dinsdag 13 april 2010

De hel - Henri Barbusse

Dit boek is bij wijlen even mooi als een vleesetende bloem. De lezer wordt bekoord door de prachtlievendheid van de taal, terwijl de auteur eigenlijk druk doende is diezelfde lezer te gronde te richten. Martin Ros nam De hel, ooit uit de handel genomen vanwege zijn pornografische inslag, gretig op in zijn Bibliotheca Erotica, maar ik ontwaarde in de eerste plaats een filosofische roman; het onrijpe boek van een schrijver die nooit loskwam van zijn wereldvreemde ideeën.

Als tiener trekt Henri Barbusse (1873-1935) naar Parijs, waar hij verkeert in de artistieke kringen rond Tristan Bernard, Jules Renard en Catulle Mendès (van wie hij na zijn huwelijk de schoonzoon wordt). Hij debuteert met hoogsensitieve verzen in de traditie van de Parnassiens, die nauwelijks worden opgemerkt. De roman Les suppliants (1903), over een jonge anarchist die na een mislukte aanslag op een bourgeois-school het activisme opgeeft, is hetzelfde lot beschoren. Barbusse berust, en leidt voor de rest een burgerlijk bestaan als ambtenaar, uitgeversknecht en journalist.

Totaal onverwacht komt hij in 1908 met De hel, een broeierige ideeënroman waarvoor Barbusse zich enkele maanden heeft teruggetrokken in een hotel in de Parijse achterstandswijken. De held van het boek lijkt op Barbusse — een dertiger die zich vanuit de provincie in Parijs heeft gevestigd, waar hij een braaf baantje heeft. De man, die naamloos blijft, heeft tot nu toe niets weten te maken van zijn leven, vertoont geen spoor van genialiteit, voelt geen enkele roeping. Tegelijk geeft hij zich graag over aan kinderlijke verzinsels over roem. Maar die bevliegingen duren nooit lang.

Ben ik gelukkig? Ja; ik heb smart noch berouw, noch enig ingewikkeld verlangen; dus ben ik gelukkig. Ik herinner mij, dat toen ik nog een kind was, ik oplaaiingen van aandoeningen, mystieke vertederingen had, er een ziekelijk genot in vond mij af te zonderen met mijn gedachten uit het verleden. Ik vond mezelf buitengewoon belangrijk; ik ging zelfs zover, dat ik dacht dat ik meer was dan een ander. Maar dit alles is geleidelijk vervaagd in het nuchtere onbetekenende van het daggeleef.
Op een doodlopend spoor in zijn leven beland, boekt deze Elckerlyc ("Ik ben een mens als ieder ander, zoals deze avond er een is onder alle andere avonden") een kamer in een hotel, waarin de lezer een nogal makkelijk beeld herkent voor de geestelijke transitzone waarin de man zich bevindt.

Daar, in de grauwe schemer, hoort hij geruchten uit de belendende kamer. Door een gat in de muur net onder het plafond krijgt hij zicht op wat zich daar afspeelt, zonder zelf gezien te worden. De voyeur in hem wordt gewekt. Een kleine maand lang kijkt hij elke dag door het gat. De ongerepte authenticiteit van mensen die zich onbespied wanen, blijkt verslavend. "Het wachten was mij een gewoonte, een ambacht geworden. Ik stelde afspraken uit, vertraagde bezigheden, trachtte tijd te winnen op gevaar af mijn betrekking te verliezen."

In de aanpalende ruimte ontrolt het leven zich in al zijn onvolmaaktheid via steeds wisselende configuraties van mensen. Geboorte en dood, incest en overspel, moedwil en misverstand. De kamer is niets minder dan het diorama van de duivel. De hel, quoi.

Een vrouw ontkleedt zich en confronteert de gluurder met zijn lusten. Twee geliefden bedrijven er hun clandestiene liefde, hij gedreven door lust, zij op zoek naar geluk, zonder dat er van echte verbondenheid sprake is ("Je ziet wel, we sluiten een koop, we geven elkaar, de één een droombeeld, de ander een genieting"). Een vrouw bevalt van een kind. Een man vergrijpt zich aan de kamermeid ("zijn buik tegen haar achterdeel"). Een priester wil een terminaal zieke zijn zonden laten bekennen, of 'm op zijn minst opzadelen met schuldige gedachten. De zieke sterft.

Het eerste halfuur maakt De hel beslist indruk. Barbusse schrijft stemmige, in decadentie gedrenkte bladzijden, die de beste doeken van Spilliaert oproepen ("De nacht had nog de grijze, zijdesoepele zachtheid van de avond; weldra zou hij naakt staan"). De beschrijvingen van daglicht en duisternis, en alle tinten die ertussen zitten, behoren alleszins tot het beste wat ik op dat vlak gelezen heb sinds Dukla van Andrzej Stasiuk.

De stijl van Barbusse houdt ergens het midden tussen het naturalisme van Zola en de topzware esthetiek Huysmans en Mirbeau, en dat bevalt me zeer. Dat de (naar ik vermoed licht opgepoetste) vertaling van Andries de Rosa uit 1919 werd behouden, met zijn 'verdofte lichtstepen', 'stofzweving', 'gevoelsbelang', 'vlamlaaiing' en 'de zeiszwaaien van de dood', is wat mij betreft een gouden greep.

Ik wil ook meteen toegeven dat mijn appreciatie deels wordt bijgekleurd door het erotomane van Barbusse, die bij momenten het beste van Bataille overklast. Seksualiteit is altijd tragisch in De hel. Lichaamsopeningen zijn "wonden". Het lijf een "afgrond". De aanbidder "zijgt" voor de aanbedene "neer als een slachtoffer". Daadwerkelijke geslachtsgemeenschap kan alleen maar het object van iemands verlangen "ontheiligen".

Maar het boek blijft dus niet op niveau. Reden daarvoor is dat de aanwezigheid van de man waarmee het allemaal begon, en waarin de lezer tijd en energie heeft geïnvesteerd, bijna geheel wegvalt, om plaats te maken voor de pathetische dialogen, zeg maar monologen, van de personages die hij observeert. De man neemt niet deel aan wat hij ziet, koppelt niet meer terug naar zijn eigen leven. Hij is enkel oog, een verborgen camera. De hel wordt een sliert bespiegelingen die steeds minder worden geruggesteund door concrete observaties. Ze komen tot de lezer in regelmatige vlagen, gescheiden door witregels — wolkjes uit een automatische geurverstuiver.

In die bespiegelingen krijgt het solipsistische wereldbeeld van Barbusse, althans dat van zijn naamloze verteller, gestalte. De mens gaat gebukt onder de eeuwige wederkeer van leven en dood, leven en dood. Hij is niet in staat zich van zijn eigen kern los te maken, een kern waar hij niet eens zicht op heeft ("Ik denk aan mezelf, die ben als een zware schaduw, tussen mijn wezen en de zon").

Werkelijk contact tussen mensen is niet mogelijk. Twee mensen die elkaar minnen "blijven elkaar vreemd als de wind en de zee". Door het toeval voelen ze zich tot elkaar aangetrokken "door de trekken van hun aangezichten", een voorkeur die in zijn willekeur gelijk is "aan de waanzin". Erotiek mag dan wel eventjes vergetelheid schenken, eventjes onverschillig maken voor morele overwegingen, maar over het algemeen is de ene mens een obstakel voor de andere. Zelfs de twee geneesheren die Barbusse samenbrengt aan het sterfbed van de zieke van daarnet (hoofdstuk X) zijn verstoken van illusies. (Het hoeft niet te verbazen dat Céline veel heeft ontleend aan Barbusse.)
‘Is hij een Rus, een Griek?’
‘Ik weet het niet. Doordat ik de mensen van binnen beschouw, zie ik ze alleen als gelijke!’
‘Zij zijn vooral gelijk,’ mompelde de andere, ‘door hun afschuwelijke mening dat ze ongelijk en elkaars vijanden zijn!’
Barbusse onderstreept voor de slechte verstaander nog eens de niettigheid van de mens in hoofdstuk XIV, waar in een astronomisch intermezzo de aarde wordt afgezet tegen de zon, de zon wordt vergeleken met Canopus, Canopus wordt gesitueerd in de context van de hele hemelkaart.

Neen, de enige waarheid in dit ondermaanse is de dood, die alomtegenwoordig is voor wie goed kijkt. "Er liggen in de aarde veel meer doden dan er levenden op de oppervlakte zijn; en wij, wij hebben veel meer van de dood dan van het leven." Barbusse strooit zout in alle wonden. Wie de terzijdes van Houellebecq over ontbinding in Elementaire deeltjes al goor en ongepast vond, moet beslist Barbusse eropnaslaan wanneer deze de acht stadia van het verrottingsproces in kaart brengt.

Bij zoveel vergankelijkheid kan de mens natuurlijk enkel nog gedefinieerd worden als een wandelend verlangen niet te sterven, het verlangen de vormloze tijd in te delen en tegen beter weten in een lotsbestemming te ontwaren. God is bij dit alles de grote afwezige, het gebed "een samenspraak waarin men altijd alleen is". De wetenschap, van de andere kant, is in de optiek van Barbusse geen volwaardige vervanger, omdat zij niet het volledige leven weergeeft, omdat zij haast per definitie de aspecten negeert die het leven kleur geven voor een gevoelig individu.
De tegenstrijdigheden die liggen opgesloten in de zalige verwezenlijking van het uiterlijke, de talloze dwalingen van onze zintuigen, de fantastische scheppingen van de droom, van de waanzin, veroorloven ons niet deze armzalige leer te volgen. Het gezond verstand is een braaf, maar blind beest. Het erkent de waarheid die bij de eerste aanblik verdwijnt, niet; de waarheid die volgens het schone woord van de oude wijze, ‘in een afgrond ligt’.
De wetenschap… Wat is de wetenschap? Op zichzelf, is zij een organisatie van het verstand door zichzelf; toegepast is zij een organisatie van de uiterlijke schijn. De wetenschappelijke ‘waarheid’ is de bijna totale ontkenning van het gezond verstand: er zijn bijna geen uiterlijke bijzonderheden die niet worden tegengesproken door de daarop corresponderende wetenschappelijke bevestiging. De wetenschap zegt dat de klank en het licht uit trillingen bestaan; dat de stof is samengesteld uit krachten… Zij verkondigt een abstract materialisme.

Afbeelding: Martin Van Maele, La Grande Danse macabre des vifs (1905); via Wikimedia Commons

Persoonlijke appreciatie
Wat fascineert aan De hel is hoe een volwassen schrijver — Barbusse was 34, 35 jaar oud toen het tot een publicatie kwam — zo'n onvoldragen wereldbeeld kan hebben. Dat decadenten als Montesquiou, Loti, Rictus, Maeterlinck, Jammes en Rachilde hun bewondering voor het boek uitdrukten is geen aanbeveling, zeker niet voor de moderne lezer.

Hebben we hier inderdaad te maken met een losgeslagen dandy, of heeft Barbusse uit humanistische overwegingen een purifiërend boek willen schrijven dat met een brede zwaai alle christelijke waarden van tafel veegt — schoon schip maken om een nieuwe, gezonde attitude tegen het leven te kunnen aannemen (denk aan de anarchist uit de eerste roman van Barbusse, die ook naar de grove middelen greep)?

Wat er ook van zij, het boek betekent een ferme correctie op het vrolijke beeld dat we hebben van de Belle Époque. Het legt de grimmige ondertoon van die periode bloot. Ergens in De hel zegt Barbusse, bijna een decennium voor de Groote Oorlog uitbarst, dat zijn tijdsgewricht in een doodsstrijd verwikkeld is. Daarmee doelend op de revanchards die na 1870 wraak willen nemen op Duitsland; de vaderlandsliefde in Frankrijk dreigt te ontaarden in nationalisme en militarisme.

Ook voor wie de pessimistische lyriek van Barbusse niet kan verteren, loont het de moeite om De hel door te nemen, al was het maar om meteen daarachteraan Het vuur te lezen, dat alom beschouwd wordt als zijn meesterwerk. In Het vuur tekent Barbusse uit eigen ervaring de gruwel van de Eerste Wereldoorlog, in korte scènes, doorspekt met rauwe soldatentaal. Het boek, dat Barbusse de bijnaam 'le Zola des Tranchées' oplevert, is een van de eerste getuigenissen waarin de oorlog zonder een spoor van heroïek wordt beschreven — waardoor het bij zijn verschijnen in 1916 natuurlijk hevig werd gecontesteerd.

Een groter contrast met De hel is niet denkbaar: was Barbusse daar nog een fragiele Feingeist, in de loopgraven is hij in contact gekomen met het gewone volk, en voelt aan den lijve wat het betekent als een mensenleven op het spel staat. Barbusse was vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog tot augustus 1916 soldaat, waarvan elf maanden aan het front. Hij had zich, trouwe patriot zijnde, als vrijwilliger aangemeld — ondanks zijn eenenveertig jaar, ondanks zijn slechte gezondheid. Wanneer hij na twee jaar van het slagveld wordt gestuurd, want niet langer bekwaam om te vechten, puurt Barbusse uit zijn aantekeningen een dikke roman. Het vuur wordt verslonden door het grote publiek, waarna ook De hel alsnog een verkoopssucces wordt.

Al even interessant, even tragisch ook, is wat daarna gebeurde. Barbusse ziet de Eerste Wereldoorlog als een noodzakelijk kwaad, als een moment van loutering voor de mensheid. Barbusse wordt, naast pacifist, een strijdbare communist. Rationalisme en communisme zijn in die dagen — de vroege jaren twintig, wanneer de Franse linkerzijde uiteenvalt in een communistische en een socialistische vleugel — immers geen tegenstrijdige begrippen.

Komt daar nog bij dat Franse intellectuelen van het moraliserende type sinds de Dreyfus-affaire (die Barbusse meemaakte als twintiger) voldoende zelfvertrouwen bezitten om zich te roeren in het publieke debat. Barbusse, voor de oorlog nog een bewonderaar van Woodrow Wilson, beschouwt het omarmen van de bolsjewistische idealen als een daad van intellectuele beslistheid voor wie werkelijk een nieuwe toekomst voor de mens wil. Anders handelen voelt aan als onwaarachtig en sentimenteel.

Er volgen een aantal politieke geschriften, met als dieptepunt een verheerlijkende biografie van Stalin. Reden genoeg om hem alsnog weg te zetten in het overvolle pantheon van pathetische en humorloze Franse intellectuelen die door een gebrek aan empirisch instinct helemaal het noorden kwijtraakten.

Eigenlijk mag het ook geen toeval heten dat het slotakkoord van De hel, waar deze bespreking eigenlijk om draaide, vooruitloopt op het gedachtengoed van iemand die ook in dat pantheon thuishoort. Jean-Paul Sartre.
Ik geloof dat tegenover het menselijk hart en het menselijk verstand, door onvergankelijke aanroepingen gevormd, er slechts de afspiegeling bestaat van wat zij tot zich roepen. Ik geloof dat om ons heen, alom, slechts één woord heerst, het woord dat onze alleenheid aantoont en ons gemoedsleven ontbloot: niets.
Ik geloof dat dit niet onze vernietiging of ons geluk betekent, maar integendeel onze verwezenlijking en onze verheerlijking, omdat bijna alles in ons is.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Henri Barbusse, De hel
199 p.
Uitgeverij Aspekt, 1998
Oorspr. L'enfer (1908)
Vertaald door Andries de Rosa

____

2 opmerkingen:

Anoniem zei

'Twee geliefden consumeren er hun clandestiene liefde,...'
'consumeren'?
Dat heet 'consummeren'!

Achille van den Branden zei

Zoveel verontwaardiging om een ordinaire verstrooidheid...
U verliest trouwens iets crucialers uit het oog. Consummeren slaat op de katholieke plicht gemeenschap te hebben binnen het huwelijk; reden om bij nalatigheid tot echtscheiding over te gaan. Clandestiene liefde consummeren (het gaat hier om minnaar en maîtresse) slaat dus nergens op. De hele zin moet om.

Related Posts with Thumbnails