maandag 7 juni 2010

Grete Minde - Theodor Fontane

De gemiddelde historische roman — karrenvrachten onverteerde boekenkennis doorspekt met damesprozadialoog — is niet aan mij besteed. Toch hebben historische verhalen, de betere in het genre dan, zeker hun nut, omdat ze het leven van gewone lui uit een ver verleden dichterbij brengen. Serieuze geschiedkundige bronnen gaan immers zelden over doorsnee mensen. Als we al iets over het gemeen weten, komt dat meestal omdat het iets mispeuterd heeft.

Ook de hoofdpersoon van Grete Minde is geen onschuldig wicht. Theodor Fontane (1819-1898) kreeg het idee voor de novelle toen hij met de bevriende kunsthistoricus Wilhelm Lübke op één van zijn Wanderungen ook de stad Tangermünde bezocht, en daar het verhaal over het zeventiende-eeuwse meisje hoorde. Hij dook in de archieven van de toenmalige burgemeester, de zogeheten Annales Tangermundenses, en schreef een verhaal dat zich zonder complexen rond de waargebeurde feiten zwiert. Fontane heeft veel mooie vrouwenportretten geschilderd: Stine, Frau Jenny Treibel en natuurlijk het magnifieke Effi Briest. Grete Minde hoort daar bij.

Tangermünde was een stad in Brandenburg, het markgraafschap en keurvorstendom in het oosten van het Heilige Roomse Rijk. Brandenburg speelde zoals bekend een cruciale rol in de geschiedenis van Duitsland en Centraal-Europa. Het huis van Hohenzollern besteeg er de troon 1415. Later, in de zeventiende eeuw, breidde het markgraafschap zijn macht snel uit en erfde het Pruisen. Brandenburg-Pruisen werd zo de voorloper van het koninkrijk Pruisen, de dominante Duitse staat in de achttiende eeuw. En toch, hoewel de hoogste titel van de heerser over Brandenburg-Pruisen 'Koning van Pruisen' luidde, lag zijn machtsbasis niet in het dunbevolkte Pruisen, maar in Brandenburg en zijn hoofdsteden Berlijn en Potsdam*.

De eerste helft van de zeventiende eeuw, de tijd waarin Grete Minde speelt, werd getekend door hevige confessionele conflicten tussen katholieken en protestanten en tussen protestanten onderling. De Reformatie was al honderd jaar eerder begonnen, toen Luther in 1517 zijn 95 stellingen tegen de aflaathandel op de slotkapel van Wittenberg hamerde. Zijn leer werd in de jaren 1522-1526 in verschillende Duitse landen en steden ingevoerd. Na de secularisatie van veel protestants geworden kerkelijke vorstendommen zag keizer Karel V zijn invloed afnemen, met name in Noord-Duitsland.

De Contrareformatie leidde onder keizer Rudolf II Frederik V van de Palts tot de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Dit was aanvankelijk een godsdienststrijd, maar ontwikkelde zich al snel tot een Europese machtsstrijd tussen de Habsburgers, Frankrijk, Spanje en Zweden, waarbij bondgenootschappen ook wel over religieuze scheidslijnen heen gesloten werden. De Dertigjarige Oorlog werd grotendeels in Duitsland uitgevochten, waarbij grote delen van het land verwoest werden en de bevolking werd gehalveerd.

Aan de Dertigjarige Oorlog kwam een einde met de Vrede van Westfalen (1648). Van zeer groot belang waren de politiek-religieuze bepalingen hierin, met name de gelijkberechtiging van katholicisme, lutheranisme en calvinisme. Een ander resultaat was dat de Verenigde Provinciën en Zwitserland niet langer deel uitmaakten van het Rijk. Duitsland bleef bovendien versnipperd in honderden vrijwel geheel soevereine staten en staatjes, die ook een eigen buitenlandbeleid voerden, met eigen legers en milities.

Fontane, en daarom is zijn novelle zo leesbaar, evoqueert dit verleden niet via typisch negentiende-eeuwse beschrijflust, maar door scherp te stellen op een paar sprekende details. Hij tekent het plaatsje Tangermünde als een vitale microkosmos. Je hoort het geschreeuw van de pauwhaan, ziet de tuinbedden met dille en pastinaken, ruikt het spoor van de felbegeerde Vlaamse paarden. Rechts zit een vrouw kransen te vlechten, links lijdt iemand aan teringkoorts. Over straat lopen een muzikant en een vendelzwaaier. De liedjes die worden gezongen, de legendes die worden verteld, zijn beide goede instrumenten om kennis en wijsheid over te brengen. Rondedansen, carnaval en het Meifeest zijn het voornaamste verzetje van de bevolking. Plots weerklinkt het gebeier van de klokkentoren — elementair om de weg naar huis terug te vinden wanneer de schemer valt.

In deze gemeenschap maken we kennis met Grete Minde. Zij is de dochter van een lutherse Duitse koopman en een, inmiddels overleden, katholieke Spaanse moeder. Wanneer ook de oude Jakob Minde sterft, is ze wees en moet haar katholieke inborst des te meer opboksen tegen de anti-katholieke gezindheid, vervat in de figuur van haar schoonzuster Trud en de lutherse dominee Gigas.

Wanneer Trud op een dag de prille liefde tussen het tienermeisje Grete en de al even jonge Valtin bespiedt, vermengen haar religieuze bezwaren zich zich met persoonlijke frustraties. Gek hoe dit "kinderspel" zo duidelijk het gebrek aan liefde in haar eigen huwelijk blootlegt. Ze is de wettige vrouw van een rijk man, "maar nooit, voor zover haar herinnering reikte, had ze lachend en babbelend op een tuinbank gezeten, nooit was een aardige, frisse jongeman voor haar in de top van een boom geklommen en had haar daarna kinderlijk onschuldig omhelsd en gekust. Het bloed steeg haar naar het hoofd, nijd en afgunst knaagden aan haar hart".

Trud is het prototype van de provinciaalse vrouw, die alleen de zeden en gewoonten van Tangermünde kent en geen weet heeft van de kunstenaars in de werkelijk verstedelijkte gebieden die "de glorie van de hemel en de verschrikkingen van de hel" hebben "gedacht en gedicht en geschilderd en gemetseld".

Een bondgenoot vindt ze in de lutherse dominee Gigas, die erop toeziet dat de jeugd niet in verzoeking raakt van de duivel. Later zal hij zijn religieuze ijver wat moeten temperen, wanneer de keurvorst van het lutherse geloof naar het gereformeerde overgaat en "Geneefs" wordt. Maar in het begin van het boek staat nog een sterke scène waarin Grete Minde bij Gigas komen moet, zodat de geestelijke haar godsvrucht kan inschatten. Meesterlijk beschrijft Fontane de akelige minzaamheid waarmee het jonge meisje tot het gebed wordt genood dat haar zal ontmaskeren.

Grete vouwde de handen en zei, opkijkend naar de oude man:

‘Hemelwaarts richte God mijn zondige aard.
Laat de zieken en de armen
mij in hun nood erbarmen.
Goedheid die’k op aarde toon,
wordt gewind mij voor Godes troon.’

Gigas glimlachte. De aanminnigheid van het kind maakte dat het vuur dat anders ongetwijfeld hoog op zijn voorhoofd zou zijn opgelaaid, niet de overmacht kreeg. Hij zei alleen maar: ‘Nee, Grete, zo is het niet; daarin herken je nog de dwaasheid van de goede werken. Ik zal je een ander vers leren. Want ziet, onze goede werken zijn niets en betekenen niets omdat alles wat wij doen zondig is van de aanvang af. We hebben alleen het geloof en er is er slechts één die verzoenen kan en waarde verlenen: de Gekruisigde.’
‘Ja, heer… dat weet ik… En ik heb een splinter van Zijn kruis.’ Ze trok vol verblijde opwinding een gouden medaillon uit haar keursje.
Gigas deinsde terug, zijn rode ogen schenen nog roder te worden. Maar hij beheerste zich ook ditmaal snel, nam het medaillon van haar aan en bekeek het. Het hing aan een kettinkje. In het bovenste gedeelte was met fijne lijntjes een Moeder Gods gegraveerd, maar er binnenin lag een rood zijden lapje met de splinter. De oude man knipt het dekseltje weer dicht en zei toen kalm: ‘Dat is afgodendienst, Grete.’
‘Een aandenken, heer! Een aandenken aan mijn moeder. Het is het enige dat ik van haar bezit, ik heb haar nooit gekend, dat weet u. Regine heeft me het kettinkje omgehangen toen ik tien jaar werd. Dat heeft ze mijn moeder moeten beloven en sindsdien draag ik het, dag en nacht.’
‘En ik zal het je niet afnemen, Grete, nu niet. Maar ik denk dat de dag zal komen waarop je het mij zult geven. Want begrijp goed: wij moeten Zijn kruis dragen, maar geen splinter van Zijn kruis en niet op ons hart moet het rusten maar in ons hart. En laat ons nu goede vrienden zijn. Ik zie dat je eerlijk en openhartig bent, anders dan ik dacht. Maar het waart nog rond in je hart en Regine, met wie ik een woordje zal spreken, heeft er niet, zoals haar plicht is, voor gezorgd dat de oude spokerij met zijn listen en lagen wordt uitgebannen. Ik denk, Grete, dat we de dorsvloer moeten reinigen en het kaf van het koren scheiden. Je hebt een goed hart, maar nog niet het goede geloof en als het geloof dwaalt, dan dwaalt ook het hart. Ga nu, Grete. De genade Gods zij met je.’
De vlucht van Grete en Valtin, met alle gedoe van dien, is eigenlijk niet zo interessant. Mooier is hoe Grete langzaam tot haar beslissing komt. Omdat dat iets zegt over de zeventiende eeuw. Het scenario van een poppenspel kon blijkbaar diep inwerken op de ziel van mensen. Het avondrood in de hoge vensters van het koor, kon het interieur van een kerk in een gloed zetten die bovenaards aandeed. Ook de metaforen die Grete gebruikt, zijn tijdsgebonden.
‘Laten we weggaan, Valtin. Ik weet niet wat het is. Maar ik voel dat ik hier ook zou willen staan en mijn handen vlijtig zou willen roeren en zou willen zingen. Kijk eens hoe het kaf van de dorsvloer vliegt. Het is alles zo vrij en zo licht en als ik hier zou zijn, zou er veel wegwaaien wat mij kwelt en bedrukt, geloof ik.’
In de ontknoping, vanaf bladzijde 111, speelt brandgevaar een belangrijke rol en schieten zowel de rechtspraak en de christelijke barmhartigheid tekort.

In zijn nawoord drukt Hans Ester erop dat we de novelle niet enkel moeten lezen als een pamflet — het verhaal van een meisje dat revolteert tegen de bekrompenheid van haar leefomgeving. Wie dat doet, maakt een stropop van Grete. Het meisje neemt wraak op haar stad wegens het haar persoonlijk aangedane onrecht.

Minstens even belangrijk als de concrete aanleiding voor de revolte is dus Grete's inborst: haar ontvankelijkheid voor fantasiebeelden, en haar, deels religieus geïnspireerde, hunkering naar een andere realiteit dan de bestaande. Op dezelfde manier gaan de disputen die Trud voert met Grete maar zeer oppervlakkig over religieuze twistpunten. Ze zijn door onbevredigde liefdesverlangens en door jaloezie ingegeven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees de originele Duitse versie op Zeno.org

Theodor Fontane, Grete Minde : naar een oude Brandenburgse kroniek
138 p.
Uitgeverij Goossens, 1983
Oorspr. Grete Minde : nach einer altmärkischen Chronik (1879)
Vertaald door W. Wielek-Berg


* Bij de ontbinding van het Heilige Roomse Rijk in 1806 werd ook het markgraafschap opgeheven en werd Brandenburg een provincie van het zelfstandige Pruisen, dat later de eenmaking van Duitsland in 1871 voor elkaar kreeg. Brandenburg is sinds de hereniging van de BRD en de DDR opnieuw een deelstaat van Duitsland. Tangermünde ligt nu in de deelstaat Saksen-Anhalt.
____

2 reactie(s):

Anoniem zei

Rudolf II stierf in 1612. Het was onder Frederik V van de Palts, bekend gebleven als de Winterkoning, dat de Dertigjarige Oorlog uitbrak. Die zette de situatie op scherp.
Het is maar een detail.

Achille van den Branden zei

Dank.

Ik zie ook dat ik afwisselend Grete Minde en Grete Munde heb gebruikt.

Maar het is dan wel weer Tangermünde.

En zo blijft een mens bezig.

Related Posts with Thumbnails