maandag 10 mei 2010

De wonderen van de Oriënt - Marco Polo

De Palestijn Edward Said (die zichzelf graag zag als balling, in Amerika) definieerde een intellectueel ooit "als een schipbreukeling die leert hoe hij niet ten koste van, maar met het land moet leven, niet zoals Robinson Crusoe die zich ten doel stelt zijn eilandje te koloniseren, maar eerder als Marco Polo, wiens gevoel voor het wonderbaarlijke hem nooit in de steek laat en die altijd een reiziger blijft, een tijdelijke gast, geen klaploper, veroveraar of plunderaar."

Het is een vergelijking die een beetje mank loopt. Marco Polo (1254-1324) wás geen intellectueel of filosoof. Zelfs geen schrijver, wetenschapper of missionaris. Hij was in de eerste plaats een Venetiaans handelaar. Hij werd inderdaad beroemd met zijn boek Il milione, dat zijn ontdekkingsreizen beschrijft in Perzië, het Mongoolse rijk, China en Indonesië tussen 1271 en 1291. Maar vóór alles bekeek hij de zaken met het oog van een koopman.

Bovendien beginnen zijn reizen eigenlijk bij zijn vader en oom, Niccolo en Maffeo Polo, eveneens Italiaanse kooplieden uit Venetië. Zij maakten van 1254 tot 1269 al een gelijkaardige reis naar het rijk van de Mongoolse leider, leerden er de taal en deden zodoende heel wat ervaring op die Marco later van pas zou komen.

De reizen
Kort na de geboorte van Marco (in Venetië, of op het Kroatische eiland Korčula, dat hoorde bij de Republiek Venetië) vertrokken Niccolo en Maffeo Polo op een handelsreis naar Sudak. Omstreeks 1255 trokken ze naar Constantinopel. Daarna staken ze in 1260 de Zwarte Zee over naar Soldaia op de Krim en vervolgens trokken ze door Rusland, waar ze in de Tataarse stad Bolgar goede zaken deden aan het hof van Berke, khan van de Gouden Horde. Omdat Berke in oorlog was met de Mongoolse heerser Hulagu, konden ze niet terugkeren. In plaats daarvan trokken ze door naar Buchara in Oezbekistan. Later trokken ze nog verder, via Samarkand naar Khanbaliq (ook wel Dadu, het huidige Peking), waar ze werden ontvangen door Koeblai Khan. Daar verbleven zij twee jaar lang, tot ze via een onbekende route terugkeerden naar Akko aan de kust van de Middellandse Zee en vandaaruit naar Venetië, waar ze in 1269 aankwamen.

Koeblai Khan (1215-1294), opgegroeid in China tussen Chinese leermeesters en bijgevolg tolerant tegenover andere geloven, toonde zelfs interesse voor het christendom en vroeg het tweetal terug te komen en relikwieën en zendelingen mee te brengen. In 1271 vertrok het paar daarom weer naar het oosten via de Zijderoute, en dit keer ging ook Marco mee, toen zeventien jaar oud. Met de zegen van de nieuwe paus Gregorius X (die in de reis een kans zag om het christendom in het hele Mongoolse Rijk en met name in China te verbreiden) en in gezelschap van twee Dominicanen (die hen echter al snel in de steek lieten) vertrokken ze vanuit Palestina, over Bagdad naar Hormuz aan de Perzische Golf en vandaaruit dwars door Perzië naar de Boven-Oxus, en over de Pamir naar China.

De Polo's, en in het bijzonder Marco Polo, waren spoedig populair bij Koeblai Khan en Marco ondernam diverse diplomatieke missies in meerdere delen van China. Toen de Polo's weer wilden vertrekken wou Koeblai daar niets van weten, tot ze in 1290 of 1292 toestemming kregen een Mongoolse prinses te begeleiden op haar reis naar Perzië om uitgehuwelijkt te worden aan Il-khan Arghum. Via onder meer Sumatra, Ceylon en Malabar aan de Indiase westkust bereikte het gezelschap weer het Perzische Hormuz. Vandaar trokken de Polo's via Trebizonde in Klein-Azië en Constantinopel terug naar Venetië waar ze in 1295 aankwamen.

In 1298 werd Marco Polo gevangengenomen tijdens een conflict tussen Venetië en Genua. Tijdens zijn krijgsgevangenschap in Genua vertelde Marco zijn verhalen aan ene Rustichello van Pisa, een medegevangene. Rustichello, eigenlijk een schrijver en bewerker van Arthurromans, tekende het autobiografische relaas op in het oud-Frans en gaf het de titel Divisament dou monde. Later zou het bekend worden als De mirabilibus mundi (in het Latijn) en Il milione (in de volkstaal). Il milione heeft overigens niets met miljoenen te maken maar is een verbastering van 'L'Emilione' — de man uit Emilia, de plaats waar Marco Polo's familie vandaan zou zijn gekomen. De Polo's gebruikten de naam om zich te onderscheiden van de andere Venetiaanse families die Polo heetten.



Hun impact
De reizen van Marco Polo beslaan vier boeken. Boek Eén beschrijft de landen van het Midden-Oosten en Centraal-Azië die Marco bereisde op weg naar China. Boek Twee beschrijft China en het hof van Koeblai Khan. Boek Drie behandelt de kuststreken van het Verre Oosten (Japan, India, Sri Lanka, Zuid-Oost-Azië) én de oostkust van Afrika. Boek Vier schetst de recente veldslagen van de Mongolen en bepaalde regio's uit het verre Noorden, zoals Rusland.

De reisverslagen zouden tot de meest geliefde middeleeuwse teksten behoren — een van de weinige grote successen van voor de uitvinding van de boekdrukkunst. Eeuwenlang vormde de kroniek voor Europeanen een belangrijke bron voor informatie over Azië. Cartografen voegden Marco Polo's nieuwe plaatsnamen toe op hun kaarten en Columbus (die een grondig geannoteerde versie bezat) liet zich inspireren om diezelfde delen van de wereld te verkennen, maar wel via een westwaartse route.

Marco Polo was zeker niet de eerste die diep tot in het Oosten doorstootte. Er bestaan heel wat bewijzen dat de Grieken tijdens de Romeinse tijd naar India en Zuidoost-Azië vaarden en sommigen kenden al de Zijderoute die het Chinese en het Romeinse wereldrijk met elkaar verbond. Veel van die kennis was in het millennium daarop echter verloren gegaan. In zijn samenvatting van een recent boek over Marco Polo (dat trouwens bewijzen aanvoert voor de authenticiteit van diens reizen) legt Dirk Verhofstadt het belang uit van de Venetiaanse pionier.

In 380, schrijft hij, maakte keizer Theodosius het christendom tot staatsgodsdienst; twaalf jaar later verbood hij alle heidense rituelen. Nog later vernietigden lokale bisschoppen heidense tempels en bibliotheken, en vervolgden ze andersdenkenden, filosofen en wetenschappers. Het Westerse denken kwam zo ongeveer tot stilstand, beknot door vermeende autoriteiten op het vlak van theologie (Augustinus), geneeskunde (Galenus) en astronomie (Ptolemaeus). De hoogstaande antieke beschavingen van weleer deemsterden weg in de Middeleeuwen. Pas in de dertiende eeuw, vooral door de handel van de rivaliserende stadstaten Venetië en Genua met het Oosten, hernieuwde de interesse voor wat buiten mediterraan Europa lag.

Toen Marco Polo terugkeerde na zeventien jaar aan het hof van de Mongoolse leider Koeblai Khan, de leider met het meest uitgestrekte rijk van die tijd, en veel lezers voor het eerst liet kennismaken met nieuwerwetse toepassingen als papiergeld (bij de grens moesten buitenlandse kooplieden hun goud en zilver inleveren voor certificaten die dezelfde waarde vertegenwoordigen), steenkool (in Europa stookte men enkel met hout), de Aziatische boekdrukkunst (Gutenberg zou in onze contreien nog twee eeuwen op zich laten wachten) en met geavanceerdere versies van instrumenten (zoals zonnewijzers, astrolabia, aardbollen, armillaria) dan er in Europa bestonden, maakte dat grote indruk. De Mongolen waren dus niet alleen maar de bruten die dood en verderf zaaiden onder hun vijanden. Koeblai Khan bleek een slimme heerser die werk maakte van stadsplanning, belastingsheffing, communicatie, armenzorg en literatuur.

Er waren best andere dertiende-eeuwse Europese reizigers die tot diep in Azië waren doorgedrongen — André de Longjumeau, Willem van Rubroeck, Giovanni da Pian del Carpine en Benedykt Polak, zie verderop — maar geen van hen raakte tot in China. De veertiende-eeuwse John Mandeville (Jean de Mandeville) schreef weliswaar een even gretig gelezen reisverslag over het Oosten, maar veel daarvan is fantasterij of opgetekend uit de tweede hand.

Het boek
Inmiddels zijn ongeveer honderdvijftig verschillende middeleeuwse handschriften van het boek teruggevonden, sommige ingekort, andere uitgebreid met verduidelijkingen en bloemrijker varianten. Het is niet geweten welk handschrift — waarvan ook Venetiaanse, Castiliaanse, Catalaanse, Tsjechische en Portugese versies bestaan — het originele exemplaar het dichtst benadert. De basis voor de vertaling van Anton Haakman vormt de Edizione critica uit 1975, waar de bijvoegsels die aan de brontekst waren vastgekoekt zijn verwijderd.

Haakman, die ik voor het overige ken als een behoorlijk schrijver en vertaler, moet de tekst secuur hebben gevolgd. Anders is niet te verklaren waarom De wonderen van de Oriënt zo droog is uitgevallen. Het is een zeer zakelijk tekst, opgedeeld in korte, repetitieve hoofdstukjes. De beschrijvingen zijn summier, de tijdsintervallen soms enorm. Haakman heeft de handen vol met het duiden van de vele onregelmatig gespelde plaatsnamen. De lezer, van zijn kant, moet de schoolmeesterstijl van Marco Polo/Rustichello voor lief nemen.

Nu heb ik u verteld over de schepen die naar Indië varen. En voordat ik over Indië begin, wil ik vertellen over de vele eilanden in de oceaan, waar wij nu zijn, in het oosten. En allereerst zal ik het hebben over een eiland Japan.
Marco Polo zelf cijfert zich bijna geheel weg in wat meer een reisgids, zeg maar een inventaris voor de khan is, dan een autobiografie van een groot Renaissanceman. Marco Polo was dan ook geen schrijver, geen wetenschapper, maar koopman: hij rapporteert het liefst over de mogelijkheden tot handel met andere volken.

Toch waren het zijn terzijdes over exotische religies — "Het koninkrijk Pasaman, dat voorbij Ferlet ligt, is een zelfstandig rijk met een eigen taal, maar de mensen hebben er geen andere godsdienst dan die van de beesten" — en andere inheemse gebruiken (niet in de laatste plaats de veelwijverij) die me het meest aanspraken.

Over de Chinese provincie Jinxi:
De mannen zijn allemaal ruiters, dat is bij hen gebruikelijk, en ze doen niets anders dan oorlog voeren; de vrouwen doen al het werk, samen met de slaven die ze houden. En wanneer een vrouw een kind heeft gebaard, blijft de echtgenoot veertig dagen in bed en wast en verzorgt dat kind. Dat doen ze omdat ze zeggen dat de vrouw al zoveel heeft moeten verduren door het kind te dragen, en omdat ze willen dat ze uitrust.
Over de provincie Mangi:
In die provincie doen ze de pasgeboren kinderen weg — dat wil zeggen, de arme mensen die hun niet te eten kunnen geven — en als een rijk iemand geen kinderen heeft, gaat hij naar de koning en laat hij zich er zoveel geven als hij wil. En wanneer hij huwbare jongens en meisjes heeft, laat hij hen met elkaar trouwen en verschaft hij hun de middelen om van te kunnen leven. Zo voedt de koning elk jaar twintigduizend jongens en meisjes. De koning doet nog iets anders, namelijk als hij ergens heen gaat en twee mooie huizen ziet en daarnaast een kleine woning, vraagt hij waarom de andere mooier zijn; en als dat komt doordat die van een arm persoon is die zich niet iets beters kan veroorloven geeft hij onmiddellijk opdracht dat er van zijn geld zoiets moet worden gebouwd. Ook laat deze koning zich bedienen door meer dan duizend jongens en meisjes. Hij regeert zo rechtvaardig dat er in zijn land geen misdaad voorkomt en dat alle koopwaar onbewaakt buiten blijft staan.
Over de provincie Ciamba:
En ik zeg u dat die koning in het jaar des Heren 1285 zoals ik, Marco Polo, zelf heb gezien, driehonderdzesentwintig kinderen had, mannelijk en vrouwelijk, van wie er al honderdvijftig wapens droegen.
Over het koninkrijk Gujarat:
Gujarat is een groot rijk met een koning en een eigen taal. De mensen aanbidden afgoden en betalen aan geen enkele heer ter wereld schatting. Het zijn de ergste kapers die de zeeën onveilig maken en de kwaadaardigste, want wanneer ze een handelaar gevangennemen, laten ze hem tamarinde met zout water drinken om hem buikloop te bezorgen, en daarna onderzoeken ze zijn ontlasting om te ontdekken of de handelaar parels of andere kostbaarheden heeft ingeslikt en ze zo terug te vinden.
Over het eiland Zanzibar:
Ze zijn allemaal zwart en lopen naakt, al bedekken ze wel hun geslachtsdelen; hun haren zijn helemaal gekroesd. Ze hebben een grote mond en een neus die omhooggericht is, en zulke dikke lippen en grote neusgaten dat het een wonder lijkt; in andere landen zou men hen voor duivels houden.
Voorts bericht Marco Polo natuurlijk met groot ontzag (zeg maar vleierij) over Koeblai Khan, en over de natuurlijke rijkdommen waarmee het Verre Oosten al door de antieken in verband werd gebracht: goud, edelmetaal, zijde en specerijen. Het cijfermateriaal dat Polo in zijn verslag rondstrooit — "een leger van driehonderdzestigduizend ruiters", "een lijfwacht van twaalfduizend ruiters" — moet eerder metaforisch worden opgevat.

Een taai boek, deze vertaling. Wat ik echter vooral miste, is culturele context in het nawoord van Anton Haakman. Hoe zag de wereld eruit ten tijde van Marco Polo? Hoe lagen de krachtsverhoudingen in Europa? Welke ontwikkelingen dreven een Venetiaan naar het Oosten? En wie waren die Mongolen eigenlijk?


Door Columbus geannoteerd exemplaar van de Latijnse editie [klik om te vergroten]

Achtergronden
De wereld ten tijde van Marco Polo werd opgesplitst in drie grote machten: de christelijke wereld van Europa en Klein-Azië; de islamitische Arabische wereld aan de zuid- en oostkant van de Middellandse Zee; en verder naar het Oosten het grote Mongoolse Rijk dat in Europa tot aan Polen en Hongarije reikte en verder naar het zuiden, in Azië, islamitische gebieden als Perzië had opgeslokt en tot het Ilkhanaat Perzië gemaakt.

De dertiende eeuw was in Europa een tijd waarin de paus en koningen bakkeleiden over de vraag wie nu eigenlijk de baas was. Europa was nog volledig katholiek, zodat de paus zich niet alleen met religieuze materie bezighield maar ook met wereldlijke zaken, zoals het aanstellen van keizers. Frederik II, keizer van het Heilige Roomse Rijk was zijn grootste vijand. Deze had bezittingen in Zuid-Italië en voerde oorlog tegen de zelfstandige steden in het noorden (die snel een alliantie sloten met de paus) om heel Italië in bezit te krijgen. De Europese politiek was kortom sterk in zichzelf gekeerd: over het Verre Oosten maakte men zich niet druk.

De plotse inval van de Mongolen in Polen en Hongarije in 1241 schokt de gemoederen dan ook danig. Paus Innocentius IV stuurt een aantal gezantschappen van monniken uit. Zij moeten de heerser van de Mongolen (in Europa abusievelijk Tataren genoemd, eigenlijk een andere stam) trachten te bekeren tot het christendom en ondertussen nuttige strategische informatie aan de weet komen. De eerder vermelde Giovanni da Pian del Carpine en André de Longjumeau zijn enkele van hen. De grote khan weten ze echter niet te bekeren; integendeel: ze sturen verontrustende berichten over de Mongoolse legermacht. Het enige lichtpuntje zijn de nestorianen (oosterse christenen die zich al in de vierde eeuw hebben losgemaakt van de orthodoxe kerk) die veel invloed hebben aan het Mongoolse hof. Dat inspireert een Vlaamse monnik, Willem van Rubroeck, om naar de Mongoolse hoofdstad Karakorum af te zakken. Ook tevergeefs.

Venetië, geboorteplaats van Marco Polo, was intussen een welvarende handelsstad, één van de belangrijkste in het dertiende-eeuwse Europa. Door de gunstige ligging aan de Adriatische Zee was het een goed punt om handel te drijven met het Midden-Oosten. Een sterk zeeleger beschermde de koopvaardijschepen tegen de boten van eeuwige rivaal Genua en islamitische piraten. Door Venetiës militaire overmacht verkreeg het het monopolie over de handel met islamitische landen, inclusief hoge prijzen.

Toen Venetië ten gevolge van de vierde kruistocht in 1204 het gezag over Constantinopel kreeg — het had de kruisridders geholpen met voedsel en schepen — werd de handel met het Midden-Oosten nog gemakkelijker. Venetië werd zo'n belangrijke handelsstad in Europa dat hun gouden dukaat in de internationale handel een populair betaalmiddel werd. De vierde kruistocht betekende meteen de grote klap voor het Byzantijnse Rijk. De Venetianen hadden met Constinopel een belangrijke toegangspoort tot het verre Oosten in handen. Omdat het in de handel met het Oosten vooral om luxespullen (zijde, edelstenen, porselein) ging, waar veel op te verdienen viel, konden de Venetianen in Constantinopel snel rijk worden. Veel belangrijke kooplieden, zoals de familie van Marco Polo, vestigden een handelskantoor in Constantinopel.

Vanwege het Byzantijnse Rijk en de katholieke kruistochten was dus niet het hele Midden-Oosten islamitisch in de dertiende eeuw. In Klein-Azië waren er nog christelijke (orthodoxe) koninkrijken, een paar kruisriddersburchten en enkele kuststeden die onder rechtstreeks gezag van de paus stonden. De zevende kruistocht onder leiding van de Franse koning, een reactie op de Mongoolse inval in Europa in 1241, zou echter mislukken. Lodewijk IX strandde in Egypte en werd verslagen door het slavenleger van de sultan. In 1251 zullen deze zogenaamde Mamelukken op hun beurt tegen de Egyptische sultan in opstand komen en zelf de macht in handen nemen.

Zo komt het dat het Midden-Oosten in de tijd van Marco Polo grotendeels in handen was van de Mamelukken. Onder leiding van generaal Baibars wisten ze het Midden-Oosten tot in Syrië binnen te dringen. Hulagu (de Ilkhan van Perzië) en zijn opvolgers konden Europa niet bewegen om een bondgenootschap aan te gaan tegen de Mamelukken. In maart 1291 bestormden de Mamelukken het kruisvaardersfort van Akko, de laatste christelijke buitenpost in Palestina. Het Mamelukse Rijk werd zeer welvarend omdat ze de handelsroutes van zijde, kruiden en andere luxegoederen in het Midden-Oosten beheersten. Ze verdienden erg veel aan die handel, daarom probeerden de handelaren directe contacten tussen China en Europa te verhinderen.

Bijna de hele route die Marco Polo aflegde voerde echter meer noordelijk, over Mongools grondgebied. Maar wie waren deze Mongolen dan? Een herders -en ruitersvolk met als oorspronkelijke stamgebied het land dat nu Mongolië heet en het aangrenzende gebied in China, de Chinese provincie Binnen-Mongolië. Het was de befaamde Djenghis Khan die het Mongoolse wereldrijk vormgaf — een rijk dat zich toen uitstrekte van de Oeral tot Korea. De Mongolen stonden bekend als wrede plunderaars en slachters, op een manier die de steden op hun pad soms al deed capituleren voor er slag was geleverd.

De tijd dat Marco Polo aan het hof van Koeblai Khan (een kleinzoon van Djenghis Khan) verblijft, heeft het Mongoolse rijk zijn grootste omvang bereikt. De eenheid van weleer is echter ver zoek. Met het opsplitsen van het rijk in khanaten bij de dood van Djengis begint zich de scheiding af te tekenen. Koeblai wordt dan wel uitgeroepen tot grote Khan, maar veel indruk maakt dat niet. Alleen met zijn broer Hulagu, de Ilkhan van Perzië, zal hij nog regelmatig contact hebben.

Koeblai Khan slaagt er wel in heel China weer in één rijk te verenigen. Hij vermindert de belasting op de boeren (zijn voorgangers hadden naar Mongools herdersgebruik weinig met boeren opgehad) en laat de landbouw opbloeien. Hij bouwt de Chinese hoofdstad Dadu of Khanbaliq (Beijing) en de mythische zomerresidentie Xanadu (middelste stad, de plek waar hij Marco Polo ontvangt). In 1277 dringen de Mongolen Birma binnen maar houden het er niet lang uit. Pogingen in 1274 en 1280 om Japan in te nemen lopen uit op een regelrechte ramp.

Scepsis
Tot slot iets over de geloofwaardigheid van Il milione. De wonderen van de Oriënt werd zoals gezegd een van de meest geliefde middeleeuwse teksten. Dat betekent echter niet dat Marco Polo's tijdgenoten hem zomaar vertrouwden. Integendeel, wat hij had gezien was voor velen niet te geloven — letterlijk. Tegenwoordig staat het vast dat de Venetiaan enorme reizen in Azië heeft gemaakt, al zijn er historici die geloven dat Polo nooit in China is geweest en zijn informatie over die gebieden uit de tweede hand heeft.

Aanwijzingen voor enige scepsis zijn op zijn minst serieus te nemen. De Chinese Muur (nota bene afgebeeld op de Nederlandse vertaling) wordt bijvoorbeeld niet genoemd door Marco Polo. Typisch Chinese gebruiken zoals thee drinken en het afbinden van meisjesvoeten blijven evenzeer onvermeld. Zelfs in de boeken van het hof van Koeblai Khan, in Chinese en Mongoolse bronnen, staat niets over de familie Polo geschreven. De behandelde plaatsen staan ook niet in een logische volgorde en de beschreven afstanden kloppen niet altijd.

Maar wat dan weer sterk vóór Marco Polo pleit, volgens het eerdergenoemde boek van Laurence Bergreen (vertaling bij De Bezige Bij, 2008), is zijn vermelding van de Mongoolse plannen om Japan te veroveren — een eiland dat de Europeanen helemaal niet kenden!

Wat er ook van zij: Il milione zou, zoals Haakman vertelt in zijn nawoord, een van de drie pijlers van de mythe van de Oriënt worden, samen met de Alexander-romans en de Vertellingen van duizend-en-één-nacht. Van het bekampen van precies díe mythe en zijn simplificaties zou Edward Said, waarmee dit stukje begon, zijn levenwerk maken.

(Gebaseerd op notities van 20 oktober 2002.)

Marco Polo, De wonderen van de Oriënt
199 p.
Uitgeverij Athenaeum-Polak, 2001
Oorspr. Il milione (ca. 1300)
Vertaald door Anton Haakman

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails