De meeuw - Sándor Márai
De meeste boeken van Sándor Márai draaien rond de onontkomelijke confrontatie tussen twee hoofdrolspelers, wier lotsbestemming met elkaar verbonden is door het leven van een afwezige derde. Dat wérkt ook bij de Hongaar: de beperkte line-up geeft de gemiddelde Márai-roman meer dramatische kracht dan wanneer hetzelfde verhaal zou worden uitgesmeerd over vier, vijf personages. Aan de andere kant schiet enig realisme er altijd bij in. Zeker in De meeuw.
Daarmee bedoel ik dat het proza van Sándor Márai meer gemeen heeft met doorwrocht teksttheater dan met het echte leven. De verhalen spelen zich af binnen één etmaal, vaak in een besloten ruimte, waarbij de protagonisten in grootse monologen met elkaar converseren. In de beste romans weet het vakmanschap van Márai daar een geloofwaardige draai aan te geven. In de tweede helft van De meeuw ontaardt het, ik zeg het niet graag, in kitsch.
Doodjammer is dat. In het eerste deel van De meeuw (1943), gepubliceerd een jaar na Gloed, haalt de Hongaarse meester nog zijn hoogste niveau. Het bevat prachtig droefgeestige scènes — in een espressobar, apotheek, operagebouw — die de beste foto's van Péter Nádas (Een zweem van licht) oproepen, versteend in zinnen die alleen Márai schrijven kan. Vertaler Frans van Nes verdient een pluim.
De openingsbladzijden alleen al zou je in zijn geheel willen citeren. Een ambtenaar, nadat hij zorgvuldig de ebonieten dop op zijn vulpen heeft geschroefd, tuurt door een raam met ijsbloemen. Zijn blik reikt verder dan de binnenstad van Boedapest. Hij ziet ook het achterland, met zijn vele miljoenen mensen. Hij ziet de "Duitsers, de Russen, de oceaan."
Deze vijfenveertigjarige man heeft zonet een beslissing op papier gezet "die van bepalende invloed zal zijn op het verloop van de oorlog". Wát het ultrageheime document inhoudt, laat Márai in het ongewisse, maar het kan alleen gaan om de oorlogsverklaring van Hongarije aan de Sovjet-Unie op 27 juni 1941: Hongarije kiest op die dag de verkeerde kant, waardoor het land na afloop van de oorlog bijna een halve eeuw tot de invloedssfeer van de Sovjet-Unie verbannen wordt.
En de twintigste eeuw was al zo rampzalig begonnen voor Hongarije. Vanaf 1914 strijdt het vanzelfsprekend aan de Oostenrijkse kant in de Eerste Wereldoorlog, die door de centrale mogendheden verloren wordt. Op 4 juni 1920 wordt beslist wat er met Oostenrijk en Hongarije zal gaan gebeuren, in het Verdrag van Trianon, een onderdeel van het verdrag van Versailles. Voor beiden wordt het een pijnlijke gebeurtenis omdat ze gedwongen worden afstand te doen van grote gebiedsdelen. De Hongaren verliezen onder andere Slowakije, Transsylvanië en Kroatië. Het grondgebied van Hongarije slinkt met twee derden, het inwoneraantal daalt van 21 tot 7,5 miljoen.
Onder de conservatieve regent, admiraal Miklós Horthy, probeert het dan via de grote mogendheden om zijn oude grenzen terug te krijgen. Met name Duitsland, Oostenrijk en Italië staan hier niet afwijzend tegenover, en het is dan ook geen wonder dat het opkomend nationaal-socialisme in die landen ook aanslaat in Hongarije. In 1938 wordt de Hongaarse opstelling beloond door de as-mogendheden met het toewijzen van een strook land in Slowakije waar een Hongaarse minderheid sterk vertegenwoordigd was. Hongarije zelf lijft Karpatho-Oekraïne of Roethenië in en wil nog meer ex-Hongaarse gebieden heroveren.
Hierdoor levert Hongarije zich echter steeds meer uit aan de Duitsers. De Hongaarse eerste minister, de antisemitische graaf Pál Teleki, pleegt in april 1942 zelfmoord, wanneer de Nazi’s eigenmachtig Hongarije binnentrekken met het oog op een invasie in Joegoslavië. Hongarije blijkt dus niet meer buiten de oorlog te kunnen worden gehouden. De nieuwe eerste minister Bárdossy laat de weerstand helemaal varen en verklaart Stalin de oorlog, in juni 1941.
Hongarije slaagt er aanvankelijk in om grotendeels buiten de echte oorlogshandelingen te blijven, maar wanneer de Hongaren vanwege het pijnlijke strijdverloop tegen de Russen geheime vredesbesprekingen houden met de Westelijke geallieerden, laat Hitler op 18 maart 1944 het land bezetten. Joden ondergaan hetzelfde lot als in andere bezette landen (Aktion Höss). Horthy wordt vervangen door de pro-Duitse Ferenc Szálasi en zijn pijlkruisers. Het resultaat: het hele land wordt geplunderd door zowel Russische als Duitse soldaten, en honderdduizenden Hongaarse burgers verdwijnen in Russische dwangarbeiderskampen(*).
Zo concreet kan de rijksambtenaar van Márai de uitkomst van het document dat hij laat uittikken natuurlijk niet inschatten, maar hij heeft als man van cultuur en beschaving wel een sterk vermoeden waar de oorlog zal toe leiden.
Hij vraagt zich luidop af of de wereld "naast haar voorraden zeep en insuline, schoenzolen en koffiebonen", niet ook haar morele emotionele reserves aan het verkwisten is. Gepokt en gemazeld in de intellectuele traditie van het avondland — hij haalt Luther aan (religie), Metternich (politiek), Darwin (wetenschap), Huizinga (geschiedschrijving), Maeterlinck (literatuur) en Freud (psychoanalyse) — vreest hij het nieuwe verschijnsel massamens. Deze beschikt nog wel over "een lichaam, zenuwen en spraakvermogen", maar heeft geen ziel meer die weet wat echte liefde is.
Zeker in de nieuwe, totalitaire wereldorde die ophanden is — op communistische dan wel fascistische leest geschoeid, maakt niet uit — zal de afzonderlijke mens alleen nog maar een nummer zijn. (Nota bene: net omwille van dit soort cultuurpessimisme zal Márai zelf als 'bourgeoisauteur' na de oorlog in ongenade vallen bij de autoriteiten, waarna hij vrijwillig in ballingschap gaat, in Italië, later in de VS.)
Vijftig jaar geleden waren ze nog niet zo, denkt hij nu, koppig en streng. Het is een nieuwe soort, de massamens. Vijftig jaar geleden was in Europa iedereen nog volgens zijn eigen individuele wetten dom en slim, goed of slecht, arm of rijk. In de tussentijd is er iets gebeurd. Dankzij de kanalisatie, de profylaxis en andere nobele uitvindingen hebben de mensen evenredig aan hun vermeerdering ingeboet aan individualiteit. De steden zijn uitgedijd als apocalyptische cementmonsters en hebben de mensen verzwolgen. De mensen zijn geen individuen meer, maar gegevens in een statistiek. Ze ervaren hun leven noch hun dood als iets eigens.Een tweede personage dient zich aan: een contragewicht voor de zwaarmoedige, plichtsbewuste ambtenaar. Een jonge vrouw haast zich in het trappenhuis van zijn ministerie naar boven ("Haar tred is licht als die van een vogel, ze lijkt van de ene tree op de volgende te hupsen"). Zij is een Finse lerares die Hongaars heeft geleerd, maar geen baan wou in het duistere Noorden van Lapland. De oorlog in haar land ontvlucht wil ze nu een visum en verblijfsvergunning aanvragen.
Ze spreekt vloeiend Hongaars, met een vreemd accent, maar met de correcte woordvolgorde. Toch lijkt ze elk woord angstvallig en zorgvuldig te selecteren uit een niet al te groot arsenaal. Haar Hongaars is zuinig, alsof ze bang is voortijdig door haar woordenschat heen te zijn.De deur van het ministerie gaat open. Het is een donderdag, een doorsneedag, maar de ambtenaar weet niet waar hij het heeft. Het is net of deze vrouw zijn kamer al eerder heeft betreden, op precies dezelfde manier, vijf jaar geleden. De dame lijkt namelijk als twee druppels op zijn gestorven geliefde. Een getrouwe kopie van het origineel. Alsof zijn minnares uit het graf is opgestaan. De man moet zich vermannen.
Hij voelt zijn bloed naar zijn hart stromen. Ondertussen weet hij dat dit slechts een literaire overdrijving is, zoals hij die in oppervlakkige boeken heeft gelezen. In werkelijkheid is dit ‘stromen’ een fysiologische ongerijmdheid. Er stroomt natuurlijk altijd bloed naar het hart toe, maar een duizeling heeft niets te maken met het tempo van de bloedsomloop. Zulke sentimentele gemeenplaatsen lees je in boeken.De vrouw waar de Finse op lijkt — de vroegere minnares van de ambtenaar, de tweeëntwintigjarige apothekersdochter Ilona — heeft zich met blauwzuur uit haar vaders zaak van het leven beroofd, waarschijnlijk omwille van nog een andere minnaar, een hoogleraar. In een mooie flashback kijken de ambtenaar en de apotheker samen naar haar foto. Waar is het misgelopen?
Ja, Ili had veel noten op haar zang. Ze was niet alleen uit op geluk, maar ook nog op iets anders, een soort surplus waar vrouwen doorgaans niet naar streven en dat ze ook niet ter hand nemen. Ze streefde bijvoorbeeld ook naar kennis, en dan niet alleen van de roddels en de maatschappelijke weetjes, en ook niet alleen van de luxeleerstof voor verveelde rijke meisjes, zoals kunstgeschiedenis of de volkse varianten van de experimentele psychologie. Ili wilde haar tijd niet verspillen aan dikdoenerij, maar ze wilde evengoed weten.En nu staat deze Ilona (overigens de naam van Márai's echte vrouw) opnieuw voor de ambtenaar aan de deur, zij het in de fysieke gedaante van een Finse lerares, ogenschijnlijk een "mythisch wezen" uit de Kalevala, een meeuw uit het hoge Noorden.
‘Als een vrouw wil weten, dan is dat bijna tragisch,’ zei hij onwillekeurig. ‘En die mogelijkheid werd haar door deze man misschien geboden,’ voegde hij er vermoeid aan toe, alsof hij iets had begrepen.
Het formele gesprek wordt snel vertrouwelijker, al begrijpt de vrouw natuurlijk niet goed waarom. Het is mooi om te zien hoe de anders zo rationele ambtenaar de wonderbaarlijke ontmoeting bijna mystieke kantjes toedicht. De Finse vrouw heeft hem in een onbekende miljoenenstad gevonden met "de zekerheid waarmee vogels in de eindeloze ruimte hun voedsel zoeken", een oriëntatievermogen dat ons mensen te boven gaat. Het is alsof het lot hem nog eens de enige vrouw heeft bezorgd die hem vroeger echt heeft doen leven, evenwel zonder dat dit duplicaat hem nieuw leed kan berokkenen.
Hij raakt doortrokken van deze droevige zekerheid. Hij kijkt naar deze mooie, bekende vrouw, die door de lachwekkend ongerijmde, ontstellende en platvloerse wil van het leven nogmaals op zijn pad is gekomen en denkt met een heimelijke zucht van verlichting en niettemin bedrukt: nee, verschijning, jij zult mij mij geen leed meer kunnen berokkenen. De pijn is weg. Het leven heeft de pijn in iets anders veranderd. Hij heeft er kennis mee gemaakt, heeft gekreund en hem toen voor de wereld verborgen, hem als het ware geprepareerd en als een prachtige mummie opgesteld in de dodenhal van de herinneringen. Ook pijn die door liefde is veroorzaakt, gaat voorbij, hou jezelf niet voor de gek. Wat resteert is rouw, een officieel ritueel ten overstaan van vreemden en voor de herinnering. De pijn zelf was iets anders geweest, een dierlijk brullen, ook in zijn zwijgen. Zoals dieren brullen als ze iets onbegrijpelijks opmerken, sterrenlicht of een onbekende geur, en in hun angst aanslaan. Rouw daarentegen is rede en oefening. Pijn veradert op zekere dag: alles wat het gevoel aan gemis aan ijdelheid en gekwetstheid in zich verborgen heeft, droogt uit in het flakkerende vagevuur van de pijn, waarna de handelbare, tembare en plaatsbare herinnering overblijft. Zo gaat het met alles wat de mens zich inbeeldt en wat hem beroert. En omdat je dit weet, speelt het leven zijn zonderlinge quadrilles voor niets, roept het herinneringen op, brengt het griezelige en helse gelijkenissen tot stand, stuurt het langs duistere wegen duplicaten op je af, al kunnen deze ontmoetingen je van alles brengen — avontuur en verrassing — maar geen leed meer.Hij idealiseert de Finse vrouw. Voelt een diepe verwantschap met haar. Niet alleen omdat hun beider moedertalen tot die bizarre Finoegrische tak behoren, ook omdat ze allebei uit een volk komen dat in zijn ziel nog even dicht bij de natuur staat, en "het levensritme van de wilde dieren bezit". Hongaren en Finnen zijn nooit helemaal verstedelijkt. Hun "verwante woordstammen" hebben zich weliswaar verspreid tijdens de volksverhuizingen, maar beiden hebben nooit de "fortuinlijker contreien waar milde golven en stromingen de zee en de kusten verwarmen" gekend waar de westerse volken zich hebben kunnen neervleien.
De ambtenaar gelooft sinds de verschijning van de engel opnieuw in de kracht van dromen om de werkelijkheid vorm te geven. Waar hij vroeger in alles een achterliggende reden zocht, is hij nu graag bereid als een vrouw "de feiten als antwoord te aanvaarden".
Ik ben een man die in het telefoonboek staat en die uiterst precies officiële stukken kan formuleren, dat zegt men tenminste. Meer niet. Wat ik geloofd heb, een beetje — omdat wij grijze mensen niet zonder rol kunnen leven, zonder een beetje pathos lukt het niet — , is dat ik de werkelijkheid onbevooroordeeld en scherp kon waarnemen en dat ik aan de hand van mijn waarnemingen kon afleiden door welk plan de verschijnselen werden opgeroepen. Dat was mijn rol, zo niet mijn opdracht in de wereld. Maar nu geloof ik ook dat niet meer onvoorwaardelijk. Ik geef toe, liefste, dat de wereld voor mijn ogen door elkaar is gaan lopen, nog maar net, sinds een paar uur. Sinds het moment dat jij vanmiddag mijn kamer binnenkwam.Vergis u niet: we bevinden ons nog altijd aan de vooravond van de oorlog. "Nu zijn ze er nog, de mensen en de cultuur, en het lot houdt ze in zijn onverschillige hand," staat er ergens. Alleen dringt de dreiging niet door tot in de verduisterde microcosmos van dit tweetal — zoals zo vaak bij Márai grijpt de handeling 's avonds en 's nachts plaats.
Het paar trekt naar de opera (de plaats waar de komedie het langst wordt volgehouden), wisselt eenmalig een kus uit (een "getemde beet") en wijdt zich voor de rest van de roman aan uiterst kunstige, zeg maar gekunstelde conversatie. En daar gaat het voor mij mis: waar de roman een occulte keer neemt. Het oeverloos geklets over tijd en status quo, over verschil en eeuwige wederkeer: Márai's onvervangbare Midden-Europese droefenis mondt uit in wolligheid.
De ambtenaar klampt zich vast aan de schijnbare gelijktijdigheid van zijn oude wensdroom (Ilona) en het heden (de Finse), en zet daarvoor graag zijn paranoïa — is zij misschien een spionne? — opzij. De vrouw, van haar kant, raakt eveneens overtuigd dat hun ontmoeting volgens een hoger plan verloopt: in de woning van de ambtenaar heeft ze inmiddels de foto van Ilona en de sprekende gelijkenis met haar opgemerkt. Draak van een detail: Márai laat haar Aino Laine heten, Fins voor Enige Golf, oftewel: nuance en herhaling. Jaja.
Wat ik zeggen wil: het is allemaal futiele metafysica in het licht van het nieuws dat Hongarije begin 1943 bereikt, enkele maanden voor De meeuw wordt gepubliceerd. Tijdens de Slag bij Voronesj wordt het slecht bewapende Tweede Hongaarse Leger zo goed als vermorzeld door de zich revancherende Russen. Van de 200.000 Hongaarse soldaten en 50.000 joodse dwangarbeiders worden er 100.000 gedood, 35.000 gewond en 60.000 gevangengenomen. Duizenden Hongaarse families, én de relatieve rust in het thuisland, worden ontwricht.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Sándor Márai, De meeuw
191 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2009
Oorspr. Sirály (1943)
Vertaald door Frans van Nes
(*) Na de oorlog werd de monarchie formeel vervangen door een republiek en werd Hongarije gedwongen toe te treden tot het Warschau-pact (tegenhanger van de Navo) en de COMECON (tegenhanger van de EEG). Verder moest Hongarije afzien van buitenlandse hulp, werden banken en grote bedrijven genationaliseerd en weigerde de Sovjet-Unie om haar troepen terug te trekken uit het land. De politiek zeer actieve kardinaal Mindszenty en verklaard tegenstander van de communisten werd tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.
De bevrijders bleken veroveraars. Onder de communistische MDP onder leiding van Mátyás Rákosi werd Hongarije een Sovjet-kloon met onteigening van privé-eigendom, collectivisering van de landbouw en nadruk op de zware industrie. Verder voerden de partij en de veiligheidspolitie een schrikbewind uit dat vele slachtoffers eiste. Na Stalins dood leek er even ruimte voor veranderingen, maar het tragische einde van de Hongaarse opstand eind 1956 maakte duidelijk dat de Sovjets de baas waren en bleven.
____

1 reactie(s):
Ik ben het niet met u eens, met alle respect.
Het eerste deel is inderdaad prachtig, moet meteen herlezen worden.
En inderdaad, in de loop van de nacht wordt het misschien wat kitscherig, hoewel dat woord te zwaar is.
Maar het gaat niet niet over de oorlog, de context van de geschiedenis, niet over een raadsel.
Het gaat om ziel en zijn, over het gemaskerd bal van dood en liefde in het onderaardse, over lot en bestemming.
" 'Tell me, My Heart, is this love?' ... Het is waarachtig een vraag uit de onderwereld, zoals op liefdesmomenten ieder woord en elke opflikkering van het zelfbewustzijn op de onderwereld gericht zijn. De mens heeft een lichaam, een ziel en instincten en vervolgens is er deze vraag, die boven de aardse omstandigheden uitstijgt en zich richt tot de onderaardse krochten van het bestaan.
...
Nee, in zijn lichaam staat de mens machteloos, alleen in zijn ziel redetwist hij met God.
...
Maar even angstaanjagend is het feit dat het duplicaat mij heeft gevonden, in deze stad met haar één miljoen inwoners. Ze is in een onbekende stad de kamer binnengelopen van een man die al van doen heeft gehad met een vrouw met een identiek fysiek lot. Ze heeft hem in een onbekende miljoenenstad gezocht met de zekerheid waarmee vogels in de eindeloze ruimte hun voedsel zoeken, ja zoals de meeuwen hun weg hiernaartoe vinden, vanuit het noorden, door hun instinct naar het luchtruim boven onze stad gedreven (...).
Ze heeft me gevonden en een seconde later de deurkruk naar beneden gedrukt om met de trefzekerheid van de slaapwandelaar bij me binnen te lopen, bij degene voor wie haar gezicht, gestalte, blik en glimlach een andere betekenis hadden dan voor de overige miljoen mensen in deze vreemde stad. Dat is waarachtig een onderaards staaltje. Klaarblijkelijk worden de helse quadrilles, de grote rondes van het gemaskerd bal, op dagen als deze daar beneden vlekkeloos op touw gezet.
" (pp69,p73,75)
De precisie van Marai is adembenemend, en (dus) ook de vertaling van Frans van Nes.
Jan Carpay
Een reactie plaatsen