woensdag 5 mei 2010

Zestig - Ingrid Vander Veken

Ingrid Vander Veken is een vrouw; ik een man. Zij vierde in 2008 haar zestigste verjaardag; ik in datzelfde jaar mijn dertigste. Twee interessante contrasten dus, die echter jammerlijk teniet worden gedaan in dit al te dikke, al te lauwe dagboek. Zestig hoort niet thuis in de traditie van May Sarton, die op hoge leeftijd (op haar zeventigste, negenenzeventigste, tachtigste en tweeëntachtigste) indringende notities bleef maken.

Zestig is mijn eerste kennismaking met het werk van de Vlaamse schrijfster en journaliste Ingrid Vander Veken (Antwerpen, 1948). Met enige verbazing herlas ik de titel van het dagboek, duidelijk — maar ten onrechte — gekozen om zijn dramatische kracht. Vander Veken is op een ouderdom gekomen die in dit tijdsvak, met zijn uitstekende medische zorgen, weinig spectaculaire implicaties hoeft te hebben. Zelf beseft ze dat zeer goed.

De enige die er niet bij stilstaat, ben ik. Mij laat het Siberisch, ik vind er niks aan. Ik ben al eens dertig en veertig en vijftig geworden. En zo bijzonder was dat ook weer niet, toch niet meer dan het jaar ervoor of erna. Waarom zou het dan nu anders zijn?
Maar ik mag dan niet van het stilstaanderige type zijn, van het nieuwsgierige ben ik wel. Zo langzamerhand wil ik het ook wel eens weten, wat er zo bijzonder is aan zestig. Ik ga naar de boekenkast, kantel uit het rek met onbeschreven schriften een groot zwartlinnen cahier, schroef de dop van mijn vulpen. Ik geef mezelf ruwweg een jaar — de helft om het te worden, de helft om het te zijn. De rest is om verder te gaan.
De schrijfster onthaalt het eerste bericht van de Rijksdienst voor Pensioenen zelfs met blijdschap. En toch zeurt het besef van ouderdom een jaar lang zodanig mee dat het een belangrijk motief wordt in het dagboek. Want ook voor wie in blakende gezondheid zestig wordt, is de resterende tijd eindig en liggen niet alle wegen meer open. Zeker niet als vrouw, voor wie — Vander Vekens eigen woorden — "het uiterlijk deel uitmaakt van haar kapitaal".

De schrijfster houdt dan ook nauwlettend bij hoe haar generatiegenoten omgaan met een groeiend aantal kaarsjes op de taart. Ze leest een verontrustend interview met Glenn Close. Ziet lijdzaam aan hoe Susannah Constantine zich kunstmatig laat verouderen met grime, om te weten hoe dat voelt. Incasseert met tegenzin het compliment dat ze er goed uitziet — ‘voor haar leeftijd’. Want als dit journaal één ding duidelijk maakt is het dit: seksisme is een sluipmoordenaar die ook de taaiste vrouwen treft. Op 15 december 2007 leest Vander Veken een stukje in de krant.
Kip-of-ei-verhaal, in de versie van Axelle Red. ‘Ik ben niet voor plastische chirurgie, maar in mijn beroep moet ik wel, want als ik er naar mijn leeftijd uitzie, ben ik afgeschreven. Ik zal er pas van kunnen afzien als eerst de mentaliteit verandert.’ Hoe kan de mentaliteit veranderen als zelfs een intelligente madam als zij die bevestigt? Axelle Red is veertig.
Maar ook los van het fysieke verval hebben rijpheid en ervaring, of die nu van vrouwen of mannen komt, het moeilijk om respect af te dwingen. De twintigers maken opgang op de krantenredactie, die steeds minder boegbeelden telt. Een eerbiedwaardige organisatie als PEN Vlaanderen kiest duidelijk voor een jonger bestuur. Kristien Hemmerechts krijgt na haar vijftigste alleen nog opdrachten uit Nederland, niet meer in Vlaanderen. Oude acteurs komen moeilijk aan de bak en zijn snel vergeten.
Al jaren erger ik me er mateloos aan hoe morsig Vlamingen met talent omspringen. Op het jaarlijkse Oscarcircus zwelgt Hollywood collectief in zijn al dan niet terechte verdiensten. In Frankrijk heeft de Comédie Française haar pensionnaires en worden filmdiva’s op de bühne gehesen. Gelukkig heeft Vic Anciaux een vereniging opgericht die jaarlijks oudere podiumkunstenaars huldigt — Dora van der Groen, Nand Buyl, Wannes Van de Velde… Maar veelal kunnen wij hen niet snel genoeg vergeten, zijn ze nog voor hun dood afgeschreven. Wij zijn onbekwaam tot koesteren.
Het dagboek getuigt ervan hoe Ingrid Vander Veken zich optrekt aan schrijfsters die zich niet laten kisten door hun aantal lentes: Charlotte Mutsaers ("Ja, zo moet je ouder worden, dat brutale jongenskopje en dat opzichtige kreeftenjuweel"), Clara Hasaert, Monika Van Paemel, Wisława Szymborska en Brigitte Raskin ("Ben ik op weg naar deze traagheid, deze onverschillig ogende onthechting?").

En anders is er nog wel haar zevenentachtigjarige moeder om alles in perspectief te plaatsen. Háár wereld is écht gekrompen, en bestaat uit weinig meer dan herinneringen aan vroeger. Zestig bevestigt letterlijk de theorie van Midas Dekkers in De vergankelijkheid als zouden jeugd en bejaardheid extremen zijn die elkaar raken. We waren hulpeloos, worden volwassen, en keren weer terug naar die hulpeloosheid.
Mijn vader is er niet meer. Mijn moeder is nu mijn kind, zij moet zich nu conformeren aan mijn wensen. Voldoende slapen, voorzichtig zijn, haar pillen slikken, geen sleutels laten rondslingeren. Ik ben vrij om te doen wat ik wil en te zijn wie ik ben.
Een variant van die opmerking komt overigens terug wanneer het stiefzusje van de schrijfster na een langdurige kanker verzoekt uit het leven te mogen stappen. Het is een van de sterkere momenten in het dagboek. Heel sereen beschrijft Vander Veken hoe de vierenveertigjarige vrouw een "stervensondersteunend hulpmiddel" krijgt terwijl ze op bed ligt, "tussen haar zonen in, twee mannen plots en zij het kind."

Er wordt véél gestorven in Zestig. De vader van Tom Lanoye gaat heen, de vrouw van Jef Geeraerts, en natuurlijk Hugo Claus. Na diens uitvaartplechtigheid op 29 maart 2008 blikt Vander Veken terug op haar eigen jeugd.
Wat is dat toch, dat oog in oog met het einde terugkeren naar het begin? Stiefzusje wil verstrooid worden bij de hoeve in de Voorkempen, Hugo Claus in de Noordzee voor Oostende. Terug naar de tijd toen nog niets bezoedeld was door het leven, suggereert P.
Ontelbare keren ben ik onnadenkend door de Huidevetterstraat gelopen. Nu, op de terugweg van de Bourla, steek ik de straat over en kijk naar het huis van mijn kinderjaren. Het stadscentrum was een dorp, toen. Gucci, Hermes en Donna Karan heetten bakker, slager en kruidenier. Mijn speelkameraadjes waren de conciërgekinderen van de boekhandel of de huishoudzaak. ’s Avonds hinkelden wij op het brede voetpad, trippelden wij op de hoge hakken van onze moeders over de straatstenen. De lokettenzaal van de bank was onze rolschaatsbaan, en weldra kwam er nog een tweede baan bij, de allereerste winkelgalerij van Antwerpen. Onze benedenburen waren hoertjes van het Quartier Latin, met zijden kamerjassen en poederdons op klepperende pantoffels. Maar op hun vrije dag werden zij twee deftige dames en ik het kind dat zij nooit zouden hebben. Dan kochten ze voor mij een wolk van een jurkje en namen wij de Sint-Annekesboot naar Linkeroever.
Op de begane grond is nu een inspiratieloze kledingzaak voor rijpere dames gevestigd, maar de bovenverdiepingen ogen net als vroeger. Daar, achter de hoogste ramen, schilde mijn oma rode winterappeltjes voor ik naar school vertrok. Achter de ramen daaronder blies ik de kaarsjes van mijn vijfde verjaardag uit — de foto heb ik nog altijd. Nog lager, waar de hoertjes woonden, staan nu vijf witte, ontklede etalagepoppen.
Voor de rest geeft Vander Veken zich over aan bezigheden die erop wijzen dat het Heilige Moeten ver achter haar ligt, ook al schrijnt de wetenschap hoeveel tijd opgaat aan koken, wassen, tuinieren. Ze leest fictie en non-fictie, en houdt haar Italiaans op peil. Met een achteloosheid die haar zelf verbaast doet ze haar oude theaterboekjes weg, plus alle recensies die ze heeft geschreven. Ze gaat naar de opera, luistert naar klassieke muziek, verpoost in haar geliefde stadspark ('Klein Buitenland'). En ze begeleidt buitenlandse auteurs die hun intrek nemen in de Schrijversflat van PEN Vlaanderen — iets waar ik meer over had willen weten dan de auteur mij nu aanreikt.

Even denkt Vander Veken eraan haar zestigste verjaardag te vieren in Le Train Bleu, maar ziet daar dan toch vanaf. Het is een typerende zet voor een journal pas très intime dat heel erg kabbelt. Nergens tref je scherpte aan, iets memorabels, taal die uit de band springt. Ook veertig bladzijden Balinees reisdagboek leveren niets op.

Voor een theatermaker en scenariste schrijft Ingrid Vander Veken overigens opvallend weinig dialogen neer.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> wel aangrijpend over de ouderdom: Vereniging Vrijwillige Dood - Max Frisch

Ingrid Vander Veken, Zestig : een dagboek
332 p.
Uitgeverij Meulenhoff en uitgeverij Manteau, 2009

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails