vrijdag 11 juni 2010

De religies uitgelegd aan mijn dochter - Roger-Pol Droit

De Franse filosoof Roger-Pol Droit had zijn kroost altijd al vrijzinnig opgevoed. Maar toen bleek dat zijn dochtertje op school geen enkele vorm van godsdienstonderwijs kreeg — en dus geen flauwe notie had van elementaire begrippen als de bijbel, ‘God’ en ‘heiligheid’, noch de overeenkomsten en verschillen tussen joden, christenen en moslims kende — drong een gesprek zich op. Religie is een te belangrijke maatschappelijke factor om te negeren. Er kwam zelfs een boekje van.

Een boekje dat zeker niet het enige in zijn soort is. Van de drie grote monotheïstische godsdiensten is er een gelijkaardige titel in het Nederlands beschikbaar. Marek Halter schreef Het judaïsme uitgelegd aan de kinderen van mijn vrienden. Keshavjee Shafique publiceerde God uitgelegd aan mijn kinderen, over de christelijke God. En dan is er nog De islam uitgelegd aan mijn dochter van Alili Rochdy.

De religies uitgelegd aan mijn dochter heeft twee aspecten. Roger-Pol Droit legt onder meer uit wat de kern is van het jodendom, het christendom, de islam en de oosterse godsdiensten. Daarbij volgt hij het stramien van Jostein Gaarder. Meisje stelt oppervlakkige vraag, man vertelt het betreffende lemma uit de jeugdencyclopedie na. Geen verfrissende naïviteit bij het dertienjarige meisje, geen al te aanschouwelijke uitleg bij de leraar. Echte interactie tussen de twee al helemaal niet.

Het deel dat daaraan vooraf gaat, is dus interessanter. Daarin moet Droit spreken over alle godsdiensten samen. Daarbij rijzen twee vragen. Eén: wat is godsdienst? Twee: waarom geloven mensen? Waarom al die plechtigheden, heiligdommen, gebeden, rituelen, gezamenlijke feesten?

Voor de eerste vraag grijpt de auteur terug naar de etymologische verklaringen van het woord 'religie'. Dat kan komen van het Latijnse religare (met elkaar verbinden; lees: mensen en goden met elkaar verbinden) dan wel relegere (herlezen; heilige voorschriften herlezen, nauwgezet zijn). Dat religie ook kan komen van relinquere (achterlaten; doelend op de bewuste scheiding tussen het heilige en het profane) en re-eligere (opnieuw verkiezen; het zich opnieuw richten tot God door de zondaar) laat hij dus buiten beschouwing.

Belangrijker lijkt me de essentiële status die Droit toekent aan de tweedeling heilig versus profaan. Geen religie zonder dat onderscheid en vooral: geen religie zonder het respecteren van de grens tussen die twee. Het heilige wordt beschouwd als iets geweldigs, iets subliems, maar tegelijkertijd als iets ontzaglijks, iets verschrikkelijks. Aan het heilige mag niet getornd worden; doet men dat wel, dan zwaait er wat.

Zijn antwoord op de tweede vraag — Waarom is er godsdienst? — vind ik nogal vaag. Je kunt in het kort vertellen wat een religie inhoudt, zegt Droit, maar je kunt niet met zekerheid aangeven om wat voor redenen er religies bestaan.

Dat maakt, denk ik, deel uit van het mysterie. Mensen die in God geloven zullen daar deel van het goddelijk mysterie in zien. Mensen die niet in Hem geloven zullen zeggen dat het een onderdeel is van het menselijk mysterie. Dieren hebben geen godsdienst! Mensen zijn daarentegen bijna overal en in welke tijd ook, gefascineerd geweest door wat hun boven hun verstand ging en wat ze niet echt konden begrijpen. Bijvoorbeeld dat je geboren wordt, dat je dood gaat, dat de tijd voorbijgaat, het simpele feit dat je bestaat, de schoonheid van de wereld, de oneindigheid van de hemel, de enorme krachten van de natuur.
Laf van Droit. Als dat zo is, religie als antwoord op de grote levensvragen, dan wordt de vraag automatisch: waarom grijpen mensen voor die vragen terug naar een godsdienst, en richten ze zich niet tot de wetenschap, die dergelijke kwesties preciezer en methodischer probeert te beantwoorden? (En soms met succes: de evolutiebiologie geeft aan hoe het leven min of meer is ontstaan. Wie zich in de astronomie verdiept, krijgt een indruk van de plaats van de mens in het heelal.)

Droit legt wel uit dat juist die grote levensvragen het terrein zijn waarop gelovigen en niet-gelovigen met elkaar in discussie moeten treden (Waarom bestaat de wereld? Waarom zijn er mensen? Wat gebeurt er na de dood? Waarom is er onrecht?). De vraag naar de zin van godsdienst in het algemeen is vruchteloos, vindt hij. Dan blijven beide partijen naast elkaar praten. Gelovigen vinden immers binnen hun religie zelf al de antwoorden waarom zo’n religie er is en waar zij over gaat, terwijl niet-gelovigen volstaan met het verticaal klasseren van religie als een bedenksel van de mens.

Droit heeft het ook over de verhouding tussen kerk en staat. Het verschil tussen de religieuze maatschappij (waarbij er geen verschil is tussen wat politieke leiders en de religie willen) en de lekenmaatschappij (waarbij alles wat collectief en openbaar is per definitie buiten de religie valt) koppelt hij aan het begrip godsdienstvrijheid, zoals het in artikel 18 van de Universele verklaring van de rechten van de mens staat. Dat artikel geeft een sterke inhoud aan het begrip tolerantie. Verdraagzaamheid in zijn zwakke variant betekent de dingen op zijn beloop laten, er onverschillig tegenover staan. Verdraagzaamheid in zijn sterke variant betekent die vrijheid ook echt garanderen aan iedereen.

Op Droits exposé over de grote godsdiensten is er weinig aan te merken. Hij geeft goed de historische verwantschap aan tussen het jodendom, het christendom en de islam. Aardig is de passage waarin hij opmerkt hoe het christendom, met zijn leer over naastenliefde, vertrouwen, barmhartigheid en verlossing, langzaam tot een politiek instituut uitgroeide en zelfs lang het machtscentrum van de samenleving was.

Wel schiet Droit tekort wanneer hij de implicaties van monotheïsme behandelt. Eén god betekent inderdaad een oneindige, almachtige god. En inderdaad, één god impliceert een rechtlijnig tijdsbegrip; veelgodendom een cyclisch tijdsbegrip. Maar Droit gaat niet door op de levensbeschouwelijke gevolgen van een rechtlijnig tijdsbegrip.

Zo lineair tijdsbegrip bombardeert immers het heilige boek van een godsdienst tot geschiedenisboek. Bij de christenen beschrijft de bijbel dan de schepping in Genesis tot de ‘laatste dingen’ in de Apocalyps. En dat is belangrijk. Want zo richt de heilsverwachting zich niet op de eeuwigheid (in de antieke zin van: boventijdelijkheid), maar op de eschatologie: de laatste dingen, voor, tijdens en na de Dag des Oordeels. De schepping wordt dan gezien als rechtlijnig, onomkeerbaar, als een manifestatie van Gods wil.

Dat heeft dan weer gevolgen voor de christelijke moraal. Het impliceert namelijk dat de mens voor verbetering vatbaar is, en dat de mens vrij en dus verantwoordelijk is voor zijn daden in het éne leven dat hij gekregen heeft (in tegenstelling met, pakweg, het reïncarnatiegeloof). Het rechtlijnige tijdsbegrip impliceert bovendien heilige ernst (want een eenmalige schepping moet wel zin hebben) tegenover het frivole cyclische tijdsbegrip (waarbij de schepping slechts een spel lijkt van de godheid).

Droit gelooft aan het einde van zijn boekje niet dat religie uitroeibaar is, en vindt dat ook niet wenselijk. We zullen ons altijd aangetrokken voelen tot het oneindige, dat zit nu eenmaal in de mens. Daarnaast vormt religie een mooi begeleidingsinstrument bij de belangrijke momenten in het leven — geboorte, huwelijk, dood. Een instrument dat velen niet willen afstaan.

De religies uitgelegd aan mijn dochter eindigt dan ook ongemeen slap. Dochtertje vraagt aan vader of hij vindt dat zij een religie moet hebben. Dat kan ik niet in jouw plaats beslissen, antwoordt deze dan. Dat moet je zelf weten.

Droit had beter overgenomen wat Richard Dawkins zíjn dochtertje — tien jaar oud, geen dertien — vertelde in Kapelaan van de duivel. Daarin legt Dawkins uit dat er drie verkeerde redenen zijn om iets te geloven, omdat ze haaks staan op de wetenschappelijke attitude. Die redenen zijn: traditie, autoriteit en openbaring. Gelovige mensen omarmen ze meestal alledrie.
Mensen geloven vaak dingen om de eenvoudige reden dat men al eeuwenlang in die dingen gelooft. Dat is traditie. Iets geloven op basis van autoriteit betekent dat je iets gelooft omdat een belangrijk iemand zegt dat je het moet geloven. De derde verkeerde reden om iets te geloven heet openbaring. Wanneer godsdienstige mensen het gevoel hebben dat iets waar moet zijn, ook al is daarvoor geen bewijs, noemen ze dat gevoel een openbaring.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Roger-Pol Droit, De religies uitgelegd aan mijn dochter
62 p.
Uitgeverij Atlas, 2001
Oorspr. Les religions expliquées à ma fille (2000)
Vertaald door Frans van Woerden

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails