vrijdag 16 april 2010

Nacht en ontij - Roger Ekirch

Roger Ekirch doet er in dit boek alles aan om te bewijzen dat de nacht niet zomaar het negatief is van de dag, maar een heel eigen temperament heeft, zoals de Engelse uitdrukking 'night season' mooi laat zien. Mij hoefde hij niet te overtuigen. Ik ben al heel mijn leven verliefd op de nacht. Ik verzamel fotoboeken met nachtfoto's. Ik heb een dikke map met gekopieerde nachtgedichten. En bijna alles wat mijn leven kleur geeft, vindt paradoxaal genoeg plaats bij grote duisternis.

Drie dagen per week hoef ik 's voormiddags niet te werken. Dat zijn momenten die ik niet gebruik om langer te slapen, maar om de avond voordien langer te kunnen opblijven. Dan doe ik na een dag werken een hazeslaapje van acht tot tien uur, om met een opgefriste kop een halve nacht te kunnen opblijven, tot een uur of vier, vijf. Alles bij elkaar opgeteld breng ik op zulke dagen negen uur in het donker door, van de gemiddeld zeventien uur die ik wakker ben. Dat is veel.

Hoewel mijn jaren als volleerd noctivigator definitief achter me liggen (vroeger maakte ik elke dag een nachtwandeling van een uur), heb ik nog steeds een bijna tastbare relatie met het donker. Alleen 's nachts vind ik de stilte om goed te kunnen lezen. De wereld ziet er zachter en eenvormiger uit in het duister. Het zwart van de nacht en het oranje van de schemerlamp hebben een milddadige uitwerking op mijn humeur. En alle mensen die overdag iets van me willen, liggen bij nacht in hun bedstee.

Ik verheugde me dus op dit boek van de Amerikaanse historicus Roger Ekirch. Nacht en ontij schetst de geschiedenis van de nacht in de westerse (zeg maar Engelse) maatschappij van voor de Industriële Revolutie, ruwweg van 1500 tot 1750, toegespitst op de vraag hoe mensen na zonsondergang omgingen met echte of vermeende gevaren. De onderliggende these van Ekrich is, zoals gezegd, dat de nacht niet zomaar een interval was tussen twee productieve perioden van klaarlichte dag, maar dat de nacht bezien moet worden als een zelfstandige grootheid.

In de vroegmoderne tijd was de nacht niet zozeer de achtergrond van het dagelijks bestaan, noch een natuurlijk hiaat daarin, maar de belichaming van een aparte cultuur, met eigen gewoonten en rituelen. (…) Anders waren het dieet en de gezondheid, de kleding, het reizen en de communicatie, maar ook het sociale verkeer, het werkritme en de populaire mores, waaronder de omgang met magie, seksualiteit, recht en hiërarchische autoriteit.
Die stelling, uitgesplitst in thema's, illustreert hij met een karrevracht citaten uit contemporaine bronnen: brieven, memoires, reisverslagen, dagboeken, getuigenverklaringen van rechtbanken (voor de onderste lagen van de bevolking), didactische geschriften, preken, godsdienstige traktaten, achttiende-eeuwse kranten en tijdschriften (zoals The Gentleman's Magazine), medische en filosofische verhandelingen, woordenlijsten en verzamelingen spreekwoorden.

Ekirch gebruikt hoge literatuur zoals poëzie, toneelstukken en romans — veertiende-eeuwers als Sacchetti en Chaucer; een zestiende-eeuwer als Shakespeare; zeventiende-eeuwers als Pepys, Evelyn, Milton en Defoe; achttiende-eeuwers als Rousseau, Boswell, Smollett, Gay en Young — naast een hele trits vergeten schrijvers en anonieme auteurs van 'lage' literatuur als balladen, fabels en volksboeken.

Nacht en ontij is jammer genoeg geen degelijke synthese. De tekst laat zich lezen als een lappendeken van beweringen. Stilistisch is Ekirch doorzichtig: hij poneert een stelling en gooit er voorbeelden en ondersteunende citaten tegenaan. Telkens opnieuw, in elke alinea. Hij is een enthousiast verteller en heeft een heleboel aardige anekdotes klaarzitten ("Het is avond, zeggen de Ieren, als mensen en struiken er hetzelfde uitzien of, zoals de Italianen nog onheilspellender zeggen, als honden en wolven op elkaar lijken") en toch krijgt zelfs de leek een onbehaaglijk gevoel bij het speculatieve en veralgemenende karakter van wat gezegd wordt. Nacht en ontij bevat zo goed als geen cijfers, en staat vol wezelwoordjes als 'vaak', 'meestal' en 'soms'.

Voor een historicus gaat Ekirch bijzonder vlot over Europese verschillen; misschien is dat een typisch Amerikaanse reflex. En waar beweringen vaak niet worden gelocaliseerd, worden ze al helemaal niet gedateerd. Ekirch beschrijft in zijn boek zonder complexen een periode van 250 jaar, als betrof het een massief en ondeelbaar tijdsvak. Hij rechtvaardigt die aanpak met de idee dat in veel agrarische streken in Europa de waarden en tradities nauwelijks veranderden tot het eind van de negentiende eeuw, toen de transport- en handelsmogelijkheden sterk toenamen. Het nachtleven verschilde per land en per tijd, jawel, maar de overeenkomsten acht Ekirch groter dan de verschillen. Pas in de achttiende eeuw, zegt hij, werd het nachtleven echt anders, en dan nog alleen in de steden. Vóór die tijd waren verschillen in sociale positie en geslacht, en het onderscheid tussen stad en platteland, belangrijker dan verschillen in tijd of plaats.

Wat zeker wantrouwig stemt is het feit dat Ekirch geen bibliografie opneemt in zijn boek en ergens doet uitschijnen dat hij pionierswerk verricht. Geloof ik niets van. Over de cultuurgeschiedenis van de nacht zouden geen interessante deelstudies bestaan? Zelfs ik kan voor de vuist weg Night opnoemen van Alfred Alvarez, dat zelfs in het Nederlands vertaald is.

Nacht en ontij, kortom, is een mooi impressionistisch tableau, meer niet. Vele snelle borstelstreken naast elkaar, zonder hiërarchie. Mijn uitgebreide samenvatting (zeg maar de kernzinnen van het boek samengeklonken, gebruikmakend van de prettige vertaling van Meile Snijders) moet daarom met de nodige reserves gelezen worden. Als een impressie van een impressie.

Dit boek heb je makkelijk in één avond uit, waarna je je absoluut bewust wordt van de duisternis waarin de wereld eeuwenlang heeft gebaad, voor de uitvinding van het elektrisch licht. Alle andere conclusies van Ekirch durf ik hem niet luidop na te zeggen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Roger Ekirch, Nacht en ontij
De geschiedenis van de nacht in de voorindustriële tijd

396 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2006
Oorspr. At day’s close : night in times past (2005)
Vertaald door Meile Snijders



De gevaren van de nacht
’s Nachts is het koud en duister. In antieke beschavingen (Egypte, Mesopotamië, het christelijk Europa) werd de duisternis gelijkgesteld met de dood. Ook in de vroegmoderne tijd zat de schrik er goed in. Dieven en moordenaars, duivels en geesten leken overal. Alle vormen van kunstlicht zoals lampen, fakkels en kaarsen hielpen de nachtangst te overwinnen. Na de Industriële Revolutie werd de afkeer voor het donker minder, vooral door de uitvinding van het elektrisch licht, de oprichting van een professionele politiemacht en de verspreiding van het wetenschappelijk rationalisme. Ervoor beroofde de nacht mensen van hun gezichtsvermogen, het zintuig dat het meeste greep gaf op de omgeving, en heel belangrijk in een maatschappij die vooral gebaseerd was op rechtstreeks contact tussen mensen. De gebruikelijke herkenningspunten in het landschap verdwenen. ’s Nacht kun je niet langer opgaan in de menigte van overdag. Het donderde. De kerkuil riep. Kometen, meteoren en maansverduisteringen maakten grote indruk. De maan verspreidde ziekteverwekkende dampen, dachten laagopgeleide mensen. Ziekten werden ’s nachts vaak erger. De dood treedt vaak in ’s ochtends en daar zijn medische redenen voor (p. 32).

Natuurlijke vijanden als wolven en beren waren door de jacht aan het eind van de Middeleeuwen verdwenen, maar de nacht leek nog steeds het domein van Satan en van kwaadaardige wezens uit de folklore (36), zoals heksen (38). Vooral in de vijftiende eeuw nam vanwege alle oorlogen, hongersnoden en natuurrampen het onheilsgevoel toe. Mensen projecteerden hun angsten op de kwetsbaarste groepen.

Op het platteland werden bijna-verdrinkingen, omgevallen wagens en vervelende valpartijen waarschijnlijk regelmatig toegeschreven aan bovennatuurlijk ingrijpen. Hoewel er al vanaf de elfde eeuw woeste gronden werden ontgonnen, bleef het landschap gevaarlijk: veel bossen, dicht struikgewas, steengroeven, slecht begaanbare wegen. Alcohol, en ’s nachts was men vatbaarder voor dronkenschap, speelde vaak een rol bij ongelukken. Er verdronken mensen, boten sloegen om, paarden waren schrikachtig bij duisternis.

Een groot deel van Europa was rond 1700 veranderd door urbanisatie: de meeste steden stonden uit een wirwar van nauwe steegjes, met uitstekende bovenverdiepingen die het zon- en maanlicht tegenhielden. Pas in de achttiende eeuw zouden brede, rechte wegen de norm worden in steden. Er was geen goede straatverlichting, tot het einde van de zeventiende eeuw enkel de lantaarns van voetgangers en het licht dat uit verlichte huizen kwam. Pas in de achttiende eeuw werden straten geplaveid, maar onregelmatig. Vuilnis op straat was een nijpend probleem.

’s Nachts vormde de misdaad de grootste bedreiging, vanwege de chronische armoede en sociale ontworteling. Winkeldiefstal, zakkenrollerij kwamen voor, maar ook geweldmisdaden en moorden. Grote bendes waren zeldzaam, maar rovers werkten vaak niet in hun eentje. Veel bandieten waren oorlogsveteranen, deserteurs en zwervers. Het huis was het toevluchtsoord, maar vaak tevergeefs: houten deuren werden met een stormram opengebeukt, luiken met staven opengebroken, rieten daken en muren van leem en tenen met messen en bijlen opengereten. Dieven profiteerden graag van de angst voor boze geesten. ‘Dievenkaarsen’ en de ‘handen van de glorie’ waren beruchte tovermiddelen.

Geweld was alomtegenwoordig, tegen dieren als tegen mensen (63). Zelfs in de tegenwoordige Verenigde Staten, schrijft Ekirch, worden veel minder moorden gepleegd dan in het zestiende-eeuwse Europa. Omdat er weinig vuurwapens waren, overleden de meeste slachtoffers aan klappen of steken. Geweld werd gepleegd uit jaloezie, wraak of gekwetst mannelijk eergevoel. Een prikkelbaar humeur, vermoeidheid en drank was een gevaarlijke combinatie. ’s Nachts vervaagden de grenzen tussen de omgang van de hogere en lagere stand die overdag werden geregeld door strikte fatsoensregels (66). Onbekenden (want onherkenbaar in het donker) doen elkaar ook sneller kwaad.

Zeker in de dichtbevolkte steden in Noord- en Midden-Europa, waar de meeste huizen van hout en riet waren, was men zeer beducht voor brandgevaar en overslaand vuur. Tussen 1500 en 1800 ging er bijna geen jaar voorbij zonder een grote brand (tien getroffen huizen of meer) in een Engelse stad. Kaarsen, olielampen en ander kunstlicht waren riskant, net zoals huizen zonder schoorsteen en werkplaatsen van bakkers, brouwers en kaasenmakers. Inbrekers stichtten ook wel brand om de sporen van hun misdaad uit te wissen, kleine pachters om wraak te nemen op landeigenaren.

Hoe overheid en burger omgingen met de nacht
"Het gevaarlijke terrein van de nacht," schrijft Ekirch, "ontsnapte in de vroegmoderne tijd grotendeels aan het toezicht van de normaal gesproken waakzame Kerk en Staat. De godsdienstige en burgerlijke instituties die in de Europese maatschappij zo’n belangrijke rol speelden bij de bewaking van de sociale orde, traden ’s avonds buiten werking. De hoven, raden en kerken waar gewone burgers zich toe wendden voor beslechting van hun geschillen en bescherming van hun bezittingen, waren na zonsondergang gesloten." Ze achtten de nacht als het ideale moment voor recuperatie, bezinning en inkeer. "Mensen konden zich in het donker niet meer met profane zaken uit de zichtbare wereld bezighouden. De autoriteiten verwachtten daarom dat ze tot God baden en over godsdienstige zaken nadachten." Men wilde zo weinig mogelijk actieve mensen ’s nachts, dat niemandsland, en daarom namen bestuurders hun toevlucht tot repressie en verboden.

Het vallen van de avond werd in de ommuurde steden aangekondigd aangekondigd met tromgeroffel, klokgelui of hoorngeschal. Boeren en kooplui vertrokken uit de stad, stadsbewoners haastten zich naar binnen. De poorten werden ’s avonds gesloten, ’s winters al in de late namiddag. Op binnendringen stonden strenge straffen. Reizigers moesten desnoods de nacht buiten doorbrengen. Om het nachtelijk verkeer binnen de muren te regelen stelden stadsbesturen een avondklok in. In vele steden werden straten afgesloten met kettingen. Pas tegen het einde van de Middeleeuwen werd de avondklok minder streng, ook omdat de verboden moeilijk af te dwingen waren. Voor marginale groepen en vrouwen was het regime het strengst. Nachtbrakers waren verplicht een voetgangerslicht te dragen.

Eigenaren van huizen aan hoofdstraten moesten een lantaarn in het raam hangen, maar die kaarsen gaven eigenlijk onvoldoende licht. In noodsituaties moesten de burgers voor verlichting zorgen. Straatlantaarns (olielampen of lantaarns met een kaars erin) waren relatief zwakke lichtbronnen (verlichtten alleen het midden van de weg), ook wanneer met reflectoren werd geprobeerd het licht te versterken. Rond 1700 was straatverlichting een feit in Parijs (1667, aan touwen over de weg gespannen), Amsterdam (1669), Berlijn (1682), Londen (1683) en Wenen (1688). Het was duur: lantaarnopstekers, maar ook metaalbewerkers, touwslagers, glasblazers en kaarsenmakers moesten worden betaald. De meeste steden en dorpen waren toen nog in duister gehuld, misschien met uitzondering van doorgaande routes.

Vele steden hadden een nachtwacht, lichtbewapend, en uitkijkposten. Brandpreventie was een van hun belangrijkste verantwoordelijkheden. Ze controleerden of huiseigenaren hun deur goed op slot hadden en riepen de uren om. Een goed getrainde politiemacht kwam lang niet van de grond omdat het te duur bevonden werd. Nachtwachten hadden geen uniform. Toch was de stad te groot en de nacht te lang om effectief te kunnen zijn. Er heerste ook een relatieve onschendbaarheid. Ook al omdat gerechtshoven en tribunalen ’s nachts dicht waren. Men probeerde de nachtelijke criminaliteit in te perken door strenger te straffen, voorbeelden te stellen.

Voor veel gezinnen werd het dagelijks levenstempo bepaald door de natuur, niet door horlogen of klokken. In voorindustriële maatschappijen waren dagen en nachten in nauwkeurig omschreven perioden onderverdeeld (171). Een tijdsindeling in uren en minuten raakte pas vanaf de zeventiende eeuw meer in zwang. Men keek op de kerkklok, luisterde naar de nachtwacht. Klokken waren vaak kapot. Het vallen van de avond was een belangrijk signaal. Het Engelse shutting in voor dat fenomeen spreekt boekdelen.

Zonsondergang werd niet geassocieerd met schoonheid. De voordeurdrempel werd een heilige grens, beveiligd met dubbele sloten, grendels, hangsloten. Pas toen in de achttiende eeuw een slot met een ‘tuimelaar’ werd ontwikkeld, waren sloten beter bestand tegen dieven. Ramen waren nog kwetsbaarder. Bij de lage standen hing er zeildoek, canvas of papier voor. Pas in de zestiende eeuw kregen ook de middenklasse vensters met glas. Houten luiken en tralies boden bescherming. De meeste huishoudens waren bewapend (zwaarden, pieken, knuppels, stokken, bedstaven, en, populairder vanaf de zeventiende eeuw dankzij enkele technische verbeteringen, vuurwapens). Het verschil tussen rijk en arm was eerder kwantitatief dan kwalitatief. Men nam uitgebreid zijn toevlucht tot geloof, bijgeloof en magie (126). Licht had in deze ook een symbolische waarde.

Maar licht was vooral belangrijk om in het donker te werken of het samen gezellig te hebben. Het meeste licht, dat eigenlijk nog vrij pover was, kwam van de haard, die een centrale plaats innam in het huishouden. Het vereiste veel geduld en vaardigheid om een vuur aan te leggen. Voor in de negentiende eeuw de lucifer werd uitgevonden, moesten men bij de buren een brandend stokje of kooltje gaan halen, of met een stuk staal tegen een vuursteen slaan om vonken te maken. Hardhout was een populaire brandstof. Armen waren afhankelijk van doornstruiken, heide, brem, mest. Pas in de twintigste eeuw werd op grote schaal electriciteit ingevoerd (een peertje is honderd keer zo sterk als een kaars of olielamp). In de Engelssprekende wereld en in het grootste deel van Europa waren kaarsen de belangrijkste vorm van verlichting voor de bezittende klasse: waskaarsen, bijenwaskaarsen, talkkaarsen, bieskaarsen (135-138). Mensen moesten thuis in het donker meestal op de tast hun weg vinden. De meubels zagen er anders uit, het plafond duister en de andere kant van de kamer was niet zichtbaar.

De mensen moesten elkaar helpen, vooral familie en buren. In wijken kenden de bewoners elkaar van gezicht, zo niet van naam. Mensen wisselden remedies voor ziektes en ongemakken uit, gingen de dokter of vroedvrouw halen wanneer nodig. Alertheid was altijd nodig. In de vroegmoderne tijd dachten ouders dat het goed was om kinderangsten nog te versterken en allerlei proeven te verzinnen om hen te harden. Hen laten wennen aan het donker was een belangrijk onderdeel van de opvoeding. Gedetailleerde kennis van de omgeving (omgevallen bomen, dicht struikgwas, steile hellingen, open greppels en andere obstakels) was een must. Misschien konden mensen vroeger beter in het donker zien door hun voeding (156).

Op pad ging men met kaars, lantaarn of fakkel. Je kon een linkboy inhuren om jou bij te lichten. Maar zelfs bij de helderste toorts kon je ’s nachts maar een paar passen voor je uitkijken. De maan (nochtans 0,2 lux tegenover de zon 50.000 tot 100.000 lux) hielp goed om ver te kijken. Herkenningspunten waren de silhouetten van bomen, of bewuste inkepingen in bomen met hun oplichtend wit. Het gehoor, de tast en de reuk speelden vroeger hoe dan ook een veel grotere rol dan nu: het geluid van de regen op bepaalde oppervlakken, nabije en verre geluiden, uitwaseming van hop die ovens ligt te drogen...

Uiterlijke verschijning deed er bij donker niet zoveel meer toe, zodat hoge burgers in gewonere kledij naar buiten kwamen, in gedektere kleuren: functionele laarzen, schoenen, beenkappen, vilten mantels, zware capes. Het hoofd werd bedekt met hoed, pruik, sjaal, das, capuchon. Te voet reizen was populair, omdat men zich dan sneller te weer kon stellen dan per koets.

Plekken van overdag baadden ’s nachts in de sinistere sfeer. In steden was men voor gevaarlijke plekken minder bang omdat er minder natuur was, en te veel mensen om het geloof in geesten in stand te houden. Bepaalde straten en steegjes hadden niettemin een kwalijke reputatie. Zich wagen op het platteland bij nacht was niet aan te raden. Onwetendheid kon geen excuus zijn: overal stonden er galgen met in ontbinding verkerende lijken van misdadigers. Als men ging, ging men gewapend op pad. Bezweringen en amuletten boden extra bescherming. Afstand was belangrijk om conflicten te voorkomen: je moest het pad van andere reizigers vermijden en elkaar desnoods luid toeroepen even voor men elkaar kruiste.


William Hogarth, Night, uit de reeks ‘The four times of the day’ (1738); via Project Gutenberg (illustratie ook opgenomen in het boek); zie hier voor duiding

Nachtelijke bezigheden
In de vroegmoderne tijd was er overdag maar weinig privacy. De Engelse begrippen privacy en private werden pas rond Shakespeares tijd mondgemeen. Mensen leefden dicht op elkaar, steunden elkaar en hadden in theorie de plicht om te waken tegen zondig gedrag van hun buren. Scheve blikken en geroddel had vaak meer uitwerking dan constables en kerkvoogden. Mensen hadden weinig kans om ongewenst gedrag te vertonen. Woningen waren meestal klein en benauwd, ze hadden dunne muren en geen glas in de ramen. Bedienden hoorden alles. Wie zich in de marge bevond — losse arbeiders, bedienden, zwervers, slaven — werd met grote achterdocht bekeken. In sommige streken kregen paria’s als joden, prostituees en ketters een speciaal merkteken op hun kleding.

Stoom aflaten (schransen, spelen, sporten) kon overdag vooral tijdens katholieke feesten, carnaval, het Narrenfeest, volksfeesten. Maar de ketenen van de zichtbare wereld zaten na het invallen van de duisternis vanzelf losser. Het duister betekende een welkome rustpauze na de dagelijks arbeid, en een tijdelijk opschorten van de sociale controle.

In de Middeleeuwen was nachtelijke arbeid in veel ambachten verboden, vanwege godsdienstige bezwaren, brandpreventie, en omdat de economische orde er overzichtelijker door werd. Pas in de vroegmoderne tijd begonnen mensen op grote schaal ’s avonds en ’s nachts te werken: taken op het land, stukwerk voor de winkel, karweitjes in een kalmer tempo. Meestal was dat uit bittere noodzaak. Gewone mensen oefenden eenvoudige ambachten uit zoals spinnen, breien, weven, schoenenmaken, klerenmaken. Enkele ambachtsgroepen zoals bakkers, glasmakers en ijzersmelters moesten ’s nachts in touw blijven. Vrouwen bestierden het arbeidsintensieve huishouden, tot laat in de nacht, of probeerden hun inkomen te verhogen door bier te brouwen of kaas te maken. Dienstmeisjes konden eveneens pas laat in de nacht naar bed. Enkelen werkten als opzichter. Doden werden ’s nachts weggehaald uit angst over epidemies overdag. Op het platteland (waar tarwe, vlas, granen, hooi en veevoer werd verbouwd) was er ’s avonds zelden een rustpauze voor mensen, er werd gewoon doorgewerkt. Men sproeide, begoot, maakte de stallen schoon, ving schadelijke vogels, ging vissen. Vaak kwamen mensen samen om samen te spinnen of te breien. "’s Avonds werd er met de handen en onderarmen gewerkt, overdag met de benen, rug en schouders."

In het voorindustriële tijdperk werden mensen door het duister gestimuleerd om verhalen te vertellen. Geweld, armoede en natuurrampen waren vaste motieven. Men vertelde moralistische verhalen of slimme trucs die je je eigen kon maken. Ridders en andere helden werden bezongen. Oorlogen en conflicten opgehaald. Seksegenoten kregen steun van elkaar, wisselden ervaringen uit. Nieuwtjes en roddels werden doorgespeeld. Overdag waren de onderbrekingen kort. ’s Avonds las men godsdienstige geschriften, speelden men spelletjes (kaart, dobbelen), werden liedjes gezongen. Na de Reformatie werden bierhuizen in Engeland populairder, want sportwedstrijden en godsdienstige feesten waren er steeds minder. Alcohol hield je ook warm.

Seksuele betrekkingen buiten het huwelijk waren door Kerk en Staat verboden, hoewel de houding niettemin altijd per plaats verschilde en in de stad anders was dan op het platteland. Sociale klasse speelde een rol. Ongetrouwde stellen konden elkaar nauwelijks ontmoeten. Desondanks kwam overspel veel voor en was een voortdurende bron van grappen. Bruiloften, kermissen en festivals waren ontmoetingsplaatsen. Ouders die passionele avonturen wilden beteugelen lieten de jonggelieven toe een nacht samen door te brengen in het huis van de ouders van het meisje, maar zonder gemeenschap te hebben (239-244).

De slaapkamer was een goede plaats om nog even de dag te overdenken. Er werd steeds meer als tijdverdrijf gelezen in de vroegmoderne tijd, zeker na de Reformatie en de uitvinding van de boekdrukkunst, hoewel ook veel mensen analfabeet bleven. In de steden hadden de meeste mannen iets van scholing genoten. Onder goedopgeleiden vond de belangrijke overgang van hardop naar stil lezen in de vijftiende eeuw plaats. Na de Reformatie verkondigden veel theologen het belang van bidden en privé-devotie, zonder tussenkomst van de kerk. Een klein aantal mensen schreef ook ’s avonds laat, dagboeken of brieven.

Voor de hoogste klassen betekende de nacht veel. Vorsten hielden luisterrijke feesten, bals en banketten, staken vuurwerk af, woonden theatervoorstellingen bij. Vooral in de loop van de zestiende eeuw werd het vermaak onder de opkomende hofaristocratie verfijnder. Met de opkomst van de natiestaat nam de militaire wedijver onder edelen af en draaide het hof om amusement en artistieke bezigheden. Nachtelijke begrafenissen raakten in de mode (want plechtig bij duisternis). Tijdens maskerspelen werden de strenge etiquetteregels voor hovelingen en het onderlinge stadsverschil eventjes afgelegd.

Allerlei losbollen uit de hoogste standen (bloods, bucks, blades, roarers of gallants genoemd) ontsnapten aan het verstikkende aristocratische regime via de anonimiteit van de nacht en begonnen na zonondergang te drinken en te fuiven (denk aan Caravaggio). Ze betreurden het dat het oude ridderideaal vervangen was door serviliteit. Ook vrouwen hoopten in de nacht even het contact met seksegenoten overdag te ontlopen. Niettemin waren er risico’s verbonden wanneer welgestelden de sociale ladder gingen afdalen. Soms vermomden ze zich als iemand uit het gewone volk.

Omgekeerd kreeg het gewone volk ’s nachts vastberadenheid die het overdag niet had. Voorwerpen en gebouwen die aan institutionele macht deden denken, verdwenen in het donker uit het zicht. Dissidenten die overdag hun identiteit moesten verbergen kregen nieuwe moed. Religieuze dissenters hielden nachtelijke bijeenkomsten. Protestantse minderheden hielden hun diensten ’s nachts. Invaliden, zieken en homoseksuelen kwamen tevoorschijn. Arme vrijgezelle mannen voelden zich bevrijd van het toezicht van hun werkgever. Leerjongens, studenten, adolescenten, bedienden in het huishouden en Amerikaanse slaven voelden zich aangetrokken tot de avonduren.

Arme families begroeven hun doden ’s nachts om geen parochiebelasting te hoeven betalen. Grafrovers gingen aan het werk. Behoeftige vrouwen legden hun baby te vondeling. Arme zielen gingen bedelen. Grote aantallen mensen bezondigden zich aan kleinschalige diefstal. Smokkelaars sloegen hun slag. De meeste nachtelijke wetsovertredingen waren ingegeven door economische noodzaak. De nacht was een goeie dekmantel voor de ‘veile liefde’ van lichtekooien, vooral naarmate in de vijftiende en zestiende eeuw vrouwen werden geweerd uit traditionele ambachten. Naaister of hulpje in de huishouding waren het enige alternatief. Jongeren bevestigden via groot kabaal hun heerschappij over de nacht. Vandalisme was geen zeldzaam fenomeen: vooral de steunpilaren van de maatschappelijke orde — kooplui, winkeliers, plaatselijke functionarissen — moesten het ontgelden. Nachtwakers waren bang van de grote aantalen amokmakers.

De slaap
In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, sliepen onze vroege voorouders niet instinctief ’s nachts. Die gewoonte heeft zich onder prehistorische volken geleidelijk ontwikkeld, denken psychologen. De nacht leek korter en veiliger indien slapend doorgebracht. Het was ook inefficiënt om iets anders te willen doen. De REM-slaap had misschien ooit de functie om het rustend lichaam adequaat te laten reageren op onverwachte gevaren. Tijdens de late Middeleeuwen ging de medische wetenschap nog uit van het aristoteliaanse idee dat als het eten in de maag is verteerd er dampen naar het hoofd stijgen die de slaap veroorzaken.

Puriteinen vond te veel slapen verkeerd. De meeste medische handboeken adviseerden om zes tot acht uur in bed door te brengen, maar het is moeilijk in te schatten hoe invloed ze waren. Tussen negen en tien uur was de standaardtijd om te gaan slapen. De voorbereidingen waren onderwerp van een uitgebreid ritueel, die de angst moest bezweren voordat men zich overgaf aan de kwetsbaarheid van de slaap. Men controleerde have en goed op vlooien en luizen. Omdat dieren vaak in dezelfde ruimte verbleven zat alles onder het ongedierte. Kaarsen werden gesnoten. Vanaf de zestiende eeuw droegen gezinnen uit de middelste en hoogste standen nachtkleding; de lagere standen geïmproviseerde nachtkleding of dagkleding. Men dronk of nam middeltjes om goed in slaap te komen. De pater familias ging voor in het gebed.

Het bed was in de voorindustriële tijd het duurste stuk meubilair in huis, bij arme mensen soms eenderde van de waarde van hun totale bezit. Het waren statussymbolen. Tussen de vijftiende een zeventiende eeuw ontwikkelde het Europese bed zich van een strozak op een lemen vloer (zeker voor bedienden) tot een houten raamwerk met een matras gevuld met lompen en restjes wol met kussens, lakens, dekens en een sprei. Men sliep samen (‘to pig’), om te besparen op beddengoed en warm te blijven tijdens koude nachten. Op reis deelde men (ook rijken soms) het bed met vreemden. ’s Nachts waren de hiërarchische verhoudingen minder streng en sliepen meesters en bedienden soms samen. Vanaf de achttiende eeuw gingen de hogere standen neerkijken op samenslapende mensen.

Vroeger kostte het waarschijnlijk meer tijd om in te slapen dan nu, men denkt gemiddeld twee uur. Tijd om intiem met bedgenoten te praten. Het bed leek in de dagelijkse ellende van het bestaan een oase van rust (‘armeluisrijkdom’). Het echte slapen verliep meestal slecht. Men leed aan slapeloosheid, en vele symptomen van ziekte verergeren ’s nachts. Men werd verstoord door kou, vuil, geruchten en persoonlijke zorgen, zeker in de winter. De huizen waren slecht geïsoleerd tegen het lawaai van oproerkraaiers, boeren die met hun producten naar de markt kwamen, luidruchtige dieren, niet in het minst ratten en muizen. In de vochtige avondlucht konden po’s flink stinken.

Tegen het einde van de vroegmoderne tijd hielden de mensen er een vreemde, en jammer genoeg slecht gedocumenteerd slaappatroon op na. Men bleef ’s nachts een uur (of wat langer) wakker en sliep dus in twee delen: de eerste slaap en de tweede slaap, waartussen men waakte. Het is verleidelijk om dit waakmoment te interpreteren als een cultureel overblijfsel van het vroege christendom (opstaan om te bidden en psalmen te zingen) maar ook voor de groei van het christendom werd er al naar verwezen. Het blijft een raadsel waarom mensen het deden.Uit een modern onderzoek blijkt dat mensen die lang kunstlicht moeten ontberen ook een onderbroken slaapritme kennen (353). Het vergrootte waarschijnlijk de kans op het krijgen van een kind, omdat vruchtbaarheid over het algemeen gebaat is bij rust.

Dromen speelden een belangrijke rol in de vroegmoderne tijd omdat men dacht dat ze zowel de toekomst als het verleden onthulden. Er bestonden dikke bundels met droominterpretaties. Alleen kunnen we slechts gissen naar het soort dromen die dagboekschrijvers niet de moeite vonden om op te tekenen. Vaak waren ze onplezierig en gingen ze over zorgen, boosheid of verdriet. De dood was een vast onderwerp. Waarschijnlijk werden dromen in de Renaissance populairder want in de Middeleeuwen verkondigde de katholieke kerk dat uitsluitend de dromen van vorsten en geestelijken iets te betekenen hadden.

De nacht na de vroegmoderne tijd
Vanaf de achttiende eeuw werden de avonden en nachten in de stad anders. Mensen gingen later slapen, mensen maakten langer plezier en trokken daarvoor de straat op, de stad werd levendiger en minder angstig by night. Oorzaken zijn het wetenschappelijk rationalisme tijdens de eerste fase van de Verlichting. Mensen keerden zich tegen het oude wereldbeeld. Alfabetisme en de Verlichting leidde tot een groeiende vijandschap tegen de clerus en de opkomst van het kapitalisme tot de ‘ontmythologisering’ (Max Weber) van de westerse wereld. Men verwonderde zich over nachtelijke hemellichamen in plaats van er bang voor te zijn. Kunstenaars, reizigers en dichters getuigden van de grandeur van de nacht. De zaken gingen goed en bepaalde luxegoederen kwamen binnen bereik van de vermogende burgerij, van ambachtslieden, winkeliers en klerken. In de loop van de achttiende eeuw werden uitgebreide wallen en verdedigingswerken overbodig bevonden en een belemmering voor de handel. Speelhuizen, openbare feesten, privé-clubs en pleziertuinen waren commercieel interessant.

Diefstal, vandalisme en geweld waren wel nog even bedreigend als altijd. De criminaliteit steeg naarmate de bevolkingsgroei, de hoge werkloosheid en stijgende voedselprijzen het bestaan voor de lagere standen zwaarder maakten, vooral in Europa. Belangrijk waren de verbetering van de straatverlichting (licht werd een symbool voor vooruitgang), verbeterde bestrating, de oprichting van een politiemacht. Gaslampen produceerden tien keer meer licht dan kaarsen of oude olielampen. Er werd in een aparte brandweer voorzien.

Aan de andere kant rook kolengas afschuwelijk en liet het veel vuil achter. In fabrieken werd steeds meer in ploegendiensten gewerkt en de eigenaren zagen steeds strenger toe op het werk. Mensen konden meer zien, maar ook het toezicht werd strenger. Halverwege de negentiende eeuw werden alleen mensen die zich geen adequate verlichting konden veroorloven nog ’s nachts wakker, vooral als ze vanwege het duister vroeg naar bed gingen. Achterafsteegjes bleven overigens slecht verlicht en gevaarlijk.

Rond de eeuwwisseling werden de plattelandsgemeenschappen onherroepelijk veranderd door de komst van gas, electriciteit en andere wonderen van de moderniteit. Na de Eerste Wereldoorlog, zo niet eerder, verdwenen de laatste overblijfselen van de oude manier van leven.

Tegenwoordig maken we deel uit van een non-stopcultuur die thuis, op straat en in bedrijven bijna continu in elektrisch licht is gehuld. Nooit eerder zijn mensen zo afhankelijk geweest van kunstlicht. De nacht is de laatst overgebleven manier voor commerciële expansie. Veel mensen vinden slapen tijdverspilling. Ondertussen, eindigt Ekirch op een onnodig pessimistische noot, wordt ons slaapvermogen aangetast door televisie, computers en andere bronnen van zintuiglijke stimulatie. De nacht is nauwelijks nog te zien vanwege lichtpollutie. Met het verdwijnen van de duisternis worden ook de mogelijkheden voor privacy, intimiteit en zelfreflexie schaarser.


Extra: minor writers die Roger Ekirch citeert:

> http://en.wikipedia.org/wiki/Thomas_Nashe
> http://en.wikipedia.org/wiki/Bernard_le_Bovier_de_Fontenelle
> http://en.wikipedia.org/wiki/Reginald_Scot
> http://en.wikipedia.org/wiki/John_Webster
> http://en.wikipedia.org/wiki/Johann_Weyer
> http://en.wikipedia.org/wiki/Ludvig_Holberg
> http://en.wikipedia.org/wiki/Thomas_Kyd
> http://en.wikipedia.org/wiki/Daniello_Bartoli
> http://en.wikipedia.org/wiki/Fynes_Moryson
> http://en.wikipedia.org/wiki/Nicholas_Breton
> http://en.wikipedia.org/wiki/Thomas_Campion
> http://en.wikipedia.org/wiki/John_Trenchard_(writer)
> http://en.wikipedia.org/wiki/William_Davenant
> http://en.wikipedia.org/wiki/William_Howitt
> http://en.wikipedia.org/wiki/Francis_Grose
> http://en.wikipedia.org/wiki/William_Drummond_of_Hawthornden
> http://en.wikipedia.org/wiki/George_Herbert
> http://en.wikipedia.org/wiki/John_Taylor_(poet)
> http://en.wikipedia.org/wiki/Laura_Cereta
> http://en.wikipedia.org/wiki/Jean_Baptiste_Massillon
> http://en.wikipedia.org/wiki/Thomas_Goffe
> http://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Peacham
> http://en.wikipedia.org/wiki/John_Marston
> http://en.wikipedia.org/wiki/Joseph_Hall_(bishop)
> http://en.wikipedia.org/wiki/Thomas_Cogan
> http://en.wikipedia.org/wiki/Thomas_Overbury
> http://en.wikipedia.org/wiki/Thomas_Adams_(writer)

____

5 reactie(s):

ijsbrand zei

Grappig. Ik wil dit boek al zeker anderhalf jaar lezen. Maar het staat in de kast van de bieb waar ik nu net nooit boeken uit de kast haal, en alles altijd via de website thuis al aanvraag. Ik vind het in elk geval grappig om al anderhalf jaar lang telkens te vergeten om even die zaal in te lopen.

Het boek van Ileen Montijn over de Nederlandse slaapcultuur, en dus ook de nachtelijke gebruiken, zag ik onlangs verramsjt op stapels bij De Slegte liggen.

Achille van den Branden zei

Zeker lezen. Het boek krijgt lovende kritieken van gelegenheidsrecensenten op Amazon; benieuwd hoe een ervaren historicus het ervaart.

Ekirch is over zijn boek te beluisteren op onderstaand adres (eerste zes minuten doorspoelen waarin hij als een halve heilige wordt binnengehaald). Hij zou oorspronkelijk de nacht in Amerika bestuderen vanaf het ontstaan van de Verenigde Staten, maar zijn onderzoek dijde alsmaar uit. Het boek is overigens minder breedsprakerig als zijn lezing, die gauw verveelt:

http://www.loc.gov/today/cyberlc/feature_wdesc.php?rec=3730

De Slegte heeft de twee filialen in mijn buurt enkele jaren geleden opgedoekt. Moet nu naar Gent toe, en voor een occasionele treinreiziger zijn die zestig kilometer ongeveer even duur geworden als vliegen op Barcelona, met Ryanair. Vlieg ik liever naar Barcelona. Maar ik zal mijn relaties in Gent aanspreken.

Guido Vanher cke zei

Een indrukwekkende werklust ontmoette ik hier elke keer als ik langskwam. Nu weet ik hoe die zijn gang kon gaan: in de stilte van de nacht...
Maar wat lees ik daar helemaal vooraan in uw tekst? "Alles bij elkaar genomen breng ik op zo'n dagen negen uur in het donker door": het moge duidelijk zijn dat "zo'n" een samentrekking is van "zo een" en dus moeilijk combineerbaar is met een meervoud. Tenzij u een andere logica hanteert, dan wel natuurlijk...
mvg
Guido Vanhercke

Achille van den Branden zei

Het blijft opvallend dat driekwart van de reacties altijd gaat over dit soort taalkundig geneuzel. De kloof tussen kantieke schoolmeesters en mensen die werkelijk iets te vertellen hebben, inhoudelijk, is sinds mijn schooltijd nog altijd even breed, mag ik merken.

Ik volgde de logica van de 219.000 andere mensen die volgens Google de wending "zo'n dagen" gebruikt. Maar goed, als u zich daaraan stoort, verbeter ik dat graag.

Guido Vanher cke zei

Ach ach, zei u lichtelijk geïrriteerd.
Ach ach, zeg ik, waarom plaatst u het één (taalkundige opmerkinkje) tegenover het ander (inhoudelijke bedenkingen), dat hoeft niet en was ook niet zo bedoeld. En doet dees schrijver onrecht aan, net zozeer als u dat zelf meende te moeten voelen. Was u leerkracht Nederlands dan zo'n inhoudsloze zeur dat u bij een vriendelijk bedoelde opmerking (en gekaderd in een groter compliment) nog altijd jeuk krijgt?
mvg

Related Posts with Thumbnails