Daar is het gat van de deur - Gerrit Komrij
We schrijven begin jaren zeventig. Gerrit Komrij signaleert in Daar is het gat van de deur de problemen waar beroepsbesprekers mee te maken krijgen, bij het recenseren van nieuwe boeken van eigen bodem. Terwijl Nederlandse romans "grosso modo niet meer zijn dan een tweepits-puinhoop (op één pit suddert Karl Marx bien cuit, op de andere een bouillon van huiskamerrequisieten)" houdt de letterkundige kritiek uitverkoop: de superlatieven vliegen je om de oren.
En terwijl veertig jaar later de boekenproductie allang niet meer rood kleurt, blijft de overschatting van de middelmaat wel degelijk een probleem van alle tijden. Neem recent de onbegrijpelijke Gouden Uil voor 's Nachts komen de vossen.
Gerrit Komrij wierp zich als jonge dertiger al op om het Nederlandse lezerspubliek te bevrijden van de terreur van de doorsnee. Hij deed dat in virtuoos geschreven recensies, met bakken humor. Gelijk had-ie: als je dan toch iemand met je mening wil lastigvallen, kan je dat maar beter hoffelijk doen; humor is altijd hoffelijk.
In de laatste roman van Bernlef, Sneeuw, komen, hoewel hij enkele aardige en zelfs een aangrijpende scène bevat, drie kleinigheden voor die me niet bevallen: het verhaal, de stijl en de zogenaamd onderliggende gedachtengang.De beschouwing over Het jaar van de kreeft daargelaten, valt op dat Komrij in Daar is het gat van de deur geen enkele moeite doet om een roman naar behoren samen te vatten. Hij scharrelt een paar citaten bijelkaar, duwt ze snel en met kleine tikjes voor zich uit — een goede dribbelaar laat de bal het werk doen — en drijft er de karakteristieken van het boek mee op de spits.
Misschien is dat inderdaad de beste truc om een recensie leesbaar te houden, jaren na dato. Overdrijving. (Wat meteen het ergste doet vermoeden voor de plichtsbewuste boedelbeschrijvingen die mijn recensies zijn. Enfin, geeft niets, omdat ik met dit weblog vooral mijn eigen naslagwerk aan het schrijven ben.)
De echte, goeie kritikus (ik denk hierbij dus vooral aan mezelf) is een zure, slecht in het pak zittende tobber, die door tijdgenoot en nageslacht gelijkelijk verguisd wordt. Des morgens drinkt hij eerst een beker azijn; des middags nuttigt hij een licht déjeuner van zuring en karnemelk; en des avonds leest hij zijn verfoeilijke boekjes of kijkt hij naar minderwaardige tv-programma’s; des nachts ten slotte, na een soupeetje van duivelskervel en smeerwortel, zet hij zijn geniale gedachten zwierig op papier. De enigen met wie hij een warm, menselijk kontakt onderhoudt zijn de fiscus en de drukker.Spot is één manier voor Komrij om zelf lol te beleven aan het recenseren van romans zonder kraak of smaak. Een andere manier is om twee tegengestelde oordelen over een boek te vellen — een praktijk waaraan Komrij laatst nog in zijn prachtige Claus-lezing refereerde. Een derde is kop of munt de teneur van de bespreking te laten bepalen.
Zo is het en het zal nooit anders worden. De kritikus rolt zich als een goddelijk varken in afzichtelijk proza, en kwijlt bij iedere misgeboorte. Het grote miskent hij, en de zwakkelingen trapt hij terug in de vergetelheid. O zeker, hij gaat zelfs naar béd met slechte boeken!
In een ‘bespreking’ van een boek van Hugo Claus begon ik aarzelend met het geven van twee meningen, waaruit de lezer kon kiezen. In een latere fase, in een ‘bespreking’ van een boek van Heere Heeresma, gaf ik toe dat ik mijn mening liet afhangen van het opgooien van een muntstuk. Maar het hoogtepunt bereikte ik in een ‘bespreking’ van een boek van Dirk Ayelt Kooiman, geheel bestaande uit aan boekhandel-folders ontleende uitgeverskreten, een ‘bespreking’ die zowel goed als slecht was, in één en dezelfde tekst.Daar is het gat van de deur is trouwens niet alleen maar kommer en kwel. De vroege verhalen van Biesheuvel worden terecht geprezen, en afgetoetst aan enkele stijlkenmerken van de romantiek. Een boek van Jan Hanlo wordt gelinkt aan de strapatsen van Oscar Wilde, door Gide beschreven in Niet als de anderen. Waardering valt een paar outsiders uit de Nederlandse letteren ten deel.
Over Jan Arends:
De verhalenbundel Keefman is alweer enige tijd geleden verschenen, maar er is, zoals dat vaak gaat wanneer een goed boek in de grijze plomp van onze inktproduktie valt, nauwelijks serieus aandacht aan geschonken. Het boek zakt weg, en de plomp sluit zich.Over Ethel Portnoy:
Wie de rapporten in golfplatenproza van de geneeskundige stand vergelijkt met de klinische, overzichtelijke taal die in dit boek gebruikt wordt, een boek met haast uitsluitend verhalen over mensen die, aan de onderliggende kant, bij de psychiatrische wereld betrokken zijn, van enthousiaste gekken tot zenuwachtige malloten, die zich — uiteraard — allemaal slachtoffers voelen van de tegen hen samenzwerende buitenwereld, krijgt de indruk dat de rollen best eens omgekeerd konden worden, dat iedereen iedereen kan ‘genezen’, aangezien er niets te genezen valt.
[D]e vertekening van extatische en hysterische relaties tussen mensen of groepen van mensen ontnuchtert ze, en traditionele, simplistische opvattingen die we huldigen over revolutie, discriminatie, idealen en vooruitgang laat ze uit elkaar spatten als luchtbellen in ons achterhoofd.Maar het leukst blijven natuurlijk de afrekeningen. Als je alle stukken bijelkaar optelt is goed uit te maken waar Komrij een hekel aan heeft. Romans met een magere inhoud, die uit werkelijk niet meer bestaat dan de flaptekst. Personages die met elkaar dialogeren zoals nergens ter wereld gesproken wordt. Diepburgerlijke helden. Schrijvers die zich bezondigen aan wanstaltige beeldspraak of juist een tijdloze stijl hanteren (en alle treinen "zuchtend" tot stilstand laten komen). Voorts auteurs die lijden aan verbeteringszucht, zelfoverschatting, quasi-eruditie, en scribenten die bij gebrek aan ideeën dat ene ideetje sufinterpreteren.
Daar is het gat in de deur bevat trouwens ook algemenere beschouwingen. Over Jugendstil, watertorens ("De watertoren was, in zijn eenzaamheid, iets als een gedecentraliseerde kerktoren, en als zodanig dus tegelijk duivels én heilig"), uitvaartrituelen, en de kritische paranoïa (het aantonen van verbanden waar er absoluut geen zijn) van Salvador Dalí.
Afsluiten doet de bundel met de essays waarvan Komrij zijn vertalingen voorzag: over Superman van Alfred Jarry, Pausin Johanna van Emmanuel Rhoidis, Poggio Bracciolini's Groot grollenboek, De zonderlinge avonturen van Primus Prikkebeen van Rodolphe Töpffer en — het beste essay — over De profundis van Oscar Wilde.
Wat me zeker bij zal blijven is Komrij's oplossing voor het klassieke vraagstuk, of je als lezer mag speuren naar gelijkenissen tussen schepping en schrijver. Als je die aandrang voelt opkomen, zegt Komrij, is het eigenlijk al te laat.
Van Altena is nergens zijn stof meester [in Een tussen twee], want bij goede romans komen zulke overwegingen niet in je op, overwegingen over congruentie-ja of congruentie-nee tussen hoofdpersoon en auteur. Bij een boek als dit stormt weer de kwellende vraag op je af, een vraag die je niet mag stellen, omdat die een van de stutbalken van de literatuur doorzaagt, als hij beantwoord zou kunnen worden — de vraag: is een slechte roman óók een roman? Of eerder iets heel anders, iets van dezelfde orde als een plastic Delftse tegel, een Apollo uit boetseerklei of een fles Chianti van de Hema? Of toch een roman?Opgeruimd staat netjes. Elk boek van Komrij sla je tevreden dicht. Dezelfde tevredenheid waarmee je met Nieuwjaar de vuilnisophaler een dikke fooi geeft voor bewezen diensten.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Gerrit Komrij, Daar is het gat van de deur : kritieken en essays
244 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1974

2 reactie(s):
"De enigen met wie hij een warm, menselijk kontakt onderhoud zijn de fiscus en de drukker."
OnderhoudT, ijdeltuit.
Ah, half september en de eerste schoolmeester dient zich alweer aan.
Een reactie plaatsen