maandag 17 mei 2010

Vader en zoon - Edmund Gosse

Vader en zoon, de jeugdmemoires van de laat-Victoriaanse schrijver Edmund Gosse (1849-1928), is ook weer een van die geheimtips uit het lijstje van Maarten 't Hart die nooit Privé-domein hebben gehaald. En ook weer volledig ten onrechte. In uiterst beheerst proza, subliem vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters, vertelt Gosse hoe hij als kind de last moest dragen van de strikt religieuze opvoeding van zijn ouders. En hoe hij eindelijk vanonder die last uit komt.

Op zijn zeventiende, schrijft Richard Holmes (schrijver van Dubbelspoor) in een prima nawoord, wordt Edmund Gosse klerk bij het British Museum. Hij bevrijdt zich definitief van zijn religieuze overtuigingen en transformeert zich snel tot dichter, talenkenner, recensent en literatuurcriticus. Hij krijgt een baan als vertaler bij het ministerie van Handel, heeft een gelukkig huwelijk en een mooie loopbaan als literator: Gosse introduceert Ibsen, Gide en Couperus in Groot-Brittannië, schrijft een biografie van Donne, raakt bevriend met Stevenson, Hardy, Swinburne en James, wordt Librarian bij de House of Lords én hoofdrecensent bij de invloedrijke Sunday Times.

Aan de andere kant wordt Gosse nooit erkend als dichter, wat hem steekt, en krijgt hij vanuit progressieve kringen bijtende kritiek te verwerken. De Bloomsbury Group, bijvoorbeeld, veracht zijn softe, diplomatieke persoonlijkheid en opportunistische boeken. Inderdaad mag aangenomen worden dat alleen Vader en zoon Gosse heeft behoed voor de literaire vergetelheid. Zelfs Virginia Woolf en co waren voor de verandering eens te spreken over dat boek. Het was, in de woorden van Holmes, "zijn enige moment van rebellie, zijn enige moment van authenticiteit". In het nawoord wordt ergens geopperd dat de charmante mooischrijverij van Gosse's andere werken weleens de zoveelste reactie zou kunnen zijn op zijn vader — het moedwillige tegendeel van diens starre onafhankelijkheidszin.

Vader en zoon beschrijft de kindertijd van Gosse — alles wat dus vooraf ging aan die zeventiende verjaardag — deels aan de hand van de dagboekbladen en geheime notities die zijn ouders bijhielden. Zelf noemde hij zijn jeugdmemoires "de diagnose van een stervend puritanisme", en een "studie naar de ontwikkeling van ethische en intellectuele ideeën in de kindertijd". Met het boek ging Gosse de confrontatie aan met zijn vader, op een manier die zich gerust mag meten met Kafka's Brief aan vader. De openingsregels zetten de toon, al galmen ze hier merkelijk meer dan in de context van een heel boek:

Dit boek is een verslag van een strijd tussen twee temperamenten, twee gewetens en bijna twee tijdperken, een strijd die onvermijdelijk eindigde in een verwijdering. Van de twee hier beschreven menselijke wezens was de één geboren om te vluchten in het verleden en werd de ander gedreven naar de toekomst. Er kwam een tijd dat beiden niet meer dezelfde taal spraken, dezelfde hoop koesterden of door dezelfde verlangens werden gedreven. De overlevende put echter enige troost uit het feit dat beiden elkaar tot het laatste uur respecteerden of beschouwden met droeve lankmoedigheid.
De liefde van deze twee personen werd belaagd door krachten waarbij de invloed van gezondheid, fortuin of positie in het niet valt. Het is een treurige genoegdoening, maar een genoegdoening niettemin, dat beiden bleven gehoorzamen aan de wet die zegt dat bloedbanden moeten worden gerespecteerd en onderhouden. Was dat niet het geval geweest, dan zou dit verhaal nooit zijn verteld.
Richard Holmes bezweert ons het belang van deze autobiografie niet te onderschatten. Hij noemt het de eerste keer dat een schrijver zó openlijk zijn vader verwerpt. Hamlet, Paradise lost en Prometheus unbound bevatten ook wel vader-zoon-conflicten, en ook Dickens en Kipling hebben verhalen met eenzame, onbegrepen, verlaten of vervolgde kinderen, maar
tot het einde van de negentiende eeuw is er zelden sprake van een directe confrontatie. Er waren ingewikkelde intellectuele en maatschappelijke structuren mee gemoeid: het traditionele vaderlijke gezag — moreel, wettelijk en financieel — binnen het huis gezin; de hiërarchieën van scholing en werk; de theologische identificatie met de christelijke God (‘Onze Vader die in de hemelen zijt’) en de aardse pater familias; en bovenal misschien de diepgewortelde conventies van eerbied en onderwerping.
Wij in onze post-freudiaanse wereld, voegt Holmes daar aan toe, nemen maar al te snel aan dat de ‘strijd’ een soort geboorterecht is. We vergeten snel dat daar heel wat revoluties voor nodig waren: de evolutietheorie, de psychoanalyse, de schok van de Eerste Wereldoorlog. In Gosses tijd was het absoluut not done om in een boek je vader, ook nog eens een bekende naturalist van zestig jaar oud, zo openlijk af te vallen. Alle biografen en autobiografen van de twintigste eeuw zijn hem daarom schatplichtig, vindt Holmes, ook al omwille van de beknoptheid en de taal van het boek.

Een recente biografie zou aan het licht hebben gebracht dat het eigenlijk wel meeviel met de gestrengheid van vader Gosse, voluit Philip Henry Gosse, en dat zoon Gosse nogal wat anekdotes naar zijn hand zet. Maar dat van die taal is wat mij betreft zeker niet gelogen. Edmund Gosse lijkt voor alles precies de juiste, sobere uitdrukking paraat te hebben. Elke zin doet ertoe. Hier is een schrijver aan het werk die de ideale balans tussen afstand en betrokkenheid heeft gevonden.

Ik noem Vader en zoon daarom zonder verpinken een meesterwerk, al speelt mijn grote voorliefde voor het genre — zie ook Herinneringen aan mijn roomse jeugd en Gesprekken met mijn dode god — natuurlijk mee. Boeken als middel om je te ontplooien in een ouderlijk klimaat van geestdodende rechtlijnigheid, én de langzame intellectuele verwijdering tussen ouders en kinderen: het zijn thema's die me recht uit het hart gegrepen zijn.

Omdat er op het internet helemaal niets over dit boek te vinden is in het Nederlands, en omdat ook een Wikipedia-pagina over Gosse ontbreekt, hieronder een lijvige samenvatting van Vader en zoon, zonder verdere pretenties.


Philip Henry Gosse en Edmund Gosse (1857), via Wikimedia Commons

Rondleiding door het boek
Zijn moeder Emily Bowes, zo begint Gosse, had een diepe afkeer van de frivole genoegens van háár ouders. Ze was zelfs blij toen haar vader door verkwisting zijn landgoed moest verkopen en het gezin tot armoede verviel. Religiegewijs was Bowes begonnen bij het anglicaanse standpunt, Gosse's vader Philip Henry Gosse bij het methodistische, maar beiden waren uitgekomen op dezelfde houding tegenover alle splitsingen in de Protestantse Kerk, namelijk die van afstandelijke, onpartijdige beschouwers. Aldus werden ze geleidelijk aan uitgesloten door alle protestantse kerkgenoten en op het laatst kwamen ze alleen nog bijeen met een paar extreme calvinisten als zijzelf, "op voorwaarden die bijna negatief genoemd kunnen worden — geen priester, geen ritueel, geen feestdagen, geen enkele soort versiering — niets dan het Avondmaal des Heren en de exegese van de Heilige Schrift verbonden deze strengen geesten enigszins met elkaar." Voor de buitenwereld stonden vader en moeder Gosse bekend als ‘Plymouth-Broeders’. Ze waren arm, eenzaam en gewend met intellectuele inspanning de kost te verdienen.

Trouwen doen ze wanneer ze rond de veertig zijn. Edmund Gosse’s vader is zoöloog en schrijft boeken over natuurlijke historie. Zijn moeder heeft twee dunne deeltjes met religieuze verzen op haar naam staan. Beiden hebben een verachting voor contemporaine literatuur. Na de geboorte van Edmund lijdt moeder Gosse een eentonig bestaan, met de zorg voor haar kind, terwijl haar man voornamelijk in de studeerkamer zit. Toch hebben ze zelden meningsverschillen, "hun wil lijkt volmaakt één". Dit gevoel van spirituele eenheid maakt volgens Edmund een aanzienlijk deel uit van hun geluk. Niettemin is zijn moeder de voornaamste motor achter de religieuze gestrengheid van het gezin. Zij is geen mystica; voor haar is niets uit de bijbel symbolisch, allegorisch of dubbelzinnig.
Ze heeft nooit beweerd dat ze zienersgaven bezat, geloofde absoluut niet in dromen of voortekenen en moedigde, bij haarzelf noch bij anderen, aan wat riekte naar bijgeloof of fantasie. Wie haar geestestoestand wil begrijpen, moet er, denk ik, van uitgaan dat ze vast geloofde in de absolute, onveranderlijke en historische waarheid, in de directe en onmiskenbare zin, van iedere uitspraak binnen de band van de bijbel. Voor haar en voor mijn vader was niets in de Schrift symbolisch, allegorisch of dubbelzinnig, behalve wat met zoveel woorden werd gepresenteerd als een parabel of zinnebeeld. Mijn ouders, die dit tot in het extreme doortrokken en geen rekening hielden met veranderingen van plaats, tijd of ras, lazen de vermaningen aan de Corinthische bekeerlingen zonder te beseffen dat wat een geschikte aanpak was voor onderontwikkelde Achaïsche kolonisten uit de eerste eeuw, misschien niet direct geschikt was voor beschaafde, negentiende-eeuwse Engelse mannen en vrouwen. Zij zagen geen enkel verschil tussen het decor van Trimalchions copieuze feestmaal en dat van een diner in de City.
Vader Gosse onderwijst zijn zoon. Hij leert hem het alfabet, geschiedenis, aardrijkskunde. Van zodra hij kan lezen is literatuur Edmunds lust en leven, al komt geen enkele vorm van fictie het huis in — verbod van zijn moeder. Dit gegeven wordt extra schrijnend wanneer Edmund in Vader en zoon een fragment uit het dagboek van zijn moeder opdist, waarin ze haar jeugdige lust om verhalen te vertellen memoreert, en zichzelf als volwassen vrouw nog steeds zondig acht als ze op een onbewaakt ogenblik opnieuw die aandrang voelt. Maar Edmund, omdat hij simpelweg niet van het bestaan van speelkameraadjes, buitenshuis' vermaak en verhalenboeken afweet, stelt zich tevreden met boeken over natuurlijke historie, reisboeken, wetenschap, geografie, astronomie, theologie.

En zo gaat het leven zijn monotone gang. "Dit was nu de omgeving," schrijft Gosse, "waarin de ziel van een klein kind werd geplant, niet in een gewoon open bloembed of een zorgvuldig aangeharkt plantsoen, maar op een richel, gehouwen in het graniet van een berg." Hoewel de Gosses in Londen wonen, laten ze nooit de leuke dingen van de hoofdstad — de dierentuin, het British Museum — zien aan hun zoon. Het enige van de buitenwereld dat doorsijpelt in het gezin is de oorlogsverklaring aan Rusland, waarop er prompt een krantenabonnement wordt genomen.

Langzaam doet Edmund zijn eerste belangrijke vaststellingen. Dat zijn vader niet alwetend is, ontdekt hij met een schok, wanneer zijn vader een streek die hij, Edmund, heeft uitgehaald in de tuin niet aan de weet komt. Wanneer Edmund een bromtol waar hij God om heeft gesmeekt niet zomaar in de schoot geworpen krijgt, begint hij te twijfelen aan de werkzaamheid van het gebed. En wanneer hij zich op een andere keer bezondigt aan opzettelijke afgoderij, kan dat het opperwezen kennelijk niets schelen.

1857 is het annus horribilis voor de Gosses. Er wordt borstkanker vastgesteld bij de moeder. Een klein kapitaaltje wordt slecht belegd en in dezelfde tijd stopt het jaargeld dat ze heeft geërfd. Tot overmaat van ramp gaan haar broers bankroet. Edmund, zeven jaar, brengt uren door aan het ziekbed van zijn moeder in Islington, Londen, waar hij haar onder meer voorleest uit Thoughts on the apocalyps van Benjamin Wills Newton. Zijn moeder lijdt. De medische zorgen zijn uiterst rudimentair, moet je rekenen; pas in dat jaar wordt de anesthesie ontdekt door James Simpson. Het overlijden van Emily Bowes levert een hartverscheurende scène op:
Toen het einde naderde en haar geest vertroebelde, verzamelde ze haar kracht en zei tegen mijn vader: ‘Ik zal wandelen met Hem in wit. Wil je ons lam nemen en met mij wandelen?’ Door zorg en schrik verward, begreep mijn vader niet wat ze bedoelde. Ze werd onrustig en herhaalde twee of drie keer: ‘Neem ons lam en wandel met mij!’ Toen begreep mijn vader het en hij duwde mij naar voren; haar hand viel zacht op de mijne en ze leek tevreden. Zo werd mijn wijding, begonnen in mijn wieg, bezegeld met de meest plechtige, aangrijpende en onweerstaanbare smeekbede bij het sterfbed van de heiligste en puurste vrouw. Maar wat een last, ondraaglijk als het gewicht van Atlas, om op de schouders van een klein, broos kind te leggen!
Een nicht die van de rampspoed heeft gehoord — een dame met een groot gezin in Clifton, Bristol — biedt aan Edmund op te vangen zolang zijn vader op reis is in het Noorden voor zijn beroepsbezigheden. Daar, in die nieuwe omgeving, komt hij op achtjarige leeftijd voor het eerst, zij het kortstondig, onder jonge mensen: "allemaal tezamen in een bijenkorf van gezonde familiedrukte". In dat nieuwe gezin zijn ze ook wel godvrezend, maar op een ongedwongen, verstandige manier.

Het lichtvoetige intermezzo duurt niet lang; algauw moet Edmund weer naar Londen. Daar lijkt het alsof er niets is veranderd. De straat is er zijn enige theater: uren brengt hij door tegen het raam geleund. Edmund wordt wél goede vrienden met zijn vader, in wiens studeerkamer hij vaak vertoeft, tussen de zeeanemonen en de zeesterren. Het leed heeft de kleine jongen hard gemaakt, naar eigen zeggen zelfs "onmenselijk". Hij mist kinderlijke spontaniteit. Een van zijn favoriete bezigheden is het lezen van willekeurige artikelen — 'Papegaaien', 'Parthen', 'Pasen' — in de Penny Cyclopaedia. Op zomeravonden slaagt hij er gelukkig in om zijn vader even het huis uit te sleuren, om te wandelen en samen religieuze liederen te zingen. De schoonheid van de taal van de bijbel wordt zijn eerste inwijding in de magie van de literatuur. Edmund blijft een dogmatisch-religieuze opvoeding krijgen. Zijn vader ziet de waarde niet van wat zijn zoon ‘negatieve educatie’ noemt in zijn boek, "dat wil zeggen de natuur de leemten te laten vullen op latere, rijpere leeftijd". Ene Miss Marks is intussen de hulp in huis geworden: een Dickensiaans personage van midden in de veertig, een rechtschapen vrouw, niet intelligent of elegant, maar bekwaam om haar taak op zich te nemen. Edmund aanvaard haar gezelschap, maar onderwerpt zich niet aan haar wil.

Een nieuwe mijlpaal in het leven van Edmund Gosse is de beslissing van zijn vader om een huis te kopen in Zuid-Devon, aan de kust van Devonshire. Edmund is plotseling stadskind af en dat zal belangrijke gevolgen hebben: de zee wordt "de rivaal voor zijn vaders dogmatische ideologie". Edmund geeft zich over aan de natuur. De Engelse kuststreek is een gebied van woeste schoonheid, en later zal de volwassenen Edmund zich ergeren dat de biotoop van zijn jeugd "tam en voos werd gemaakt" door al te zorgzame gemeentes.

De periode 1856-1857 is er een van koortstachtige wetenschappelijke activiteit, met figuur als Lyell, Hooker, Wallace, Asa Gray, Agassiz en natuurlijk Charles Darwin, die mede op aandringen van Lyell zijn splijtende hoofdwerk The origin of species op papier zet. Maar na de publicatie daarvan zitten de reactionairen ook niet stil. In een poging de almacht van God te vrijwaren, verschijnt Vestiges of creation, in de woorden van Edmund Gosse "een fopspeen voor degenen die de strekking van de bewijzen niet konden ontkennen, maar die toch nog vasthielden aan de Openbaring."

In deze periode van intellectuele beroering, vertelt Gosse verder, "net als bij het beramen van een grote politieke revolutie", worden mogelijke aanhangers van Darwin gepolst en aangemoedigd hun voorkeur discreet kenbaar te maken. Ook zijn vader wordt benaderd, door Hooker en later door Darwin zelf. Philip Gosse verwelkomt aanvankelijk de nieuwe inzichten, maar verwerpt ze weer wanneer hij zich het eerste hoofdstuk van Genesis herinnert. Hij houdt vast aan de onveranderlijkheid van de soorten. Voor zo’n scherpe geest, schrijft Edmund, "logisch, strikt, zonder ruimdenkendheid en fantasie," was het een kwelling om op zo’n obstakel te stuiten.

Vader Gosse mist de boot volledig. In die tijd (wanneer hij en zijn zoon Londen verlaten) komt er immers ook een einde aan de omgang met de geleerden uit het British Museum en de Royal Society. Op het vlak van de geologie komt hij na ampel beraad met een eigen theorie, in de Omphalos, waarvan hij hoopte dat die Lyell (die de trage, geleidelijke verandering van de aardkorst had blootgelegd; zonder deze visie had Darwin nooit de evolutietheorie kunnen ontwikkelen) de wind uit de zeilen zou nemen. De aarde, houdt Philip Gosse vol, had bij de scheppingsdaad door God al meteen het huidige uiterlijk aangenomen. Dat kon ook best, bij zo’n plotse scheppingsdaad. De geologie leek weliswaar, maar de bijbel, Gods woord, was waar.

De reacties op zijn boek zijn echter alleen maar smalend. Bijval van de kerken komt er niet. Darwin zwijgt. Dat wat eigenlijk bedoeld was als een verzoeningspoging weggelachen wordt, is een formidabele teleurstelling. (Voor wie de weinig triomfantelijke dichterscarrière van de Edmund Gosse kent, weet dat hij het verslag van de intellectuele afwijzing van zijn vader zeker niet emotieloos heeft kunnen opschrijven.) Het wordt "een sombere winter voor de vrouwloze man en de moederloze jongen". Zijn vader wordt afwisselend boos op God, of krijgt wroeging, alsof dit debâcle een straf is voor een van zijn zonden. Hij wordt zeer zwijgzaam tijdens wandelingen met zijn zoon. Maar na een poos herwint hij toch zijn levenskracht en werklust. Hij komt met zijn zoon in Barton, Devon, wonen, waar hij zijn oude liefde terug oppakt: het beschrijven van zeedieren aan de kust. Eind 1859 is zijn belangrijkste werk History of the British sea-anemones and corals persklaar. (Edmund zelf wijdt prachtige, lyrische bladzijden aan beschrijvingen van de kustlijn van Devonshire en Cornwall, zie p. 109 e.v.).

Vader Gosse neemt bovendien de leiding over de locale geloofsgemeenschap en het plaatselijke bedehuis. Edmund richt in Vader en zoon middels zijn portretten een klein monument op voor de 'broeders' en 'zusters' in deze uithoek van Devonshire, waar "veel bewaard was gebleven van de sfeer van de achttiende eeuw, die de ouderen zich nog goed herinnerden". Edmund vindt ook een nieuwe bondgenoot in de persoon van Mary Grace Burmington, een krap dertig jaar oude vriendin van Miss Marks, die zijn vader helpt met het pastoraal werk. De religieuze ernst echter blijft: een centrale anekdote uit deze periode is die keer dat Edmund het uitschreeuwt bij het zien van een kever in zijn bed, op het moment dat zijn vader in "johnsoniaans Engels" aan het bed van zijn zoon zit te bidden. Een normale vader had dit voorval zonder veel erg laten passeren.
Maar hij [Philip Henry Gosse] had het idee opgevat, en dat niet meer losgelaten, dat ik een âme d’élite was, een wezen dat de mysteries van de verlossing door goddelijke openbaring kende en had aanvaard. In zijn vooringenomen fantasie had de Heilige Geest in mij al een waarlijk en duurzaam werk verricht. Daarom was ik in de schoot der kerk, had ik die innerlijke staat bereikt die, zoals wij plachten te zeggen, de Schapen van de Bokken scheidde.
Rond deze tijd komt in het huishouden ook de kwestie van Edmunds scholing aan de orde. De jonge Gosse is inmiddels ingewijd in exacte vakken als zoölogie, botanie en astronomie ("met uitzondering van geologie, die volgens mijn vader direct aanzette tot geloofsafval"!) Hij is evenwel nog niet onderlegd in geschiedenis, wiskunde of talen, en ook Miss Marks is niet in staat hem dat bij te brengen. Zijn vader heeft dan wel tijd te kort, maar besluit toch zelf in de educatie van zijn zoon te voorzien. Hij leert hem beetjes Latijn, die zijn eigen herinneringen aan de klassieken bovenbrengen. Aan Vergilius welteverstaan, tegen wie de christelijke kerk geen bezwaar heeft, in tegenstelling tot Horatius, Lucretius, Terentius, Catullus en Juvenalis. En kijk: ook Edmunds prosodische gevoel wordt gewerkt door de verzen van Vergilius, wat hij ervaart als een klein mirakel.

Rond zijn tiende legt Edmund meer en meer intellectuele activiteit aan de dag. Daarbij imiteert hij zijn vader — "de obsessie met de zogenaamde ‘originaliteit’ is in deze tijd zo extreem dat zelfs kinderen pas veelbelovend heten als ze onzinnige, nog nooit vertoonde dingen doen" — en stelt kleine monografieën samenstellen over zeewezens. In een achterafkamertje richt hij een studeerruimte. Zijn vader vertrouwt het zaakje niet helemaal en valt soms onverwachts binnen — om zijn zoon altijd gebogen over de tafel aan treffen, "met mijn pen en inkt of anders mijn aquarelleerdoos en bekerglas troebel water bij de hand, zwoegend als een Chinese student, opgesloten in zijn examenkamertje". De vergaarde kennis mag dan wel geen zoöloog van Edmund maken, het leert hem wel zijn aandacht te concentreren en goed te kijken.


Edmund Gosse, John Singer Sargent, olie op doek (1886); via Wikimedia Commons

Vóór de puberteit en de vleselijke liefde hem te pakken krijgen, wil vader Gosse zijn zoon, nog steeds een jongetje van tien, laten opnemen in de religieuze Broedergemeenschap van het dorp, als volwassene. Dat gebeurt zeer tegen de zin van die gemeenschap, maar de openbare doop — door een massa volk bijgewoond, want zeer uitzonderlijk — gaat toch door. Edmund zal het als de belangrijkste gebeurtenis van zijn gehele jeugd zien. "Het voornaamste verschil tussen mijn lot als avondmaalganger en dat van iemand die alleen maar woont in de tenten der rechtschapenen, was dat van mij werd verwacht dat ik onmiddellijk geestdriftig gehoor gaf aan iedere roep van het geweten. Deed ik dat niet, dan was ik haast nog slechter af dan tevoren, omdat er een grotere verantwoordelijkheid op mij rustte." Zijn eerdervermelde imitatiedrang doet hem probleemloos de taal van godvruchtige boeken en vrome kreten van volwassenen herhalen. In een beroemd incident (door Peter Carey gebruikt in Oscar en Lucinda) moet hij een stuk plumpudding op de mesthoop gooien, omdat zijn vader het beschouwt als afgodische zoeternij.

Onder het mom van gehoorzaamheid probeert Edmund toch zijn individualiteit te bewaren (zie p. 156), en soms wordt hij daarbij geholpen uit onverwachte hoek. Op een dag krijgt hij bijvoorbeeld alsnog zijn eerste fictiewerk van vader cadeau, hetgeen zijn moeder altijd verboden had. Het boek heet Tom Cringle’s log en bevredigt niet alleen Edmunds nieuwsgierigheid naar de Antillen, maar verandert ook zijn kijk op het leven: de lange avonturen, gevechten en ontsnappingen houden de belofte in dat ook hij ooit zal ontsnappen aan het benepen leven thuis. In dezelfde periode wordt hij gestuurd naar een school voor de zonen van de burgerij. Daar zou hij eigenlijk de ongelovige jongens moeten bekeren, maar hij laat dat na. Hij ontmoet er een oude heer, "gekleed als dissenterse dominee": de toneelschrijver James Sheridan Knowles. Uit zijn mond hoort hij voor het eerst de naam Shakespeare.

Zijn vader heeft intussen een nieuwe liefde leren kennen, Eliza Brightwen, waarvan hij beschaamd moet toegeven dat ze tot nu toe is opgevoed "in de zogenaamde Kerk van Engeland". In een mooie passage in het boek lijken de rollen eventjes omgedraaid, wanneer Edmund zijn vader als een mentor toespreekt over de risico’s van een verhouding met een religieuze buitenstaander. Maar zijn stiefmoeder zal een ingoede vrouw blijken, die hem uitstekend verzorgt. Ze brengt zijn slaapkamer op orde, en geeft ‘m luxueuzere kleren. Ook zijn vader wordt door het huwelijk wat zachtmoediger, wat toegeeflijker. Edmund mag zelfs omgang hebben met ongelovige vriendjes. Hij leest de poëzie van Walter Scott en de romans van Dickens.

De verbreding van zijn belangstelling baart zijn vader geen zorgen, als hij maar gehoorzaam lijkt. Philip Gosse komt na zijn intellectuele neergang nog nauwelijks achter de microscoop vandaan, ondanks pogingen van zijn nieuwe echtgenote om hem lezingen te doen houden en te laten polemiseren met vakgenoten. Na vergeefse pogingen richt ze zich dan maar op haar zoon, die ze laat kennis maken met enkele geïllustreerde boeken uit haar vorige huis, waaronder een luxueus geschenkboek met staalgravures van Griekse beelden. Edmund besluit alles over de Griekse goden en hun beelden te verzamelen wat hij maar kan vinden: "Wij bewoners op afgelegen plaatsen hadden niet de mogelijkheid ons een voorstelling te maken van het uiterlijk van onbekende personen, plekken of dingen." Via zijn nieuwe moeder ontdekt Edmund ook de romantici (Burns, Byron) en de artistieke theologen van de achttiende eeuw (Young, Blair, Beilby Porteus en Samuel Boyse). Edmund heeft het makkelijk om zijn subversiviteit aan het zicht van de geloofsgenoten van het dorp te onttrekken.
De ‘heiligen’ waren in de regel erg gemakkelijk te doorgronden, hun emoties lagen aan de oppervlakte. Als ze opgewekt waren, was dat omdat er geen last op hun geweten drukte; als ze neerslachtig waren, was dat gegarandeerd een symptoom van gewetensnood, en als ze onverschillig en koud waren, hadden ze ongetwijfeld hun geloof verloren en een afkeer van vroomheid gekregen. Het was bijna een mechanische kwestie bij deze simpele zielen. Maar hoewel veel jonger, was ik complexer en geraffineerder dan de boerse ‘heiligen’. Mijn vader, geen subtiel psycholoog, paste op mij de formules toe die hem goede diensten bewezen in de kerk, maar in mijn geval was dat geen onverdeeld succes.
Op de kostschool raakt Edmund van zijn leeftijdgenoten afgezonderd. Hij is eenzaam, maar, schrijft Gosse in zijn boek, dat heeft geen invloed gehad in zijn latere leven. Als volwassenen vertoeft hij graag onder de mensen. Het aloude spreekwoord dat ‘het kind de vader van de man is’ gaat in zijn geval niet op. Op school is hij een middelmatige leerling, die slechts één keer losbreekt, wanneer hij de oude schoolmeester opsluit in een kelderruimte. Voor de rest bezit Gosse de juiste gelijkmoedige mentaliteit om lessen te volgen. De liefde voor Shakespeare krijgt steviger vorm, hoewel deze door gelovigen een ‘verloren ziel in de hel’ wordt genoemd, daar ze niet weten "of de bard voor zijn dood de verzoening door het kruis van Christus in eenvoudig geloof heeft aanvaard".

De kostschool is niet zo strikt religieus als het gezin Gosse, hoewel Edmunds vader in die illusie verkeert. Tijdens de lessen wordt er voorgelezen uit de bijbel, maar de teksten zijn geen voorwerp voor exegese. Stilaan lukt het Edmund niet meer zich tot God te richten met dezelfde geestdrift als zijn vader bad ("je zou kunnen zeggen dat hij de burchten van Gods genade bestormde"). Vader Gosse, van zijn kant, beseft dat zijn zoon niet het juiste temperament beschikt voor een streng godsdienstig leven, maar hoopt alsnog dat deze jeugdige "oneffenheden" zullen verdwijnen bij het uitgroeien. Zijn geloof kan bergen verzetten, het zou vast sterk genoeg zijn om zijn zoon in het juiste gareel te laten lopen!

Het loopt anders. Edmund Gosse vertrekt naar Londen om er op kamers te wonen. Hij wil maar dolgraag de benauwde Devonse kring verlaten, maar heeft grote moeite om zichzelf ervan te overtuigen dat hij zo ver van huis gelukkig kan worden: "En opnieuw vergeleek ik mijn lot met dat van de gespikkelde heremietkreeften die rondkropen in mijn vaders aquarium, grote spiraalvormige schelpen met zich meetrekkend. Als ze per ongeluk hun wulkwoningen kwijtraakten, sleepten ze een bleek, zacht lijf voort op zoek naar een ander huis, zichtbaar ongelukkig en ten prooi aan allerlei jammerlijke ongelukken." Maar Londen blijkt een bevrijding. Hij tikt er eindelijk het verzameld werk van Shakespeare op de kop, maakt kennis met Keats, Shelley, Wordsworth. Die literaire ontdekkingen brengen hem zeker niet meteen van zijn geloof af. Het ene moment is hij devoot en bidt hij met meer gloed omdat hij stilaan de portee van de teksten begrijpt, het andere moment wordt hij overweldigd door het verlangen naar zintuiglijke indrukken. "In mijn verhitte en dwaze hoofd heersten Jezus en Pan tegelijk".

Op de dag echter dat hij op een theatrale manier Jezus aanroept en zich bereid verklaart opgenomen te worden in het paradijs, hier en nu, en er uiteindelijk niets gebeurt, slaat de mystieke kracht die hij aan poëzie toekent aan duigen. Edmund bestudeert de Schrift nu uit zichzelf, en begint oog te krijgen voor de bekrompenheid van het systeem van zijn vader, die zelfs vindt dat een wilde inboorling op Fiji meer kans op verlossing heeft dan een kardinaal in het Vaticaan. Gosse stelt vast dat er een medemenselijkere invulling van het geloof bestaat dan de dorre, metafysische variant van zijn vader.
In de huidige tijd is de revolutie die een einde maakte aan het puritanisme, waarvan hij misschien de laatste exponent was, zo allesomvattend dat alle klassen van gelovigen zich eensgezind richten op liefdadigheid, de objectieve houding. De verandering is zo buitengewoon verregaand dat een religie waarin het subjectieve geloof niet gepaard gaat met zware inspanningen ten behoeve van anderen, tegenwoordig nauwelijks kan bogen op religieuze principes die het verkondigen waard zijn.
Deze propaganda voor goede werken, deze permanente aandacht voor de morele en lichamelijke ontwikkeling van achtergestelde mensen, is pas sinds kort een grondbeginsel in de godsdienst, hoewel het wel degelijk deel moet hebben uitgemaakt van het oorspronkelijke verlossingsplan. Het was onbekend bij de grote predikers van de zeventiende eeuw, katholiek of protestant, en voor mijn vader, de laatste van hun discipelen, had het slechts een vage aantrekkingskracht. (…) Mijn vader concentreerde zich dus, als een oude godgeleerde, op de intellectuele kant van het geloof.
Dagelijks stuurt Philip Gosse bezorgde, vermanende brieven naar Londen die hij even punctueel beantwoord wil zien. Hij vertrouwt zijn zoon niet, vooral niet religieus — "Vertel me meer over je innerlijke licht. Schijnt het licht des Heren op je ziel?" — en dat bezwaart Edmund. Toch helpt het strakke epistolaire regime allerminst. Een exemplaar van het Griekse Nieuwe Testament kan Edmund steeds minder bekoren in vergelijking met Carlyle of Ruskin, die hij op die leeftijd, een jongvolwassene, begint te verkennen. En dat terwijl de verzadiging van bijbelteksten zijn vader nooit heeft overvallen! Uiteindelijk nemen de kruisverhoren per brief af, al wordt hij thuis nog steeds onderworpen aan vaders debatteerlust en argumenatie — zijn vader is blij dat hij nog eens kan uitpakken met preken die geen invloed hebben bij de boeren in het dorp, ‘dat intellectuele Abdera’.

Later, wanneer Edmund Gosse, de toneelstukken van Ibsen leert kennen, zal hij daarin de schijnheiligheid en de sociale ongemakken van het gezinsleven herkennen die zijn jeugd zo bedrukten.
Laat ik ronduit zeggen. Na mijn lange ervaring, na mijn geduld en berusting, mag ik mij zeker uitspreken tegen de onwaarheid (ik wilde dat ik er een ander woord voor had!) dat het evangelische geloof, of enig ander extreem geloof, een heilzame, waardevolle of wenselijke invloed op het menselijke leven heeft. Het drijft zielen uiteen. Het stelt een ijdel, illusoir ideaal, waarbij alle tedere, lankmoedige gevoelens, alle levenslust, alle verfijnde genietingen en milde geneugten van het lichaam, al wat de ziel verruimt en vertroost, plaats moet maken voor wat hard, leeg en negatief is. Het bevordert een starre en domme sfeer van afkeuring, verminkt het gezonde mechanisme van het geweten volledig, creëert deugden die onvruchtbaar en wreed zijn, creëert zonden die helemaal geen zonden zijn maar de hemel van onschuldig plezier verduisteren met nutteloze wolken van wroeging. Als we eerlijk zijn, zit er iets gruwelijks in het fanatisme dat dit ellendige en vluchtige bestaan van ons alleen maar kan beschouwen als de ongerieflijke wachtkamer van een paleis dat niemand ooit heeft verkend en waarvan we de plattegrond helemaal niet kennen. Mijn vader geloofde, het moet gezegd, dat hij de vorm en inrichting van deze woning door en door kende, en hij wilde dat ik slechts dacht aan de voordelen van een eeuwig verblijf aldaar.
Vader en zoon eindigt met een ontroerende afscheidsbrief van een vader die moet vaststellen dat hij en zijn zoon niet langer punten van overeenkomst hebben. Er is zelfs geen compromis meer mogelijk. Edmund besluit voor eens en voor altijd het juk van zijn jeugd af te werpen en "zo eerbiedig mogelijk, zonder vertoon of misbaar", het recht op te eisen "om zijn innerlijke leven zelf gestalte te geven".

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Edmund Gosse, Vader en zoon : een studie van twee temperamenten
271 p.
Uitgeverij Veen, 1993
Oorspr. Father and son : a study of two temperaments (1907)
Vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails