maandag 12 april 2010

De seizoenen - Maurice Pons

De held van De seizoenen is een jongeman met een vuile stoppelbaard. Hij gaat gekleed in een zwarte gabardine jas en heeft een plunjezak bij zich. Deze Siméon, half gemodelleerd naar André Schwarz-Bart, schrijver van De laatste der rechtvaardigen, tracht in het reine komen met een niet nader omschreven trauma, en denkt dat verleden van zich af te kunnen schrijven. Helemaal losgeslagen probeert hij aansluiting te vinden bij een geïsoleerde boerengemeenschap in de bergen.

De mensen wonen er in monolithische blokken beton van een of twee verdiepingen, met daken van golfplaten "die door de roest werden aangevreten als door lepra". Deze uithoek bevalt Siméon niettemin, omwille van de rust en de niet-aflatende regen. Elke vorm van neerslag verwelkomt hij als een weldaad, "omdat hij in andere tijden, op andere plaatsen andere beproevingen heeft gekend". De verzengende zon speelt kennelijk een hoofdrol in zijn onvoltooide verleden.

Alleen, de verarmde bergbewoners zitten in hun barre levensomstandigheden niet te wachten op vreemdelingen. Wie overleeft op een hongermaal van winterharde planten is niet gediend van verwekelijkte stadse lui. Bij zijn aankomst wordt de aspirant-schrijver bekogeld met een kapotte schapenschedel. En als Siméon om brood vraagt aan de herbergierster, krijgt hij nul op het rekest:

‘U kunt tegen die Tsaar van het Heilig Rusland en tegen al uw vreemdelingen uit het buitenland zeggen dat er bij ons geen brood is. Bij ons hebben we linzen, meneertje: linzensoep, linzenbollen, linzenbrandewijn… Dat is het.’
Wanneer hij door twee douanebeambten wordt lastig gevallen — er bestaat geen eigenlijke politie in het dorp — wordt duidelijk dat Siméon nooit een van hen kan worden. Zijn plunjezak wordt ondersteboven gekeerd. Tevoorschijn komen enkele riemen mooi, ongekorreld, gesatineerd papier met kostbare watermerken.
Natuurlijk hadden ze in de vallei al wel eens papier gezien: opengesneden cementzakken, oude doordeweekse kartonnen dozen die in de dooitijd in de velden lagen. Maar deze fijne kwaliteit, deze sneeuwwitte blankheid kwam hun voor als ongehoorde luxe.
'Het geval Siméon' moet ten langen leste voor de Raadkamer komen. De verdedigingsrede van de schrijver, waarin hij moet aantonen dat zijn kennis het dorp ten goede zal komen en zelfs de opbloei van de vallei zal betekenen, is een van de betere momenten van de roman.
Als ik kosmograaf was, zou ik jullie kunnen beschrijven hoe sterren aan de hemel in duizelingwekkende snelheden samensmelten en hoe er jonge constellaties ontstaan op afstanden die het begrip te boven gaan. Maar ik ben geen kosmograaf en dat is niet mijn bedoeling. Men heeft jullie geloof ik verteld dat ik schrijver ben en op grond daarvan heb ik recht op jullie respect, want ik werk zoals jullie allemaal met mijn blote handen. Ik fabriceer mijn woorden met klinkers en medeklinkers die ik aaneenvlecht, zo’n beetje als een mandenmaker. Maar met mijn mandjes en korfjes probeer ik schoonheid te vangen. Dat gaat niet zonder pijn.
Siméon wordt echter buitenspel gezet. Omdat hij zo dol is op regen mag hij het watermeetkundig toestel van het dorp bedienen, twee keer per dag. En omdat het ding een heel eind verder weg staat, zal dat karweitje hem van het schrijven afhouden. Immers, toen Siméon de schapenschedel een trap gaf, heeft hij zijn teen bezeerd; de wonde is beginnen ontsteken, en dat maakte volgens Croll, de onorthodoxe heelmeester van het dorp, de amputie van de hele voet noodzakelijk. Siméon is kortom een kreupel man.

De seizoenen bevat voor de rest geen structurerende elementen meer. Voorbij komen nog een aantal groteske, nevengeschikte scènes die de onbewoonbaarheid van deze microcosmos moeten onderstrepen. De rivier bevriest. De akkers verdorren. Een koe krijgt een miskraam. Het gipsen borstbeeld van de Admiraal (blijkbaar het laatste memento van een bestuurder uit vroeger tijden) wordt aan diggelen gegooid. De methodes waarmee chirurgijn Croll de rottenis in het dorp bekampt, zijn zo mogelijk nog goorder dan de kwaal zelf.

Ook met Siméon wordt het niets. Hij laat niet alleen de regenmeter bevriezen, hij komt ook nooit verder dan de eerste zin van de geplande roman, die kond moet doen van zijn verschrikkingen. Wat die precies inhouden, daarover blijft Maurice Pons bewust vaag. Er is sprake van "uitgemergelde lijken die door priesters aan hun voeten het kamp werden uitgesleept en in grafkuilen gegooid". Enina, het zusje van de schrijver, werd "naakt met haar knieën en ellebogen aan een paal gebonden".

Onuitwisbaar is ook de herinnering aan de "hel van de zon boven de woestijn" die de gevangen Siméon geselde. Sterk in dat verband is de dagboekaantekening waarin de schrijver verderop in het boek zijn beklag doet over de beijsde wereld waarin hij nu is terechtgekomen. Zijn versteven vingers zijn niet eens het ergste. Het is opnieuw dat gebrek aan water dat hem kwelt: "Veertig maanden zonder een druppel water! Vorst is de ergste droogte. De elementen spannen tegen me samen."

Geen boek, dus. Maar om toch iets van waarde achter te laten stelt Siméon voor een kind te verwekken bij Clara, een jonge vrouw wier naakte lichaam hij op een onbewaakt moment heeft aanschouwd — zijn eerste erotische ervaring. De bevruchtingsscène die daarop volgt, waarbij het lid van de man wordt afgebeten door de kikvors die Clara in haar vagijn heeft ingebracht, is bepaald memorabel.

De roman loopt zo langzaam op zijn einde wanneer plots twee nieuwe bezoekers de fantasie van het dorp prikkelen. Twee jongemannen op Arabische hengsten. Zij vertellen van een dorp achter de bergen waar het beter leven is, "waar de moeders hun zoons blonde sjaals met blauwe ogen breien, waar men tweestemmige aftelversjes zingt en wonderkorrels oogst die zich vanzelf met vierenzestig vermenigvuldigen" — genoeg voedsel dus "om alle voorraadschuren in India of China te vullen".

De rijstkorrels die de ruiters uit hun zakken halen, worden dan ook met grote aandacht bestudeerd door de dorpsbewoners, die de zoveelste hongerwinter voor de boeg hebben. Wanneer Siméon de bergpas wil overtrekken om "de andere seizoenen te ontdekken", gaat het hele dorp mee. Er resten nog een paar bladzijden. De lezer weet dus al dat de gidsbeurt van de schrijver op niets zal uitlopen, maar het blijft uitkijken naar de manier waarop Pons het aanpakt.

Tussen wal en schip
Na Het lijden van vorst Sternenhoch is dit in korte tijd de tweede roman van Coppens & Frenks — toch een huis van goede smaak — die tegenvalt. Waarom eigenlijk? Aan de bekroonde vertaling van Mirjam de Veth ligt het zeker niet.

Mager is het verhaal dat Maurice Pons heeft bedacht. Hij laat een ergerlijke would-be schrijver opdraven die niets op papier krijgt, op enkele lauwe dagboekfragmenten na. En waarom? Omdat deze schrijver alleen maar kan werken in een toestand van "rustig geluk". Ook wanneer zijn teen nog maar pas is ontstoken, is dat al een reden om geen klap uit te voeren. Toch krijgt hij de sympathie van Pons, die hem duidelijk afzet tegen de boerse dorpsgemeenschap. Dat bevalt me niks.

Voorts valt het boek tussen wal en schip. Als realistische roman komt De seizoenen geloofwaardigheid tekort, in het bijzonder natuurgetrouwe interactie met andere mensen. Met al die kleurrijke types die van Pons namen krijgen met Duitse (Elzasser) galm — Raurque, Schlitte, Berque, Escladoss — wordt niets gedaan. Ergens suggereert Pons dat Siméon een van de bewoonsters van het dorp zou kunnen leren lezen en schrijven; het blijft bij een suggestie.

Als fabel lijdt De seizoenen aan willekeur. Juist al die gratuite scènes deden me de schouders ophalen, hoe donker en uitbundig Pons ze ook bedoeld heeft. Als allegorie is zijn boek bovendien te lang. Dat in het nawoord wordt onthuld dat hij met de stof van De seizoenen eerst een kortverhaal schreef, verbaast me niks.

Dat nawoord sterkt me overigens in mijn oordeel. Mirjam de Veth weet immers weinig over de roman zelf te vertellen — altijd een slecht teken — en vlucht in historische notities over de Algerijnse oorlog in de jaren vijftig.

De verschrikkingen van Siméon zouden deels geïnspireerd zijn op het etterende conflict in Noord-Afrika. Dat voor de Algerijnse kwestie ook dienstplichtigen uit Frankrijk werden opgeroepen, betekende een ontnuchtering voor de schrijver, die veel vrienden naar het front zag vertrekken. Het was een grimmige tijd. Anti-oorlogsdemonstraties in Parijs werden met geweld de kop ingedrukt. Ondertekenaars van het Manifeste des 121 (1960), waarin Franse intellectuelen opkwamen voor het recht op dienstweigering en de martelpraktijken door de Franse regering in Algerije aan de kaak stelden, werden gearresteerd of geboycot.

Pons verliest zijn onschuld. In 1957 heeft hij zich al teruggetrokken op de Moulin d’Andé, een landgoed met een middeleeuwse molen, ruim honderd kilometer ten noordwesten van Parijs, dat door zijn vrouw wordt opgeknapt tot een bescheiden kunstenaarskolonie. Onder meer Georges Perec heeft er zitten schrijven aan La disparition ('t Manco).

In 1960 verschijnt in het tijdschrift Les Lettres Nouvelles ‘La Vallée’, de oerversie van De seizoenen. In april 1965 wordt het tot roman uitgewerkt verhaal genomineerd voor de Prix Renaudot, die uiteindelijk, en wat mij betreft terecht, naar Les choses (De dingen) gaat.

Ik moet wat meer Perecs gaan bespreken op dit weblog.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Maurice Pons, De seizoenen
221 p.
Uitgeverij Coppens & Frenks, 2007
Oorspr. Les saisons (1965)
Vertaald door Mirjam de Veth

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails