dinsdag 27 april 2010

Van mensen en wereldrijken - Anthony Pagden

Het boek van Fernández-Armesto, Dus jij denkt dat je een mens bent?, ging over de vraag hoe de mens zich als soort definieert. Anthony Pagden vertelt het verhaal van hoe groepen mensen zich door de eeuwen heen hebben verenigd met elkaar. Daarbij wordt zeer duidelijk hoe versnipperd de wereld er tegenwoordig bij ligt, en hoe jong onze nationalistische reflex is om ons eerst te willen onderscheiden van anderen. De Europese geschiedenis is er vooral een van expansiepogingen.

Het begrip 'imperium' heeft tegenwoordig een negatieve connotatie en doet ons in de eerste plaats denken aan meedogenloze uitbuiting van volkeren die zich niet kunnen verweren. In de definitie van Anthony Pagden, hoogleraar geschiedenis en politieke wetenschappen aan de universiteit van Californië en specialist migratie in de vroegmoderne tijd, zijn imperia vooral een manier om verschillende groepen die vaak maar weinig met elkaar op hebben, stabiliteit op te leggen.

Van mensen en wereldrijken trapt af met een verhaal van Borges waarin een Lombardische ‘barbaar’ op zijn plundertochten de Byzantijnse stad Ravenna aandoet en in verwondering de paleizen aanziet. Daar wordt hij zich bewust van het begrip beschaving — een eigen plek met een cultuur die het waard is bewaard en zelfs verdedigd te worden.

De grondvesting van imperia, vervolgt Pagden, is dan ook altijd nauw gerelateerd aan steden (polis — politiek, civitas — civilisatie): grotendeels zelfstandig bestuurde stedelijke ruimten zoals Rome, Alexandrië, Herat, Arachosia, Begram, Eschate, Veracruz, Cholula en Tlaxcala. Het waren de Grieken (die de woordenschat bedachten om na te denken over onze levenswijze) die vanaf de opkomst van Athene in de zesde eeuw v.C. de link zouden leggen tussen een stedelijke omgeving en een bepaalde levenswijze. Denk aan de woorden van Aristoteles: de mens is een zoön politon, letterlijk: een dier gemaakt voor leven in de polis. Verbanning uit de steden was een erge straf in de antieke oudheid, waar zwervers en zigeuners met een scheef oog werden bekeken.

Maar: omdat een te veel inzichzelf gekeerde samenleving ten dode is opgeschreven, moet ze wel in beweging blijven en contact zoeken met leden buiten de groep. Pagden citeert Kant, die aangaf dat de geschiedenis van de mensheid er tegenwoordig een is van vestiging, en van (relatieve) ordening, vrede en recht, maar dat ze wel rusteloos begon, met het zoeken naar nieuwe hulpbronnen, naar een minder ruig klimaat en met de onstuitbare hang naar bezit.

Uit het boek van Pagden moeten we aannemen dat de Grieken als eersten dachten hun stempel te kunnen drukken op een andere beschaving. Dat Alexander de Grote al Oost en West met elkaar wou verbinden en dus het eerste echte imperium stichtte. Met de Romeinen deed dan weer het begrip 'glorie' zijn intrede: een imperium stond voor de beloningen en de glorie die een volk kreeg naarmate het groeide; goed burgerschap was dus aangewezen.

In de vroege middeleeuwen bleken de pogingen om Europa samen te houden vruchteloos. Alleen Karel V slaagde daar kortstondig nog even in. Vanaf de vroegmoderne tijd was de Europese expansie in toenemende mate van maritieme aard, waarbij zeevarende naties zich gaandeweg niet meer als kolonisatoren gingen beschouwen (die 'universele' imperia nastreefden) maar als avontuurlijke kooplieden, belust op 'handelsimperia'. De Vrede van Westfalen legde de kiem van het Europa van de natie.

Onafhankelijkheidsoorlogen en de dekolonisatiebeweging maakten daarna duidelijk dat ondergeschikte volkeren slechts onderworpen kunnen blijven zolang ten minste een aanzienlijk aantal van hen daar voordeel in ziet. Wanneer imperia te groot worden, en het centrum te veraf ligt van de periferie, worden het vanzelf kosmopolitische samenlevingen, tolerant tegenover culturele en soms zelfs religieuze diversiteit.

De ruime samenvatting hieronder, gebruikmakend van hele en halve zinnetjes uit het boek, moet echter met enige reserves gelezen worden. In het voortreffelijke Vergeten erfenis wordt Pagden als historicus door Jona Lendering beknord, omdat hij in een ander boek, The worlds at war, de Atheense, de antieke en de Europese cultuur op één hoop gooit en plaatst tegenover de religieus getinte, oosterse despotieën. Lendering toont nogal overtuigend aan dat deze culturen juist vooral met elkaar vervlochten waren.

Ook in Van mensen en wereldrijken zet Pagden Griekenland en Rome neer als de bakermat van onze beschaving. Aan in zichzelfgekeerde rijken als China, Vijayanagara, het Safawidische Iran, het rijk van Timoer, het Osmaanse sultanaat en de Inca's besteedt Pagden geen aandacht. Niet dat het hen aan territorium ontbrak: het rijk van Timoer reikte van de Zwarte Zee tot Kasjgar; het Osmaanse sultanaat van Hongarije tot Centraal-Azië; dat van de Inca’s omvatte het huidige Peru, Ecuador, Colombia, Bolivia, Noord-Chili en Noord-West-Argentinië. Alleen ziet Pagden imperia in termen van expansie.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Former_empires

Anthony Pagden, Van mensen en wereldrijken
De Europese migratie, ontdekkingsreizen en veroveringen
van de Griekse Oudheid tot heden
239 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2002
Oorspr. Peoples and empires : Europeans and the rest of the world (2001)
Vertaald door Shirah Lachmann



De eerste imperia
Vanaf de Atheense beschaving werd de Griekse geschiedenis gevuld met zwervers op zoek naar kennis (Herodotus) — kennis die ook een middel was om bezit te nemen. Tussen de achtste eeuw en 580 v.C. trokken de Griekse stadsstaten het hele Middellandse-Zeegebied door. Deze kolonisatie eiste ervaren zeevaarders en grote schepen. De symbolische conflicten van voorheen (op het Amerikaanse, Afrikaanse of Australische continent) gingen in het mediterrane Westen over in oorlogen, waarin een groep zich bewust wordt om zijn stempel op de wereld te drukken. Duurzame metalen als brons en later ijzer (wapens die konden bijgeslepen worden) en een georganiseerde strijdmacht stelden een volk in staat de totale strijd te winnen. Het volk wordt leger, bereid om de Attische democratie te beschermen. Een voor allen, allen voor een.

Alexanders imperium (336-323 vC) was het grootste van de antieke wereld. Het maakte een eind aan het Achaemenidische Perzische rijk dat Athene voortdurend bedreigde, en verenigde grote delen van Europa en Azië, waaronder de versnipperde Griekse staten. Zijn vader Philippus II deed het voorwerk, door het door burgeroorlog verdeelde koninkijk Macedonië om te vormen tot een van de machtigste Griekse stadstaten. Toen Alexander stierf had hij echter geen volwaardige opvolger aangewezen; na een reeks bloedige burgeroorlogen werd zijn rijk verdeeld onder zijn vroegere generaals. Eeuwenlang werd Alexander beschouwd als de archetypische imperiumbouwer — door Caesar, Pompejus, Marcus Antonius, Trajanus en Napoleon.

De adminstratieve structuur van het Perzische rijk liet Alexander vrijwel intact, alleen stelde hij eigen mensen aan. Hij verwierp het vroegere onderscheid tussen waarachtige mensen (Grieken) en barbaren. Zijn streven was een verbinding te leggen tussen Oost en West, Azië en Europa, Helleens en barbaars. Deze visie heeft de kenmerken van latere imperia die leefruimte willen bieden aan zeer verschillende volkeren: van het oude Rome tot de Verenigde Staten. De vijandschap tussen Europa en Azië leefde natuurlijk voort na Alexanders dood (Romeinen, Grieken en christelijk Europa aan de ene kant, en de Osmaanse Turken en de Russen aan de andere kant), maar zijn ideaalbeeld bleef bestaan. De monarchie van Alexander was het eerste imperium; het antieke Rome zijn opvolger. Op zijn beurt inspireerde Rome vele moderne staten. Denk alleen aan de architectuur van Londen, Wenen, Berlijn, Washington.

Rome evolueerde van een onooglijke stadstaat langs de Nedertiber in de zevende eeuw tot een republiek tegen het einde van de zesde eeuw. Anders dan de Griekse stadstaten was het dus in geen enkel opzicht een democratie. De Romeinen waren ervaren tactici en militaire vernieuwers (virtus is afgeleid van vir man en betekent ‘moed in de strijd’). De ineenstorting van de republiek en de opkomst van het principaat was de uitkomst van datgene waarvoor alle imperia het meest beducht waren: de burgeroorlog. Het rijk was zo groot geworden dat de Senaat niet langer in staat was het leger en de tomeloze ambities van de machtigste generaals in bedwang te houden.

Caesar was een van die generaals, en na hem Octavianus (Augustus) die als eerste het woord ‘imperator’ aannam als titel en die de ideologische grondlegger was van het principaat: de periode waarin het rijk bestuurd werd door één man. Hij beteugelde de burgeroorlog, bezorgde het rijk vrede, ontnam de senaat en het volk het grootste deel van hun gezag, hervormde het recht en systematiseerde het belastingssysteem (dat zijn leger bekostigde) om het regelmatiger te maken. Het was ook de gouden eeuw van de Latijnse literatuur (Vergilius, Ovidius, Horatius, Tibullus, Propertius, Livius). Rijkdom werd aangevuld met glorie: het respect dat men kreeg van anderen. Een imperium stond voor de beloningen en de glorie die een volk kreeg naarmate het groeide. Er ontstond een militaire cultuur onder de gehele mannelijke bevolking: leger en volk smolten samen.

Maar naarmate het imperium groeide, groeide ook de afstand tussen het centrum van de macht en de buitengrenzen. Het imperium kon steeds moeilijker worden bestuurd— alleen met instemming van de leden ervan. Daarom moest er iets tegenover staan: infrastructuur, vrede, weelde, rijkdom. Het Romeinse burgerschap was een groot goed. Het Romeinse recht (p. 55-), een van de belangrijkste verwoordingen van de rationaliteit van de mens, werd het recht van heel Europa en gaf een ethische doelstelling aan de hele gemeenschap. James Wilson: ‘Men zou kunnen zeggen dat de Romeinen zich niet zozeer verspreidden over de hele aardbol, maar dat de bewoners van de aarde hun lot verbonden met dat van de Romeinen.’

Tegen de tijd van Augustus was Rome een kosmopolitische staat geworden, met mensen uit alle delen van het rijk in vrijwel iedere Romeinse provincie. De orbis terrarum en het imperium begon men te identificeren als één geheel. Ook de Mogol-vorsten van Noord-India en de heersers van Vijayanagara en de Chinese keizer noemden zich heersers van de wereld, maar het Rome stond voor meer dan uitoefening van macht, het had te maken met het scheppen van een wereld. Tot laat in de achttiende eeuw was ‘de wereld’ immers een immens oord dat geen zekerheden bood. Maar voor de opkomst van de Britten in de negentiende eeuw was het Romeinse rijk het meest uitgebreide wat betreft bewoonbare gebieden en bevolking dat de wereld ooit had gekend. De Russen, en vóór hen de Mongolen, heersten over een groter gebied, maar het merendeel was onbewoond en onbruikbaar.

In de tweede eeuw was de expansie tot staan gekomen; in het oosten werden de Romeinen tot staan gebracht door de Parthen, in het westen door de enorme uitgestrektheid van de Atlantische Oceaan. Het rijk was dan al te groot geworden om te besturen vanuit één centrum. In 200 was het Middellandse-Zeegebied getroffen door een ernstige terugval van de handel. De Romeinen leden vreselijke nederlagen tegen de Perzen, de Goten en andere Germaanse stammen en het imperiale bestuur stond als gevolg van burgeroorlog op het punt uiteen te vallen. Diocletianus deelde het rijk op in een oostelijk en westelijk deel. Zijn opvolger Constantijn de Grote stichtte in 324 een ‘nieuw Rome’ voor het oostelijk imperium, Constantinopel of Byzantium. Dat bleef tot in 1453 (p. 67) het rijk van de Romeinen, ook al was het reeds begin vijfde eeuw een Griekssprekende, volledig gehelleniseerde cultuur geworden. Begin vijfde eeuw werd het westelijke imperium overspoeld door horden Germaanse stammen.

Elk zijn eigen koninkrijk
Met de val het Byzantijnse rijk verdween de Griekse cultuur bijna vierhonderd jaar uit het zicht. De Europese samenleving werd gevormd naar Romeins model waar de gebruiken en de talen van de Germaanse binnendringers diepe sporen op achterlieten. Het rijk raakte versnipperd in leengoederen. Alles wat overbleef van de status van het oude Romeinse imperium was nog uitsluitend verbonden met de paus — het hoofd van een seculiere staat in Zuid- en Midden-Italië, maar vooral de leider van een wijdvertakte religie.

Leo III verleende Karel de Grote, die het Lombardische koninkrijk had veroverd en de stammen van de Nedersaksen en Westfalen had onderworpen en gekerstend, in 800 de titel van keizer. Het Verdrag van Verdun van 843 regelde de verdeling van het Karolingische rijk na de dood van Lodewijk de Vrome onder zijn drie zonen, Lotharius (de oudste), Lodewijk de Duitser en Karel de Kale. Deze rijksverdeling en de verdere deling van het Frankische Rijk liggen aan de basis van de eeuwenlange Frans-Duitse rivaliteit in Europa. Karel de Kale kreeg West-Francië, het latere Franse koninkrijk. Lotharius kreeg Midden-Francië, daaronder Lotharingen met de latere Nederlanden. Lodewijk de Duitser kreeg Oost-Francië, het latere Duitse rijk.

Tegen het midden van de twaalfde eeuw claimde iedere koning een keizer te zijn in zijn eigen koninkrijk en wat overbleef van het imperium zelf raakte geleidelijk beperkt tot de Duitse koninkrijken. Daar zou het nog eens zevenhonderd jaar blijven bestaan, ‘noch Heilig, noch Rooms, noch een Rijk’, zoals Voltaire sarcastisch opmerkte, totdat Napoleon er in 1806 een einde aan maakte. De keizers van het Heilige Roomse Rijk gebruikten hun positie om de vrede te bewaren tussen alle machten (vrijsteden, rijkssteden, landgraven, hertogen, prinsen, bisschoppen, Duitse ridders) binnen het rijk.

Expansie van maritieme aard
De heerser die het kortstondig wist te veranderen van een zuiver Duitse aangelegenheid in een universeel imperium (1500-1558) was Karel V. Van zijn grootvader van vaderszijde, Maximiliaan I, had hij Midden- en Oost-Europa goeddeels geërfd en het hertog Bourgondië (met ook Nederland en België); van zijn grootouders langs moederszijde, Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië, had hij Spanje, Castilië, Aragon, het Aragonese rijk in Italië en de oostelijke Middellandse Zee geërfd. Hij bezat tevens het transatlantische gebied dat toen ‘West-Indië’ werd genoemd. Zijn rijk was een wijdvertakte conglomeraat zonder hoofdstad, in huidige termen een multinational; Karel was voortdurend op weg om te reizen. Alle onderdanen genoten dezelfde status. Zijn aanspraken op universalisme werden alleen geëvenaard door de Osmanen (de rivalen van de Habsburgers) en, verder naar het oosten, de Safawiden en de Mogols. Het grote verschil was dat het grondgebied van Karel overzee lag. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw zou de Europese expansie in toenemende mate van maritieme aard zijn.

Tot de late achttiende eeuw zou de wereld voor de meeste Europeanen een plaats van grote geografische onderzekerheid blijven. Hoe groot hij was, wie er woonde, niemand wist het, zeker toen de wereld grondig bleek te verschillen van wat de antieken hadden gezegd. De grenzen van Afrika, Azië en Amerika waren mythisch van aard (zie wereldbeeld p. 78). De vroege Portugese reizen naar Afrika bleven beperkten zich tot de lange Atlantische kustlijn. Latere reizen hadden ten doel zich te verzekeren van een rechtstreekse aanvoer van luxegoederen uit het Oosten en de handel in Afrikaanse slaven. Niettegenstaande het bescheiden begin strekte het Portugese imperium zich in de zeventiende eeuw al uit van West-Afrika tot India en het zuiden van China. De Portugese zeevaarders (Vasco da Gama) hadden in 1497 Kaap de Goede Hoop gerond én teruggekeerd.

Toen Columbus in 1492 de Cariben bereikte veranderde het wereldbeeld van de Europeanen écht. Amerika bleek geen eiland, maar een continent. De hele aarde, op enkele woestijnen en koude gebieden na, waren bewoonbaar. (Ook het Zuiden, dat door Abel Tasman, was bevaren. Al zou het nog duren tot James Cook voor de omvang van Australië werd ingezien.) De Kerk, dat vaak de rol van bemiddelaar speelde, vaardigde decreten uit dat Ferndinand en Isabella de controle mochten hebben over Amerika. De inheemse volkeren moesten wel met zachte hand gekerstend worden. Spanje en Portugal raakten het eens over twee invloedssferen (Tordesillas-linie). De Afrikaanse dromen van landen boordevol goud werd nu geprojecteerd op Amerika. In de jaren dertig van de zestiende eeuw werden de zilvermijnen van Mexico en Peru ontdekt. Het spijsde tot ver in de achttiende eeuw de Spaanse kroon en Duitse, Hollandse en Italiaanse bankiers.

De snelle overzeese expansie was mogelijk door de opkomst van de Europese natiestaten, nieuwe navigatietechnieken en schepen die snel en effectief tegen de wind in konden varen. Tegen het einde van de achttiende eeuw hadden de twee Iberische imperia daadwerkelijk de hele aarde omspannen. De Arabieren hadden uitgebreide netwerken rond het Arabische schiereiland maar bleven daar. De Polynesiërs koloniseerden gebieden duizenden kilometers van hun geboortegrond, maar verlieten nooit de Stille Oceaan. Na de exploten van admiraal Zheng He, staakten de Chinezen alle handel over grote afstanden, uitbreiding van het rijk en contacten met buitenstaanders — een beslissing die noodlottig zou worden. Europese migraties per boot waren snel mogelijk en bleken onomkeerbaar.

Een christelijk rijk
Karel V zag zichzelf als de verdediger van de christenheid. Net zoals de Romeinse keizers hun rijk een religieus tintje gaven, waarbij zijzelf als godheid fungeerden en toewijding altijd een militair karakter had. Na Constantijns bekering werd de goddelijkheid die de heidense keizer omgaf overdragen op de christelijke keizer. Een sekte die afstand deed van het aardse werd staatsreligie. De verspreiding van de kennis van Jezus Christus werd een van de taken van de heersers. Vanaf dat moment liep de uitbreiding van de Europese imperia parallel met de verspreiding van het christelijk geloof, hoewel de meeste missionarissen een ongemakkelijk verbond hadden met de soldaten, avonturiers, kooplieden en koninklijke functionarisen tijdens hun kolonisatietochten. Soms (zie Las Casas en zijn Leyes Nuevas, p. 94-102) bleek het zelfs mogelijk wereldlijke heersers via religieuze verontwaardiging op andere gedachten te brengen.

Filips, de zoon van Karel V, verloor Oostenrijk, Duitsland en Bohemen, maar verwierf in 1580 via dynastieke grillen het koninkrijk Portugal en zijn overzeese rijk. Deze Katholieke Monarchie beleef bestaan tot 1640 en omspande de aardbol. Spaanse legers namen in de jaren zestig de Filippijnen in. Filips kon zich echter niet binnen op verdere expansie, richting China. Het verval van Spanje was al halverwege de zestiende eeuw begonnen. De Nederlanden kwamen in opstand, een oorlog die tachtig jaar duurde, en Spanje financieel en moreel bankroet maakte. Voor het eerst veroverde een rebellerende Europese vazalsstaat zelfbeschikkingsrecht. Delen van Spanje werden getroffen door inflatie (er was geen monetair beleid). Door de obsessie met edelmetalen had het de handel en landbouw in de overzeese gebieden verwaarloosd. Middelen werden ingezet om het imperium te beschermen.

Eind zestiende eeuw hadden de Hollanders een aanval ingezet op de Portugese bezittingen in Azië en Cochin, Malakka, Sumatra, Java, Borneo, Celebes, de Molukken, het westen van Nieuw-Guinea, Formosa, Timor en Ceylon in bezit gekregen. De Portugesen restte in Azië nog Goa in Zuid-India en Macao in China, Brazilië en de kolonies in West-Afrika. De Fransen en Engelsen knabbelden aan de Amerikaanse bezittingen van Spanje. Na de Successie-oorlog kregen de Franse Bourbons de macht over de Spaanse troon. Begin negentiende eeuw begonnen de Spaanse kolonisten zich te storen aan de autocratische aanwezigheid van een verre grootmachten, net zoals de Engelsen vóór hen.

Luthers opstand tegen de katholieke kerk werd gesteund door de Duitse prinsen en vrijsteden die zich verzetten tegen de steeds sterkere poging van Karel om de losse federatie van Duitse staten om te vormen tot een hecht imperium. De ruzie met de keizer groeide uit tot een langdurig geloofsconflict, een bloedige burgeroolog, tot de Vrede van Westfalen (1648). Zij bracht de schepping van het Europa van de natie (en bekrachtige het bestaan van de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse confederatie). Voortaan zou de heerser van iedere staat bepalen welk soort christendom er ingang vond.


Screenshot uit het game 'Empire: Total War'; afbeelding via Wikipedia

Handelsimperia
De Vrede van Westfalen was ook een culturele, politieke en economische scheiding. Het Iberische schiereiland raakte in verval, hun oude vijanden Frankrijk, Engeland en de Nederlanden waren in opkomst. De protestantse naties zagen in dat geen enkel land grote Europese ambities meer kon hebben. Nieuwe expedities zouden geen rijkdom meer opleveren. De toekomst lag op het vlak van de handel — handelsimperia die overeind bleven door de wereldzeeën te controleren.

Een nieuwe klasse van kooplieden ontstond in Engeland en Frankrijk, die in handel ook een beschavende, pacificerende kracht zag. De Portugese stichtten feitorias, factorijen. Engeland en Holland herkenden de economische motieven in elkaars overzeese politiek: beiden achtten zichzelf verlichte koopman-avonturiers in plaats van conquistadores. Deze imperia geboren uit de zee waren ook gefundeerd op de overtuiging dat handel en kapitaalvermeerdering alleen kunnen plaatsvinden in vrije samenlevingen. Men zou de inheemse bevolking niet langer uitbuiten, alleen hen afhelpen van religieuze dwalingen. Aan het eind van de Zevenjarige oorlog (Engeland versus Frankrijk) was Engeland de machtigste maritieme mogendheid.

De Onafhankelijkheidsoorlog liet zien dat kolonies ook op eigen benen wilden en konden staan. Hun nieuwe geïmmigreerde inwoners waren nieuwe volken geworden. Engeland verloor dertien koloniën en ging zich meer concentreren op Azië, Afrika en later de Stille Oceaan (start van ‘het tweede Britse imperium’). Denkers als Burke en Smith zagen het Engelse imperium veranderen in een soort gemenebest. En ook de Hollanders noch de Engelsen konden een agressiever beleid voeren in hun factorijen op Ambon, in Soerat en Madras, in Calcutta en Bombay. De Mogol-legers konden ze pas aan toen de East India Company sterker werd en de Engelsen de overhand kregen in grote delen van India.

Maar van de wil tot verankeren in die nieuwe gebieden was geen sprake, men wilde er gewoon rijker uit terugkeren. (Dit in tegenstelling met de Amerikaanse kolonisten uit Europa, die op zoek waren naar een wereld waar de sociale beperkingen van het avondland niet golden.) De Engelse wens een ‘vrijheidsimperium’ op te bouwen voor onderworpen volkeren, kon het verlangen naar bezit en grond niet onderdrukken. Noch werd er afgestapt van de slavernij.

In de oudheid kwamen slaven uit Syrië, Egypte, Judea, Dacië, Moesië, Germanië en Brittannië — overwonnen gebieden. Ook de islamitische wereld steunde sterk op slaven: de mamelukken. De Germanen die de Romeinen onder de voet liepen, waren georganiseerd in stamverbanden en konden weinig met de slaven, die vooral rendeerden in stedelijke levenswijzen. In het middeleeuwse Europa werden slaven eerst gehouden als landarbeiders — hulpjes voor de beroepsbevolking die hoofdzakelijk uit landbouwers bestond — tot het feodalisme aan het licht bracht dat horigen makkelijker te controleren waren, én productiever. De slavernij in het vroegmoderne Europa was dus een nieuw begin.

Het was de grootste gedwongen migratie in de geschiedenis. Complete culturen binnen Afrika spatten uiteen; aan de overzijde van de Atlantische Oceaan ontstonden er nieuwe. De moderne multiraciale samenlevingen werden geboren. Het christelijk geloof noch de Koran zagen graten in het knechten van andere volken. Afrikanen werden verscheept als mankracht voor de overzeese kolonies, in de suikerrietplantage: de waarde van suiker voor de economie van de slavenhoudende naties maakte de afschaffing van de slavernij in de achttiende eeuw een onzekere zaak. En zelfs de abolitionisten geloofden in het beschavende vermogen van de Europese cultuur.

Wetenschappelijk prestige
Tegen het einde van de achttiende eeuw moest nog een gebied in kaart gebracht worden: de Stille Oceaan. Weinigen geloofden nog in menselijke curiositeiten, maar de droom van het aards paradijs, ergens, was nog niet gaan liggen. Denk aan Bougainville en zijn beschrijving van Tahiti en Voyage autour du monde, als een oord van volledige menselijke en seksuele vrijheid. De Engelsen en Fransen schepen doorkruisten de Stille Oceaan volledig en brachten elk eiland in kaart. De vermaardste reizen waren deze van James Cook. Polynesië was een soort antropologisch laboratorium, waar men de mens kon zien voor de beschaving vat op hem had kunnen krijgen.

Maar Frankrijk en Engeland, met argusogen bekeken door Spanje, hadden nog steeds plannen met de mogelijke rijkdommen van de zuidelijke oceaan. Charles de Brosses stond een nieuwe verlichte Franse aanwezigheid in de Stille Oceaan voor, door handel te combineren met onderwijs. Cook was dan weer voor de Engelsen een pion in de imperiale uitbreiding. Maar het bleef bij plannen. Bougainville en Cook kwamen vooral met een grotere kennis van de natuur van de Stille Zuidzee naar Europa, en inheemse mannen, zoals Aotourou en Omai.

Tijdens de late achttiende eeuw voerden expedities vooral botanici, werktuigkundigen, hydrografen, natuurkundigen, artsen, astronomen en schildes meer, en maar weinig soldaten en geen missionarissen. De wetenschap werd een algemeen erkende bron van macht en een nieuw terrein waarop de Europese grootmachten met elkaar streden om de superioriteit. Prestige was in deze trouwens belangrijker dan militair overwicht.

Patriotten
Cooks triomf werd beschouwd als een triomf voor de Engelse natie. Imperialisme ging geleidelijk over in nationalisme dat sinds de negentiende eeuw het dominante politieke credo was: de opvatting dat alle volkeren aparte, eigen kenmerken hebben, dat mensen verenigd worden door een gemeenschappelijke taal en leven onder een enkele en autochtone heerser. Volgens denkers als Herder waren het idee van een volk en het idee van imperium onverenigbaar. Alleen viel de wereld niet zo snel uit elkaar dan hij dacht. Vooral het Franse en Engelse imperium groeide in de schaduw van de opkomst van het imperialisme.

Post-revolutionair Frankrijk, omringd door vijanden, ijverde voor de eenwording van ongelijkwaardige lokale groepen (geleid door een keizer in plaats van een tirannieke ‘koning’). Napoleon liet zich in 1804 tot keizer kronen en nam officieel de rol aan die de keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie eens had bekleed. Hij wilde Europa verenigen, zoals Karel de Grote. En Oost (Egypte) en West verenigen, zoals Alexander. Een gecombineerde aanval van Engelsen en Osmanen werden de Fransen echter verdreven. Het Napoleontische rijk (op zijn hoogtepunt 44 miljoen onderdanen, veertig procent van de Europese bevolking) was de laatste poging voor Hitlers Derde Rijk om een imperium te stichten op Europese grond. In Engeland was Victoria’s aanvaarding van de titel ‘keizerin van India’ de meest verregaande poging om het oude Romeinse imperium te herscheppen. De Britten beschouwden hun imperium als vorm van vaderlijke voogdij, wat resulteerde in de leer van indirect rule, geschraagd door de nieuwe wetenschap van de sociale antropologie (p. 179).

Kolonies konden een bron zijn van patriottische trots, wat werd getoond op wereldtentoonstellingen in de Europese imperiale hoofdsteden, inclusief inboorlingen. Sinds het eind van de eeuw hadden de nieuwe sociale wetenschappen invloed gekregen op hoe imperia werden bestuurd: het beschavingsbeleid. De grote verschillen die de vele volkeren van de wereld van elkaar scheidden, konden alle worden verklaard uit een combinatie van factoren, waaronder klimaat, bodemgesteldheid, regeringsvorm en tijd besteed aan migratie. Een imperium werd nu gezien als een vorm van uitwisseling: de arbeid en de grondstoffen van de ‘onbeschaafden’ tegen de verlichting, technologie en christelijke inspiratie van de Europeanen.

Begin negentiende eeuw doemde een kwalijker opvatting (Julien-Joseph Virey, over verschillen op: het racisme. Het ging er vanuit dat er niet één ras, maar vele rassen bestonden (hoewel ook racisten een linguïstische gemeenschappelijkheid (zie het werk van William Jones, Max Müller) niet konden ontkennen). Het racisme zaaide uit van opvattingen over zeer algemene verschillen tussen Europeanen, joden en Arabieren, Chinezen en Amerikaanse indianen, tot verschillen tussen volkeren binnen Europa (Gobineau, p. 174).

De run op Afrika begon medio jaren zeventig van de negentiende eeuw: Fransen, Britten, Duitsers, Belgen, Hollanders, Italianen, Portugezen, Spanjaarden. Maar alleen de Hollanders en de Britten hadden nog aanzienlijke imperiale belangen elders te wereld. Tegen het einde van de achttiende eeuw bestreek de Europese macht op zee de hele aarde. Dit bleef zo tot het midden van de twintigste eeuw. De enige concurrenten waren China en het Osmaanse Rijk, die tot ver in de negentiende eeuw respect afdwongen.

Het Osmaanse sultanaat speelde de ene grootmacht uit tegen de andere (de ‘Great Game’) tot het in 1908 ingenomen werd door de Jonge Turken. China werd beschouwd als een belangrijke handelspartner, maar begon tegen de achttiende eeuw tekenen van verval te vertonen. De Europeanen stelden steeds grotere eisen om de deur voor hen open te zetten, wat resulteerde in de Opiumoorlogen. Engeland vergrootte zijn basis op Hong Kong en maakte Tibet zo goed als los van China. Duitsland vestigde bases in het noorden, de Fransen (die Indochina reeds hadden bezet) in het zuiden. Toen Engeland, Frankrijk, Rusland, Italië, Duitslands, de VS en en Japan (dat Korea en Taiwan had) zich verenigden om de Bokseropstand (1899-1901) neer te slaan en Beijing te plunderen stortte het Chinese Rijk in als gevolg van die raids. China, in de achttiende eeuw in de mode, was nu een schoolvoorbeeld van ‘oriëntaals despotisme’.

Globalisering?
De wereld kwam in handen van de voornaamste Europese mogendheden, Rusland en de VS. In 1914 bezetten zij 84 procent van het aardoppervlak. De pseudo-imperia van Hitler en Musolini kwamen binnen enkele jaren ten val. Het Sovjet-Russische imperium kwam met de ideologie die het voedde ten val. De Europese overzeese imperia verdwenen alle tussen 1947 en het einde van de jaren zestig (p. 190-). Niettemin blijft het Europese begrip ‘natie’ doorwerken in de postkoloniale landen. In Azië en Afrika werden op imperiale gronden volkeren samengebracht die weinig met elkaar gemeen hadden (192-), en ook in Europa (Spanje) was dit het geval.

Het overgrote deel van de mensen blijft in nationale begrippen over zichzelf denken. Globalisering is in hoofdzaak een economisch begrip. Kosmopolitisme is de luxe van wie het zich kan veroorloven. De Europese Unie is een pijnlijke, moeizame poging om natiestaten om te vormen tot een federatie. Imperia bestaan misschien nog, maar dan met markten, internationale financiële fondsen en non-gouvernementele organisaties respectievelijk als legers, bestuurders en priesters. Het internationale recht doet denken aan het Romeinse besef van de civitas.

____

2 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

De consulato sitlichonis – Claudianus
Political writings – Kant
Corpus hermeticum
Le concept d’empire – Duverger (ed.)
The works of Francis Bacon
The Greeks overseas : their early colonies and trade – Boardman
Conquest and empire : the reign of Alexander the Great – Bosworth
Parallel lives – Plutarchus
The search for Alexander – Fox
The medieval Alexander – Cary
Political writings – Price
Imperium romanum : politics and administration – Lintott
Essays, moral, political and literary – Hume
Imperialism in the ancient world – Whittaker
Empire – Koebner
L’inventaire du monde : géographique politique aux origines de l’empire romain – Nicolet
The Oxfrod history of the classical world – Boardman, Griffin en Murray (ed.)
Christianizing the Roman empire – MacCullen
Historical Rome – Grant
The last descendant of Aeneas : the Habsburgs and the mythic image of the emperor – Marie Tanner
Political writings – Francisco de Vitoria
Imperial meridian : the British empire and the world 1780-1830 – Bayly
When China ruled the seas : the treasure fleet of the dragon throne 1405-1433 – Levathes
A short account of the destruction of the Indies – Bartolomé de Las Casas
Spain, Europe and the atlantic world : essays in honour of John H. Elliott – Kagan
Spain and its world 1500-1700 – Elliott
The Portuguese empire 1415-1808 : a world on the move – Russell-Wood
Marvellous possessions : the wonder of the New World – Greenblatt
Judicious and select essays and observations – Sir Walter Raleigh
Lords of all the world : ideologies of Empire in Spain, Britain and France c. 1500-c. 1800 – Pagden
The writings and speeches of Edmund Burke
Imperium/Empire/Reich : ein Konzept politischer Herrschaft im deutsch-britischen Vergleich – Bosbach en Hiery (eds.)
The Oxford history of the British Empire – Marshall (ed.)
Political writings – Price
On empire, liberty and reform : speeches and letters of Edmund Burke – Bromwich (ed.)
Classical slavery – Finley (ed.)
Ancient slavery and modern ideology – Totowa

Achille van den Branden zei

The making of New World slavery : from the baroque and the modern 1492-1800 – Blackburn
The slave trade : the story of the atlantic slave trade 1440-1870 – Thomas
The African slave trade : a census – Curtin
The overthrown of colonial slavery 1776-1848 – Blackburn
Histoires des navigations aux terres australes – Charles de Brosses
The journals of captain James Cook on his voyages of discovery
European vision and the South Pacific – Smith
Outlines of a philosophy of history of man – Herder
European encounters with the New World : from Renaissance to Romanticism – Pagden
Empire – Koebner
The idea of Europe from antiquity to the European union – Pagden (ed.)
L’expédition d’Égypte 1798-1801 – Traunecker
The aryan myth : a history of racist and nationalist ideas in Europe – Poliakov
The crisis of reason : European thought 1848-1914 – Burrow
Imperialism : the story of significance of a political word 1840-1960 – Koebner en Schmidt
The expansion of England – Seeley
Ideologies of the Raj – Metcalf
The new Cambridge history of India – Metcalf
Empires of the sand : the struggle for mastery in the Middle East 1789-1923 – Karsh
The Chan’s great continent : China in western eyes – spene
The rise and fall of the great powers – Kennedy
Portrait of Europe – Madariaga
Imagined communities : reflections on the origins and spread of nationalism – Anderson
National identity – Smith
Correspendance – Diderot
The law of peoples – Rawls
The legacy of Rome – Bailey (ed.)
The Dutch seaborne empire 1600-1800 – Boxer
Cambridge history of Africa – Fage
Mapping an empire : the geographical construction of British India 1765-1843 – Edney
Imperial Spain 1469-1716 – Elliott
Spain and its world 1500-1700 – Elliott
A history of Africa – Farge
Classical slavery – Finley
Empire – Hardt
Imperium romanum : politics and adminstration – Lintott
Two treatises on government : a critical edition – Locke
History of the human sciences – Pagden
Spain in the Netherlands 1559-1659 – Parker
The beginnings of new France 1524-1663 – Trudel
The creation of the American republic 1776-1787 – Wood

Related Posts with Thumbnails