donderdag 20 mei 2010

Het raadsel der onontvankelijkheid

Op deReactor stond laatst een recensie van Karel van het Reve's verzameld werk, die volgens mij geen recht deed aan de verdiensten van de schrijver. In het bijzonder stoorde ik me aan een al te vluchtige samenvatting van Het raadsel der onleesbaarheid, de Huizinga-lezing die Van het Reve uitsprak in 1978. Ik nam mijn klavier en schreef een reactie waarin ik dat aankaartte. Dr. Sander Bax, boekbespreker van dienst, schreef inmiddels een uitgebreid weerwoord met, naast een trits domme beschuldigingen, ook veel zinnige tegenargumenten die me dwingen mijn bezwaren tegen de pretenties van de literatuurwetenschap duidelijker te formuleren, iets waar ik Bax erkentelijk voor ben. Dat kost echter tijd. Intussen hieronder de reactie waarmee het allemaal begon.


Dan wordt er eens een noodzakelijk boek besproken op deReactor, gebeurt het op deze manier. Het is triest om te zien hoe de verdiensten van een groot schrijver hier onschadelijk worden gemaakt in een luie recensie, waarbij vooral de zwaar invalide samenvatting van ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ mij een doorn in het oog is.

Op het eerste gezicht lijkt de bespreking een toonbeeld van nuance: Van het Reve’s ideeën zijn gedemodeerd maar, ere wie ere toekomt, zijn werk verdient het nog te worden gelezen omwille van zijn stilistische brille en als historisch document. De aandachtige lezer bemerkt echter een rare cesuur in de tekst. Van het Reve’s gezond verstand wordt eerst neergezet als een uitstekend weermiddel tegen naïef idealisme. Past hij diezelfde nuchterheid echter toe op de discipline die zichzelf ‘literatuurwetenschap’ noemt, dan overtuigen zijn argumenten ineens niet meer, en is zijn wereldbeeld ‘rigide’ popperiaans. (Vanaf dat punt hoef je het biootje van de recensent al niet meer aan te klikken om te vermoeden uit welke hoek deze bespreking komt. Waarom zijn mensen zo weinig ontvankelijk voor kritiek op hun beroepsbezigheden?)

Maar de herkomst van de bespreking interesseert me eigenlijk niet. Wel dat de recensent hier met hinkstapsprongen over de argumentatie in ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ heengaat, zodat een lezer die niet vertrouwd is met dat essay (dat overigens online te vinden is op dbnl.org, een link ware niet meer dan hoffelijk geweest, kan iedereen voor zichzelf kijken) wordt onthouden waar het eigenlijk over gaat.

Om te beginnen doet meneer Bax het voorkomen of Van het Reve toegankelijk taalgebruik van literatuurwetenschappers alleen maar een plus vindt in het kader van de leesbaarheid en de attractiviteit van de tekst. Maar er is veel meer. Literatuur is vooreerst een van de zeldzame disciplines waarbij de beschouwer zich van hetzelfde medium moet bedienen als de kunstenaar: taal. Dan is het natuurlijk niet verwonderlijk dat mensen weinig fiducie hebben in specialisten die zich onbehoorlijk weten uit te drukken — die dus het medium verminken waar ze zich deskundig in noemen.

Maar goed, dat argument kan je flauw vinden. Wat vhR echter nog meer stoort is dat literatuurwetenschappers door hun boeventaaltje de indruk geven dat ze iets meer ontdekt hebben dan een verstandige leek uit de tekst had kunnen halen. Door moeilijke woorden te gebruiken wordt de indruk gewekt dat literatuurvorsers iets kunnen verklaren, terwijl ze alleen maar banaliteiten overplakken met specialistisch jargon dat weinig aan het begrip toevoegt, ja het begrip eerder vertroebelt. In zijn eigen woorden:

In plaats van nu te zwijgen zolang men over zo’n verschijnsel niet meer kan zeggen dat wat iedere leek al bij zichzelf heeft opgemerkt, probeert men zo’n opmerking te vertalen in geleerde termen die nergens toe dienen dan om de armoede van de eigen vondst, of liever gezegd het ontbreken van enige eigen vondst te maskeren. Heeft men werkelijk iets te zeggen, heeft men werkelijk een ontdekking gedaan, dan treedt die ontdekking markanter naar voren naarmate men hem eenvoudiger, korter, begrijpelijker, simpeler formuleert. Heeft men echter niets te zeggen, heeft men eigenlijk niets ontdekt, doet men eigenlijk niets meer dan open deuren intrappen, dan werkt eenvoud juist schadelijk: in al zijn armoede staat de auteur dan voor ons. En dan krijg je vanzelf die pogingen tot aankleden, het gebruik van een speciaal vocabulair zodat ‘Jan leest een boek en vindt het mooi’ tot een heel lange zin wordt, vol met woorden als ‘realiseren’, ‘woordkunstwerk’, ‘wereld in woorden’, ‘mimesis’, ‘erzählte Zeit’ en ‘beoordelend subject’. Pas als je die woorden terugvertaalt, blijkt het medegedeelde niets of heel weinig om de hakken te hebben. Je begrijpt niet waarom het allemaal zo geestdodend en uitvoerig gezegd moet worden, en je begrijpt trouwens al helemaal niet waarom het überhaupt gezegd moet worden, tot de oplossing van welk probleem die uitvoerige en geestdodende uiteenzettingen bijdragen.
En neen, ook vandaag nog, zeker in Vlaanderen, zijn er literatuurwetenschappers die op deze manier artikels volschrijven.

Hiermee komen we mijns inziens bij de kern van ‘Het raadsel der onleesbaarheid’: de onwetenschappelijkheid van wat zich tot op vandaag (tiens, Van het Reve historisch?) literatuurwetenschap blijft noemen. Want, meneer Bax heeft gelijk, geen enkele wetenschap staat of valt met de stijl waarin de onderzoeksresultaten worden opgeschreven.

Wél staat of valt ze met de striktheid en de ondubbelzinnigheid van die onderzoeksresultaten. Elke wetenschap die naam waardig is in staat dingen te verklaren, of op zijn minst de werking van iets zo nauwkeurig te beschrijven dat er op basis daarvan voorspellingen mogelijk zijn. De literatuurwetenschap nu laat dat na. Ze lijkt wel pogingen te doen dingen te verklaren, maar blijft alleen maar steken in beschrijvingen. Beschrijvingen achteráf. Van het Reve over onze Sötemann, schrijver van een studie over Max Havelaar:
De schrijver vertelt ons hoe het boek onderweg steeds van karakter verandert, hoe Dekker er alles wat hij in Brussel toevallig bij de hand had in smeet: slechte jeugdverzen, de Japanse steenhouwer, een catalogus van het pak van Sjaalman, een betoog van Droogstoppel over poëzie, een betoog van Havelaar over beeldende kunst, toespraak tot de hoofden van Lebak, plattegrond van een Indisch huis… Sötemann lijkt zonder meer aan te nemen dat als de Havelaar een prachtig boek is — en dat denkt hij geloof ik toch wel, al laat hij het nergens merken — dat dat dan komt door die merkwaardige, rommelige, verwarde, bizarre structuur. Maar hoe die structuur samenhangt met het effect dat de Havelaar op de lezer heeft, hoe die samenhangt met de onmiskenbare, zeer grote kwaliteit van het boek — dat vertelt hij ons niet. Hij komt bijvoorbeeld niet op het idee — en als hij wel op dat idee gekomen was, zou zijn boek althans één originele gedachte hebben bevat — dat de Havelaar wel eens zo goed zou kunnen zijn ondanks die verwarde structuur, of dat de door hem beschreven structuur wel eens even weinig met het effect van het boek op de lezer te maken zou kunnen hebben als de kleur van spaken en velgen op de rijkwaliteiten van een fiets.
De formele kenmerken van literatuur die letterkundige vorsers lijken aan te dragen om de kwaliteit van een werk te verklaren, verklaren juist niets, omdat diezelfde kenmerken voorkomen in middelmatige en slechte boeken. Bovendien zijn formele trucjes in wezen zo oud als de straat, en genieten ervaren lezers daar ook van zónder dat een specialist hen op die open deuren moet wijzen. Van het Reve geeft nog een voorbeeld, uit de dichtkunst:
Leopold begint een bekend gedicht met de regel ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’. Drie dingen springen bij deze regel direct in het oog: de regel wijkt af van het gewone taalgebruik doordat de dichter ‘oud woonhuis’ zegt in plaats van bijvoorbeeld ‘huis waar ik vroeger gewoond heb’, ‘peppels’ voor ‘populieren’ en ‘peppels staan’ voor het correcte ‘staan peppels’. Deze kunstgrepen zijn zo oud als de literatuur zelve en werden driehonderd jaar voor Christus al door Aristoteles met duidelijke voorbeelden beschreven. En ze komen ontzettend vaak voor, zowel bij goede als bij slechte dichters. Maar dat neemt niet weg dat de gemiddelde neerlandicus meent iets ontzettend interessants te hebben opgemerkt als hij deze dingen ter sprake brengt.
Op dezelfde manier bekritiseert vhR dan de tic van literatuurbeschouwers om zich meester te maken van alle mogelijke vormen van symboliek in een boek. Alsof je symboliek ook niet tegenkomt in slechte boeken, en alsof symboliek ook niet evengoed een vulgaire kunstgreep kan zijn om platitudes aan de man te brengen.

Het principe van de ‘falsifieerbaarheid’ van Popper, dat in de exacte wetenschappen een belangrijk fundament is, komt nu inderdaad duidelijk aan de horizon piepen. Wanneer ook maar één iemand een tegenvoorbeeld kan aanwijzen van een theorie, zo luidt dat principe, dan vervalt die theorie natuurlijk onmiddellijk. Maar in de literatuurwetenschap doet men in zo’n geval vrolijk alsof de neus bloedt.

Samengevat: er is zoiets als een literaire criticus, die zijn (voor)oordelen aannemelijk probeert te maken in een recensie. En er is zoiets als een literatuurhistoricus, die een boek in zijn maatschappelijke en literaire context plaatst — nuttige arbeid, uiteraard, maar (cruciaal!) niets wat een gewone historicus met zijn opleiding niet zou kunnen doen. Er is echter niet iets als een literatuur’wetenschapper’. Het volstaat immers niet dat een vorser de beste bedoelingen heeft, en de nodige ernst aan de dag legt, en nauwkeurig naar bewijsplaatsen in het boek verwijst, om zijn arbeid voor wetenschappelijk te mogen laten doorgaan.

Kunnen we dan niets zinnigs zeggen over boeken? Natuurlijk kunnen we dat. Het punt is echter dat het instrumentarium van de literatuurwetenschap haar beoefenaars niet systematisch tot zinvoller uitspraken doet komen dan niet-ingewijden. Dat hoeft niet eens te verbazen. Veel zaken die een roman waardevol kunnen maken, liggen sowieso al buiten het gezichtsveld van de literatuurwetenschappen. Of een realistisch bedoelde roman werkelijk natuurgetrouw is in de situaties en de mensen die ze beschrijft, daar helpt bijvoorbeeld geen enkele literaire opleiding tegen. Om dat in te schatten is er veel kennis nodig, kennis opgedaan in het ‘echte’ leven.

Daarom is een Theodore Dalrymple, om maar één iemand te noemen, een veel interessantere criticus dan de meeste broodlezers. Niet toevallig was hij arts van beroep, iemand met veel praktische kennis, opgedaan in de gevangenis en in de Engelse achterstandswijken. Vergelijk zijn essays met de zoveelste beschouwing waarin een salongeleerde zegt dat een verhaal niet altijd waar gebeurd is, wijst op alliteraties, of een boek situeert in de literaire traditie (in plaats van in de werkelijkheid), en je weet het wel.

Toch blijft de kaste van literatuurwetenschappers goed gedijen en stelt niemand zich die leerstoelen nog in vraag. Kan ook niet anders, zo voorspelde de o zo obsolete Karel van het Reve aan het slot van zijn betoog. "Het is quasi onmogelijk om een heel vak, hoe schamel ook, weer weg te krijgen als het eenmaal maatschappelijk vaste voet heeft gevat."

Soms denk ik: wat voor koddige stielen zijn dat eigenlijk, criticus en hoogleraar literatuur? Iemand besteedt een of meerdere jaren van zijn leven aan het schrijven van een boek, daarbij productieve tijd en financiële middelen opofferend, om daar na publicatie heel weinig in return voor te krijgen. Terzelfdertijd buigt een criticus, min of meer in vaste loondienst, zich over datzelfde boek om het in een paar namiddagen te beoordelen. En dan heb je nog de professoren op de achtergrond, met aardig honorarium, die vanuit een comfortabel overzicht al die nijvere scribenten bestuderen. Waarbij bestuderen, zoals hierboven hopelijk afdoende wordt uitgelegd, voornamelijk betekent: beschrijven.

Hoe langer je daarover nadenkt, hoe duidelijker dit het ontwerp is voor een satire die Swift nooit geschreven heeft.

[Wie geïnteresseerd is in seriéuze kritiek over Popper en zijn falsificatiecriterum, kan o.a. terecht bij Jaap van Heerden in Schrikbewind der verzinsels. Voor doordachtere kritiek op de Huizinga-lezing, zie het stuk van Hans van den Bergh in het liber amicorum Uren met Karel van het Reve.]

____

27 reactie(s):

ijsbrand zei

De literatuurwetenschap heeft zich eerst onmogelijk gemaakt door een wetenschap te willen zijn, en daarvoor allerlei vage theorie te ontwikkelen. En inmiddels is de status van literatuur zo gedaald, maatschappelijk gezien, dat die ook het prestige heeft uitgehold van alle literatuurwichelaars.

Dat lijkt me voorlopig straf genoeg voor al die parasieten.

Nu ja, er nog van afgezien dat die lui de prettigste activiteit die je in je eentje kunt doen, met kleren aan, toch al verkloot hebben door al die boeken stuk te moeten bestuderen.

Overigens vond ik de betreffende recensie van de Van het Reve-bundel een erg luie en arrogante bespreking.

e. zei

Ik deel uw bezwaren, en uw bewondering voor KvhR, maar ik vrees dat u zich op een zeer moerassig terrein begeeft: de voorbije 30 jaar is de literatuurwetenschap zo uitgedijd, in allerlei richtingen, dat ze niet voor 1 gat te vangen is: wat u ook als bezwaar opwerpt, uw opponenten zullen altijd wel een tegenvoorbeeld vinden. Ik denk dat u uw pijlen daarom beter op individuele publicaties van literatuurwetenschappers kunt richten.

Maar misschien is zelfs dat te veel eer. Een goede literatuurwetenschapper doet hetzelfde werk als een goede essayist, met dat verschil natuurlijk dat die laatste volop de subjectiviteit, beperktheid, voorlopigheid en bescheidenheid van zijn benadering aanvaardt, en dat hij geen vaste benoeming en dito pensioen krijgt.

Wat mij ergert aan heel veel geschrijf over literatuur (uit "wetenschappelijke" hoek of niet) is - behalve natuurlijk de onleesbaarheid en de onhoffelijkheid waarvan die onleesbaarheid getuigt: de pretentie dat het boek waarover ze het hebben pas in hun geschrijf echt "tot zichzelf komt", voltooid wordt, zijn eigenlijke bestemming bereikt. Terwijl ze het meestal alleen maar door de zeef van de sociologische of filosofische mode du jour halen. (In de kringen die er toe doen in Nederland en Vlaanderen moet je momenteel bijvoorbeeld naar het werk van een nogal maffe filosoof als Badiou verwijzen, en nog altijd naar charlatans als Lacan.)

"Soms denk ik: wat voor koddige stielen zijn dat eigenlijk, criticus en hoogleraar literatuur?" Die vraag vind ik heel terecht. Ze doet me denken aan een opmerking van Elias Canetti, naar aanleiding van de plotselinge academische interesse voor het werk van Robert Walser: "Ik vraag me af of er van al die mensen die hun comfortabele, veilige, kaarsrechte academische leven bouwen op het leven van een schrijver die in ellende en vertwijfeling heeft geleefd, ook maar iemand is die zich schaamt."

Achille van den Branden zei

@ e.

O, wees niet bang. Ik ben echt wel de laatste die denkt dat de tegenpartij een duimbreed zal toegeven, laat staan dat ik haar de genadeslag zal kunnen toebrengen.

Het is inderdaad erg lastig om in algemeenheden te spreken over literatuur. Het advies om een specifiek literatuurwetenschappelijk boek aan te vallen: heb ik ook al aan gedacht, en daar zal het zeker ook wel eens van komen.

Intussen vind ik het plezierig om door tegenargumenten gedwongen te worden mijn eigen gedachten zo goed mogelijk op een rijtje te hebben. Dat is me ook wat waard. Daarom steek ik er tijd en energie in. Wat kunnen mij voor de rest al die bleekneuzen en dorpsgenieën met hun dorre geschriften schelen. Laat die maar rustig ronddwalen in de spiegelpaleizen der abstractie.

Samuel Vriezen zei

Ik ben heel benieuwd naar die aangescherpte argumenten.

Op internet ouwehoeren mensen bij voorkeur over dingen waar ze geen verstand van hebben, simpelweg omdat dat heel wat minder tijd vergt dan ouwehoeren over dingen waar je wel verstand van hebt.

Daarom is het ook begrijpelijk dat mensen aankomen met termen als "parasieten" en "maffe filosoof". Je aanmatigen dat je zulks over een compleet vakgebied of een grote denker kunt zeggen verleent je al snel een aura van intelligentie. En meer dan tien seconden denktijd kost het niet.

Achille van den Branden, U bent de man om het niveau van het gezonde verstand te verhogen! Ik reken op U!

Achille van den Branden zei

Mijn argumenten (die misschien nog wel een weekje op zich zullen laten wachten - de zon!) zullen u niet overtuigen. Ik ben het overigens eens met bovenstaande lieden.

En mocht u het boeklog van IJsbrand volgen, zou u 'm niet bestempelen als iemand met enkel een "aura" van intelligentie.

Tien seconden denktijd, ouwehoeren over dingen waar je geen verstand van hebt; u zegt het.

Samuel Vriezen zei

Het gaat in het debat dan ook niet om "overtuigen". Het gaat uitsluitend om precies wat U voorheeft: het scherpen van het inzicht. Onze inzichten zijn niet verenigbaar; dat maakt een debat niet op voorhand zinloos natuurlijk. Soms zijn de inzichten wel verenigbaar; dan zijn de mogelijkheden navenant beter.

Hoe dan ook kan een beetje niveau kan geen kwaad. Geroep dat deze of gene beroepsgroep - die gewoon teksten produceert waar ieder zijn voordeel mee kan doen, of niet, wat men maar wil - parasitair is en straf verdient: daar kan ik bijzonder slecht tegen. Die mensen zijn serieus en verdienen het om op zijn minst net zo serieus bestreden te worden. De rest is clownerie.

Dat iemand de moeite neemt om elke dag een boek te bespreken vind ik overigens prachtig - ik heb daar werkelijk niets dan respect voor, ik zou het zelf niet volhouden - maar is geen ondersteunend bewijs voor gezwatel. Ik zie sowieso weinig in het argumentum ad verecundiam; ook in het kader van Karel van het Reve verbaast het me altijd dat de fans van deze kritische geest zo vaak in een soort ipse dixit vervallen. Ik denk dat dat vooral met twee zaken te maken heeft: ten eerste had vhR een betere en grappigere pen dan het gros van zijn fans; ten tweede was hij het toonbeeld van het "niet onder de indruk", wat geloof ik op intellectueel gebied het belangrijkste basisrecht is dat men in Nederland erkent, waarbij vhR óók nog eens een beroep had (vetbetaalde hoogleraar) dat die houding extra geloofwaardigheid kon verlenen. En dat zijn volgens mij de enige redenen dat we het nog steeds over *zijn* opvattingen over literatuurwetenschap hebben, in plaats van die van Achille van den Branden, IJsbrand of e.

Maar daar gaat verandering in komen. U zult mij inderdaad niet gaan overtuigen van de nutteloosheid van de literatuurwetenschap; ik ben zelf geen literatuurwetenschapper maar heb incidenteel wel mijn voordeel kunnen doen met die discipline. Kortweg: ik zie dat er literatuurwetenschappers zijn die mooi werk verrichten op grond van hun ervaring en expertise. Dat lijkt me alvast een falsifiëring van jewelste voor de theorie dat literatuurwetenschap nutteloos is. Dus dat wordt zwaar overtuigen.

Maar: als U met sterkere bezwaren komt, dan kunnen die in het vervolg gaan dienen als ijkpunten in het literatuurwetenschappelijke debat. U moet maar denken: nergens wordt Nietzsche zo serieus genomen als in de theologie. Wellicht kunt U iets vergelijkbaars doen voor de literatuurwetenschap. Dat zou prachtig zijn. Ik zie er naar uit.

Samuel Vriezen zei

Één punt van e. is de moeite waard om op in te gaan:

"Wat mij ergert aan heel veel geschrijf over literatuur (uit "wetenschappelijke" hoek of niet) is [...] de pretentie dat het boek waarover ze het hebben pas in hun geschrijf echt "tot zichzelf komt", voltooid wordt, zijn eigenlijke bestemming bereikt."

Uiteraard is zulke pretentie heel naar. Alleen kom ik die pretentie juist bij literatuurwetenschappers nooit tegen. Misschien loop ik gewoon de rotte appels onder hen steeds mis natuurlijk, maar ik geloof dat /twijfel/ aan de absoluutheid van de eigen positie, wat een *door een door wetenschappelijke houding* is, bij uítstek in de filosofie en de literatuurwetenschap gemeengoed is geworden. Wellicht pas in de laatste decennia? Hoe dan ook, precies daar komt ook vaak grote omhaal van woorden vandaan, als men een zorgvuldige formulering zoekt die ruimte laat en niet afknijpt. Het is meestal juist in het recenseren dat men met apodictische oordelen komt; maar daar is dat vak ook voor.

Wel is het zo dat men graag een boek gebruikt om tot inzichten te komen die niet per se met dat boek samenvallen. Het boek als "springplank" voor gedachtenvorming. Daarmee bereikt natuurlijk niet het boek zelf zijn "eigenlijke bestemming", maar het essay erover wellicht wel.

En als men dát veroordeelt - het gebruiken van het boek om tot een punt te komen - dan ligt juist het gevaar op de loer van de autonome literatuuropvatting. Wat ik zou willen vermijden is het idee dat er een "eigenlijke bestemming" is voor het /leesproces/ zelf, en dat die bestemming samenvalt met het gelezen boek. Dat vind ik een romantisch obscurantisme, en uiteindelijk steriel.

e. zei

@Samuel Vriezen: even toelichten waarom ik Badiou een "maffe filosoof" heb genoemd.

Een citaat uit Alain Badiou, De ethiek (Uitgeverij IJzer, 2005): "Ik noem 'waarheid' (een waarheid) het reële proces van trouw aan een evenement. Bijvoorbeeld de politiek van Franse maoïsten tussen 1966 en 1976, waarin het ging om het denken en beproeven van trouw aan twee verweven evenementen: de Culturele Revolutie in China en Mei '68 in Frankrijk." (p70)

Als iemand de zogenaamde Culturele Revolutie een evenement noemt dat trouw verdient, dan vind ik dat gezwatel idioot en maf. Ik heb geen zin om dat hier te beargumenteren: lees Simon Leys en vele anderen. En zijn waarheidsbegrip, tsja. Een antisemiet die trouw blijft aan het evenement van Auschwitz, die zal dan ook ook in een "reëel proces" van waarheid zitten.

Vertrouw nooit mensen die over een "reël proces" schrijven, zou KvhR daar waarschijnlijk aan toevoegen.

Samuel Vriezen zei

"Een antisemiet die trouw blijft aan het evenement van Auschwitz, die zal dan ook ook in een "reëel proces" van waarheid zitten."

Deze zin toont aan dat U De Ethiek niet, of op zijn best zeer slecht, hebt gelezen. Dat geeft niet, maar als U het wel zou hebben gedaan, zou U misschien beter in staat zijn geweest om ook Badiou's (inderdaad heel provocatieve en niet zonder meer acceptabele) trouw aan het maoisme te plaatsen.

U spreekt Badiou's inzet niet aan, maar dat leidt er bij U toe dat voor U zijn argumentatie bij voorbaat niet kan deugen. Dat is geen intellectuele houding, dat is een weigering te lezen rechtvaardigen op niet meer dan ideologische gronden.

Allemaal best, maar matig je er dan ook geen oordeel over aan, zou ik zeggen.

Achille van den Branden zei

"Een antisemiet die trouw blijft aan het evenement van Auschwitz, die zal dan ook ook in een "reëel proces" van waarheid zitten."

Deze zin toont ook aan dat U Mein Kampf niet, of op zijn best zeer slecht, hebt gelezen. Dat geeft niet, maar als U het wel zou hebben gedaan, zou U misschien beter in staat zijn geweest om ook Hitlers (inderdaad heel provocatieve en niet zonder meer acceptabele) trouw aan het antisemitisme te plaatsen.

U spreekt Hitlers inzet niet aan, maar dat leidt er bij U toe dat voor U zijn argumentatie bij voorbaat niet kan deugen. Dat is geen intellectuele houding, dat is een weigering te lezen rechtvaardigen op niet meer dan ideologische gronden.

Allemaal best, maar matig je er dan ook geen oordeel over aan, zou ik zeggen.

Samuel Vriezen zei

Nee maar, weer zo'n prachtige Reductio ad Hitlerum!

http://en.wikipedia.org/wiki/Reductio_ad_Hitlerum

Voor wie geïnteresseerd is in wat Badiou precies te melden heeft over de Nazis raad ik aan De Ethiek te lezen, in het bijzonder p. 105-113, waar het verschil tussen een evenementiële waarheidsprocedure en een simulacrum formeel wordt gekarakteriseerd. (Ook op de Rode Gardisten formuleert Badiou trouwens een kritiek, maar onder een ander kopje, omdat het Kwaad bij de Culturele Revolutie niet de gedaante van het simulacrum aanneemt maar van wat Badiou Rampzaligheid noemt. De analyse staat op p. 116-124.)

e. zei

Jaja, de waarheden van Badiou zijn universeel, die van Hitler niet, daar komt het zo'n beetje op neer. Toch wel een troost voor de miljoenen doden van de Culturele Revolutie: te mogen sterven omdat anderen trouw wilden blijven aan een universele waarheid. Die arme joden in Auschwitz moesten het helaas met een "simulacrum" stellen. Geef toe, dat sterft toch wat moeilijker.

Wat Badiou in de geciteerde fragmenten overigens over de Rode Gardisten schrijft, is dat ze "in 1967 de complete afschaffing van het egoïsme aankondigen", en dat ze zich daarmee "wel degelijk beijveren voor een visie op de situatie waarin het belang is verdwenen en de opinies zijn vervangen door de waarheid".

"De afschaffing van het egoïsme": zoals Orwell ergens ongeveer schrijft: je moet wel een intellectueel zijn om zulke idiote frasen uit te kramen.

Die Badiou is een sinistere smeerlap (in de jaren zeventig verdediger van Pol Pot en de Rode Khmer - tiens, aan die waarheid is hij blijkbaar niet trouw gebleven), en het is een intellectueel schandaal dat hij zo serieus wordt genomen. Als u dat niet inziet, tant pis, ik heb geen zin meer om me er nog mee bezig te houden. Als genereuze bijdrage aan "de complete afschaffing van het egoïsme" geef ik u daarom het laatste woord.

Samuel Vriezen zei

Dat zou U toch niet moeten doen. Badiou legt nou juist uit dat die "complete afschaffing" op een ramp is uitgelopen!

Maar goed, mijn laatste woord: volgens mij moeten juist democraten goed luisteren naar een niet-democratisch filosoof. Net zoals die theologen met Nietzsche, zeg maar. Als de democraten immers niet hun tegenstanders serieus nemen, geven ze hun tegenstanders impliciet gelijk: hun tolerantie voor andere standpunten blijkt dan gewoon schijn.

Zulk luisteren betekent natuurlijk niet per definitie gelijk geven. Maar wel, als het om bestrijden gaat, op het intellectuele niveau dat het werk in kwestie verdient.

Badiou is een filosoof die technisch scherp en precies formuleert en polemiseert; hem negeren alleen maar omdat zijn boodschap politiek inopportuun is is gemakzuchtig. "Geen zin", zoals U al zegt. Dat is verder Uw keuze: die zal ik zeker kunnen respecteren. Niemand is verplicht alle boeken ter wereld te hebben gelezen.

Maar als U iets wilt zeggen over Badiou dat hout snijdt dan zal het nodig zijn dieper te graven in het werk. Mijn advies: laat het inderdaad gewoon lekker links liggen. Maar dan ook echt: zomaar wat opinievorming is geen debat.

Achille van den Branden zei

Eigenlijk komt al uw kritiek neer op het volgende: E. heeft Badiou's boek niet, of 'niet goed genoeg' gelezen. 'Had hij dat wel gedaan' dan had hij wat Badiou zegt 'beter kunnen plaatsen'. Als E. tegenargumenten opwerpt zijn deze bovendien 'ideologisch', niet 'op het intellectuele niveau dat het werk verdient', 'opinievorming' en geen bijdrage aan het 'debat'. Wie fouten aantreft bij Badiou moet gewoon 'dieper' graven.

Dat zijn cirkelredeneringen waar geen enkel verweer tegen mogelijk is.

Dat is ook exact wat ik met mijn Hitler-variant bedoelde. Omdat dergelijke verwijten toepasbaar zijn op gelijk welke lezing van gelijk welk boek, zelfs de meest evidente lezing van het meest verderfelijke boek, zijn ze zinledig.

Nergens bent u precies. U suggereert alleen maar. Kijk daar eens. Neen, kijk nog eens goed.... De bewijsplaatsen liggen altijd elders.

Ook met dat suggestieve Wiki-linkje. U begrijpt helemaal niet wat een Reductio ad Hitlerum is of maakt er moedwillig misbruik van.

Laat ik, in tegenstelling tot u, wel precies zijn: bij een Reductio ad Hitlerum wordt Hitler erbij gesleept om iets af te keuren op basis van het feit dat Hitler er zich ook aan bezondigde. De dwaze kronkel: vegetarisme is slecht, wánt Hitler was een vegetariër. Maar in mijn variant staat duidelijk niet Hitler centraal, of iets wat Hitler deed, maar u -- uw manier van redeneren.

En wat u verder allemaal vertelt...

Iets afwijzen op ideologische gronden is dus per definitie geen intellectuele houding? (Alsof filosofie pure denksport is zonder morele repercussies in het leven van alledag.)

En het wantrouwen (met de geschiedenis in het achterhoofd) van mensen die totalitaire denksystemen aanhangen is dus per definitie ideologisch? (Dan is het afkeuren van genocide vast ook iets ideologisch.)

U neemt gewoon uit elke repliek wat u bevalt. Op essentiële punten van e.'s kritiek gaat u niet in. Zoals daar zijn: wat is voor honderdduizenden vermoorde mensen de zin van het taalspelletje om een onderscheid te maken tussen een evenementiële waarheidsprocedure en een simulacrum?

Ach. Wil iemand beter begrijpen waarom veel Franse filosofen schrijven zoals ze schrijven (vol van de werkelijkheid en het dagelijkse taalgebruik losgezongen abstracte terminologie -- alsof dat gelijkstaat aan 'precies formuleren' en alsof niet juist een abstract begrippenapparaat zeer makkelijk te misbruiken is, en mooi inzetbaar om een mistgordijn te spuiten voor niet-ingewijden), moet iets afweten van de aard van het onderwijs aan de Normal Sup, waarvan Badiou en co produkten zijn. H.L. Wesseling heeft daar zeer degelijke bladzijden over geschreven.

Samuel Vriezen zei

“Dat zijn cirkelredeneringen waar geen enkel verweer tegen mogelijk is.”

Toch wel hoor. Gewoon de boeken waar je over praat goed lezen, dat is verweer genoeg.

Wie De Ethiek leest, ziet hoe Badiou het onderscheid maakt tussen “trouw aan de Nazis” en trouw aan een waarheid. Dat was wat ik bedoelde, toen ik dat ene zinnetje van e. nogal inadequaat vond. Er stond daar gewoon iets waar het boek een nogal duidelijk antwoord op heeft.


“Nergens bent u precies. U suggereert alleen maar. Kijk daar eens. Neen, kijk nog eens goed.... De bewijsplaatsen liggen altijd elders.”

Niet precies? Ik geef PAGINANUMMERS. Moet ik soms de hele Ethiek overtypen of zo? Moet ik Badiou’s theorie hier gaan komen samenvatten? Dat boek ligt gewoon in de winkel, iedereen kan het lezen.


“Iets afwijzen op ideologische gronden is dus per definitie geen intellectuele houding?”

Nee, maar argumentatie niet serieus nemen op grond van deze afwijzing is daarentegen inderdaad geen intellectuele houding. Net zoals al dat volk dat roept dat Heidegger onzin is *omdat* hij met de Nazis geheuld had. Dat is te makkelijk. Men gebruikt zulke argumenten meestal om de weigering te lezen goed te praten. Zeuren over stijl en woordkeus is meestal argument nummer twee.

Je hebt dus “Ik hoef X niet te lezen want hij is een klootzak”, en “Ik hoef X niet te lezen want hij schrijft zo raar”. Beide geen intellectuele houding. Zoals ik al zei, niemand is verplicht te lezen, maar wil je in debat, dan zul je toch wel moeten, vroeg of laat.


“En het wantrouwen (met de geschiedenis in het achterhoofd) van mensen die totalitaire denksystemen aanhangen is dus per definitie ideologisch? (Dan is het afkeuren van genocide vast ook iets ideologisch.)”

Lees Badiou maar. Zijn werk biedt een uitstekende grondslag voor een verzet ZOWEL tegen het “parlementair kapitalisme” (democratie) als tegen elke totalitaire denkwijze.


“U neemt gewoon uit elke repliek wat u bevalt. Op essentiële punten van e.'s kritiek gaat u niet in. Zoals daar zijn: wat is voor honderdduizenden vermoorde mensen de zin van het taalspelletje om een onderscheid te maken tussen een evenementiële waarheidsprocedure en een simulacrum?”

Dat is heel simpel: die mensen zijn dood, voor hen heeft dat debat geen zin. Maar we voeren debatten om onze inzichten te scherpen, niet de inzichten van de doden. Wat is de zin voor ons van zo’n “taalspelletje”? Wel: betere taal natuurlijk, om situaties beter te beschrijven. Is er inderdaad geen verschil tussen een Waarheidsprocedure die op rampzaligheid uitloopt en een simulacrum? Niet voor de doden, maar wel voor ons: WIJ moeten precies weten met welke vorm van Kwaad we te maken hebben, om het effectief te kunnen bestrijden. DAT is onze enige ethische opdracht.

Tot slot, over die mistgordijnen: ik heb zelf niet aan de Normal Sup gestudeerd en ben geen “ingewijde” (ik heb nooit het bloed van een pasgeslachte kip hoeven drinken en zo). Ik ben Badiou gewoon gaan lezen, en verdomd, ik begrijp zijn termen. Dus het is te doen, voor niet-ingewijden. Het kost wel wat tijd alleen: die neemt niet iedereen.

Samuel Vriezen zei

Tussen twee haakjes. Een discussie over Badiou is niet waar ik hier op uit ben. Die is nu per ongeluk aan het ontstaan, als zijtak van een opmerking over het belang van het grondig lezen van wat je kritiseert.

Maar het gaat nu de kant op dat ik de filosofie van Badiou moet gaan verdedigen en uitleggen aan mensen die dat werk niet kennen. Ik heb daar in deze context eigenlijk geen zin in; vandaar dat ik ook hamer op de mogelijkheid om het werk gewoon NIET te lezen.

Over Badiou wil ik in het algemeen graag in discussie - ik zie de problematische kanten van zijn werk ook wel - maar liever niet als een zijtak van een discussie waarvan de inzet is dat Franse intellectuelen zus en literatuurwetenschappers zo. Maar wie serieus in Badiou geinteresseerd is - voor of tegenstander - en bereid is wat boeken van de man door te werken kan altijd contact met me opnemen.

Achille van den Branden zei

Ik botste net op een verhelderende reactie van u op Loewak. Daar staat:

"Vd Brandens belezenheid moest in die Reactordiscussie geloof ik vooral daaruit blijken dat hij het stuk van Karel van het Reve kon overschrijven. Je hoefde maar te vragen of hij met dat monnikenwerk ook tegen de recensie van Bax was ingegaan en weg was Mr. Herseninhoud. Hoewel ik nog steeds hoop dat hij terugkomt om de literatuurwetenschap definitief op te blazen. Heb wel zin in wat vuurwerk."

Komt het niet eens in u op dat ik tijd wou maken voor een grondige reactie, in een zo helder mogelijke taal?

Eerst hier een beetje komen slijmen, maar me elders zonder reden beledigen. U wil gewoon even lekker in de clinch gaan, is dat het? Iemand pakken op zijn woorden, zonder te proberen begrijpen waar die ander naartoe wil?

Beseft u dat u daarmee de grond uit uw geloofwaardigheid slaat? Mensen zijn geen middel waar je je zomaar eventjes van bedient. Het gebruik van de rede geen vrijblijvende hobby, maar een manier om tot zo helder mogelijke resultaten te komen, prettig voor een zo groot mogelijk publiek. De taal een ietwat onhandig instrument om iets over de werkelijkheid te zeggen, geen weefgetouw om mensen in allerlei dialectische draden te verstrikken. Orwell heeft "het Kwaad" al afdoende bestreden, zonder één duistere zin te schrijven. Jammer dat zo weinig mensen hém nog lezen.

Zoek uzelf maar een andere sparringpartner. Mijn laatste woord hier.

Samuel Vriezen zei

Okay, dat op Loewak was niet het toppunt van goede smaak; zij het niet zo kwaad bedoeld (ik noem U in elk geval geen smeerlap of parasiet) - het is eerder uit de hand gelopen meligheid, vooral in reactie op Benders' woorden. Mijn excuses daarvoor; ik zal op Loewak ook nog even wat toevoegen daarover; mijn belangstelling voor Uw aangescherpte reactie blijft onverkort; het aanbod om het over Badiou te hebben ook; en over Orwell wil ik het ook nog wel een keertje hebben.

Martijn Benders zei

ha nee he, niet weer een ellenlange discussie over zwatelneef badiou. Ik heb van die man nooit ook maar 1 passage of enkele zinsnede gelezen die ook maar in de verste verte hout sneed. Ik daag hierbij vriezen uit om hier nou eens 1 passage te citeren uit Badiou waaruit kan blijken dat de man een groot denker was. En dan heb ik het niet over een van wazige abstracties aan elkaar hangend stukje kunstacademiefilosofie, geen mistgordijnen, post eens een citaat van die man welke hout snijdt. Nog nooit ook maar 1 gedachte van die man gezien die betrekking had op iets cruciaals.

Martijn Benders zei

(Niet om het een of ander, Vriezen, maar je hoeft echt enkel een willekeurige 'Badiou quotes' pagina pen te slaan m te zien dat die man niets op kon schrijven zonder de meest ellendige gemeeplaatsen te gebruiken en constant open deuren in te trappen. Kijk hier maar eens: http://thinkexist.com/quotes/alain_badiou/

Sorry maar als uit je werk niet eens wat goede quotes te destilleren zijn dan houdt het voor mij op. En als die goede quotes wel bestaan: ik zie ze graag eens op de proppen komen. En ja, ik heb 'De Ethiek' wel gelezen en ik vond het een totaal van de pot gerukt zwatelboek - alsof je naar een potje voetbal zit te kijken waar men zowel de goals als alle spelregels heeft afgeschaft en enkel op het veld schijnbewegingen staat uit te voeren. Het is gewoon een enorme zwetsdrol, die Badiou, dat zie je in interviews ook: er komt geen interessant idee uit, alleen de meest vervelende soorten gemeenplaatsen. Ik ben niet primair op zoek naarmensen die me vertellen wat ik allang weet en 'Our democracy is not perfect. But it's better than the bloody dictatorships. Capitalism is unjust. But it's not criminal like Stalinism' is niet bepaald iets waar ik van achterover sla, het spijt me. Ik vind Badiou hoogstens een balletdanser met ingewikkelde woorden, geen filosoof.

Samuel Vriezen zei

Martijn - ik had hier een uitgebreide reactie, maar die past kennelijk niet meer in het blog.

Kort: zie allemaal mooie boeken op a.aaaarg.org als je geen zin hebt ze te kopen; ik kan je een gepersonaliseerde leestlijst geven. De boeken over ethiek, deleuze, paulus, surreele getallen vind ik prachtig.

Het laatste citaat dat je geeft: 'Our democracy is not perfect. But it's better than the bloody dictatorships. Capitalism is unjust. But it's not criminal like Stalinism' is geen mening van Badiou, maar een mening die Badiou bestrijdt.

Kijk voor de gein eens naar de fikse polemiek tussen Badiou en Finkielkraut. Badiou verdedigt daar op zeer harde wijze stellingen over identiteit en immigratie in Frankrijk die jij ook zou onderschrijven.

Een citaatje dan - liever citeer ik hele boeken, maar goed - deze had ik op mijn FB-profiel gezet:

"Produire, dans le monde tel qu'il est, des formes neuves pour accueillir l'orgueil de l'inhumain, voilà qui nous légitime."

Het verwelkomen van de trots van het inhumane. De humanisten onder ons zullen ervan schrikken, maar het klopt: grote politiek, kunst, wetenschap en liefde brengt het inhumane - het in de wereld niet voorstelbare - binnen het menselijke bereik, en verheft de mens tot het onsterfelijke.

Martijn Benders zei

Ik weet niet of van den Branden m9ijn reactie wiste of dat het een terkortkoming van blogger is (ik start binnenkort een dienst voor literaire weblogs waar schrijvers zelf aan kunnen verdienen, wellicht ook iets voor dit log want blogger = bagger) maar enfin, mijn essentiele punt was dat ik niet geloof in filosofen die niet citeerbaar zijn en alleen in context waarde hebben. Want dat is feitelijk wat er bij Badiou ana de hand is. Er valt geen enkele uitspraak van hem te citeren die niet op een open deur leunt, net als hier: grote systemen zijn onmenselijk, ja dank je de koekoek, dat weet mijn buurman ook wel. Het is gewoon geen intelligente observatie. Het impliciete dualisme is kinderlijk. Badiou is een naieve idealist die feitelijk meent dat hij het wiel opnieuw uit kan vinden, door grotendeels allles wat Nietzsche schreef te negeren en met een volstrekt zichzelf-niet-bevragende reeks van begrippen een 'nieuwe ethiek' op te bouwen, die op mij vooral paranoide en onwezenlijk overkomt, want alleen op negatie gebaseerd (ik bevraag mezelf uit principe niet)

Samuel Vriezen zei

Badiou is inderdaad geen Nietzschiaan maar negeert hem niet; hij behandelt Nietzsche vaak zijdelings, o.a. in zijn boek over Paulus. Enerzijds een boek dat jou als "Novo Universalis"-man aangaat, anderzijds een boek dat elke Nietzschiaan stevig moet provoceren (hij laat de nauwe overeenkomsten tussen Nietzsche en Paulus - een van Nietzsche's favoriete tegenstanders - zien, ongeveer zoals hij in zijn boek over Deleuze laat zien dat Deleuze een Platonist is.) Maar ik weet dat je het toch niks gaat vinden, dus bespaar je de moeite zou ik zeggen.

De radicale affirmativiteit van Badiou is inderdaad irritant. Precies wat maakt dat iedereen hem zo graag onder het tapijt wil vegen, wat nogal lastig is, omdat zijn theorie heel sterk in elkaar steekt. (En dat heb jij ook op hem tegen: daarom vraag je om "citaten". Je hebt daarmee een zeer romantisch filosofiebeeld: alles in fragmenten, enz.)

Maar, die affirmativiteit is ook juist prikkelend in een tijd dat precies die Nietzschiaanse constante zelfbevraging tot postmoderne norm is geworden in de hele maatschappij. Nietzsche is niet voor niets typisch een filosoof waar late pubers mee dwepen.

Samuel Vriezen zei

Waar mensen daarnaast ook totaal niet tegen kunnen is dat Badiou nooit ontkent dat er een element van terreur schuilgaat in elke "waarheidsprocedure". Dat is nou juist de moeilijkheid waar hij de aandacht voor vraagt: hoe kunnen we wel trouw zijn aan, bijvoorbeeld, communistische idealen - maar zonder opnieuw in de fouten te vervallen van het historische "reeel bestaande socialisme"? De democratische oplossing - gewoon geen idealen meer hebben, alles reguleren, eens in de vier jaar naar de stembus en verder niet zeuren - wijst hij af. Maar totalitarisme (het "forceren van het onbenoembare", in zijn jargon) ook. Wat dan wel? Lokaal activisme. Vóór, bijvoorbeeld, de rechten van illegalen - zij die geen rechten hebben.

Anyway. Ik ging het niet over Badiou hebben, doe ik het toch. Excuses, Achille!

Martijn Benders zei

Nee, dat is helemaal geen 'romantisch' filosofiebeeld: ik geloof gewoon niet in filosofie die alleen op zijn eigen context kan leunen. Ik vroeg je om een citaat waaruit zou moeten blijken dat Badiou een scherpe intelligentie heeft, en je komt met een citaat op de proppen welke gebaseerd is op een observatie die - met alle respect - de grootste kneus nog zou kunnen waarnemen: ja, grote systemen zijn onmenselijk, ammehoela.

Ik geloof niet in dichters die niet te citeren vallen. Als elk fragment van een bepaalde dichter op zichzelf 'slecht' is kun je als brugman redeneren dat 'het totaal goed is' maar ik van dat een vorm van kwatsmystiek. Die visie ontkoppelt namelijk juist de primaire verantwoordleijkheid van een filosoof of schrijver (dat elk woord telt) en stelt dat het mogelijk is om met een gigantisch corpus van slecht geschreven zinnen een goed boek te maken.

Ik geloof daar gewoon niet in, in de zin van dat de bewering 'dit is een goed boek' niet te staven is door enige details. Als ik naar de details in het geval Badiou kijk zie ik alleen open deuren, gemeenplaatsen, gebrek aan zelfondervraging, gebrek aan stijl, horkerige en kinderlijke dualismes, en nog meer ongein. Ik vind het gewoon geen filosoof.

Samuel Vriezen zei

(dus zullen we het per mail voortzetten, als je nog belangstelling hebt, Martijn?)

Achille van den Branden zei

Niet zo achterdochtig. Achille van den Branden wist in de regel geen reacties, alleen automatisch gegenereerde spam.

Heel af en toe doet Blogger idd raar bij het publiceren, ik weet ook niet waarom. Ik tik mijn reacties daarom uit in een kladblokje en plak ze dan pas in het reactiehokje. Heb ik steeds een kopietje achter de hand.

Per reactie mag je van Blogger ook een bepaald aantal woorden niet overschrijden. Maar ook daar is omheen te fietsen: deel de reactie simpelweg op in twee helften.

Soit. Over die Badiou heb ik voorlopig genoeg gehoord. Verkas jullie discussie maar naar een van jullie eigen weblogs.

Reacties afgesloten voor deze post.

Related Posts with Thumbnails