101 alledaagse filosofische avonturen - Roger-Pol Droit
Dit is een boek in de goede traditie van Alain de Botton — filosofie leesbaar gemaakt, en teruggebracht op de maat van mensen en hun dagelijkse leven. Roger-Pol Droit zet ons ertoe aan enkele eenvoudige experimenten uit te voeren. Door de verrassende, contra-intuïtieve uitkomst van de meeste experimenten wil hij ons laten nadenken over de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid van ons handelen en de vastgeroeste manier waarop we de wereld waarnemen.
101 alledaagse filosofische avonturen houdt qua opzet het midden tussen een zelfhulpboek en een cursus met meditatieoefeningen. Roger-Pol Droit — normalien, ex-hoogleraar filosofie, ex-medewerker aan het CNRS — beschrijft zijn experimenten heel concreet, duidt de duur aan van elke oefening, somt de benodigdheden op en het beoogde effect.
De drie registers achteraan het boek verwijzen ook naar die parameters: duur ("15 à 30 minuten"), benodigdheden ("een besloten ruimte", "een bloedrukmeter") en effect ("Beangstigend", "Depolitiserend", "Kosmopolitisch", "Ondermijnend", "Piëteit").
In één van de oefeningen die me in het bijzonder is bijgebleven, vraagt Droit je tot duizend te tellen. Niets bijzonders, op het eerste gezicht. Tot duizend tellen zal enige tijd kosten — ongeveer vijftien minuten, oftewel negenhonderd seconden — en welllicht behoorlijk saai zijn. Het lijkt allemaal voorspelbaar, het belooft normaal te zullen verlopen. Je verwacht een machinale, matte bedoening. Maar...
Dat pakt heel anders uit. Je kunt ups en downs niet vermijden. Er zijn makkelijke passages, hellingen, lange, rechte stukken die zich eindeloos uitstrekken, zoals oude met populieren of rijzige platanen omzoomde rijkswegen, afgewisseld door heuvels, steilten, schuine bochten — vooral wanneer je de vijfhonderd nadert. Je dacht dat je alleen met cijfers te maken zou krijgen, maar wordt opeens geconfronteerd met reizen die je als kind hebt gemaakt, herinneringen aan de lagere school, aan gedoe met inktpotten en schorten, speelplaatsen, sponsen in je schooltas. Je denkt terug aan montagnes russes, ofwel achtbanen, en aan onvoldoendes voor gedrag. Je telt in zwart-wit. Het zou een routinekwestie, een werktuiglijke affaire moeten zijn. Het wordt een hachelijk avontuur. Heb ik geen tiental overgeslagen? Ben ik niet een eenheid vergeten? Of een honderdtal? Heb ik me zonet, toen ik met mijn gedachten elders was, niet misteld?Met het opzet van Droit is er in principe niets mis. Wat is het heerlijk je blik te verruimen, je te verwonderen over het vanzelfsprekende, met hernieuwde aandacht je doordeweekse leven te leven.
Wat me vooral aansprak is de manier waarop hij de illusie doorprikt dat we de wereld rationeel benaderen, en dat die rationaliteit zelfs onze eigen verdienste is. "Wat minder glucose, vetstoffen en proteïnen," schrijft hij ergens, "en je krijgt meteen een andere kijk op de wereld."
Daarnaast hamert Droit er terecht op hoogdravende begrippen als 'persoonlijkheid' en 'identiteit' overboord te gooien. Wat wij ons 'ik' noemen, evolueert immers, blijft nooit aan zichzelf gelijk.
Ik weet dus nog hoe ik dit boek heb omarmd, vijf jaar geleden. Maar nu ik mijn notities van indertijd herlees, bekruipt me een naargeestig gevoel. Laat ik eens wat zinnetjes citeren, die zowat samenvallen met de conclusies die de auteur uit zijn experimenten trekt.
Wat Roger-Pol Droit hier dus in ernst beweert, is dat woorden niet naar de werkelijkheid kunnen verwijzen, dat taal slechts "een sluier" legt over de werkelijkheid, en dat het bestaan van die werkelijkheid, ook wel 'de wereld' of de 'buitenwereld' genoemd, "vrij onbelangrijk" is, "een illusie" en zelfs "een verzinsel".Het is altijd de bedoeling om zekerheden die je onwrikbaar achtte aan het wankelen te brengen: onze identiteit, het bestaan van de buitenwereld of de betekenis van woorden bijvoorbeeld. Verder zal het proces bij iedereen anders verlopen. Het zal niet tot dezelfde conclusies leiden. Des te beter. Als het maar op gang komt.
Deze oefeningen gaan natuurlijk uit van bepaalde veronderstellingen en opvattingen. Er blijkt met name uit dat het zou kunnen dat ‘ik’ altijd een ander is, dat de wereld een illusie is, de tijd een begoocheling, de taal een tere sluier over het onzegbare, beleefdheid uitgestelde wreedheid, genot een leidraad voor je gedrag en liefde het enige perspectief.[...]
Wat wij ‘de wereld’, ‘de werkelijkheid’, ‘het leven van alledag’ noemen, is maar een vernisje, dat in een ommezien kan wegvallen.
[...]
Op den duur realiseer je je dat alles in zekere zin lachwekkend is: het leven, de dood, de mensheid, de liefde, het universum, de mieren, schrijven, geld, beroepen, groepen, de filosofie, de politiek.
[...]
Je zou het punt moeten bereiken waarop je je begint af te vragen of het wel allemaal verzonnen is, waarop je geen onderscheid meer kunt maken tussen je verzinsels en je echte leven. Of, wat op hetzelfde neerkomt, dat je in gemoede denkt dat wat je vroeger voor je ‘echte leven’ hield, in werkelijkheid eveneens een verzinsel is. Niet meer, maar ook niet minder.
[...]
In een neerslachtige bui begin je meestal te denken dat het leven een ernstige zaak is, dat de wereld bestaat en dat woorden de werkelijkheid weergeven. Gelukkig kun je die kwalijke neiging vrij makkelijk de kop indrukken. Het kan al voldoende zijn, op voorwaarde dat het niet te vaak gebeurt, om elke gelegenheid aan te grijpen om toneel te spelen. Zo’n metamorfose beïnvloedt niet alleen je persoonlijke beleving van de dingen. Ze zal ook je stem, je mimiek, je woorden en zelfs het verloop van de gebeurtenissen veranderen.
[...]
Als je altijd op het ergste voorbereid moet zijn, ook al gebeurt het niet, wordt de werkelijkheid ten slotte vrij onbelangrijk.
Wie niet zo in de filosofie thuis is, beseft allicht niet dat in dit boek alle stokpaardjes uit de Franse filosofie en literatuurtheorie sinds de jaren veertig worden bereden. Hoewel de namen van Merleau-Ponty, Levinas, Ricoeur en Derrida niet één keer vallen.
Droit begint met de vaststelling hoe onbetrouwbaar onze subjectieve ervaring is (en terecht natuurlijk), maar slaat dan zoals alle fenomenologen door, door te stellen dat er helemáál geen objectieve werkelijkheid bestaat.
Waarom die gedachte niet klopt en niet deugt, legt Frits Staal uit in een van zijn boeken.
Eigenlijk moet iemand een tegenboek schrijven, met 101 experimenten die, hoe problematisch de praktische uitvoering ervan ook is, net wel ijzeren wetten lijken aan te tonen.
(Gebaseerd op notities van 18 december 2005.)
> de lijst met 101 experimenten in de commentaren hieronder
Roger-Pol Droit, 101 alledaagse filosofische avonturen
224 p.
Uitgeverij Atlas, 2002
Oorspr. 101 expériences de philosophie quotidienne (2001)
Vertaald door Marijke Arijs
____

2 reactie(s):
* = zelf al uitgeprobeerd voor ik dit boek begon te lezen
Jezelf roepen
Een woord van zijn betekenis ontdoen*
Het ‘ik’ zoeken zonder het te vinden
Je voorstellen dat de weeld maar twintig minuten bestaat*
De sterren onder je zien*
Een landschap voor een opgespannen doek houden
Iets verliezen en niet weten wat
Je herinneren waar je vanmorgen bent geweest
Jezelf pijn doen*
Je onsterfelijk voelen
Zomaar mensen opbellen
Je kamer terugzien na een reis*
Drinken terwijl je plast
Een muur vormen tussen je handen*
Door het donker lopen*
Denken aan alle plaatsen op alle plaatsen op aarde
Je inbeelden dat je een appel schilt
Je een heleboel lichaamsdelen op een hoop voorstellen
Je in de bergen wanen
Je voorstellen dat je doodgaat*
Het leven proberen te meten
Tot duizend tellen
Bang zijn omdat de bus er aankomt
Rennen op een kerkhof
De nar uithangen*
Een vrouw bij haar raam zien staan
Jezelf andere levens toedichten*
Vanuit een rijdende auto naar mensen kijken*
Een colonne mieren observeren
Iets eten waarvan je de naam niet kent
Naar zonnestofjes kijken*
Vermoeienissen doorstaan
Een volle maag hebben
De beest uithangen
Naar een dood vogeltje kijken
Een stuk speelgoed uit je kindertijd herkennen*
Niets doen terwijl je wacht*
Proberen niet te denken*
Naar de kapper gaan
Douchen met je ogen dicht
Op je buik in de zon liggen slapen
Naar het circus gaan
Kleren passen*
Kalligraferen
Het vuur in de haard aansteken
Je ervan bewust zijn dat je spreekt
Huilen in de bioscoop
Vrienden ontmoeten die je in jaren niet hebt gezien*
Rondhangen in antiquariaten*
Een haarte uittrekken
Wandelen in een imaginair bos
In je eentje manifesteren
Je evenwicht bewaren in een hangmat
Het nieuws samenstellen
Luisteren naar de kortegolfzender
Het geluid van de tv uitzetten*
Teruggaan naar een plaats uit je kinderjaren, die toen veel groter leek*
Iets leren eten wat je niet lust
Een tijdlang vasten
Tien minuten mopperen
Door een bos rijden*
Spontaan iets weggeven*
Op zoek gaan naar blauw eten
Ingoed of inslecht worden*
Sluimerende herinneringen wakker maken
Kijken naar je slapende vriendin*
Werken op een rustdag*
De mensheid als een vergissing beschouwen*
Je concentreren op het universum van de lichaamstaal
De stekker van de telefoon er uittrekken*
Glimlachen tegen iedereen
In een schilderij stappen*
Op klaarlichte dag uit de bioscoop komen*
Een duik nemen in koud water*
Landschappen zoeken die altijd hetzelfde zijn gebleven*
Een opname van je stem beluisteren*
Tegen een onbekende zeggen dat ze mooi is
Denken dat je iets ruikt
Wakker worden in een onbekend huis
Een trap afgaan war geen eind aan komt
Een emotie onderdrukken*
Vluchtige dingen vastleggen*
Een kamer inrichten
Lachen om een idee
Onzichtbaar worden op een caféterras
Op een meer roeien in je eigen huis
’s Nachts door de straten dwalen*
Gehecht raken aan een voorwerp*
Een lofrede op de kerstman houden
Met een kind spelen
Een speelbal zijn van het lot*
Op je knieën het telefoonboek opzeggen
Je voorstellen wat de anderen doen*
Altijd en overal toneelspelen*
Fantaseren dat je mensen vermoordt*
De metro nemen zonder bepaald doel*
Geen horloge dragen*
Kletskousen trotseren*
Opruimen na een feestje*
Op zoek gaan naar de allerlichtste streling*
Ik bespeur in de betogen op uw weblog een spanning: enerzijds tussen Popperiaanse standpunten over falsificeerbaarheidseisen, anderzijds klinkt hier de roep om het aantonen van de "ijzeren wetten" van een "objectieve werkelijkheid".
In dat verband zou een derde mogelijkheid, die in de recentste Franse (en Britse) filosofie naam aan het maken is, u wellicht interesseren: die om tot een harde rationaliteit en solide werkelijkheidsbegrip te komen op basis van radicale contingentie. Een neo-Cartesiaans project zoals je dat bij Meillassoux kunt aantreffen, in "After Finitude". Meillassoux hoort bij een groep die zichzelf "speculatief realisten" noemt. Bij hem is een filosofie te vinden waar heel de ouderwetse tegenstelling tussen continentaal en analytisch wegvalt, en die denkend juist vanuit de Franse kritische traditie tot zeer scherpe bepalingen van realiteit weet te komen.
Hij zoekt op een analytisch solide manier het hele wetenschappelijke project te voorzien van een niet-subjectieve grondslag, niet vanuit aannames over wat werkelijkheid is, en ook niet door de werkelijkheid te reduceren tot subjectieve impressies (werkelijkheid als destillaat van de empirie) en zo alles te gronden in het individueel waarnemend subject, maar vanuit een (in de eerste instantie postmodern aandoend) radicaal afwijzen van zulke aannames. De radicaliteit van die geste wordt bij hem intussen zelf wel een grondslag.
Daarbij neemt hij wel degelijk het bestaan van een werkelijkheid buiten ons om aan - hij toont zelfs de noodzakelijkheid van die aanname op een grondige manier aan - maar dan ook écht buiten ons om. De aanname betreft dus een werkelijkheid waar wij principiëel geen noodzakelijke wetmatigheden over kunnen aantonen, waarvan de wetten radicaal contingent kunnen zijn. Maar: de beslissing om geen vooraf gegeven zekerheden te aanvaarden en alle wetten als contingent te beschouwen blijkt juist krachtige fundamenten te leggen voor de wetenschappelijke rationaliteit.
Het grappige is dat zijn aanpak juist zowel een grotere ruimte, als een meer solide fundament oplevert voor het wetenschappelijke denken dan het feitelijk dogmatische denken dat je bij veel zelfverklaarde rationalisten aantreft (en dat wetenschappers vaak zeggen aan te hangen, maar gelukkig in hun wetenschappelijke praktijk onmiddelijk laten varen zodra er zich de mogelijkheid voordoet van een spannende conceptuele doorbraak op hun vakgebied.)
Een reactie plaatsen