woensdag 21 april 2010

De dagboeken 1950-1962 - Sylvia Plath

"Ik kan veranderen, mijn vierkante hoeken afslijpen om in een cirkelvormig gat te passen." Zoals zoveel dagboeken die niet voor publicatie bestemd zijn, was dat van de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath een broodnodig werkinstrument. En niet alleen als recipiënt voor penneprobeersels; in haar journaal sprak Plath zichzelf voortdurend moed in, in de hoop dat die na weerkaatsing op het blad ook overtuigend zou klinken — want als het ware uitgesproken door een vreemde.

Dit dagboek lezen is een tocht ondernemen door een geesteslandschap met hoge toppen en diepe dalen. Het is jammer genoeg een landschap waar weinig kan groeien. Sylvia Plath lijkt nooit los te komen van zichzelf. Ze ontbeert de afstand om een groot schrijfster te worden en verspilt bakken energie aan dorre zelfanalyse en weke fantasieën. Continu is er ook de behoefte zich te positioneren tegenover haar vader en haar moeder. Aldus zijn De dagboeken 1950-1962 het produkt van een eeuwige, zij het briljante, adolescent. Geen grootse literatuur, maar wel aangrijpend — omdat in die ijlende zinnen, waarin de Byroneske ampersands niet geschuwd worden, veel luciditeit schuilgaat.

Plath begon een dagboek bij te houden vanaf haar elfde, en bleef dat doen tot kort voor haar zelfdoding in 1963. Een eerste, kortgewiekte versie van haar volwassen dagboeken, die berusten bij het Smith College (waar Plath lesgaf), verscheen begin jaren tachtig. In die keuze onderbraken onder meer twee dagboeken die door haar man Ted Hughes waren verzegeld, met verwijzingen naar haar lesgeversjaren (aan datzelfde Smith College) en naar haar psychiatrische behandeling door dr. Ruth Breuscher. Kort voor zijn dood verbrak Hughes echter het zegel, zodat in 2000 The unabridged journals of Sylvia Plath konden verschijnen. Maar ook die uitgave is niet volledig. De laatste drie jaar van Plaths leven blijven zo goed als ongedocumenteerd: Hughes verbrandde één dagboek, waarvan hij niet wou dat de kinderen het lazen. Een ander dagboek zou spoorloos zijn en misschien wel voorgoed verdwenen. Er resten ons enkel wat verspreide notities uit die periode.

Dit Privé-domein brengt ook nog eens een sterk ingekorte selectie uit de Amerikaanse editie. Vertaalster Nelleke van Maaren heeft alle overlap, overbodige aanhangsels en losse notities weggelaten, schrijft ze, en toch een representatief beeld van de dichteres weten te bewaren. Dat laatste werd door Kristien Hemmerechts in haar recensie destijds fel betwist. De keuze zou braaf zijn, door veel van Plaths ingebakken agressie weg te laten, én preuts, door bepaalde seksuele toespelingen tussen Hughes en Plath niet te hebben begrepen.

Ik voel me Lazarus
Het beginjaar van De dagboeken 1950-1962 is het jaar waarin Plath met een beurs wordt toegelaten tot Smith College. Ze ontdekt er haar seksualiteit, flirt er met de jongens, en wordt tegelijk verteerd door de ambitie om een volmaakte studente te zijn. De aantekeningen uit die tijd, waarvan de kernwoorden driftig zijn onderstreept, ogen meisjesachtig en zelfingenomen, maar getuigen al van een grote sensibiliteit en een duidelijk talent om te formuleren. Dan al weet Plath dat zintuiglijke beschrijvingen haar het best liggen. Vooral tijdens de zonovergoten vakantiebaantjes in de zomermaanden kan ze haar hart ophalen. Ze ontdekt de boeken van D.H. Lawrence, schrijft haar eerste sonnet en verwoordt haar literaire dromen in duizend-en-een retorische vragen.

Tijdens haar studies loopt ze stage bij een damesblad in New York, dat eerder een verhaal van haar had opgenomen. Het is een lastige periode, die uitmondt in een zelfmoordpoging (niets daarover in het dagboek, zoals meer turbulente verwikkelingen niet worden gedocumenteerd) en de basis zal vormen voor de roman The bell jar (De glazen stolp) een paar jaar later. Ze komt onder behandeling in een psychiatrische instelling (McLean Hospital, waar haar electroshocks worden toegediend) en lijkt goed te herstellen. In 1955 studeert ze cum laude af, maar ze blijft met psychische setbacks kampen.

Ik ga deze week naar de psychiater, alleen om hem te leren kennen, te weten dat hij er is. En ironisch genoeg heb ik het gevoel dat ik hem nodig heb. Ik heb een vader nodig. Ik heb een moeder nodig. Ik heb een ouder, wijzer iemand nodig om bij uit te huilen. Ik praat tegen God, maar de hemel is leeg, en Orion wandelt voorbij zonder iets te zeggen. Ik voel me Lazarus: dat verhaal is zo fascinerend. Ik was dood en stond weer op uit de dood, ik vond zelfs een uitweg in de loutere gevoelswaarde van het feit dat ik suïcidaal ben, zo dichtbij komen, uit het graf verrijzen met de littekens en de ontsierende vlek op mijn wang die (denk ik dat maar?) steeds duidelijker zichtbaar wordt: als een lijkvlek wordt hij steeds bleker op mijn rode, door de wind gegeselde huid en op foto’s tekent hij zich donker en bruin af tegen mijn doodsbleke winterkleur. En ik identificeer me te veel met wat ik lees en schrijf. Ik ben Nina in Strange Interlude; ik wil inderdaad een echtgenoot, een minnaar, een vader en een zoon verenigd in één persoon hebben.
Plath krijgt opnieuw een beurs, ditmaal om aan de universiteit van Cambridge te gaan studeren. Daar treft ze een idool van haar, de rijzige womanizer en dichter Ted Hughes, met wie ze trouwt op 16 juni 1956. De ontmoeting, waarbij hij haar op de mond kust en zij hem in zijn wang bijt, wordt in het dagboek beschreven en maakt zeker indruk op de lezer. Over de aanloop naar het huwelijk, niets.

Plath zal in haar relatie met de grillige Hughes verscheurd worden door tegenstrijdige emoties. Enerzijds kijkt ze op naar haar Engelse man, wordt ze gestimuleerd door zijn talent en moet ze zich intomen om zich niet op hysterische wijze aan hem te geven; van de andere kant wil ze niet ten onder gaan als 'de vrouw van', en eist ze tijd voor haar eigen werk op. Dit zijn de jaren vijftig, moet je rekenen; de vrouw wordt automatisch met een centrale rol in het huishouden bedacht. Het ene moment fulmineert Plath tegen deze verstikkende situatie, even later heeft het gebrek aan zelfvertrouwen haar alweer in haar greep en raakt ze alleen uit haar somberheid en mokkende humeur door de hele dag gedichten van Ted uit te typen ("Ik leef door hem totdat ik op eigen kracht kan leven"), wiens roem zienderogen stijgt. Plath wil alles even goed doen. Een goede moeder zijn, de trouwe echtgenote spelen, een rijk liefdesleven hebben en ook nog eens een succesvolle schrijfster worden.

Plath componeert gedichten, en blijft kortverhalen sturen naar Amerikaanse bladen. In de dagboeken regent het echter afwijzingsbriefjes — "Ik huilde, gewoon omdat ik van het boek af wil, het in druk wil mummificeren, zodat niet alles wat ik nu wil schrijven in de muil van het vorige verdwijnt" — die haar perfectionistische aard nog verder opschroeven. Ze probeert vanalles om haar faalangst te bedwingen. Ze wil elke avond "een smaak, een aanraking, een aanblik vastleggen uit de massa rotzooi van die dag". Ze leest de verhalen van Frank O’Connor, bestudeert hoe hij tewerk gaat en probeert dat te imiteren. Om de indolentie tegen te gaan neemt Plath zich voor deadlines in te wisselen voor een kwantitatieve meetlat, de vierbladzijdenmethode (1000 woorden per dag).

Tegelijk is haar luciditeit te groot voor zelfbedrog. Een van haar grootste frustraties is dat ze statisch, beeldrijk proza schrijft, zonder veel voortgang. Ze overdrijft de verkeerde dingen en veronachtzaamt de belangrijke punten. Plath ontmoet nochtans genoeg mensen die stof bieden voor verhalen. Ze houdt van mensen, noteert ze in haar dagboek, "zoals een postzegelverzamelaar van zijn verzameling houdt." Maar het lukt haar niet echte mensen op het toneel te laten verschijnen die hun eigen bestemming bepalen. Haar journaal staat vol aanzetjes en zielloze, zinledige beschrijvingen. De drukke stijl kan de banaliteit ervan niet maskeren.
Drie weken lang heb ik in het Belmont als serveerster in de Side Hall gewerkt en mensen leren kennen als mevrouw York en mevrouw Sanders, Ray de koffieman, de toastman, Marietta, het hoofd van de huishouding, meneer en mevrouw Kinsley, de huismeester en de cheffin van de kamermeisjes, Oscar de vogelachtige, minuscule en geestige bandleider, en Guy, en Ray en Ordinaire Charlie; August, de knappe kapper met zijn zijden hemd, die nu al zes jaar lang tegen alle regels in rookt, de mooie, perfect gebouwde, kleine Betsy Buck, mijn donkerharige, pittige kamergenote Polly, de scherpe, intelligente, materialistische Gloria, met droge humor en zonder scrupules, de geniale, bruisende medische student Ray Wuunderlich van Columbia met zijn geheugengrammen, de rustige, serieuze rechtenstudent Art Kramer met zijn baan van $100 per week als nachtwakr bij de miljonairsvilla van de Blossoms, de knappe, praatzieke Italiaanse Gappy, Clark Williams, de rechtenstudent van Harvard met zijn stoïcijnse gezicht en de kaarsrechte rug, die hulpkelner was, de knappe Lloyd Fishr uit de Bronx, die medicijnen in Dartmouth studeerde en je het een en ander over de bijen en de bloemen kon vertellen, Dave, de merkwaardige, dikke vleeskok met zijn rode gezicht, Ghris, de tweede kok met zijn twinkelende oogjes, mevrouw Johnson, de lange, bitse vrouw van de Ierse hoofdkok met haar zware, zure Ierse accent en opvliegende karakter — en zo zou ik door kunnen gaan. En verder het strand, de zon, Dick en de late afspraakjes, en de hitte en de zwarte uniformen — en de uiteindelijke, catastrofale voorhoofdsholteontsteking.
Ook over het werken aan gedichten rapporteert Plath uitvoerig in het dagboek. Ook hier het gependel tussen zelfvergroting en zelfverkleining. In een arrogante bui denkt ze dat ze regels heeft geschreven die haar tot De Dichteres van Amerika maken ("zoals Ted De Dichter van Engeland en Het Gemenebest zal worden"). Ze ziet zichzelf al in het rijtje van gecanoniseerde groten als Sappho, Elizabeth Barrett Browning, Christina Rossetti, Amy Lowell, Emily Dickinson en Edna St. Vincent Millay, en van belangrijke contemporaine schrijfsters als Edith Sitwell, Marianne Moore, Anne Sexton, May Swenson, Isabella Gardner en Adrienne Rich. Juist: allemaal vrouwen. Het seksebesef zit er diep in bij Plath. Schrijfsters spelen in een aparte liga, en vóór alles moet eerst daar tot de top doorgestoten worden. Als dat niet dreigt te lukken, vervalt Plath in Marie Bashkirtseff-achtige wanhoop en jaloezie.



Veranderen, verschuiven, vloeien, smelten
Plath en Hughes wonen van juli 1957 tot oktober 1959 in de Verenigde Staten, waar Plath les geeft aan Smith College. Het valt haar moeilijk vrede te nemen met het passief uitleggen van de grote meesterwerken. Bovendien slorpt het de tijd en energie op die ze nodig heeft voor haar creatieve werk. Daarbij, grote literatuur laat zich niet verklaren. In dezelfde periode volgt ze poëzielessen bij Robert Lowell, die grote impact op haar hebben.

In 1958 en 1959 gaat ze in psychoanalyse bij Ruth Beuscher, de psychiater die in The bell jar aan haar bed zal staan bij het toedienen van elektrische schokken. Ze krijgt van de arts vrije baan om haar moeder en haar onmogelijke ideaalbeelden te haten, wat ze dan met overgave doet in het dagboek. Deze passages, die de hedendaagse lezer verkrampt voorkomen en zeker ook het onvermogen van alle psychoanalytische acribie blootleggen, behoren tot degene die Hughes schoorvoetend heeft vrijgegeven.

Wanneer Sylvia zwanger is, verhuist het echtpaar terug naar het Verenigd Koninkrijk, naar een plaatsje in Devon. In 1960 komt haar eerste dichtbundel uit, The colossus. In februari 1961 krijgt ze een miskraam. Door echtelijke ruzie, vooral naar aanleiding van Hughes' affaire met dichteres Assia Wevill, gaan Ted en Sylvia uit elkaar. Plath keert met haar kinderen (en met zelfdestructieve gevoelens) terug naar Londen. Ze huurt een woning in een appartementencomplex waar ook William Butler Yeats ooit woonde.

The bell jar verschijnt op in januari 1963 bij Heinemann onder het pseudoniem Victoria Lucas. Een paar weken later, op 11 februari 1963, pleegt Sylvia Plath zelfmoord in haar Londense woning. Ze verstikt zichzelf met het gas van haar oven (Wevill, die door Hughes zwanger is gemaakt, zal zich op vergelijkbare wijze het leven ontnemen in 1969). In de laatste maanden heeft Plath haar beste gedichten geschreven, die mee worden opgenomen in de postume bundel Ariel. Dat boek, en haar tot de verbeelding sprekende relatie met Hughes (die de fans van beide auteurs in twee kampen verdeelt), zullen haar naam postuum vestigen. De mooie, gekwelde schrijfster wordt zo'n beetje de Marilyn Monroe der dichteressen. Over Monroe heeft Plath overigens gedroomd, blijkens een dagboeknotitie.
Gisteravond verscheen Marilyn Monroe me in een droom als een soort feeachtige peettante. Een gelegenheid om met publiek te praten, zoals vermoedelijk ook de toestand met Eliot zal worden. Bijna in tranen vertelde ik haar hoeveel zij en Arthur Miller voor ons betekenen, hoewel ze ons natuurlijk helemaal niet konden kennen. Ze gaf me een professionele manicure. Ik had mijn haar niet gewassen en vroeg haar naar een kapper, vertelde haar dat mijn haar, waar ik ook ging, altijd verschrikkelijk werd geknipt. Ze nodigde me uit haar in de kerstvakantie te komen bezoeken en beloofde me een nieuw, bloeiend leven.
In het licht van die twee kapitale gebeurtenissen, The bell jar en de suïcide, eindigen De dagboeken 1950-1962 overigens zeer teleurstellend. In het aanhangsel over het jaar 1962 (Plath hield verschillende notitieboekjes bij met een zekere overlap, en eentje kon voor Hughes kennelijk toch door de beugel) komt die periode naar voren als stabiel, waarin Plath grossiert in roddelgrage aantekeningen op keuveltoon. Van het werk aan een roman wordt echter niet gerept. We kunnen alleen gissen naar de teneur van de notities in het dagboek dat Hughes heeft achtergehouden en in het journaal dat is zoekgeraakt. Maar, omdat geen van deze schriftjes voor publicatie bestemd waren, is het eigenlijk onkies om meer inzage te verlangen.

Hoe dan ook blijft het beeld hangen van een scherp, rusteloos, al te snel opgebruikt leven. Het is me niet duidelijk of ik Plath moet zien als een talentrijke vrouw die à la Virginia Woolf gekooid werd door de mores van haar tijd, dan wel als een vrouw à la Elizabeth Wurtzel tegenwoordig, behept met een aanleg voor depressie en een tragische intelligentie die alles kapotrelativeert. Ik neig persoonlijk naar het laatste, iets genetisch. Zoon Nicholas Hughes pleegde in 2009 ook zelfmoord. Ergens in het dagboek van zijn moeder greep de volgende passage me naar de keel:
Bij mij is het heden voor altijd, en het altijd blijft veranderen, verschuiven, vloeien, smelten. Deze seconde is het leven. En als hij voorbij is, is hij dood. maar je kunt niet elke seconde opnieuw beginnen. Je moet oordelen aan de hand van wat dood is. Het is net drijfzand… van het begin af aan uitzichtloos. Een verhaal, een plaatje kan de ervaring een beetje terugbrengen, maar niet genoeg, niet genoeg. Niets is echt behalve het heden, en ik kan nu al voelen hoe het gewicht van de eeuwen me smoort. Honderd jaar geleden moet er een meisje geweest zijn dat leefde zoals ik. En ze is dood. Ik ben het heden, maar ik weet dat ook ik voorbij zal gaan. Het grote moment, de brandende flits komt en verdwijnt, eeuwig drijfzand. En ik wil niet doodgaan.
(Gebaseerd op notities van 8 december 2005.)

Sylvia Plath, De dagboeken 1950-1962
442 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005
Vertaald door Nelleke van Maaren
Oorspr. The unabridged journals of Sylvia Plath 1950-1962 (2000)
Privé-domein nr. 255

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails