinderarbeid, juridische gelijkheid van ieder individu ongeacht ras, geslacht, seksuele geaardheid of godsdienst, de anti-discriminatie-wetgeving, en natuurlijk de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Vanheste haalt Toulmin aan, waar die het betreurt dat de afgelopen vierhonderd jaar de — in de Oudheid nauw verwante — begrippen ‘redelijkheid’ en ‘rationaliteit’ van elkaar gescheiden werden ten gevolge van de nadruk die de zeventiende-eeuwse natuurfilosofen legden op formele afleidingstechnieken. Deze nadruk bracht volgens Toulmin ernstige schade toe aan de wijze van denken die we als gezond verstand plegen aan te duiden.

En, wat mij dan ook nog eens speciaal aanspreekt: dit boekje eindigt zowat met de stelling dat het belangrijkste instrument van de rede de taal is. Want alleen door middel van taal kunnen ideeën duidelijk uitgedrukt en bediscussieerd worden. Taalvervuiling is daarom een belangrijk symptoom van culturele neergang.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder

Jeroen Vanheste, Humanisme en het Avondland
De Europese humanistische traditie

96 p.
Uitgeverij Damon, 2007

____

14 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Paideia – Werner Jaeger
Early Christianity and Greek paeideai – Werner Naeger
De idee Europa – Steiner
The German tradition of selfcultivation – Bruford
De ondergang van het denken – Finkielkraut
In defense of humanism – Etlin
Die Welträtsel – Ernst Haeckel
French philosophy in the sixtes – Ferry
The humanist tradition in the West – Bullock
Language and silence – Steiner
Regels voor het mensenpark – Sloterdijk
De verworpenen der aarde – Sartre
Negative Dialektik – Adorno
The seduction of unreason – Wolin
Steiner – Real presences
The illusion of conscious will – Wegner
A contemporary introduction – Kane
De God-mens, of de Zin van het leven – Ferry
Kosmopolis – Toulmin
Terug naar de Rede – Toulmin
Wetenschap als beroep en roeping – Weber
De republiek – Plato
Van wijsheid tot schoonheid : dialoog over tien actuele kwesties – Ferry en Comte-Sponville
The philosophy of humanism – Lamont
Über Pädagogik – Kant
Ethica nichomachea – Aristoteles
Twijfel aan Europa : zijn de intellectuelen de vijanden van de Europese cultuur – Lemaire

Martijn Benders zei

Nietzsche was een sterk voorstander van een hellenistisch type onderwijs, het moderne onderwijs zag hij vooral als een product van de industriële revolutie:

“Ik beproef een economische rechtvaardiging van de deugd – het probleem is hier de mens zo productief mogelijk te maken en hem, voor zover enigszins mogelijk, tot de onfeilbare machine te doen naderen: ten dien einde moet hij met machinedeugden worden toegerust ( – hij moet de toestanden waarin hij machinaal-productief is als de hoogwaardigste leren ervaren: daarvoor is het nodig dat de anderen hem zoveel mogelijk worden tegengemaakt, in zijn ogen zo gevaarlijk en berucht mogelijk worden gemaakt)

Hier is de eerste steen des aanstoots de verveling, de eentonigheid die alle machinale bezigheden met zich meebrengen. Deze leren te verdragen – en niet alleen verdragen – , de verveling door een hogere bekoring omspeeld te leren zien: dit was tot dusver de taak van elk hoger onderwijs’

Ook vind ik niet dat je kunt stellen dat Nietzsche primair tegen absolute waarden was, het was eerder zo dat hij bepleitte dat waarden die tot dusverre als absoluut werden aangenomen juist sterk relatief waren (wat vrij voor de hand ligt - ze zijn afhankelijk van de omgeving). Volgens mij was juist Nietzsche een van de weinigen die gepoogd heeft nieuwe absolute waarden uit te vinden.

"Deze criticasters vergeten volgens de humanisten dat het humanisme net twijfel en tolerantie hoog in het vaandel heeft staan."

Dat kan evengoed een erg arrogant principe zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de stereotiepe koopmanstolerantie van de nederlanders: het is niet voor niets zo dat deze in mindere tijden ineens nergens meer te bekennen is.

"Een humanist blijft geloven in het vermogen tot levenslange ontwikkeling, en de ontvankelijkheid en waardering van belangeloze kennis."

De arrogantie schuilt hem mijn inziens dan in het feit dat het humanisme deze ontwikkeling dan voor zich opeist, terwijl volgens mij zowat elke ideologie precies hetzelfde gelooft. Zelfs de nationaal socialisten waren groot voorstanders van onderwijs, met de kanttekening dat het uiteraard 'goed onderwijs voor de onzen' was - men geloofde in de supermens, maar die mocht alleen een bepaald kleurtje hebben.

Achille van den Branden zei

a) De samenvatting geeft aan dat Nietzsche geporteerd was voor onderwijs en beschaving.

b) De tolerantie van de humanist is inderdaad iets anders dan de berekende mercantiele tolerantie. Ik denk niet dat ik heb doen uitschijnen dat tolerantie per definitie een humanist van je maakt.

c) Ik weet niet of het humanisme levenslange ontwikkeling voor zich opeist. Het verschil is dat een humanist pleit voor degelijk multidisciplinair onderwijs. Niet alleen schone letteren en hoge cultuur, ook harde wetenschap. De harde wetenschap zegt dat de idee van 'menselijke rassen' onzin is. Daarom is degelijk onderwijs al lang niet meer compatibel met het nationaalsoc. gedachtengoed zoals de nazi's het invulden. De recuperatie van (zorgvuldig geselecteerde brokken) cultuur en onderwijs door allerlei vieze gezindten is niet de schuld van het humanisme en zijn eventuele arrogantie, lijkt me.

Maar goed, je hebt evenveel humanismes als er humanisten zijn. Een onderdeel dat me aan veel moderne humanisten stoort (type George Steiner) is hun overdreven cultuurpessimisme en het overdreven ophemelen van hoge cultuur. Ook daar helpt harde wetenschap en een beetje geschiedkundig overzicht tegen.

Martijn Benders zei

A) Nietzsche wou in plaats van de dichters 'de beschaafden' zijn utopie uit jagen. Dat lijkt me niet iemand die erg geschikt is als boegbeeld voor een beschavingsleer en zijn onderwijsopvattingen waren vooral spartaans/hellinistisch. Het moderne onderwijs zoals dat in zijn tijd bestond vond hij lachwekkend.
B) Het is uiteraard ietwat eigenaardig om een leer die primair stoelt op het geloof in evolutie (want hoe je het ook wend of keert: zonder het evolutionaire idee staat humanisme volstrekt gelijk aan nihilisme)het boegbeeld voor 'tolerantie' te maken - er is immers niets intoleranter dan de evolutie zelf.
C) Naar mijn idee is 'humanisme' vooral een soort restideologie, waar altijd iedereen onder kan worden geschoven die niet helemaal precies weet waar ze bij willen horen. Dat blijkt ook wel uit de door jou opgesomde lijst humanisten, die wel erg veel randgevalletjes bevat. Het argument dat juist humanisme specifiek europees is vind ik uitermate zwak juist omdat er helemaal geen consistente humanistische stroming geweest is. Primair vinden alle partijen wat de humanisten ook vinden: beter onderwijs, algemene kennis verhogen, het zijn bekende kreetjes. Elke politieke partij flaneert ermee. Er is geen enkele partij die vind dat het onderwijs fundamenteel moet worden verandert - in die zin zou je dus kunnen stellen dat alle politieke partijen humanistisch zijn, in beperkte mate, een soort wegwerp technocraten-humanisme waar je niet bijzonder vrolijk van wordt.

Martijn Benders zei

(Ik vind ook die recente herziene definitie van 'humanisme' heel interessant: bijvoorbeeld dat het inhumaan is mensne die je al 7 jaar opgesloten hebt zonder proces vrij te laten omdat ze dan wellicht gevaar lopen..) zie ook:
http://www.nu.nl/buitenland/2278920/sluiting-guantanamo-geen-prioriteit-meer.html

Achille van den Branden zei

a) Akkoord. Maar ik zie het probleem niet. Er staat nergens dat N. de humanistische waarden was toegedaan, wel suggereert Vanheste dat vele van zijn epigonen lukraak plukten uit zijn ideeën wat hen beviel.

b) "Zonder het evolutionaire idee staat humanisme volstrekt gelijk aan nihilisme" Dat zijn wel heel veel containerbegrippen bij elkaar. Zult u nader moeten uitleggen.

c) De kritiek op de these van humanisme als louter Europese aangelegenheid, deel ik met u. Zie de tekst.

Politieke partijen van alle gezindten willen juist het onderwijs meer en meer toespitsen op specifieke, beroepgsgerichte vaardigheden, tot aan de universiteit toe. Dat staat juist haaks op het humanisme.

Verder heb ik nogal wat sympathie voor randgevallen en mensen die niet weten waar ze bij willen horen. Waarom zou je ergens bij moeten horen?

Overigens valt humanisme absoluut niet samen met: alles dat volgens beleidsmakers van allerlei slag 'humaan' is.

Martijn Benders zei

a) Mijn bezwaar was gericht tegen de uitspraak dat Nietzsche tegen absolute waarden was (dan schrijf je toch geen boek dat 'herwaardering van alle waarden' heet?)
b) De evolutie is feitelijk de legitimatie van het humanisme. Waarom zou iemand zijn best doen beschaafd te zijn en erudiet wanneer dat geen enkele weerslag op zijn omgeving heeft? Dat is een essentiele vraag. Nietzsche geloofde bijvoorbeeld dat de mensheid met Socrates aan een soort devolutie begon, over haar hoogtepunt heen was. Humanisme lijkt me een stroming die haar legitimatie ontleent aan het idee dat de mensheid zich met kennis kan verbeteren. Zonder die legitimatie wordt het een nihilistische stroming, naar mijn idee, want leg dan nog eens uit waarom tientallen jaren boeken lezen meer zin heeft dan tientallen jaren videospelletjes spelen.

Akkoord dat de zich abuis 'humanistisch' wanende politici juist het tegendeel van hun idealen erdoor drukken in dienst van het kapitaal. Neemt niet weg dat op die manier het begrip zelf sterk devalueert, natuurlijk. Als er maar genoeg idioten zich humanist noemen...op een zeker punt ga je dan toch denken dat je er niet mee geassocieerd wilt worden.

Achille van den Branden zei

Ik heb na het lezen van dit boekje niet de indruk dat humanisten hun ideeën als een heilsleer zien - een leer die denkt dat je via een paar simpele recepten 'de mensheid' een spectaculaire stap voorwaarts kan brengen.

Humanisten denken juist niet in termen van 'de mensheid', maar in termen van het individu. (Staat ook weer letterlijk zo in mijn samenvatting.) De humanistische preoccupatie met het onderwijs mag je dan ook niet verwarren met een naïef idee van volksverheffing, of de illusie dat je er elites mee zal kunnen afschaffen. Als humanisten polemisch uit de hoek komen, is dat meestal een oproep aan die elite om intellectuelen te blijven (zoals bijvoorbeeld Said het woord 'intellectueel' definieerde)en geen specialisten of technocraten.

En ja, het doorprikken van misbruik (vooral door politici) van termen die een historisch behoorlijk omlijnde betekenis hebben, behoort tot het kerntakenpakket van iedere intellectueel. Hoef je niet eens humanist voor te zijn.

Martijn Benders zei

Wat is dan precies het verschil met het autonome individualisme zoals dat Nietzsche voor ogen staat (het individu dat zichzelf overtreft) - de mens die zichzelf weet te overwinnen? Naar mijn idee is het humanisme juist doordat het de mens centraal stelt geen individualistische leer . Immers, door de mens centraal te stellen stel je een algemene kwaliteit centraal, en niet iets individualistisch. Idem dito met dat hele idee van 'brede ontwikkeling' - dat is ook erg algemeen en non-individueel; met het nogal naïeve idee erachter dat kennis in het algemeen (en nu komt het) de mensheid als geheel ten goede komt. Evolutie, dus. Volgens mij onlosmakelijk verbonden met het hele idee van humanisme, behalve als je het als nigilistische leer ziet, op Pascalliaanse wijze bijna.

Achille van den Branden zei

Nietzsche was een aristocraat; een humanist is een democraat. Het humanisme vindt "zichzelf overtreffen" geen kwaliteit of streefdoel op zich voor individuen.

Een ontwikkeld individu moet inderdaad ook, zij het op een bescheiden, weinig spectaculaire manier, tot een groter welzijn bij een grotere groep mensen leiden. Wat 'welzijn' in deze context betekent, daar kun je oeverloos over discussiëren, en daar heb ik nu geen zin in.

Geloof in de kracht van het individu hoeft niet strijdig te zijn met een geloof in menselijke universalia. De evolutiebiologie en de ethologie lijken de humanist in dat geloof bij te treden.

Ik wil het hierbij houden. Misschien rakelen we die discussie nog weleens op in een andere context.

Martijn Benders zei

Dan groet ik u. Ik heb op een of andere manier altijd het idee dat u de 'Arthur van Kruining' bent die vroeger op usenet zich met literatuur bemoeide. Klopt dat? Niet dat het mij wat kan bommen verder, maar die gedachte kwam enkele malen bij me op.

Ik heb vandaag onderzocht welke literaire Blogs het populairst zijn via de Alexa ranking tool. Dit weblog is van de logs die ik onderzocht heb als vijfde geëindigd..

Martijn Benders zei

Vergeten de link te melden, deze:

http://www.loewak.nl/dutch/2010/06/27/rangorde-literaire-sites-top-10-literaire-sites-in-nederland/

Achille van den Branden zei

Ik ken geen Arthur van Kruining, laat staan dat ik 'm ben. Ik heb ook nooit op usenet gezeten. Het heeft zelfs tot 1998 geduurd eer ik ben beginnen surfen op internet.

Het vervelende met gebruikersstatistieken is dat ze niet precies zijn. Zo kunnen ze niet aangeven hoelang mensen zijn gebleven (het enige dat me interesseert - of ze een bepaald artikel ten einde hebben gelezen) als deze alleen de homepagina aanklikken. Maar bedankt voor de link.

Martijn Benders zei

Dat is waar, maar dat is bij papieren tijdschriften en kranten evengoed een issue. Statestieken zijn erg algemeen en geven alleen een indruk van hoeveel mensen er aktief zijn, niet wat ze precies doen daar. Ik heb inmiddels een top 20 gemaakt incl alle literaire tijdschriften, op de nederlandse loewak te vinden nu. Je staat nog steeds in de top 10...

Related Posts with Thumbnails