Majoor Aebi's overgave - Gianluigi Melega
Het is perfect mogelijk je dood te ergeren aan een prima geschreven boek. Het overkomt me meestal wanneer de auteur — niet zelden een auteur van zogeheten ideeënromans — het zichzelf erg gerieflijk heeft gemaakt. Majoor Aebi's overgave draait rond de seksuele uitspattingen van de hoofdpersoon, en de wijsgerige implicaties daarvan. Maar die uitspattingen zijn alleen maar mogelijk omdat majoor Aebi's bedpartners weinig meer zijn dan lappenpoppen.
Eerst creëert Gianluigi Melega een, nou ja, geen bordkartonnen figuur, maar laten we zeggen een vent van vezelplaat. Te weten: een rijke stinkerd in een midlifecrisis. Vervolgens laat hij elke vrouw nodeloos in katzwijm vallen voor deze man. Belanden ze daarna in bed, dan is dat meteen het signaal om copieuze seksscènes te gaan filmen, voorzien van potsierlijk rationaliserende ondertitels à la française.
Het verhaal? Is dun. Matthias Aebi is een gepensioneerde legerofficier uit Locarno. Zijn vrouw, enig kind van een supermarkttycoon, is op drieënvijftigjarige leeftijd overleden. Het koppel was altijd al vermogend geweest, en nu erft de majoor in zijn eentje het fortuin van zijn vrouw.
Het was een doodgewoon duo, vroeger, de majoor en zijn vrouw, een duo dat prat ging op goede smaak, duur ging dineren en regelmatig klassieke muziekconcerten bijwoonde (alsof hier bij voorbaat wordt gerefereerd aan het type nazibeul dat na de kantooruren ook kon genieten van een snuifje Schubert op zijn tijd). Keurig, keurig. Melega heeft er niet toevallig een stel Zwitsers van gemaakt.
Geen samenleving is zo egoïstisch georiënteerd als de burgerlijke maatschappij die men doorgaans aanduidt als de ‘westerse’. En daarbinnen lijkt de Zwitserse maatschappij, met haar uitgesproken positieve en negatieve kanten, de kwintessens te zijn van diverse nationale varianten van de burgerlijke maatschappij. De materiële welstand van het grootste deel van de bevolking doet dat wat in wezen een hardnekkig verdedigen is van de privileges van een kleine groep ten opzichte van de rest van de wereld voorkomen als democratische vrijheden.Van seksuele prikkelingen heeft de majoor in de regel geen last; Verbena lijkt immers meer op een gezelschapsdame dan op een echtgenote. Maar dan, bijna even laconiek als ik het hier samenvat, wordt het stel opgegeild door een welgevormde serveerster, in een Weens restaurant.
Die ervaring blijft serieus nazinderen bij majoor Aebi. Na de dood van de vrouw gaat hij de serveerster, Trudi heet ze, opzoeken en biedt haar het dure tasje van zijn vrouw aan dat de eerste keer duidelijk haar aandacht had getrokken. Hij wendt voor dat hij het ding aan haar móet geven — opdracht van zijn overleden vrouw. En er is meer. De majoor komt met geld op de proppen.
Ze [Verbena] liet me beloven dat ik u die tienduizend schilling zou aanbieden opdat u, Trudi, met mij naar bed zou gaan (…).Dan is eigenlijk al te zien wat voor kitch de Italiaanse schrijver Melega zal gaan bedrijven. De beschrijving van de seksscène is even verlekkerd als het toenaderingsproces tussen het tweetal kort en ongeloofwaardig is.
Trudi, en alle vrouwen die in de rest van het boek worden afgewerkt, stellen zich zonder opgaaf van reden volledig ten dienste van de majoor, accepteren alle vormen van geslachtsgemeenschap die hij van hen verlangt, alsof hun lichaam hen niet meer toebehoort. Slavinnen zijn het.
Want terug in Locarno wil de majoor al snel jacht maken op nieuwe verboden avonturen in sexualibus. Hij heeft zich gerealiseerd dat hij als vermogend man zo'n geneugten in vele andere en verschillende omstandigheden kan proeven. En wat is een mens die niets wenst dat hij niet heeft? Wat heeft het leven voor zin als je iedere volgende dag niet beschouwt als een gelegenheid om iets nieuws, leuks, interessants te doen?
Hij voelde zich als een ontdekkingsreiziger tegenover de afbeelding van een net in kaart gebracht continent waarop de woorden ‘Hic sunt leones’ prijkten.Eerst gaat mevrouw Grunwald voor de bijl, een gescheiden vrouw van rond de vijfendertig die na de dood van Verbena de leiding van de supermarkt mag overnemen. Dit "schoolvoorbeeld van de onberispelijke ambtenaar" wordt door de majoor seksueel geknecht door gewoon op haar in te praten, recht in de ogen te kijken, op precieze plekken aan te raken en te verklaren dat het leven o zo opwindend is als je ongebonden bent.
Stilaan beseft hij dat het bijbehorende gevoel van macht hem geil maakt — te zien hoe hij de waardige houding van vrouwen kan ondermijnen, het neerhalen van de gangbare fatsoensnormen.
Wat hem opwond, hem als het ware een permanente mentale erectie bezorgde, voor hem een voorwaarde om lichamelijk tot een orgasme te komen, was de, overigens juiste, indruk dat mevrouw Grunwald iedere keer dat ze door hem werd aangezet tot een nieuw seksueel spel, de roes van het verbodene voelde: iets wat niet door de wet verboden was, maar door het geheel van gewoontes, opvoeding, vooroordelen, schijnheiligheden, spreekwoorden, gezegden, gemeenplaatsen, kortom, dat wat de essentie van het burgerlijke gedachtegoed vormt.Een volgende stap, en al even opwindend, is het liefdesspel bedrijven in het zicht van toevallige passanten. Een studente, bijvoorbeeld. Dit exhibitionisme doet de majoor twijfelen aan zijn vroegere overtuiging een normale, heteroseksuele bourgeois te zijn.
Terwijl hij vanachter zijn donkere glazen heimelijk naar haar keek en deed alsof hij zich in volstrekte afzondering met mevrouw Grunwald bevond, laafde majoor Aebi zich aan de lange, ononderbroken siddering van pervers genot die de aanblik van de steeds veranderende uitdrukkingen op het gezicht van het meisje hem bezorgde. Hij herhaalde daarbij in zichzelf dat hij het was, hij met zijn gedurfde en abjecte gedrag die ze veroorzaakte.Met de intrede van de Zweedse actrice Gerda Svensen ("die in bijna alle films van Bergman speelde", jaja) is het hek helemaal van de dam. Deze libertijnse stoot, een ontwikkelde vrouw met een kosmopolitische instelling, is nog zo ongerept dat ze niet al haar gedragingen wil goedpraten, en handelt zoveel mogelijk op het instinct. Eerst wordt ze de sparringpartner van mevrouw Grunwald, om aan Aebi’s lesbische fantasieën te voldoen. Al snel volgt een triootje: "Voor de serveerster lijkt het een vorm van maatschappelijke positie verbeteren dat ze op gelijke voet omging met een beroemd actrice en een directeur".
Na de verbazing het ongeloof, daarna de nieuwsgierigheid, daarna het voyeurisme, daarna de ironie, daarna het zich schikken in de ongewone passieve rol, daarna een glimlach van medeplichtigheid, daarna een glimlach van toegeeflijkheid, daarna de gedachte op een dag ook zoiets te kunnen doen…
‘Ik heb haar gecorrumpeerd! Ook haar heb ik gecorrumpeerd,’ dacht de majoor in een opwelling van egotisme en genot, en hij had een intense ejaculatie.
De seksuele excessen van de majoor gaan van kwaad naar erger. Op het laatst wordt hij gefascineerd door het idee om tegen betaling een plaats te krijgen in de erotische jeugdherinneringen van de een of andere toekomstige mooie vrouw: "haar niet zozeer fysiek ontmaagden als wel inwijden, om voor altijd een plaats te krijgen in haar verbeeldingswereld". (Wanneer Melega later meldt dat het geld van Aebi na zijn overleden naar Unicef gaat, valt het de lezer moeilijk een grijns te onderdrukken.)
Het konijntje en de luipaardvrouw
Helemaal duidelijk is het niet, waarvoor de majoor uiteindelijk wordt veroordeeld. Zijn het de schaamteloze orgieën in het openbaar, met als climax de dertienjarige jongen die de majoor heeft laten aftrekken door zijn driekoppige harem, of speelt er nog iets anders?
Dat de majoor achter de tralies beland is zelf geen verrassing. Omdat Melega bij het begin duidelijk een raamvertelling voorop zet, weten we al lang dat de roman die we aan het lezen zijn eigenlijk het boek is dat majoor Aebi tijdens zijn jarenlange opsluiting heeft geschreven.
Althans: voor een deel. Het manuscript werd persklaar gemaakt door de ik-persoon, een journalist die de majoor kort voor zijn dood heeft ontmoet. De introductie van die journalist heeft Melega natuurlijk de kans te reflecteren over de zin en onzin van het publiceren, en de redenen waarom iemand schrijft. Op die manier kan hij ook de twijfel aangeven die de majoor zelf bekroop bij het schrijven.
Was zijn drang om te schrijven gelegen in het zoeken naar een vervlogen geluk? Of was het een poging te laten zien dat het geluk binnen bereik lag van iedereen die bereid was alle sociale conventies, collectief en individueel, op het spel te zetten?
Bij monde van de gevangenisdirecteur David Muggia, weer een nieuw personage, waarmee de majoor diagnostische praatsessies houdt, kan Melega nóg verder in de ziel van de gedetineerde kijken.
In zijn boek, zo blijkt, wou de majoor in ieder geval duidelijk maken wat de juryleden destijds niet hebben willen begrijpen: de noodzaak van zijn perversiteiten. Ze vormden na de dood van zijn vrouw zijn enige bestaansgrond. Hij houdt vol dat hij als mens door zijn seksuele vergrijpen beter werd, maar dat hij dat de rechter en zijn medeburgers niet aan hun verstand heeft kunnen brengen. Hij acht zijn ‘misdaden’ minder erg dan die van ex-presidenten. Hij spiegelt zich aan de hoofdpersoon uit Maugham’s The moon and sixpence en stelt vast
dat hij zich niet schuldig maakte aan dat cynisme, aan die soort onverantwoordelijkheid, aan dat egoïsme dat die ander ten slotte vergeven werd vanwege de verdiensten van zijn werken.De vergrijpen, aldus de majoor, waren zijn manier om te ontsnappen aan een maatschappij waarin hij alles had of kon hebben. Wat moet een man met veel geld anders, om zich op Aebi's leeftijd nog vitaal te voelen? In zijn huis te Locarno hing ooit een doek van Léonor Fini met daarop hijzelf uitgebeeld als konijntje, in de klauwen van een luipaardvrouw met verdacht veel trekken aan Verbena. De metaforiek is duidelijk: de erotomane escapes vormden een ontsnappingsroute uit Aebi's beknelde burgerlijke bestaan.
In een vlaag van zelfrechtvaardiging vroeg de majoor zich af: heb ik misschien mijn vrouw verlaten, heb ik iemand verdriet aangedaan, heb ik niet gezorgd voor hoogstaand genot, ben ik in het genieten daarvan te egoïstisch geweest, was ik niet scheutig met geld waardoor ik mijn medeplichtigen weer andere genoegens heb vergund?
Doctor Muggia, van zijn kant, acht de roman van majoor Aebi een misdrijf an sich. Niet vanwege de pornografische scènes, maar vanwege het schrijven zelf — "het schrijven met de bedoeling de morele normen van de maatschappij waar hij deel van uitmaakte en die hem had veroordeeld, te ondermijnen". In het antieke Griekenland had de majoor vast de gifbeker gekregen.
Het steekspel tussen Muggia en de majoor doet onvermijdelijk denken aan het model waar elke Italiaanse schrijver zich tegenover moet bepalen, de confrontatie tussen Cosini en dokter S. in Svevo's Bekentenissen van Zeno.
Wat waren de voorkeuren van doctor Muggia, vroeg de majoor zich af, en als een expert in contraspionage die een weinig spraakzame gevangengenomen agent van de tegenpartij op geraffineerde wijze ondervraagt om hem de gegevens te ontfutselen die hem kunnen ontmaskeren, bedacht de majoor geheel fictieve anekdotes over zijn ‘toenemende overtredingen’, alleen maar om erachter te komen wat de seksuele achilleshiel van de gevangenisdirecteur was, om hem zo te laten begrijpen dat de verschillen tussen hen beiden niet zo scherp waren.Blijft over: onze journalist. Hij is zoals gezegd de al te schelle spreekbuis van Melega, die hem laat worstelen met de vraag waarom mensen schrijven. Heeft de majoor zijn boek echt geschreven omdat hij ziek was? Heeft het hem genezen? Zal het boek niet vooral om oneigenlijke redenen worden gekocht? Uit nieuwsgierigheid en sensatiezucht?
Hij blijft twijfelen. Met de publicatie zou hij de majoor de facto een tweede proces aandoen. En hij "zou daarbij de rechter zijn die vervolgens de tekst opstelde van een nieuwe uitspraak". Moet hij daarom afzien van publicatie, of het manuscript juist toch uitgeven, omdat de majoor al bij al een goede, klassieke verteller is?
De journalist neemt zich voor de roman vergezeld te doen gaan van een voorwoord dat, naast auteursrechten en inkomsten genereren, een antwoord zal formuleren op alle bovenstaande vragen — op de vraag: wat is de zin van literatuur?
De aantekeningen voor dat voorwoord blijven echter steken in aanzetjes. Wat de journalist en tekstklaarmaker wil zeggen, blijft steeds onscherp. De betekenis van de roman van majoor Aebi is niet zomaar voor één gat te vangen. Het boek herlezend moet de journalist bijvoorbeeld erkennen dat hij enkele erotische voorkeuren van de majoor deelt. Misschien wil hij het boek wel uitgeven omdat de publicatie hem zelf verlichting kan schenken.
Dan loopt het boek op zijn einde, en krijg je de indruk dat Melega in zijn eigen dialectiek is verstrikt geraakt, getuige de zeer plotse loutering die de journalist overvalt vanaf pagina 167. De oplossing van het raadsel schiet 'm zowaar te binnen op de trein naar Wenen, te midden van het stille en ordelijke Oostenrijkse landschap.
Kalenderwijsheden, maar pittiger verwoord.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Gianluigi Melega, Majoor Aebi's overgave
187 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1999
Oorspr. Il maggiore Aebi (1996)
Vertaald door Edwin Krijgsman

0 reactie(s):
Een reactie plaatsen