Taal is zeg maar echt mijn ding - Paulien Cornelisse
Schrijven is het malle ambacht van alle mensen met de — naïeve — overtuiging dat er voor elke inhoudelijke mededeling een perfecte vorm te vinden is. Bij praten, daarentegen, is wát je zegt veel minder belangrijk dan de manier waarop. De meeste vrouwen vinden een gesprek daarom de ultieme lakmoesproef. Ze willen je houding zien, je gezicht, en kijken of woord en beeld elkaar bevestigen. Een man die te vaak op zoek moet naar le mot juste verveelt hen en wekt hun wantrouwen.
Allicht moet de achterdocht die Paulien Cornelisse in dit boekje aan de dag legt zo begrepen worden. Cornelisse, cabaretière en columniste voor NRC.next, schreef Taal is zeg maar echt mijn ding vanuit het idee dat taal tout court meer verwarring veroorzaakt dan duidelijkheid brengt. "Sinds we kunnen praten," schrijft ze, "hebben we uitgevonden dat je om de hete brij heen kunt draaien, dat je nare dingen op een aardige manier kunt zeggen, dat je kunt slijmen, liegen, goedpraten, stinkende wonden maken en die met de mantel der liefde bedekken."
Tegelijk is ze gefixeerd op de taal en probeert ze door goed te luisteren aan de weet te komen "wat mensen eigenlijk liever niet willen zeggen: wie ze zijn." De woorden die we gebruiken vertellen iets over ons, maar dan op een indirecte manier. Die informatie zit zelfs verborgen in de banaalste Valentijnskaart, de meest clichématige toespraak en de jaarlijks terugkerende kerstwensen. Wie ‘Mijn vrouw’ zegt tegen zijn vrouw, heeft een ander zelfbeeld, en een ander beeld van zijn vrouw, dan iemand die over haar spreekt in termen van ‘Mijn huisgenote’, ‘Mijn vriendinnetje’, ‘Mijn Partner’ of ‘Mijn geliefde’.
Cornelisse legt uit hoe taalgebruik passieve agressie (''Met alle respect, maar...'), pretentie ('creëren' gebruiken i.p.v. 'maken') en valse bescheidenheid ('Daar heb ik toevallig wel een beetje verstand van') blootlegt, en hoe we met taal een slag om de arm houden ('in die zin'), interessanter willen lijken ('Ik geloof niet in de Teletubbies'), of subtiel kunnen opscheppen ('Élk jaar is een topjaar!'). Ze brengt taalinflatie aan het licht ('Het regent. Wat een hel.'), hekelt onzinetymologie ('bewust-zijn') en wijst op manieren waarop mensen hun eigenwaarde opkrikken ('op reis gaan' zeggen i.p.v. 'met vakantie gaan').
Veel taalgebruik is trendgevoelig. Een probleem is plots geen 'probleem' meer maar een 'uitdaging’, gevoelens zijn er ‘om mee om te gaan’, een tegenslag moet je ‘goed oppakken’, enzovoort. Taal vertoont ook de onoverkomelijke dialectiek van modes. Zodra een hippe uitdrukking gemeengoed is geworden, verliest ze haar waarde.
Al die kleine observaties werden gebundeld in dit kleine boekje. Cornelisse is daarmee het achternichtje van Jan Kuitenbrouwer (die om een of andere reden nergens wordt vernoemd) en kende met Taal is zeg maar echt mijn ding dan ook een navenant verkoopssucces.
Toch gaat de vergelijking niet helemaal op. Cornelisse legt meer uit dan Kuitenbrouwer, die vaker opteert voor de pure dialoog, en ze maakt van elke eigenaardigheid een stukje, waar Kuitenbrouwer een heel semantisch veld in één betoog kan comprimeren. Het maakt hem grappiger dan haar. Ze moet nog meer leren schrappen. Niet toevallig moet ik het vaakst glimlachen als Cornelisse Peter Van Straaten-achtige flarden tekst voor zichzelf laat spreken.
MIJN GEZINSoms neemt Taal is zeg maar echt mijn ding ook een voorspelbare, puberachtige keer, bijvoorbeeld wanneer de auteur zich vrolijk maakt over bizarre voornamen. Of wanneer ze de uitdrukking 'Alles goed?' letter gaat nemen. Dat letterlijk nemen, daar maakt George Carlin scherpere conferences van. En schrijft Cornelisse over de wildgroei van aanhalingstekens op plaatsen waar die niet hoeven ('Wij zoeken "serveersters".'), dan lees ik daar toch liever Lynne Truss over, in Eats, shoots & leaves. Trendwatchen alleen is niet genoeg voor een boek; er moet een groter verhaal bij.
‘Mijn hobby’s zijn tennis, golf, en mijn gezin natuurlijk.’
Ronduit knap is dan weer de manier waarop Cornelisse geestige columns kan schrijven over vaalgrijze tussenvoegsels als 'en alles' of 'enzo'. Over het woordje 'eigenlijk' in 'Ik was eigenlijk op zoek naar een krop sla.' Het woordje 'óók' in 'Het NK schaatsen op natuurijs in de Oostvaardersplassen. Dat is óók Flevoland.' Het woordje ‘toch’ in ‘Ja, wat zitten we toch lekker.’
Het meest interesseerden me de stukjes waarin de Nederlandse illustreert hoe taal ingezet kan worden om de gesprekspartner met fluwelen handschoenen een bepaalde kant op te duwen. Peter R. de Vries kon dat heel goed, met zijn retorische vragen aan Joran van der Sloot ('En ik heb zeker ook de verdwijning van Natalee Holloway geïnitieerd?’). Een ander voorbeeld uit de koker van Cornelisse is het gebruik van het zo onschuldig lijkende 'Ik merk'.
‘Ik merk’ geeft mededelingen iets vaststaands, alsof er verder niet over gediscussieerd kan worden. Je vindt niet iets, maar je merkt iets op. Het klinkt empirisch en daarom waar. Tegelijkertijd kun je niet worden aangevallen, want we hebben het hier over een constatering, niet over een mening. Zeg eens: ‘Ik vind Rita Verdonk eigenlijk een heel leuke vrouw,’ en kijk wat er gebeurt. Zeg dan eens: ‘Ik merk dat ik Rita Verdonk eigenlijk een heel leuke vrouw vind.’ Bij de eerste zin moet je jezelf (afhankelijk van het gezelschap) verdedigen. In het tweede geval mag je lekker over je eigen interessante innerlijk gaan wauwelen, en krijg je empatische reacties van het type ‘dat heb ik ook heel sterk’.Mijn eigen stokpaardjes staan trouwens niet in het boekje. Die hebben vooral te maken met uitspraak. Ik weet dat taal draait en keert, dat je taal vooral moet laten leven, en toch kan ik het niet hebben wanneer Nederlanders vreemde woorden naar hun eigen mond zetten. In juli wordt het weer nagelbijten als Mart Smeets de 'Tour de Frans' gaat zitten becommentariëren. En ik moet maar één Hollandse schrijver gewag horen maken van een 'esseej' en ik zap weg. Wat heeft 'esseej', een woord als een snottebel, nog te maken met het frisse, Franse essay?
Het zijn niet de klanken op zich die me storen, het is de onverschilligheid bij het annexeren van woorden — de (niet eens puur Hollandse) reflex om al wat vreemd is fijn te malen voor eigen gebruik, en dat dan als kosmopolitisme te beschouwen. Een neurose, ik weet het, ik weet het. Paulien Cornelisse beknort me er ook om, in haar boek.
Er hoeft maar een natuurramp, een coup of iets anders engs te gebeuren in een land ver weg, en meteen steekt de verwarring de kop op: is het Birma of Myanmar? En zeiden we vroeger niet ‘Burma’ in plaats van ‘Birma’? En wat is eigenlijk correct? En trouwens, sinds wanneer hebben we het over Mumbai? Was het niet altijd Bombay?Al bij al is Taal is zeg maar echt mijn ding een erg onderhoudend werkje. Stiekem hoop ik dat er een vervolg op komt, waarin Cornelisse wat meer ambitie aan de dag legt. Sinds Orwell zijn het in ere herstellen van taal en het ontmaskeren van kromspraak kernopdrachten van elke schrijver. Opdrachten die niet alleen hun beslag mogen krijgen in prettige herkenbare stukjes in de lifestylesfeer.
Eens in de zoveel tijd veranderen verre plekken van naam, en dat ligt niet aan de mensen op de verre plekken, dat ligt aan onszelf. ‘Peking’ was vroeger ‘Pepin’, en nu is het eigenlijk alweer een hele tijd ‘Beijing’. Misschien benadert dat de Chinese uitspraak beter, maar waarom dat belangrijk is, is onduidelijk. Waarschijnlijk horen Chinezen hun eigen uitspraak überhaupt niet terug in de onze, en dan nog: de rest van de zin is in het Nederlands, dus hebben ze er sowieso niets aan.
Nee, het min of meer correct uitspreken van buitenlandse plaatsnamen heeft iets te maken met laten zien dat je betrokken bent, een ‘wereldburger’. (…) Mensen die Beijing zeggen, suggereren dat ze meer van China weten dan mensen die nog bij Peking zijn blijven hangen.
Het gekke is dat deze betrokkenheidsregel alleen geldt voor verre oorden. Stel dat iemand ineens in plaats van ‘Parijs’ zou zeggen: ‘Paris’. Dan zouden we hem een ongelooflijke aansteller vinden.
Dat Cornelisse eens een thema neemt, en dat grondig uitwerkt. Taal van politici, taal van reclamejongens, taal van kunstpausen, taal van would-be schrijvers (‘iriserend’, ‘myriaden’) — maakt niet uit. Taal is gewillig, en in plaats van het goede begrip te dienen, wordt zij vaak aangewend als onderscheidingsmechanisme. Wordt ze codetaal, waarmee de insiders zich van het vulgus onderscheiden.
Vele groten uit de wereldliteratuur komen mede aan hun status omdat ze daar tegenin gingen. Omdat ze hun gezond verstand gebruikten en begrijpelijk bleven schrijven, zo goed mogelijk over alle modes heen. Seneca, Voltaire, Lichtenberg, Maugham, Gombrich... De lijst is gelukkig eindeloos.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Paulien Cornelisse op YouTube
> Jan Kuitenbrouwer op Achille: Percies! en Lijfstijl
Paulien Cornelisse, Taal is zeg maar echt mijn ding
229 p.
Uitgeverij Contact, 2009
____

0 reactie(s):
Een reactie plaatsen