vrijdag 28 mei 2010

De echtbreukeling - Herman Leenders

Herman Leenders kende ik alleen van zijn dichtbundels: brave, windstille poëzie, geschoeid op de oude leest van de nieuw-realisten. Ik herinner me een polemisch stuk van Dirk van Bastelaere waarin een vers van Leenders helemaal werd vermorzeld, en ik weet nog dat ik zat te knikken. Enfin. In 2005 kwam de dichter met De echtbreukeling, en dat was andere koek. Tandenknarsend proza over een niet te verteren echtscheiding. Al past ook dit boekje in je binnenzak.

De hoofdpersoon ontvangt op zekere dag een aangetekende brief van zijn vrouw — de facto zijn ex-vrouw, maar kennelijk nog niet de jure. De brief komt ogenschijnlijk uit het niets, maar is formeel: de man moet het huis uit. Nu meteen.

Natuurlijk vecht de man dat juridisch aan, maar dat maakt het alleen maar erger: het hoederecht zal hem afgenomen worden en als hij niet oppast zal hij zijn vrouw (ook "eiseres" genoemd) forse alimentatie moeten betalen.

De man raakt op de dool. Het conflict dijt uit, besmet zijn vriendenkring, hypothekeert nieuwe liefdes. De omslagillustratie van De echtbreukeling is niet toevallig van Clark et Pougnaud, twee fotografen uit Parijs die de doeken van Edward Hopper reanimeren.

Herman Leenders laat man en vrouw voor de rechter verschijnen, en dus zal de lezer flink wat gekibbel uitzitten.

Zij zei dat hij een bord soep over haar uitgekeerd had en hij zei dat zij het botervlootje op zijn hoofd uitgesmeerd had maar de rechter bleef ernstig kijken, net als de koning en de koningin naast hem. Niets van wat zij tegen de rechter zeiden maakte ook maar enige indruk op hem. De rechter bestond slechts uit een zwarte toga en een paar ingelijste ogen. Het was alsof hij zelfs niet hoorde wat zij vertelden, zo was hij in zijn eigen gedachten verzonken. Die rechter sloeg nooit eens met zijn hamertje zoals in Amerikaanse speelfilms, dat hamertje bleef daar werkloos op zijn plankje liggen hoewel er een hoop onzin werd uitgekraamd en grove leugens en halve waarheden en er zaken werden verteld die er met de haren bij gesleurd waren en er eigenlijk niets mee te maken hadden todat de advocaat van zijn vrouw een briefje op tafel legde waarop K. zwart op wit geschreven had: ‘Laat mij a.u.b. met rust. Je bent een wolf in schaapsvacht!’ Dat was vast een schoolvoorbeeld van een grote belediging zoals vermeld in artikel 231 van het burgerlijk wetboek al mat het briefje slechts vijf bij tien centimeter en had hij het inderhaast neergekrabbeld als een bezetene die wanhopig riep naar zijn geliefde dat hij haar niet liefhad, zoals je op een deur bonkt die niet opengaat, altijd maar harder, eerst omdat ze je zouden horen daarna uit wanhoop om die onverschilligheid! En dankzij hem had zij nu een geschreven bewijs in handen waaruit ondubbelzinnig bleek dat hij haar had beledigd. En de bijziende rechter bekeek het briefje en hield het omhoog terwijl hij K. aankeek alsof hij naar gelijkenissen zocht tussen het verwarde handschrift en de haardos van de mens die voor hem zat en de haardos van de mens die voor hem zat en die tot zoiets in staat was gebleken.
‘Had u daar nog iets aan willen toevoegen?’ vroeg de rechter plots. Toen hij van wal wou steken, de toespraak zou geven die hij in gedachten al zo vaak geoefend had, een ‘I had a dream-speech’ die alles ten goede zou keren en waardoor de wereld eindelijk de onrechtvaardigheid zou zien waarvoor ze al decennialang blind was geweest, toen onderbrak de rechter hem terwijl hij nog maar één woord gezegd had en verzocht hem streng om te gaan staan als hij het woord tot het Hof richtte.
Een bijster goede roman wordt het niet, verder. De stof is zeer mager en Leenders reserveert voor zijn lezers een al te comfortabel zitje: dat van het standpunt van de man. De vrouw wordt zonder scrupules neergezet als een helleveeg, en voor de enkeling die dan nog niet weet welke partij te kiezen, bedenkt de auteur zijn anti-held met het initiaal K. — een hoogst pretentieuze allusie op Kafka's Josef K., de man die zonder opgaaf van reden door een wetsdienaar van zijn bed wordt gelicht.

Pretentieus, omdat de vrouw wél redenen heeft om zich van deze man te ontdoen. K. is immers het prototype van de auteur die helemaal opgeslorpt wordt door zijn schrijverij ("een verhaal zonder einde") en ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Lees schrijversbiografieën; het aantal monomane auteurs dat hun vrouw als veredelde werkster gebruikt is niet te tellen.

Medelijden met K. kreeg ik dus niet. Leenders formuleert af en toe mooi en dichterlijk — de hybride toon van De echtbreukeling, half laconiek, half pathetisch, zit al in de titel — maar maakt ook grote fouten. Zo ga je in een verhaaltje over echtscheiding niet Levi en Sjalamov zitten opvoeren. Smakeloos is dat.

Terwijl Leenders elders best aardige dingen schrijft.
Heeft het zin om op herinneringen te kauwen? Heeft het zin om zich af te vragen: waar was ik vorig jaar? Waarom is de herinnering zo’n flauw aftreksel van de beleving? Waarom is K. niet tevreden met de herinnering? Waarom herinnert hij zich haar, zomaar midden in de dag en zonder aanleiding? Meestal zijn ze op reis en staan ze op plaatsen die niet eens pittoresk zijn. Wie maakt op een parking een foto als zijn geliefde tussen de auto’s loopt? Waarom neemt zijn geheugen op deze plaatsen foto’s? Waarom blijven al die onbetekenende ogenblikken in zijn geheugen bestaan? Waarom anders dan om hem ermee te teisteren? Om hem eraan te herinneren dat het leven een aaneenschakeling is van onbetekenende ogenblikken en dat precies daarin het geluk ligt dat hij is kwijtgeraakt.
De finale van De echtbreukeling is dan weer goedkoop melodrama.

(Gebaseerd op notities van 8 december 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Herman Leenders, De echtbreukeling
142 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails