maandag 26 april 2010

Hadzji Moerat - Leo Tolstoj

Het laatste wat Tolstoj schreef, Hadzji Moerat, is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. De novelle speelt in de jaren 1851-1852, tijdens de Kaukasusoorlog. De Russische despoot Nicolaas I wil Tsjetsjenië en de Noordelijke Kaukasus onderwerpen. Twee beschavingsmodellen staan tegenover elkaar: de verwesterde hofcultuur van de tsaar en zijn gevolg van vadsige, carrièrezieke officieren, versus de onbuigzame islamitische hoofdmannen uit de Tsjetsjeense bergen.

De legendarische Avarische hoofdman Hadzji Moerat bevindt zich door omstandigheden tussen deze twee vuren. Na een geschil met de grote Tsjetsjeense leider Sjamil loopt hij over naar het Russische kamp — maar alleen in de hoop om met de hulp van de kozakken zijn familie te kunnen bevrijden, die door Sjamil wordt gegijzeld. Hadzji Moerat wordt door de Russen met respect ontvangen maar toch buitenspel gezet. Dat kan Moerat natuurlijk niet hebben. Hij kan niet werkloos toezien hoe zijn familie wordt onthoofd.

Het duurde lang eer ik deze basale feiten, of beter gezegd de portee van die feiten, op een rijtje had, en dat schaadde het leesplezier heel erg. Hadzji Moerat bestaat uit korte hoofdstukjes waarin Leo Tolstoj voortdurend nieuwe personages introduceert met onmogelijke namen, zonder duidelijk aan te geven op wie de lezer moet scherpstellen. De vertaling is stroef en verouderd (Tsjetsjenen zijn hier nog 'Tsjertsjensen'), de woordenlijst bevat niet alle Russische eigenaardigheden ("de zwarte chozir op de witte tsjerkeska"?) en een voorwoord schittert bovendien door afwezigheid.

Vooral dat laatste is niet zo best. Niet iedereen heeft de Kaukasusoorlog paraat zitten. Bij deze: de strijd tussen het Russische Rijk aan de ene kant en Dagestan, Tsjetsjenië en de Noordelijke Kaukasus aan de andere kant, zou bijna vijftig jaar duren, van 1817 tot 1864, en bestond uit een serie militaire acties van de Russen, die erop gericht waren het gebied in te lijven bij het Russische Rijk. De oorlog vond plaats tijdens de regeringen van de tsaren Alexander I, Nicolaas I en Alexander II. De belangrijkste Russische generaals waren Aleksej Jermolov (1816-1827), Michail Worontsov (1844-1853) — links verwijzen naar personages die in de novelle voorkomen — en Aleksandr Barjatinski (1853-1856).

Van 1825 tot 1830 was het rustig aan het front, doordat het Russische Rijk verwikkeld was in een strijd tegen de Turken en de Iranezen. Maar nadat men tegen deze tegenstanders grote successen behaalde, werd de strijd in de Kaukasus voortgezet. Leiders als Ghazi Mollah, Gamzat-bek en Hadzji Moerat zorgden voor een grote tegenstand, die inderdaad nog werd versterkt onder de legendarische Imam Sjamil, die verschillende bergvolkeren verenigde in de strijd tegen de Russen, van 1834 tot zijn gevangenname in 1859. De strijd eindigde min of meer nadat Sjamil trouw had gezworen aan de tsaar en de Noordelijke Kaukasus door de Russische legers werd veroverd. De oorlog werd verklaard als beëindigd per tsaristische oekaze in juni 1864.

Een goede reden om deze novelle te lezen is de doorwerking van de historische achtergrond in het heden. Het negentiende-eeuwse conflict tussen de Russen en de Tsjetsjenen vormt de basis voor veel hedendaagse spanningen in het gebied. Het Kaukasisch Imamaat, een staat opgezet door de imams van Dagestan in het begin van de negentiende eeuw in het noorden van de Kaukasus, werd door velen als voorbeeld gezien tijdens het naar onafhankelijkheid streven van Tsjetsjenië na de val van de Sovjet-Unie. Toen werd een onafhankelijke staat gesticht door Dzjochar Doedajev onder de naam Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië. Het verzet in dit deel van de Kaukasus gaat tot op vandaag door.

Ze zullen ook mij doodpikken
Hadzji Moerat
is een verhaal van geweren en sabels, bontmutsen en kaplaarzen, maar begint in feite heel poëtisch. Door de velden op weg naar huis ziet de verteller in een ravijn een frambozenkleurige distel, in volle bloei — symbool voor Hadzji Moerat. De distel is een zogeheten ‘Tartaar’, die bij het maaien gespaard wordt, en als ze al toevallig afgemaaid wordt, opgezocht en weggegooid om er de handen niet aan te prikken. "Wat een energie," denkt de naamloze verteller bij zichzelf, "Alles heeft de mens overwonnen, miljoenen planten vernield, alleen dat ding geeft zich niet aan hem over."

De aanblik doet hem denken aan de oude Kaukasische held Moerat, een door zijn heldendaden beroemd hoofdman onder Sjamil. Hij is in onmin geraakt met zijn vroegere leider, en op de vlucht. Sjamil heeft de autochtone bevolking het bevel heeft gegeven om hem dood of levend aan hem uit te leveren. Op straffe des doods is het verboden zijn vroegere kompaan huisvesting te verlenen. Moerat vindt niettemin beschutting in het huis van Sado, een trouwe volgeling.

Twintig werst van het dorp waar Moerat zit ondergedoken, bevindt zich de vesting Wozdwizjenskaja, het kamp van de Russen. Daar treffen we een zoon van opperbevelhebbber Worontsow, een vorst die ondanks de relatieve luxe vindt dat hij een leven vol ontberingen leidt, én een compagniescommandant die een oogje heeft op zijn vrouw, vorstin Worontsowa. De soldaten zelf zijn al blij als ze wat te doen hebben, al houden ze onderling het imago van dappere krijger hoog.

Niettegenstaande alle officieren, en vooral zij, die al in de oorlog geweest waren, moesten weten en ook wel degelijk wisten, dat in die tijd in de oorlog in de Kaukasus, zomin als ergens anders, de soldaten handgemeen werden en dat, als het al eens voorkwam, ze met sabels en bajonetten de vluchtende vijand in de rug staken, toch deden de officieren of zij geloofden in die gevechten van man tegen man, die zij zich altijd voorstelden, die altijd beschreven werden, en die alleen in hun verbeelding bestonden.
Hadzji Moerat heeft altijd vertrouwen in zijn geluk gehad, en stelt zich voor hoe hij met het leger dat Worontsow senior hem geven zou tegen Sjamil zou oprukken, hoe hij hem gevangen zou nemen en zich wreken, hoe de Russische tsaar hem zou belonen en hij verder zou heersen, niet alleen in Avaria, maar in heel Tsjetsjenië, dat aan hem onderworpen zou worden.


Ongedateerde foto van Tolstoj, detail; via Wikimedia Commons

Hij besluit het erop te wagen. Hij laat eerst een bode zenden naar Wozdwizjenskaja om zijn overgave te melden. Bij zijn aankomst later in het Russische kamp wordt hij bespot door de soldaten, maar gerespecteerd door de hoge officieren, die de wildeman als welgekomen verzetje beschouwen in de sleur van het soldatenbestaan in deze uithoek van het Russische rijk. De verschrikkelijke bergbewoner blijkt ook nog eens van een kinderlijke goedmoedigheid te zijn. Worontsow junior wrijft zich intussen in de handen dat het hem, juist hem, gelukt is de woeste Avariër te vatten in stede van de plaatselijke generaal Meller-Zokomelskij.

Later wordt Hadzji Moerat gezonden naar Tiflis (nu de Georgische hoofdstad Tbilisi) waar Michail Worontsow, Worontsow senior, resideert, veldheer en overwinnaar van Napoleon bij de Krasnoje. Tolstojs beschrijving van de wachtkamer van de vorst, levert een mooie dwarsdoorsnede op van de toplagen van de gefragmenteerde Russische maatschappij.
Er waren onder anderen de generaal van de vorige dag, met zijn borstelige snorren, in groot tenue, met al zijn decoraties, die gekomen was om afscheid te nemen. Een regimentscommandant, die in verband met ontvreemding van fouragegelden onder voortdurende bedreiging van gerechtelijke vervolging leefde. Een rijke Armeniër, die begunstigd werd door Dr. Andrejewskij; hij had het monopolie voor de verkoop van wodka gehad en kwam nu het contract verlengen. Een weduwe van een gesneuveld officier, in diepe rouw, met een verzoek om pensioen of regeringsondersteuning voor haar kinderen. Een failliete Georgische vorst in een prachtig nationaal kostuum, die probeerde de afgeschafte kerkelijke domeinen in bezit te krijgen. De chef van de politie met een groot pakket, waarin zich nieuwe ontwerpen voor de bevrijding van de Kaukasus bevonden. Een Perzische Khan, die alleen gekomen was om thuis te kunnen zeggen, dat hij bij de vorst geweest was.
Tijdens de ontmoeting tussen Moerat en de vorst zet Tolstoj duidelijk de Muzelmaanse waardigheid temidden van door Europese invloed decadent geworden Russische functionarissen in de verf. Overigens moet het gesprek via een tolk verlopen die de Tartaarse taal van Moerat meester is.

Door een adjudant wordt het levensverhaal van Hadzji Moerat opgetekend. Hij werd geboren in het dorpje Zelmes en groeide op in een familie die close was met de locale Khans. We krijgen zicht op de onderlinge twisten tussen de khans en hoe de vete tussen Morat en Sjamil is ontstaan: de broer van Moerat kwam om bij een succesvolle poging om de Tsjetsjeense leider Gamzat om te brengen. Sjamil werd daarna de opvolger van Gamzat, maar slaagde er vanwege het bloed aan zijn handen niet in Hadzji Moerat aan zich te binden. De rest is geschiedenis.

Aanvankelijk zien de Russen (waaronder Worontsow) in Hadzji Moerat een handige gids die hen bij Sjamil zal brengen. Worontsows plannen worden echter tegengewerkt door Tsjernisjow, de minister van oorlog: Nicolaas I krijgt te horen dat de hoofdman mogelijks een spion is. Hadzji Moerat moet vastgehouden worden, en dat terwijl zijn familie door Sjamil wordt gegijzeld in het plaatsje Wedeno en Moerats vroegere vrienden hem niet willen helpen zijn familie te bevrijden. Zijn verzoek hem over te plaatsen naar Noecha, een klein stadje in Trans-Kaukasië, vanwaar het makkelijker zou zijn met Sjamil te onderhandelen (en waar er bovendien een moskee is, zodat hij zijn godsdienstige plichten kan vervullen) wordt meermaals afgewezen.

Op een dag krijgt hij van zijn broer te horen dat alles hem vergeven wordt, wanneer hij zich zonder morren weer bij Sjamil aansluit. Waarna hij overlegt met zijn geweten.
Wat moest hij doen? Sjamil geloven en naar hem terugkeren, maar dat was een schoft en die zou hem zeker bedriegen. En als hij hem ook niet bedroog, was het toch onmogelijk zich aan hem te onderwerpen, omdat Sjamil hem, nadat hij eenmaal bij de Russen geweest was, nooit meer zou vertrouwen. Hij moest denken aan een oud sprookje van een arend, die door de mensen gevangen was, enige tijd bij hen vertoefde en daarna terugvloog naar de bergen, naar de zijnen. Hij kwam terug, maar zijn poten waren met touwen vastgebonden en aan die touwen vastgebonden en aan die touwen hingen zilveren belletjes. De arenden wilden niets van hem weten: 'Vlieg terug naar hen, die je de zilveren belletjes, maar we zijn ook niet met touwen vastgebonden.' De arend wilde niet weg, maar de anderen duldden hem niet en pikten hem dood.
'Zo zullen ze mij ook doodpikken,' dacht Hadzji Moerat.
De novelle loopt stilaan op zijn einde. Hadzji Moerat wil naar de bergen vluchten en met de hem trouw gebleven Avariërs een overval op Wedeno doen. De roemloze manier waarop Tolstoj die poging laat mislukken, doen grote waarheidsgetrouwheid vermoeden.
Hij bewoog niet meer, maar hij had nog gevoel. Toen Hadzji-Aga, die het eerst naar hem toeliep, hem met een groot zwaard de schedel doorkliefde, scheen het hem, dat iemand met een hamer op zijn hoofd sloeg en hij kon niet begrijpen, hoe hij dat deed en waarom. Dat was zijn laatste gedachte, in verband met zijn lichaam. Meer voelde hij niet.
De vijanden stootten, trapten en sneden iets wat met hem niets gemeenzaams meer had. Hadzji-Aga zette zijn voet op de rug van het lijk, in twee bewegingen sloeg hij het hoofd af en voorzichtig, om zijn laarzen niet met bloed te besmeuren, stootte hij het met de voet weg. Helrood stroomde het bloed uit de hals, dat zich mengde met het zwarte bloed uit het hoofd en het gras begoot.
Persoonlijke appreciatie
Uit de correspondentie aan zijn broer Sergej weten we dat Tolstoj de historie van Hadzji Moerat voor het eerst hoorde toen hij zelf diende in de Kaukasus. Maar het zou nog veertig jaar duren eer hij het materiaal echt onder handen nam. Het zou zijn laatste prozawerk worden, waarvan het schrijven hem opbeurde in zijn laatste levensfase, die verstoord werd door een kwakkelende gezondheid en hevige brouilles met zijn vrouw.

Maar ook door de gebrekkige vertaling heen vond ik dit niet het meesterwerk waarvoor kenners (en Tolstoj zelf) het houden. Tolstoj dook uitgebreid de archieven in, en dat laat zich voelen. Hadzji Moerat is meer een afstandelijk relaas, dan een verhaal met grote dramatische kracht. De documentaire stijl houdt me ineens af van het plan binnen afzienbare termijn Oorlog en vrede te lezen, ook een historisch epos.

Tolstoj voert te veel personages op waardoor Hadzji Moerat een te volgeladen lift wordt die niet meer kan opstijgen. Hele hoofdstukken zijn niet relevant en kunnen zo weg. De waardigheid van de held wordt onvoldoende hard gemaakt en vernemen we vooral uit de tweede hand. Moerat is naar mijn smaak ook een veel grotere opportunist dan commentatoren ons willen doen geloven. De repetitiviteit van die rare naam, Hadzji Moerat, Hadzji Moerat, op elke bladzijde, díe werkt. Voorts maakt Tolstoj goed tastbaar hoe belangrijk liedjes en verhalen zijn in de Russische cultuur.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> De reputatie van de Tsjetsjenen in de Russische literatuur

Leo Tolstoj, Hadzji Moerat
159 p.
Uitgeverij Veen, 1976
Oorspr. Хаджи-Мурат (1912)
Vertaald door A. Kosloff
Geschreven tussen 1896-1904

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails