woensdag 23 juni 2010

Het boek der getuigenis - John Banville

De gewezen natuurkundige Frederick Montgomery heeft het dienstmeisje Josie Bell vermoord bij een inbraakpoging. Achter de tralies, gelaten wachtend op zijn veroordeling, blikt hij in Het boek der getuigenis terug op zijn misdaad, en op alles wat daartoe heeft geleid. De Ierse schrijver John Banville stak er in 1989 een nominatie voor de Booker mee op zak. Ik vraag me af waarom een auteur die het zichzelf zo makkelijk had gemaakt zo'n eer te beurt viel.

Want ofwel pleegt een schrijver een realistisch bedoelde roman met een zo hoog mogelijke graad van geloofwaardigheid. Ofwel schrijft hij een soort fabel, waarin gaandeweg wel duidelijk wordt waarom die vereenvoudigde vorm gerechtvaardigd is.

Zoals zoveel matige romans blijft Het boek der getuigenis ergens in het midden hangen.

De antiheld van John Banville heeft het leven in het provinciestadje Dublin ingeruild voor een wetenschappelijke carrière in Amerika. Wanneer ook dat bestaan hem verveelt, besluit hij zich over te geven aan liederlijkheid en excessen. Hij laat zijn gezin achter, raakt aan de drank, en keert uiteindelijk terug naar zijn ouderlijk huis.

Daar ontdekt hij dat zijn moeder een aantal schilderijen heeft verkocht die borg stonden voor het familiekapitaal. Wég erfenis. Bij een halfslachtige poging om zo'n kostbaar zeventiende-eeuws doek terug te stelen, hamert Montgomery de ooggetuige van de inbraak neer.

Afgezien van deze vergezochte plot heeft Banville bij de zoektocht die hij de moordenaar laat ondernemen naar de schuldvraag — of beter gezegd: de vraag waarom hij deed wat hij deed — een comfortabel stramien uitgetekend voor zichzelf.

De roman draait om te beginnen rond een moord, wat altijd de laatste strohalm is van een auteur die betere stof ontbeert. De moordenaar is bovendien zo goed als amoreel, wat Banville de kans laat om filosofisch te freewheelen.

Het gaat er mij niet om, mijnheer de rechter, mijn daden te verontschuldigen, ik wil ze alleen verklaren. Dat leven, het doelloos zwerven van eiland naar eiland, gaf voedsel aan illusies. De zon en de zoute lucht loogden de dingen uit, zodat ze hun werkelijke betekenis verloren. Mijn instincten, de instincten van onze stam, die spiraalveren gemaakt in de donkere wouden van het noorden, verslapten daar, edelachtbare, verslapten daar echt. Hoe kon iets gevaarlijk zijn, verderfelijk zijn, in dat tere blauwe aquarelweer? En dan, slechte dingen zijn altijd dingen die elders gebeuren en slechte mensen zijn nooit de mensen die je kent.
Montgomery is voor een bètawetenschapper ook opvallend gezegend met de gave van het woord, en vreselijk geabsorbeerd door zijn eigen persoontje — beide aspecten zijn nodig om de stilistische exploten van Banville (het enige waar hij goed in is in dit boek) te rechtvaardigen.

Tot slot is Het boek der getuigenis de lange monoloog van een intellectueel, en daarom per definitie geen evenwichtige roman.

Montgomery gelooft niet in verklaringen voor wat dan ook. Hij verwerpt de veronderstelling dat het menselijk handelen "wordt bepaald door wilsbesluiten, doelbewust denken, het zorgvuldig afwegen van gegevens, die hele poppenkastvertoning die voor bewustzijn doorgaat."

De volgende stap in die sinistere logica is het cultiveren van schuldgevoelens tegenover zichzelf, omdat hij door de schijnheilige conventies die het dagelijks leven hem oplegt zijn ware, ongetemde inborst — de inborst die hem mens maakt in de Nietzscheaanse betekenis van het woord — niet kan laten zien.

Dus pleegt hij een bevrijdende moord. Of laat hij op zijn minst niet na die te plegen.

Mooi bedacht. Met nadruk op: bedacht.

(Gebaseerd op notities van 7 juli 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

John Banville, Het boek der getuigenis
239 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1990
Oorspr. The book of evidence (1989)
Vertaald door José Rijnaarts

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails