dinsdag 18 mei 2010

Intieme vreemde - Breyten Breytenbach

In Intieme vreemde wordt een denkbeeldige 'Lezeres' ingewijd in de geheimen van de literatuur. Maar het welgemeende enthousiasme van Breyten Breytenbach laat zijn boek bijna ontaarden in een pastiche van een workshop creatief schrijven. Zijn toon is om beurten verwant aan de peptalk van de mental coach, de blijde boodschap van de televisie-evangelist, de prozaminiaturen van de visionaire dichter, en het gewauwel van de gemiddelde Franse taalfilosoof.

Het taalgebruik van de schrijver én een ondermaatse vertaling zorgen ervoor dat het voor de lezer nog een hele klus is om iets van waarde op te diepen uit Intieme vreemde. Breyten Breytenbach husselt complexloos een aantal stijlregisters door elkaar; het resultaat is een tekst die geweldig veel betekenis suggereert, maar die belofte niet nakomt.

Het gedicht is altijd een hommage aan wie leest ten tijde van het lezen, want geschreven in de mogelijke tijd, niet in de verleden of de onvoltooid toekomstige tijd, maar in het eeuwige wie-weet. Wanneer het volledig tot ontplooiing komt, brengt het een de tong prikkelende schoonheid en lijkt het even ongedwongen als water in een put. Wonderlijk genoeg is het altijd een grafschrift, doordrenkt met en verduisterd door een (inktzwart) vermoeden van de dood, zo onvermijdelijk en verlichtend als het ochtendgloren. Het is een water, gladgestreken door een wind die uit het niets is komen opzetten, wachtend tot Charons roeispaan het opnieuw mee zal slepen. En de stem blijft ingekapseld in zijn vorm, zoals de wind voorkomt uit het niets. Het gedicht is een graftombe, of slechts een holte in de grond, waar de omzwachtelde restanten van donker en wegrottend vlees allang zijn vergaan maar waar een stem in leven wordt gehouden. Het gedicht is de telefooncel van de voorouders.
In deze stijl — inclusief koppeltekenkitch ("denk-beeld") — wijdt Breytenbach gedachten aan het soort onderwerpen waarover je nooit bevredigend kunt spreken als je geen concrete teksten als illustratiemateriaal bij de hand hebt. De relatie tussen feit en fictie. Of schrijvers particuliere situaties moeten beschrijven, of toch moeten zorgen voor universele relevantie. Waaruit het engagement van een auteur bestaat, of zou moeten bestaan (in een poel vol speculatieve fragmenten ligt opeens klaar en duidelijk het mooie gedicht ‘New York, 12 september 2001’ als een scherpe kei midden in het boek, waar de lezer zich lelijk kan aan kwetsen).

Intieme vreemde staat vol halve definities van wat schrijven nu precies inhoudt. Zet je ze achter elkaar dan ontstaat er een lang, warrig catalogusgedicht in de trant van Pablo Neruda, de man waar de poëzie van Breytenbach me altijd doet aan denken: schrijven is "Het scheppen van een bewustzijn", "Het maken van een zelf", "Het gewaarworden uitgedrukt door middel van een vector", "Even wanordelijk en onwettig als de werkelijkheid", "Verstilde beweging of bewegende stilstand", "Zelfomvattend in zijn dingheid en toch altijd afhankelijk van de lezer voor uiteindelijke voltooiing", "Het gladstrijken van vleugels waarmee we toch nooit zullen vliegen". Enzovoort, enzoverder. Je krijgt altijd een indruk waar Breytenbach naartoe wil, maar collega's van hem hebben praktisch al zijn ideeën mooier en beter op papier gezet.

Wanneer Breytenbach het heeft over de act van het schrijven, wordt duidelijk waarom hij de dingen opschrijft zoals hij ze opschrijft. Hij ziet schrijven niet zozeer als een product, maar als een proces. Een schrijver moet stem geven aan wat "pril en onsamenhangend" is. Literatuur, en vooral dan poëzie, moet woorden terug veranderen "in de oorspronkelijke adem, de hartslag van de wereld". Het is Breytenbach te doen om "meervoudigheid, onbepaaldheid, veranderlijkheid". Hij raadt zijn lezeres aan zich te hoeden voor psychologie, omdat "inzicht een truc is om de creativiteit te castreren".

Daar ben ik het dus absoluut niet mee eens, toch niet waar het betogende teksten betreft. Een tekst moet het intelligibele eindproduct zijn van een proces. Dat is wel zo hoffelijk tegenover de lezer.

De gedachte waar ik op de keper beschouwd het meest aan had, staat logischerwijs in een helder, haast journalistiek verslag achteraan in het boek: ‘De werkelijkheid is gezichtsbedrog’. Breytenbach woont een lezing bij van de schilder David Hockney, waarin deze zijn controversiële stelling ontvouwt als zouden vanaf het begin van de vijftiende eeuw veel kunstenaars in het Westen gebruik hebben gemaakt van optische instrumenten — spiegels en lenzen (of een combinatie daarvan) — om hun onderwerp via projecties waarheidsgetrouw op doek te brengen.

Dat brengt Breytenbach ertoe de gebreken van de al te minutieuze schilderkunst van de Vlaamse Primitieven toe te passen op de vertelkunst. Brugge en Gent, zegt hij, ontwikkelden een aanpak waarbij opeenvolgende vlakken in een schilderij allemaal met evenveel aandacht voor nabijheid en detail werden bewerkt, waardoor de oppervlakte, als in een collage, als het ware afvlakte. Hetzelfde onderscheid tussen afstand en nabijheid kan in het schrijven ontwaard worden.
Om de schijn van levensechtheid te handhaven — niets bestaat in isolatie — moet je de achtergrond geloofwaardig maken en tot op zekere hoogte tot leven wekken, zonder dat die zich al te zeer aan de lezer opdringt.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Arjan Peters komt op een geestiger manier tot nagenoeg dezelfde bevindingen
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Breyten Breytenbach, Intieme vreemde
Een schrijfboek (aan mevrouw Lezeres)
191 p.
Uitgeverij Podium, 2006
Oorspr. Intimate stranger : a writing book (2005)
Vertaald door Krijn Peter Hesselink


Nog een paar losse quotes, de meeste niet toevallig van andere auteurs die Breytenbach citeert:
De psychiater D.W. Winnicott merkte ooit op dat kunstenaars voortdurend verscheurd worden ‘tussen de dringende noodzaak iets over te brengen en de nog meer dringende noodzaak niet gevonden te worden'.

[...]

In april 1966 zei Vladimir Nabokov tegen Alfred Appel: 'Ik zou zeggen dat verbeelding een vorm van herinnering is… Een beeld is afhankelijk van de kracht van de associatie en de associatie wordt aangeleverd en opgeroepen door de herinnering. Wanneer we spreken van een levendige individuele herinnering complimenteren we niet ons vermogen informatie vast te houden maar de mysterieuze vooruitziende blik waarmee Mnemosyne juist dit of dat element heeft opgeslagen dat de creatieve verbeelding nu kan combineren met latere herinneringen en verzinsels. In die zin is zowel herinnering als verbeelding een verloochening van de tijd.'

[...]

De aan Black Mountain gelieerde dichter Charles Olson stelde ooit: ‘Kunst is de enige tweelingbroer die het leven heeft.’

[...]

Manuel Rivas zegt dat het historische verhaal hem niet interesseert, aangezien de literatuur niet tot het kamp van het leven behoort en niet tot dat van de geschiedenis. Het enige wat hem interesseert is of die geschiedenis nog aanwezig, nog levend of toepasbaar is. Hij heeft twee zorgen: de mechanismen waar haat uit voortkomt en het opschorten van het bewustzijn (of van het geweten, want la conscience zou in het Frans allebei of een van beide aan kunnen duiden). De geschiedenis is een opeenvolging van dingen die nooit hadden mogen gebeuren en door te schrijven neem je daar op een bepaalde manier wraak op. De literatuur stelt ons in staat de werkelijkheid dichter op de huid te zitten dan de geschiedenis of de sociologie omdat de literatuur toegang heeft tot voor ooggetuigen ontoegankelijke gebieden. Dromen en verbeeldingen van wat had kunnen (of had moeten) gebeuren belichamen of verwoorden de werkelijkheid. Wanneer het potlood van de timmerman tot het oor van de soldaat spreekt over het onderwerp van het schavot ontstaat er een band tussen slachtoffer en beul. Deze manier van schrijven is realistischer dan wat wij als ‘realisme’ aanduiden. Het werkelijke bestaat uit concentrische cirkels. De werkelijkheid is daarvan slechts de eerste cirkel, de enige zichtbare, terwijl je het interessantste materiaal in de andere cirkels vindt.’

[...]

Kun je van het korte verhaal naar de roman gaan door simpelweg hoofdstukken en scènes toe te voegen? García Márquez schreef ergens: ‘Een kort verhaal schrijven is even intens als aan een roman beginnen… Maar een kort verhaal heeft geen begin, geen eind. Het werkt of het werkt niet.’

[...]

Nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid is er zoveel herinnering gecreëerd met zo weinig moeite, geurloos opgeslagen in elektronische mappen, uitgezaaid via blogs. Nooit eerder zijn we in staat geweest op zulke grote schaal toegang te krijgen en in te loggen. Samen scheppen we in oorverdovende stilte een alomvattend virtueel bewustzijn. Goed, zouden we kunnen zeggen. Maar hoe slaan we het duurzaam op? Weldra hebben we er geen toegang meer toe, zijn de ondersteuning, de software, de programma’s zelf tenietgedaan door de tijd en verouderd geraakt. Naarmate we verder gaan en ons verspreiden en dingen verzinnen, wissen we uit. We zullen alles weten en ons niets herinneren. Er zal geen oorsprong zijn, enkel voortgang. We zullen het onbevlekt ontvangen nageslacht van Narcissus vormen. De maag zal een vergeten mythe zijn, de kont een droge mond.
____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Notes on love – A. Nader
The witness of poetry – Milosz
Composing a life – Mary Catherine Bateson
Language and solitude – Ernest Gellner
Memoirs of a shy pornographer – Kenneth Patchen
Imaginative horizons – Vincent Crapanzo
How to write – Richard Rhodes

Related Posts with Thumbnails