maandag 3 mei 2010

De buitenbeentjes - Wim Zaal

Van Wim Zaal las ik eerder Zestig jaar in de beschaving, een knappe autobiografie in kleine sprinterhoofdstukjes. Ook als necroloog blijkt hij een zeer onderschat schrijver, die prachtige dingen doet op de korte afstand. De buitenbeentjes bevat portretten van zesendertig schrijvers die Zaal als redacteur, auteur of beroepslezer heeft gekend. Het zijn montere miniaturen waarin hij met mededogen schrijft over excentrieke literatoren, zonder hun werk te overschatten.

In zijn voorwoord zegt Wim Zaal zich te willen focussen op interessante schrijvers die desondanks buiten de canon vallen — "auteurs die iets waardevols vertegenwoordigen, een verborgen rol hebben gespeeld of op zijn minst curieus zijn". Bedoeling is de literaire geschiedenis wat op te fleuren — "niet te herschrijven" — op basis van persoonlijke herinneringen.

Een zwak voor buitenbeentjes, in combinatie met lankmoedigheid voor menselijke malligheden (zonder die eigenschap krijg je met buitenbeentjes gauw ruzie), zijn namelijk oorzaak dat ik heel wat “typen” heb ontmoet die misschien niet het zout der Nederlandse letteren zijn, maar wel de peper.
Zaal is lang de enige niet die over weggedeemsterde auteurs schrijft, maar zijn toon verdient wel meer navolging. Zaal gaat luchtiger om met kommer en kwel dan Joris van Casteren (Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf), is stukken beknopter dan Stefan Brijs (Kruistochten) en schrijft met meer zin voor relativering over het literaire bedrijf dan Jeroen Brouwers (Het circus der eenzaamheid).
Frans Babylon. Wij hadden weinig gemeen. Hij was een bohémien van den bloede, een vagebond met brokkelgebit en zure kleren, die door zijn vrouw het huis uit was gegooid; en al lagen ze in jaren gerekend nog dichtbij, zijn mousserende dichterschap, zijn bokkesprongen in de Brabantse zon, de gouden regens van rijmen, de blakende zomers, ze hoorden tot een voorgoed vergrendeld verleden. Nu liep hij met ingevallen ribbenkast door Amsterdam, wel goedlachs, maar al haast een relict. En ik, hij noemde mij een Stastok met een tic, een roomboterdichter, ik bracht hem na sluitingstijd naar zijn kamer — hij durfde met zijn watervrees niet alleen langs de grachten te lopen — en vermaande hem “zuip je niet suf”.
Frans Babylon (Frans Obers, 1924) had in het naoorlogse Brabant met speelse hand de rooms-romantische traditie om zeep gebracht, die van moedercomplexen en ontkende erecties in sonnetvorm; hij was er de grote zanger en zwerver, die spoedig ook buiten zijn provincie opviel. Hij trok naar het westen, dook onder in Frankrijk (de druivenpluk was de escape bij uitstek), verwaarloosde zich en verdeed zijn jeugd. De poëzie bleef de enige steen om zijn hoofd op neer te leggen. Maar hij liet rijp en groen door elkaar drukken, wat zijn naam geen goed deed, en hem reduceerde tot de eeuwige veelbelovende dichter in wiens beloften de critici tenslotte niet meer geloofden. De uitgevers evenmin. Bij Strengholt vloog hij eruit omdat hij hele pakken van zijn bundels uit de magazijnstellingen achterover drukte voor privé-verkoop.
En zo trekt een bonte stoet aan de lezer voorbij. Streekromanciers, zondagsdichters en bladenmakers. Misantropen, moralisten en mystici. Fascisten, communisten en arrivisten. Soms zijn het goedige veelschrijvers met een minderwaardigheidscomplex, soms pretentieuze halftalenten die zich eeuwig miskend voelen. Ze komen met zelfgestencilde bundeltjes, ronkende intentieverklaringen of onleesbare essays. Ze verklaren zichzelf dood om middels een in memoriam de krant te halen. Ze drinken, roken en lijden aan het leven.

Aan energie ontbreekt het hen niet, een zeldzame keer ook niet aan zelfkennis, maar er is altijd wel iets dat scheelt. Een auteur kan bijvoorbeeld met de verkeerde boeken bekend worden (Cor Bruijn met Sil de strandutter). Neo-romantische poëzie willen plegen in modernistische tijden. Beter kunnen praten dan schrijven. Of een wandelend politiek anachronisme zijn.

De buitenbeentjes brengt dat soort figuren echt tot leven, en dat is geen geringe verdienste. Een jaar voor Voskuil het eerste deel van Het bureau publiceerde, tekent Zaal hier al een profiel van P.J. Meertens, naar wie een instituut voor volkskunde, naamkunde en dialecten genoemd is. Jef Last kende ik alleen uit de dagboeken van Gide. Met een pennetrek weet Zaal 'm hier te typeren:
Ik vroeg hem eens waarom hij in de jaren dertig, toen de showprocessen in Rusland hem bekend moesten zijn, Stalin evengoed de hoogste in gestoken had. Het antwoord kwam erop neer dat Stalins grootste misdaad was geweest, Jef Last om de tuin te leiden.
Van Maurice Roelants besprak ik ooit de aardige novelle De jazz-speler; in De buitenbeentjes blijkt hij een vervelende machtsfactor te zijn geweest in het Vlaamse culturele leven, een man die met zijn vrienden van 't Fonteintje een vinger in de pap had in elke periodiek, boekenjury of subsidie-commissie. Opnieuw weet Zaal dat gegeven met bewonderenswaardige elegantie aan te brengen.
Met Roelants eindigde het tijdperk van erudiete heren die, in een web van protectie en wederdienst, gemoedelijk de schoonheid beleden.
Het boek portretteert immers niet alleen schrijvers, maar ook het literaire milieu — de inteelt, de jaloezie, de zelfoverschatting die er welig tieren. Lees alleen al het hilarische verslag over de bijeenkomsten van de PEN-club op pagina 101. Alleraardigst is de opmerking van Zaal dat de dames die streekromans schrijven doorgaans de hartelijkste omgang hadden en haast de enige waren die nooit kwaad spraken. Weer elders wordt de naoorlogse Franstalige literatuur in Vlaanderen doorgelicht met de onvergetelijke zin: "De oplage was minimaal, de vormgeving snobistisch, de inhoud te subtiel."

Na het lezen van drie boeken van Zaal — het derde is Vlak bij Vlaanderen, dat hier binnenkort wordt besproken — begint het me te dagen welk een betrouwbare gids hij is om me door de literaire jaren zestig te loodsen. Over die era hoor je meestal alleen indianenverhalen van ooggetuigen óf dikdoenerige beschouwingen van literatuurhistorici die stelselmatig al die doodgeboren tijdschriftjes overschatten. Dan liever Zaal:
Einde jaren vijftig, begin jaren zestig in Vlaanderen: van het jonge literaire leven uit die tijd heeft nooit iemand verslag gedaan. Wat je nu in terugblikken opvangt is een glimp van aangedikte revoluties in Antwerpse kringen, maar daarbuiten was de overheersende sfeer juist knus: een dampende puinhoop van tijdschriftjes met ouderwets zetsel, poëziereeksen op krantenpapier en cultuurdagen met looksoep, gevulde tomaten en een rondleiding door de kunstenaar persoonlijk. Voor ze uit de traditie losbraken schreven haast alle jongeren in periodieken onder behendig verborgen kerkelijk toezicht en lazen zij op zomerse weekends in Merendree of Sint-Martens-Latem hun werk voor: we luisterden peinzend onder de sparren, kauwden op een krentenbol en snoven de geur van vers gezette koffie op. Ergens achteraf keek een pater de wolkjes van zijn sigaar na, wegdrijvend door Gods schone natuur.
En toch doet Zaal nooit uit de hoogte. Integendeel, jarenlang zat hij bij tal van poëziemanifestaties op de eerste rij, ook in Vlaanderen. Hij zag met eigen ogen hoe die bladen "fuseerden, zich splitsten, opgeheven en herboren werden, en met hun inhoud niet minder verwarring stichtten". Een van die blaadjes was Gandalf (1964-1971).
Guusjes springerige, provocerende humor maakte Gandalf tot het tijdschrift dat de seksuele en morele revoluties van de jaren zestig in lacherige vorm onder het volk bracht. Men keek beschaamd naar de anti-glamour-foto’s van blote dikke vrouwen (geen modellen maar jolige kennissen), men schrok van satirische rijmpjes over religie, en van tekeningen die met Kerk & Staat de draak staken, alles nogal dik aangezet. In een paar jaar tijds steeg de oplage van enkele honderden tot twintigduizend. Het hoogtepunt in Gandalfs bestaan was een bundel met een keuze uit de jaargangen één tot en met vier. Het eerste exemplaar werd door een meisje met blote borsten op een boekenbeurs overhandigd aan Annie M.G. Schmidt, die na een blik op de bolle boezem lacherig antwoordde: “Ik kan helaas niets terugdoen.”
Om de verkoop op peil te houden moest er voortdurend meer bloot in het blad. Dat heeft Gandalf uiteindelijk de das omgedaan. Op het einde van de jaren zestig zette het verval in; de burgerlijke welvaart van de jaren zeventig werd onverschillig voor de satire die tussen aangekoekte pannen was ontstaan, en van een ferment in de revolutie zakte het blad af tot een schriftje dat onder giebelende pubers in de provincie van hand tot hang ging. Guus Dijkhuizen gaf nog enkele bundels spotlustige sprookjes en rijmpjes uit, en trok toen uit de hoofdstad weg om voor een cultureel centrum in Gelderland tentoonstellingen te organiseren.
Ergens bekent Zaal nog weleens zo'n vergeten dichtbundel uit de kast te trekken en met plezier te herlezen. Het neemt me erg voor hem in. Alleen jammer dat zijn boek geen register bevat.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van besproken schrijvers in de commentaren hieronder

Wim Zaal, De buitenbeentjes
36 schrijvers die ik heb gekend
151 p.
Uitgeverij Aspekt, 1995

____

1 opmerking:

Achille van den Branden zei

Johan C.P. Alberts
Frans Babylon
Jan Berghmans (B)
Bobb Bern
Gerard den Brabander
Henri Bruning
Cor Bruijn
Frans Buyle (B)
Anne Dellart (B)
Yves van Domber
Jo van Dorp-Ypma
Guus Dijkhuizen
Anton Erwich
Jack Feenstra
Geert Grub (B)
Salvador Hertog
Jan Willem Hofstra
Harry Ikink
Louis Knuvelder
Jef Last
Hans Leerink
Wouter Lutkie
P.J. Meertens
Henriëtte Mooy
François Pauwels
Maurice Roelants (B)
Fem Rutke
Saint-Rémy (B)
Roger Serras (B)
Bernard Sijtsma
W.P. Theunissen
Stella Violantilla
Ab Visser
Jannetje Visser-Roosendaal
Willem W. Waterman
Rob de Wilt

Related Posts with Thumbnails