maandag 24 mei 2010

Londen denkt - Patrick van IJzendoorn

Ik heb al eerder mijn voorliefde uitgedrukt voor de Angelsaksische empirische en pragmatische traditie, as opposed to de continentale — zeg maar Franse of Duitse denktrant. Dit is een levenshouding die de ervaring boven de theorie stelt en de waarde van een idee alleen laat afhangen van het nut en een gunstige uitwerking van dat idee in de praktijk. Ik hoopte van Londen denkt dat het de aspecten en kernfiguren van die traditie op een rij zou zetten.

Patrick van IJzendoorn doet dat ook, in een prima geschreven en uiterst informatief boek. Londen denkt offreert een thematisch overzicht van de hot topics in en de boegbeelden van het publieke debat in Groot-Brittannië. Een stoeterij van filosofen, sociologen, schrijvers, dichters, historici, literatuurwetenschappers, politici, journalisten en schrijvers van ingezonden brieven trekt aan de lezer voorbij, door Van IJzendoorn zo geordend dat de namen de ideeën niet ondersneeuwen. Taalfilosofen laat de auteur buiten beschouwing, naar eigen zeggen omdat ze een te geringe bijdrage leveren aan het publieke debat.

Naast de politieke voorgeschiedenis van een aantal denkers die ik graag lees, leerde het boek me dat de klassenstrijd in Engeland niet zozeer een zaak is van de lagere klassen, maar van de liberale, stedelijke middenklasse, de liberals. Dit gevecht tussen de liberals in de stad en de conservatieven in de graafschappen komt ook tot uiting in het debat omtrent religie, waarbij eerstgenoemden de rol van atheïst op zich nemen. Nieuw voor me was ook het gegeven dat Frankrijk, godbetert, voor conservatieven steeds meer de allure krijgt van het beloofde land.

Hieronder een samenvatting, goeddeels gebruikmakend van zinnen uit het boek.

De ervaringsleer
Patrick van IJzendoorn begint met de vaststelling dat er geen Engelse variant bestaat op de Parijse caféfilosoof of de Weense koffiehuisintellectueel: cafés in Engeland zijn van oudsher "masculiene" bolwerken waar haastig werd gedronken, geen broeiplaatsen voor het marxisme, dadaïsme en surrealisme, of ideeën over een Verenigd Europa. De term ‘intellectueel’ bezit over het Kanaal voornamelijk een negatieve connotatie. Denk aan Orwell die intellectualisme gelijkstelde aan salonsocialistisch denken, en de geëuropeaniseerde intelligentsia verweet dat ze al hun energie stopten in het ondermijnen van de moraal van het volk. Of Scruton, die een intellectueel ziet als "de synthese tussen de Franse bohemien en een Russische nihilist": vijanden van de burgerlijke normaliteit en de gevestigde orde. De Engelsman is bescheiden en simpel, zegt veel met weinig woorden. Hij is sceptisch, praktisch, vindingrijk van karakter en meer geïnteresseerd in concrete details dan in ijdele speculatie. Theorieën komen pas aan de orde wanneer de feiten erom vragen. Waar de Duitsers zich afvragen wat iets in hemelsnaam betekent, schrijft van IJzendoorn, daar luidt de vraag van de Engelsen: ‘What on earth does that mean?’

De hele Britse filosofie zit vol figuren die de praktijk van alledag verkozen boven theoretisering. William Ockham (14de eeuw) stelde dat het zinloos was een ingewikkelde theorie op te stellen waar een eenvoudige volstaat. Francis Bacon (16de eeuw) was de vader van de experimentele filosofie. John Locke (17de eeuw) vond dat mensen hun verstand moesten gebruiken in plaats van uit te gaan van absolute waarheden a priori. David Hume (18de eeuw) waarschuwde om sceptisch te staan tegenover alles wat niet voortkomt uit de eigen zintuiglijke indrukken en Kant uit "zijn dogmatische sluier" haalde. De Ier Edmund Burke (18de eeuw) verkoos evolutie boven revolutie. Adam Smith (18de eeuw) was de promotor van de vrije markt. Jeremy Bentham (18de eeuw) stelde dat het geluk van de mens bestaat in het ondergaan van genot en vermijden van pijn. Een goede, dus 'nuttige', handeling vergroot genot terwijl een slechte handeling tot pijn leidt. John Stuart Mill (19de eeuw) en Bertrand Russell (20ste eeuw) maakten geen onderscheid tussen denken en doen. Taalfilosofen als Freddie Ayer (20ste eeuw) combineerden Humes empirisme met het logisch-positivisme van de Wiener Kreis.

Naast de geografische ligging acht van IJzendoorn dit gebrek aan fanatisme als hetgene dat het land heeft behoed voor communisme en fascisme.

In Orwells Nineteen eighty-four verdedigt hoofdpersoon Winston het Britse empirisme niet voor niets tegen het leger van Big Brother. De analytische wijsbegeerte bereikte haar hoogtepunt na de Tweede Wereldoorlog, toen men elk spoor van metafysica of utopisch denken probeerde uit te wissen. Londen was weliswaar zwaargehavend uit de oorlog gekomen, maar ging voor de rest op dezelfde voet verder. Parijs, daarentegen, was materieel gezien vrijwel onbeschadigd, maar geestelijk gebroken. De Britten hebben zich nooit hoeven te schamen voor collaboratie, zoals de Fransen, of zich schuldig te voelen, zoals de Duitsers. Terwijl in Frankrijk na de oorlog de existentiefilosofie bloeide en de kritisch-theoretici van de Frankfurter Schule in Duitsland worstelden met het recente verleden, verlangden de Britten ernaar dat de filosofie de dienstmeid van de wetenschap zou worden. Het optimistische idee leefde dat alle filosofische vragen binnen afzienbare tijd zouden worden opgelost door de nuchtere taalfilosofen met hun glasheldere denken. Het ontbreken van de noodzaak tot introspectie en het stellen van wezenlijke vragen verklaart mede het gebrek aan intellectuele duels op het eiland.
De nadruk op vrijheid is ook datgene wat de twee voornaamste politieke tradities in het land bijeenhoudt: het conservatisme (met nadruk op vrijheid van vereniging) en liberalisme (met nadruk op de vrijheid van het individu). Conservatieven wantrouwen de rede van het individu en de zogenaamde zegeningen van de Verlichting. Een denker als Roger Scruton wil terug naar de Romantiek en hekelt de ontluistering en rationalisering die de Verlichting heeft gebracht. De filosoof Michael Oakeshott definieerde een conservatief als volgt:
Conservatief zijn betekent dat men de voorkeur geeft aan het bekende boven het onbekende, aan het beproefde boven het onbeproefde, het feit boven het mysterie, dat wat voorhanden is boven het mogelijke, het beperkte boven het grenzeloze, het nabije boven dat wat in de verte ligt, dat wat volstaat boven het overvloedige, het geschikte boven het volmaakte, plezier op dit moment boven utopische gelukzaligheid.
Vanaf John Locke en David Hume, de kerkvaders van de Verlichting, tot aan het heden wordt het Britse denken beheerst door de ervaringsleer. En dat is een groot verschil met de eeuwige intellectuele rivaal van Engeland, Frankrijk. De Fransen nemen meer het denken zelf als uitgangspunt. Van IJzendoorn ruimt een heel hoofdstuk in om de strubbelingen tussen beide voormalige grootmachten in kaart te brengen. De Entente cordiale tussen de Fransen en Engelsen verbond de naties korte tijd in hun gezamenlijke streven om de Duitsers in bedwang te houden. De vorming van de Europese Unie dreef Engeland en Frankrijk uit elkaar: een vrije markt, terwijl de Fransen niet alleen een economische, maar ook een diplomatieke en strategische macht willen zijn.

Het is mooi om te zien hoe tegengestelden elkaar toch nodig hebben om zichzelf te kunnen definiëren. Binnen de Britse intellectuele cultuur is men van oudsher meer geïnteresseerd in mensen (met hun onvolkomenheden), dan in ideeën of vergezichten (denk aan de Engelse interesse voor smeuïige biografieën van grote mensen). Aan de andere kant oefent de Franse elegantie en savoir-vivre een aantrekkingskracht uit op schrijvers als Julian Barnes en filosofen als Theodore Dalrymple. Vanuit conservatieve hoek wordt zelfs met jaloezie naar de Franse buren gekeken, als betrof het een superieure beschaving waar respect is voor intelligentie, politieke debatten en culinaire genoegens mogelijk zijn, elegante vrouwen rondlopen, een frivole omgang met seks overheerst, een succesvolle opvoeding de regel is, goede nutsvoorzieningen zijn en kleinschalige burgerlijke ongehoorzaamheid de kers op de taart is.

Parijs en Londen zijn twee verschillende steden. Het Londen van nu doet denken aan het Parijs van de jaren twintig: kosmopolitisch en energiek. Parijs is meer en meer een openluchtmuseum aan het worden. Tot op vandaag leven arm en rijk in het chaotische Londen letterlijk naast elkaar; in het door planologen gecreëerde Parijs leven ze veel meer van elkaar gescheiden.

De multiculturele samenleving
Het Britse wantrouwen jegens abstracte constructies uit zich ook in de politiek, met name de EU. Blair en New Labour (geënt op het denken van Anthony Giddens, met de steun van Ralf Dahrendorf en Timothy Garton Ash) wilden dat hun land wat Europeser zou worden, en Europa wat Britser. Maar veel Britten “zien de EU als een uitwas van een metafysische overmoed waarbij pogingen worden ondernomen om een realiteit te plakken op een situatie die subjectief wordt opgevat: ‘what should be’ in plaats van ‘what is’. Sterker, voor de Britten is dit een cartesiaans project dat op gespannen voet staat met hun empirische inslag. Het is bovendien een project van politici en niet van de mensen zelf.” De EU is voornamelijk de dwingelandij van een stel Brusselse bureaucraten. Een denker als Boris Johnson verwijt de EU een erfgenaam van het Romeinse Rijk te willen zijn, alleen is de gezamenlijke beleving er niet. Het wantrouwen tegen de Europese Unie wordt nog eens vergroot doordat veel Britten deze zien als een manier van de Fransen om een Europa naar haar evenbeeld te scheppen, een Groot-Frankrijk, gefinancierd door de schuldbewuste Duitsers. Van IJzendoorn haalt een anekdote op:
Toen Gerhard Schröder, Jacques Chirac en Vladimir Poetin zich tijdens een onderonsje afvroegen wat de Britten, behalve de gekkenkoeienziekte, nu eigenlijk aan Europa hadden geschonken, vroeg een krant zich af wat Europa zoal te danken had aan Duitsland, Frankrijk en Rusland, om meteen het antwoord te geven: Hitler, Napoleon en Stalin.
Van oudsher heeft ook de band tussen Groot-Brittannië en de VS een volwaardig lidmaatschap van de EU in de weg gestaan. De Britse machtspositie werd in de eerste helft van de vorige eeuw overgenomen door de Verenigde Staten. Het gekrompen wereldrijk bleef zitten met een troostprijs in de vorm van het Gemenebest, en de relieken in het British Museum. Een goede band met de VS was meer dan opportuun, vond Groot-Brittannië, in tegenstelling tot Frankrijk dat zich, zeker vanaf De Gaulle, steeds heeft afgezet van de VS. Van IJzendoorn besteedt overigens ruime aandacht aan alle stromingen die voorstander waren van de Irak-oorlog, en de reden waarom.

Een heet hangijzer in de Britse politiek is, net als overal in Europa, het migratiedebat. In tegenstelling tot Nederland heeft de nadruk bij het immigratiedebat in het Verenigd Koninkrijk gelegen op de voordelen, met name de economische. Immigranten staan bekend als mensen die hard willen werken voor een relatief laag loon, iets waar veel autochtone Engelsen steeds minder zin in hebben. Zoals Galbraith zei: migratie is het oudste wapen tegen armoede. Immigranten hebben in Engeland het recht hun cultuur te behouden, in tegenstelling tot Frankrijk, waar het idee van burgersschap sterker speelt. Geen van beide beleidsstandpunten lijkt voor een oplossing te zorgen. Van IJzendoorn citeert de conservatieve journalist George Walden:
Behandel moslims als Fransen en je krijgt getto’s, werkloosheid en rellen. Behandel ze als Britse moslims met een recht op diversiteit en je krijgt getto’s, werkloosheid en bommen.
De consensus over de vrijheid van meningsuiting (m.a.w. dat het individu moet beschermd worden tegen de tirannie van de meerderheid) blijkt in de praktijk op gespannen voet te staan met de multiculturele droom. Aan conservatieve zijde leeft een dubbel gevoel. Veel moslims en andere Britten van buitenlandse komaf koesteren immers traditionele normen en waarden die overeenkomen met het morele kompas van de Britse conservatieven. Tegenover deze culturele affiniteit staat echter een geheel andere benadering waar het gaat om de staatsrechtelijke inrichting van de maatschappij: in de islam vallen kerk en staat samen. Waar de meeste immigranten uit India zich door de flexibele hindoeïstische levensfilosofie makkelijk konden aanpassen, daar hielden de pakistani en Bengalen vast aan de Koran.

Veel moslimjongeren uit de tweede of derde generatie voelen zich aangetrokken tot het wahabisme binnen de islam. Zij zijn geen producten van misère of onderdrukking, maar van de voortdrijvende ambities van de middenklasse. Van IJzendoorn bespreekt in zijn boek natuurlijk de incidenten die het migratiedebat hebben gestuurd: de rol van de zaak Rushdie, 11 september, en de bomaanslagen van 7 juli 2005.

Een John Gray beseft dat de multiculturele samenleving geen ideaal is maar een feit. Daarom moet men er het beste van maken. Er kan geen ideale liberale samenleving bestaan met universele principes in de geest van Locke, Kant of Rawls. Isaiah Berlin kwam met het concept modus vivendi, een pluralistische samenleving waarin niet wordt gestreefd naar het ‘ideaal’ van de consensus, maar waarin burgers met verschillende ideeën erin slagen om redelijk vreedzaam met elkaar te leven.

De Britse identiteit
Een heel hoofdstuk van Londen denkt is gewijd aan de identiteit van Groot-Brittannië. Hoe zien de Britten zichzelf, en vinden ze het belangrijk die identiteit uit te dragen? Patriottisme, schrijft Van IJzendoorn, is in Engeland, de eerste natiestaat in Europa, van oudsher een ingetogen fenomeen geweest. Hij maakt een onderscheid tussen Englishness (vervat in de witte vlag met het rode kruis) en Britishness (de Union Jack).

Englishness bereikte een piek onder Henry VIII, toen het gevoel leefde dat het anglicaanse land alleen stond tegen het paapse Europa. Het nationale bewustzijn kreeg niet zozeer vorm in vendelzwaaierij maar door te komen met het eerste parlement, het beste rechtssysteem enzovoort. Er heerste een innig gevoel van nationale solidariteit, gebaseerd op de rule of law, cultuur en veerkrachtige instituties. Door zwakke familiestructuren in vergelijking met de Ieren, Russen en Indiërs was het Engelse patriottisme individualistischer van aard.

Omdat Englishness meer draaide om waarden en niet om territoriale aanspraken ging Engeland ook redelijk vlot op in Groot-Brittannië. In de eerste helft van de achttiende eeuw waren er strubbelingen, maar al snel ontstond iets als Britishness. De eenwording werd gemakkelijkt door het feit dat Groot-Brittannië een eiland is, en de Unie plaatsvond in een gouden eeuw. Het succes van de Unie hield vooral verband met de vorming van het Britse Wereldrijk, een project waarbij de Schotten verhoudingsgewijs sterk vertegenwoordigd waren.

Na de teleurstelling in de naoorlogse jaren — het verlies van het wereldrijk en de zware industrie — zou er krampachtig worden vastgehouden aan de officiële term Britishness. Deze ging een praktisch doel dienen: het opnemen van immigranten uit de voormalige koloniën. Iemand kan immers gemakkelijk een Britse Pakistani zijn, niet een Engelse Pakistani. 'Brits' was een politiek en juridisch begrip, ‘Engels’ etnisch en cultureel. Nadruk op de Engelse identiteit was na de Tweede Wereldoorlog overigens lange tijd not done, een zelfcensuur die vooral te maken had met een schuldgevoel over het koloniale verleden. De ontkenning van Englishness liep door onder de begindagen van New Labour en hun kreet Cool Brittannia.

Liefde voor tuinen, achtertuinen welteverstaan, maakt onverbrekelijk deel uit van de Engelse (Britse) identiteit. Ze weerspiegelt de Engelse houding ten opzichte van het platteland. Engelsen hebben weinig op met de stad, al woont uiteindelijk het merendeel van hen in een nieuwbouwstad met veel groene perken. De band met de natuur is een terugkerend thema in de literatuur, de poëzie en de kunst. In de bioscoop garanderen kostuumdrama’s met plattelandsdecors volle zalen. Het verlangen naar een idyllische wereld, zegt Van IJzendoorn, komt voort uit de treurnis van de Engelsen dat ze in het industriële tijdperk uit het paradijs verstoten zijn, hoewel ze tegenwoordig overwegend in een diensteneconomie leven. Bij een denker als Scruton is een expliciete voorliefde voor mythen te bespeuren (omdat deze mens en natuur naderbij brengen), een apologie van de jacht én een lofzang op de ridderlijkheid.

De plattelandsmelancholie duikt vooral op bij de politici van de Conservatieve partij. Het gaat om meer dan groen. Het is een strijd tussen traditie en moderniteit, tussen de Countryside Alliance en New Labour, tussen oud en nieuw geld, tussen de upper en de middle class. Vooral in het zuiden van Engeland winnen de laatsten het pleit. Het platteland dat nog overblijft verandert langzaamaan een schoon, veilig, kitscherig openluchtmuseum, en wordt steeds meer ingenomen door boerenbedrijven (zeker sinds de schaalvergroting van het boerenbedrijf na WOII) en intensieve veeteelt. Het rurale Frankrijk wordt voor conservatieven meer en meer het beloofde land.

Het maatschappelijk bestel
In de volgende hoofdstukken verbreedt Van IJzendoorn zijn belangstelling. De insijpeling van het liberalisme treft niet alleen het platteland, het tast volgens de conservatieven het hele maatschappelijke bestel aan. New Labour is de stem van de Big Business, terwijl de Cameroons opkomen voor de kleintjes, zo luidt het. In een neoliberale visie (met zijn nadruk op absoluut eigenbelang) is de interesse in de publieke zaak, de basis van elk effectief beleid verdwenen. De vertrouwensband tussen burger en overheid is sterk verzwakt. Van IJzendoorn verwoordt dit standpunt als volgt:
Politici hebben jarenlang geroepen dat staat en overheid moeten plaatsmaken voor de vrije markt. Nu burgers zijn vervangen door consumenten blijkt het lastig te zijn om mensen aan te spreken op hun burgerplicht. Er heerst cynisme aangaande de goede bedoelingen van de overheid, zeker in deze tijd van effectbejag en propaganda.
Idealistische milieuactivisten (onder meer James Lovelock) en sceptische conservatieven geven echter zeer verschillende antwoorden op een doorgeslagen liberalisme. Een denker als Furedi verkiest koel redeneren boven apocalyptisch denken. Hij herkent een neomarxistische strategie bij progressieve milieubeschermers die het milieu gebruiken om alsnog de kapitalistische maatschappij grondig te veranderen. Volgens een conservatieve historicus als Niall Ferguson is niet een utopische fantasie de beste basis voor beleid, maar verlicht eigenbelang. “Een conservatief rangschikt het landschap, de architectonische schoonheid tussen de belangrijke aspecten die een maatschappij moet bewaren.” Waarde gaat voor een conservatief verder dan ruilwaarde.

In het hoofdstuk 'Het marxisme van de middenklasse' wordt het Engels conservatisme (in navolging van Scruton) beschouwd als een alliantie tussen de aristocraten en de armen, tégen de destructieve drang van de middenklassen. Beide groepen zijn volgens de antropologe Kate Fox twee zelfverzekerde klassen aan beide uiteinden van het maatschappelijke hoefijzer die een groot aantal gewoontes delen; ze zien bijvoorbeeld beiden weinig in intellectuele bezigheden.
Deze verstandhouding tussen de uppers en downers zou jarenlang de ruggengraat vormen van de Britse samenleving, tussen 1870 en eind jaren veertig. De arbeidersklasse maakte een volwaardig deel uit van het Britse ancien régime: ze had haar eigen ziekenhuizen, scholen en clubs. De verzorgingsstaat (onder Clement Attlee) was een bijproduct van de Tweede Wereldoorlog (zie vanaf p. 116, ook over de demoralisering van de onderklasse en de slachtoffercultuur). Voor zover er in het Verenigd Koninkrijk sprake is van een klassenstrijd gaat deze tussen de bourgeoisie en de aristocratie, tussen de liberals en de conservatieven, professionelen en amateurs, stad en platteland.

In het hoofdstuk 'De nanny state' laat Van IJzendoorn de critici van de verzorgingsstaat aan het woord komen. Deze hekelen de overbescherming van de jeugd en de burgers in het algemeen. Elk probleem wordt herleid tot een opvoedkundig probleem. Er is een wildgroei aan aansprakelijkheidsdisputen. De mondige burger heeft plaatsgemaakt voor de klagende consument, loyaliteit voor cynisme. Het antwoord op pech is "niet langer een flegmatiek schouderophalen maar een zoektocht naar een schuldige". Persoonlijke verantwoordelijkheid wordt afgeschoven.

De progressieven delen de dromen van Bentham (die streefde naar het grootste geluk voor het grootste aantal) maar beloven meer dan ze kunnen waarmaken, zoals Von Hayek al vreesde. Akkoord, de verzorgingsstaat garandeerde min of meer werkgelegenheid, gratis onderwijs en uitkering bij ziekte, maar de maakbaarheid van vrijheid en geluk ging gepaard met talloze richtlijnen en geboden. Deze instructies dragen ertoe bij dat de lijm die de samenleving bijeenhoudt langzaam wordt opgelost. Mensen worden er niet meer toe in staat geacht om hun gezond verstand te gebruiken of rekening te houden met de medemens; in plaats daarvan krijg ze preken te horen en worden ze met gevangenschap bedreigd wanneer ze iets doen. Of geluk maakbaar is, is trouwens maar de vraag.
Sceptici, daarentegen, geloven dat mensen altijd geneigd zijn zich aan te passen aan hun omstandigheden en dat het mogelijk is om gelukkig te zijn in verschillende contexten. Geluk is naar hun idee iets wat je overkomt wanneer je naar iets anders op zoek bent.
Scepsis ten aanzien van alleenzaligmakende rationaliteit beheerst ook het felle debat over de zin en onzin van religie in Engeland. Want ook over het Kanaal is atheïsme een groeimarkt: de radicalisering binnen de islam en de opkomst van evangelisch rechts in de Verenigde Staten bleken een buitenkansje te zijn geweest voor seculiere denkers, die "zichzelf uitriepen tot de moderne apostelen van de ‘rede’". Waar hun betoog op neerkomt: God bestaat niet en hij is de schuld van alle ellende.

Van IJzendoorn neemt in dit hoofdstuk, 'Voltaire, c'est moi', meer dan elders een duidelijk standpunt in. De auteurs (Hitchens, Grayling en Dawkins) "zijn overwegend vertegenwoordigers van de liberale bourgeoisie en hebben een goed gevoel voor public relations". Hun felheid staat op gespannen voet met de flegmatieke houding van de Engelsen met levensbeschouwelijke zaken — lange tijd was het net zo ongemakkelijk als praten over seks, liefden en hygiëne. Van IJzendoorn geeft een uitstekende round-up van de critici van Dawkins en co: Terry Eagleton, Robert Skidelsky, Alister McGrath, John Cornwell, Michael Burleigh, John Gray en iedereen die twijfels had bij de erfenis van de paradoxale erfenis van de verlichting (Zgymunt Bauman, bijvoorbeeld) en daar soms middels dystopische romans (Huxley, Orwell, Conrad) uiting aan gaven. Zie pagina 134-141.

Het geheim van het religieuze pluralisme in Engeland, wordt in Londen denkt nog uitgelegd, is een combinatie van factoren geweest: de terughoudendheid in geloofsbeleving, William Tyndale, én de Anglicaanse kerk — een soort derde weg tussen Luther en de paus, gekenmerkt door een hechte verbondenheid met het platteland en weinig dogmatische precisie in de belijdenis. Waarheid telt voor het anglicanisme minder dan het sociale nut. Tegenwoordig speelt het anglicanisme op het platteland nog min of meer een rol, atheïsme is meer iets voor de buitenwijken. Atheïsten willen liefst het filantropische element van religie onderbrengen bij de staat en het pastorale bij de psychologie, maar allicht is dat tot mislukken gedoemd.

Het slothoofdstuk van dit boek heet 'Oude vrijheden, nieuwe rechten' en probeert nog eens het politieke klimaat te schetsen dat in Engeland heerste, tot de afstraffing van New Labour op 6 mei 2010. Regeren, schrijft Van IJzendoorn, was in Engeland iets zoals op de winkel passen, behalve dan bij Margaret Thatcher, "de kruideniersdochter die een bijna failliete boedel aantrof". New Labour liet een autoritaire regeerstijl zien. De Derde Weg van New Labour behelsde een technocratische, beheersmatige visie op de moderniteit en modernisering. Ontwikkelingen werden van bovenaf opgelegd, terwijl ze binnen de Engelse traditie doorgaans de omgekeerde route volgden. Een messianistisch vooruitgangsdenken deed zijn intrede, gebaseerd op globalisering en universele waarden. De nieuwe bewindslieden hechtten weinig waarde aan geschiedenis, verwierpen tradities en knipten alle draden van het geheugen door. Adviseurs kregen meer macht dan topambtenaren. Tony Blair ging op een autoritaire manier besturen, zich baserend op principes die hij universeel achtte. (Onder meer Leszek Kolakowski formuleerde fundamentele kritiek jegens de mensenrechten, ten faveure van de Magna Carta.)

Deze ‘continentale’ bestuursstijl kwam sterk tot uiting op het gebied van het recht. Het is het verschil tussen de continentale vraag ‘Waarom zou een overheid verkeersdeelnemers beschermen?’ en de Engels-conservatieve vraag ‘Waarom zou een overheid nuchtere automobilisten zonder aanleiding onderwerpen aan een ademtest?’ Blair, zelf een voormalig advocaat, leek meer te zien in de Code Napoléon dan in het gewoonterecht. Hij omschreef in het kader van de terrorismebestrijding het principe van de habeas corpus als 'nonsens'. Grote beroering ontstond bij het idee een identiteitskaart in te voeren, met tientallen persoonlijke gegevens.

Bovendien werd het antieke ambt van de Lord Chancellor uitgehold onder Blair. Tot de grondwetswijzing van 2005 had de Lord Chancellor grote juridische en wetgevende macht. Hij was voorzitter van het Hogerhuis en hoofd van de rechterlijke macht in Engeland en Wales. Ook was hij een rechter van het juridische comité van het Hogerhuis (de hoogste rechtbank van het Verenigd Koninkrijk) en voorzitter van het hooggerechtshof voor Engeland en Wales. In 2003 werd het ministerie van de Lord Chancellor hernoemd naar het Department of Constitutional Affairs (ministerie van grondwetszaken) en in 2007 naar het Ministry of Justice (ministerie van justitie). Hiermee werd de titel van Lord Chancellor een ceremoniële functie van de Britse minister van justitie.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Patrick van IJzendoorn, Londen denkt : het publieke debat in Engeland
212 p.
Uitgeverij Boom, 2008

____

5 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Ali – Brick lane
Alibhai-Brown – Who do we think we are?
Amis – The second plane
Ansari – The infidel withein : muslims in Britain since 1800
Baggini – Welcome to everytown : a journey into the English mind
Barnes – England, England
Bauman – Liquid modernity
Blyton – De vijf
Booeker en North – Scared to death : from BSE to global warming
Booker – The great deception : the secret history of the European Union
Bragg – Taking liberties : the attack on civil liberties in the UK
Bryson – Notes from a small island
Buruma – Angolmania
Bywater – Big babies : or, why can’t we just grow up
Cannadine – The decline and fall of the British aristocracy
Clark – How to label a goat : the silly rules and regulations that are strangling Britain
Clark – The road to Southend Pier : one man’s struggle against the surveillance society
Clarke – Fifty reasons to hate the French
Coe – The house of sleep
Cohen – What’s lef? : how liberals lost their way
Collini – Absent minds : intellectuals in Britain
Collins – The likes of us : a biography of the white working class
Dalrymple – Life at the bottom : the wordview that makes the underclass
Deane – Abdication : why Britain's decline is the fault of the middle classes
Eidinow en Edmonds – Rousseau’s dog : a tale of two great thinkers at war in the age of enlightenment
Eidinow en Edmonds – Wittgenstein’s poker
Fox – Watching the English : the hidden rules of English behaviour
Golinski – British weather and the climate of enlightenment
Gore – Sketches of English character
Gray – Against progress and other illusions
Gray – Al Qaeda and what it means to be modern
Gray – Two faces of liberalism
Grayling – Against all gods : six polemics on relgion and an essay on kindness
Griffin – Blood sport : hunting in Britain since 1066
Grip – How John Bull lost London
Hamilton – London lights : the minds that moved the city and shook the world
Hare – Stuff happens
Heffer – Nor shall my sword : the reinvention of England
Hitchens P. – The abolition of Britain : from Winston Churchill to Princess Diana
Hobsbawm – Globalisation, democracy and terrorism
Humphrys – Humphrys in search of God (radioserie)
Humphrys – In God we doubt : confession of a failed atheist
Husain – The islamist
Iggulden – The dangerous book for boys
Johnson – Seventy-two virgins
Johnson – The dream of Rome
Karlin – Proust's English
Legrain – Immigrants : your country needs them
Lovelock – The revenge of Gaia
Melville – Billy Budd
Mikes – How to an alien
Mitford – Noblesse oblige
Moran – Queuing for beginners : the story of daily life from breakfast to bedroom
Mount – Mind the gap : the new class divide in Britain
O’Hara – After Blair : David Cameron and the consevative tradition
O’Hear – Plato’s children : the state we are in
Oakeshott – On being conservative
O'Hagan – The end of British farming
Paxman – The English : portrait of a people
Pevsner – The buildings of England
Phillips – How Britain is creating a terror state within
Poirier – Touché : a French woman’s take on the English
Porter – Enlightenment : Britain and the creation of the modern world
Rogers – Beef and liberty : roast beef
Saturday – McEwan
Scruton – England : an elegy
Scruton – New from somewhere : on settling
Scruton – The west and the rest : globalization and the terrorist threat
Shaw – Pygmalion
Timoney – Pardon my French
Voltaire – Lettres anglaises
Walden – Time to emigrate? : letters from a father
Wheatcroft – The strange death of Tory England
Winder – Bloody foreigners : the story of immigration to Britain
Young – This blessed plot : Britain and Europe from Churchill to Blair

Achille van den Branden zei

En verder:

Lord Tebbit
Simon Hoggart
Bertrand Russell
Isaiah Berlin
Freddie Ayer
Taki Theodoracopulos
Colin MacCabe
Michael Henderson
Edward Skidelsky
Leo Strauss
Carl Schmitt
Simon Jenkins
Julian Baggini
Michael McGhee
David Aaronovitch
Nick Cohen
Andrew Anthony
Melanie Phillips
Enoch Powell
David Goodhart
Roy Liddle
Damian Thompson
David Starkey
Bryan Appleyard
Adam Nicholson
Brendan O'Neill
Kieron O'Hara
Hywell Williams
Edward Skidelsky
David Aaronovitz
Ken Livingstone
George Galloway
Robin Blackburn

Guido Vanhercke zei

Beste Achille,

Bij elke post uwerzijds verwonder ik mij weer over die oneigentijdse blog die volle maaltijden serveert, met lange citaten als aangepaste wijnen, in plaats van de hapjes en sushibrokjes, of gekleurde meninkjes die je elders vindt.
Maar ik denk dat ik een begin van antwoord weet. Uit de indeling van uw blog blijkt dat u thuis peper en zout vraagt in de granieten taal van het Imperium. Die invloed merk ik ook in uw blog. U bent net zo'n bouwer als uw illustere voorgangers. Vandaar dat u zich niet tevreden stelt met wat algemeenheden over de boeken die u leest, nee, elke leesarbeid verdient een gepast bouwwerk in de vorm van een uitgewerkte recensie. En waar u niet wil of kunt bouwen (bvb bij die afgeleiden van boeken, de blogs en artikelen), is er nog altijd de mogelijkheid om een stapelhuis te maken, zoals in de vorige bijdrage: ik heb ze niet geteld, maar legio zijn de verwijzingen en ze geven me het gevoel rond te mogen neuzen op oma's zolder...)
Maar er is meer.
Misschien bewonder ik van de Romeinen nog het meest hun wegen. Er moeten inderdaad wegen worden getrokken in wat anders barbarenland blijft, indelingen worden gemaakt, nuances worden aangebracht, conclusies worden getrokken. Ik hou van uw helderheid, niet alleen in de formulering, maar evenzeer in de logica van alinea's die elkaar niet voor de voet lopen, maar samenspelen als een goede ploeg voetballers (misschien had ik hier mijn beeldspraak militair moeten aanpassen...).
Het mooiste bouwwerk, tenslotte, is dat van uw eigen belezen geest. Ik vermoed dat u het daarom doet, een beetje zoals Montaigne, alleen in zijn toren, in elk van zijn essays tientallen citaten kon meegeven (en zich dus daardoor alleen al niet meer alleen voelde...).

Eén vraag blijft: hoe dwingt u de tijd, die ogenschijnlijk voor ieder dezelfde is, tot een dergelijke traagheid, dat u al die woorden kunt verstouwen en herbouwen? Of reageert u niet op tijd, zoals een goede stoïcijn, en houdt u pas op als het werk gedaan is? Let op, dit is geen vraag naar uw persoon (de architect dient het bouwen, lees ik in uw blog), maar naar een houding die misschien ook antiek-sterk is. In elk geval, om het plain te zeggen: hoe overwint u de constante neiging om sneller en sneller te lezen, te over-lezen, te vlinderen, enkel kennis te nemen van...? Bekruipt die (moderne) neiging u soms niet (in een tijd van mediaglinstertjes, snoepjes om aan te likken, recensietjes van drie voor een cent)?

met vriendelijke groet

Guido Vanhercke

(ik voelde me ook aan u verplicht, omdat ik u een tijd geleden ergernis hebt bezorgd door mijn goedmenende opmerking over zo'n en zulke. Te midden van een bouwwerk over een loszittende steen beginnen, ik kan begrijpen dat een architect daar nijdig over wordt...)

Achille van den Branden zei

Beste Guido Vanhercke,

Bedankt voor uw uitgebreide reactie, waarvan ook de schriftuur me amuseerde. Ik kan een beetje maniërisme wel pruimen, op zijn tijd.

Montaigne is inderdaad een onbereikbaar ideaal van me. Tijdloze taal, brede interesse, grote nuchterheid. Maar waar bij hem de citaten zijn eigen gedachten ondersteunen, moeten ze bij mij nog te veel verdoezelen dat mijn eigen denken nog in volle ontwikkeling (en vaak zelfs afwezig) is. Ik heb het gevoel dat ik alles nog moeten ontdekken. Dat ik nog altijd geen kader heb dat solide genoeg is om alles wat me aan boeken onder ogen komt, te beoordelen.

Ja, waar haal ik de tijd? De tijd loopt voor iedereen even snel, maar niet iedereen wordt even scheutig bedacht met vrije tijd. Dat ik er wel goed mee bedeeld ben, is deels geluk, deels kwestie van keuzes maken.

Geluk: ik heb een fulltimejob die me thuis niet kan achtervolgen. Mijn werk ligt op bovendien fietsafstand; geen tijdverlies met pendelen dus. Ik heb geen kinderen en mijn vrouw doet het meeste huishoudwerk liever zelf. Familie laat ik zo min mogelijk beslag op me leggen.

Keuzes: ik kijk omzeggens nooit televisie (dat scheelt een slok op een borrel). Ik lees nauwelijks kranten (voor wie weleens serieuze non-fictie doorneemt worden kranten onverdraaglijk om te lezen -- boeken lezen spaart ook tijd uit). Ik ben geen sociaal dier, zonder daarom een kluizenaar te zijn. Ik heb een beperkte kring goede vrienden om me heen, en meer heb ik niet nodig. Ik zit niet op Facebook, doe niet aan Twitteren, en steek geen tijd in oeverloze discussies op andere blogs.

En ook belangrijk: ik lees de boeken, praktisch nooit de recensies daarvan. (Ik zou dit blog bijvoorbeeld niet lezen mocht het van iemand anders zijn; wat toch wel een rare gedachte is).

De ogenschijnlijk vlotte routine op Achille van den Branden is het resultaat van kei- en keihard werken. Dat is niet erg, ik werk graag hard -- op voorwaarde dat ik helemaal mijn eigen zin mag doen. Op dagen dat ik niet of nauwelijks publiceer (donderdag, zaterdag, zondag) wordt achter de coulissen de basis gelegd voor de recensies van maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag.

Nu ja, recensies. Besprekingen van non-fictie draaien meestal uit op grondige samenvattingen, waarvan ik de meeste stenen (om in uw beeldspraak te blijven) uit het boek zelf sleep. Met dat soort besprekingen loop ik zelf niet zo hoog op, maar ze zijn wel zeer nuttig voor mijn eigen ontwikkeling. Eigenlijk mis ik dat soort stukken in de reguliere media: besprekingen die goed aangeven wat er in het boek zelf staat, in plaats van een paar gratuite meningen of bemerkingen in de marge.

Het schrijven van de recensies gaat betrekkelijk snel, omdat ik geen tijd investeer in virtuositeit. De teksten moeten gewoon informatief zijn. Ik ben geen groot stilist, bezit van mezelf niet veel originele gedachten. Ik stel bij mezelf slechts één natuurlijk talent vast: ik kan zeer snel bruggetjes maken tussen de lapjes tekst die ik uit een boek overtik en die het fundament vormen van mijn besprekingen.

De neiging om steeds sneller te lezen kan ik goed onderdrukken. Ik laat me niet gek maken. Sneller lezen gebeurt natuurlijk vanzelf bij matige boeken -- bij boeken met een groot déjà lu-gevoel.

De neiging om de literaire actualiteit bij te houden heb ik al helemaal niet. Als ik op internet een interessant nieuw boek tegenkom, parkeer ik het covertje in een voorbestemd mapje. Soms doe ik daar een graai uit.

Elk ongelezen boek is een nieuw boek.

Achille van den Branden zei

Geattendeerd worden op spellingsfouten kan ik wel hebben, hoor. Wat me eraan ergert is spellingsfetisjisme: omwille van de onterechte status die spelling heeft, en omdat teveel onbenullen daaraan een te makkelijk statussymbool hebben om zich van het gemeen te distantiëren.

Het is zoveel moeilijker een inhoudelijke fout aan te wijzen, dan spellingsregeltjes toe te passen.

Ik heb het ooit zelf gedaan, iemand om een zogenaamde taalfout beknord. Mijn wijze neus werd toen even genadeloos als terecht afgestraft. Dat was een goede les. Ondertussen herken ik de man niet meer die ik toen was.

Doet me eraan denken dat ik in de rechtermarge toch eens werk moet maken van een lijstje met gewaardeerde collega's.

Related Posts with Thumbnails