dinsdag 9 maart 2010

Zestig jaar in de beschaving - Wim Zaal

Wie zei ook alweer: een mens die sterft is een museum dat afbrandt? Fotocriticus Hans Aarsman is er erg voor te vinden dat gewone mensen hun gewone spulletjes op de gevoelige plaat vastleggen: die tijdscapsules zullen ooit waardevoller blijken dan de halfbakken esthetische probeersels van amateurs. In de eerste helft van zijn memoires doet Wim Zaal iets gelijkaardigs, met de pen. Hij schuwt het banale niet, vermeldt merken met naam en toenaam, en brengt zo het verleden heel dichtbij.

Van zijn negende af maakte journalist en essayist Wim Zaal (1935) persoonlijke notities. Toen hij die teksten nakeek, al een eind in de zestig geworden, bleek het documentaire gedeelte merkelijk beter tegen de tijd bestand dan zijn gevoelsuitstortingen. Interessant genoeg zelfs voor een boek.

Zestig jaar in de beschaving valt uiteen in twee helften. Waar ik vroeger vooral de tweede helft, met conventionele herinneringen aan schrijvers en boeken, interessant zou hebben gevonden, was er nu spijt omdat Zaal de lijn van het eerste deel niet doortrekt. Daarin maakt hij de jaren veertig en vijftig aanschouwelijk door contemporaine producten op te sommen, te vermelden wat marktkramers te koop aanboden, wat mensen eten en dronken, welke winkels er waren, en welke mogelijkheden tot vermaak. (Een zakenregister naast het personenregister had niet misstaan in het boek.) Maar vanaf de jaren zestig lijkt Zaal volledig te worden opgeslorpt door zijn werk.

Een vief geschrift bleef het wel, over de hele lijn. Zaal schrijft goed en gunt zichzelf per onderwerp niet meer dan een bladzijde of vier, vijf. Dat brengt vaart in een leven dat weinig spectaculaire gebeurtenissen kende. Ineens wordt het jammer dat niet meer 'gewone' mensen bij wijze van eindproef de relevante aspecten uit hun leven neerschrijven.

Ook de Tweede Wereldoorlog, die voor minder onthechte auteurs vlug het decor zou zijn van een topzware jeugd, krijgt van Zaal hooguit twintig pagina's, waarin enkele details voor zich kunnen spreken. De kartonnen reclameborden van allang verdwenen merken, in het straatbeeld, is zo'n detail. De lijken die niet begraven werden in de hongerwinter van 1944, een ander. In die dagen scharrelde iedereen naar eten, de grond was bevroren, en de lichamelijk verzwakte grafdelvers hadden de fut niet meer om een gat te graven.

Bij het naderen van de winter vielen, op het water na, de voorzieningen uit. Afgelopen met gas, post, electriciteit, daarmee ook telefoon, straatverlichting en openbaar vervoer. De bioscopen sloten, de tandarts haalde zijn trapboor van zolder en wij zaten ’s avonds bij het schijnsel van een oliepitje, bijna te zwak om de Menangkauwers te kunnen onderscheiden. Vervolgens ging het mis met de riolering. Nu het wc-papier op was, gebruikte men oude tijdschriften en boeken, waarvan het harde papier proppen vormde en verstoppingen teweegbracht. Doordat de auto van de putjesschepper niet meer reed nam het probleem steeds toe: de onafgebroken neerslag van november welde uit de putten bruinachtig water dat kort voor kerstmis, toen de vorst inviel, veranderde in een vlakte van vergiftigd ijs.
Heel de oorlog door klampte men zich aan wensdromen vast, schrijft Zaal, en het officiële nieuws was een fantasieproduct als een ander. Toen het bericht kwam dat Hitler was gevallen, was dat minder interessant dan nieuws over de voedselleverantie.

De algemene sfeer was er een van angst, omdat de in Nederland gestationeerde troepen tweede keus waren. De echte venten stonden aan het front, de Duitse huisvaders in Nederland lieten hun gezag tirannieker gelden; in deze uithoek van de oorlog viel er immers geen bijstand te verwachten uit Berlijn.

De oorlogservaringen maakten Zaal, wiens afwezige vader in die jaren in New York en op de Antillen werkte, hard en veerkrachtig. Eten, een dak boven je hoofd en binnenhuiswarmte zijn alles wat een mens nodig heeft.

In de vroege jaren vijftig belandt Zaal bij de jezuïeten, een school als een "stadsstaat" die naast lessen de leerlingen opzadelt met sportverplichtingen, een koor, een orkest, toneelvoorstellingen. Zaal spijbelt veel. Hij zwerft door Amsterdam, kijkt goed rond, en maakt aantekeningen.

De oorlog heeft veel veranderd. De communisten lopen over naar de gematigde PvdA. De clerus vervreemdt zich meer en meer van de echte wereld en graaft haar eigen graf. Ook Zaal keert zich langzaam af van het geloof, trekt naar Engeland, naar Italië, ziet een stukje van de wereld. De afstand tussen burgerzoons, zoals hij, en "asfaltjeugd" is voorlopig onoverbrugbaar, maar voor de rest is de sociale cohesie groot: "Het publiek was nog niet gefragmenteerd, men sprak nooit over doelgroepen, segmenten of niches, elk aanbod gold voor het hele gezin."

In 1960 komt Zaal als vertaler terecht bij Elseviers Weekblad, waar hij zal blijven. De stiel van journalist — kritisch kijken en puntig schrijven — had hij tevoren geleerd bij het familieblad Revue, waar hij in 1957 kon aantreden.
John Bakkenhoven, aanvoerder van de vijfkoppige redactie [van Revue, AvdB], zette boeiende artikelenseries op touw en was bovendien een ideale begeleider: hij nam mijn teksten met mij door en vertelde geduldig wat goed en verkeerd was, hoe ik mijn zinnen anders kon opbouwen, voor afwisseling diende te zorgen, woorden moest kiezen… Eén voorbeeldje uit de vele. Allengs, gaandeweg, van lieverlede, zoetjesaan, langzamerhand, mettertijd of stapsgewijs betekenen vrijwel hetzelfde, maar bij het schrijven moet je ze allemaal paraat hebben om de juiste keuze te maken naar lengte, klank of ritme. Zo zijn er duizend dingen te leren, waarvan John me een groot deel aan het verstand heeft gebracht. Hij liet me ook een fotorubriek verzorgen met bijschriften in voorgetekende tekstblokjes, vijftien regels van 38 letters of zo, wat een onovertroffen cursus in taaltucht was. En nog, als ik voor één ding allergisch ben is het gezwatel, gemors met woorden, freewheelend geschrijf, de weg van de minste weerstand. De bekende zin van Jean Cocteau, ‘u zult een lange brief voor lief moeten nemen omdat ik geen tijd heb voor een korte’, zet de waarheid in ’t licht.
Zaal vindt in die tijd onderdak voor zijn vage literaire ambities. Elke zichzelf respecterende stad kent een literair jongerentijdschrift, en voor Amsterdam was dat Spiraal. Schrijvers warmen er zich aan elkaars gezelschap. Dat moet: de vroege jaren zestig laten een aarzelende ommekeer zien in het literaire klimaat. De heerschappij van de Vijftigers is voorbij en er ontstaat opnieuw een behoefte aan verstaanbaarheid.

Vanuit de coulissen, want in het bezit van baan en bankrekening, staat Zaal te kijken naar de richtingloze honger naar opstand tegen het fatsoen die de tijdsgeest kenmerkt. Zelf verkeert hij ook in de kringen van bohémienkunstenaars — Flip van der Burgt, Martin van Veen, Jos Viëster en graphicus Herman Stammeshuis. Oproerkraaiers van allerlei slag amuseren Zaal, en tot op vandaag mag hij graag de dichters van weleer lezen.
Wat zij afzonderlijk zeiden was onzin, maar gezamenlijk riepen zij een visioen op, dat de welvaart van Bruynzeelkeukens, elektrische roomkloppers en roze toiletpapier degradeerde tot een vaal gepeuter.
Het katholieke referentiekader van zijn jeugd is dan al niet langer relevant. Het Vaticaans Concilie van de jaren zestig, dat het katholicisme in overeenstemming wilde brengen met de tijd, faalt. Terwijl de Romeinse conservatieven van geen wijken willen weten, breken de Nederlandse progressieven met veel tradities, zodat in de praktijk een verwaterd geloof à la carte overblijft. Ook zingeving is een product op de vrije markt geworden.

De linkse beweging, aanvankelijk een relaxt zootje ongeregeld, politiseert, en laat rond 1965 een verharding zien van haar standpunten rond Vietnam, de Culturele Revolutie in China en de wapenwedloop. Jammer dat het nabije, doch benarde Oost-Duitsland niet meteen een inspirerend voorbeeld is.
Wat je ver haalde, daarentegen, was lekker. Kameraad Castro op Cuba, de guerillastrijder Ernesto Che Guevara, voorzitter Mao in China, Ho Chi-minh in Vietnam, de massamoordenaar Pol Pot in Cambodja en potentaten die Angola of Noord-Korea naar de bliksem hielpen, die boden het reddende alternatief voor het afgepeigerde ‘laatkapitalisme’.
Zo dacht natuurlijk niet iedereen. Studenten overwegend wel, hun ouders allerminst. In de jaren zestig kwamen de generaties fel tegenover elkaar te staan. Tevoren had het aanbod van muziek, televisie, tijdschriften, manifestaties, kleding en zelfs religie zich grotendeels tot iedereen gericht, het was gevarieerd maar burgerlijk, traditiebewust, gematigd, middle of the road en blank. Nu veranderde dat en kwam de jeugdcultuur op: beat en pop contra de Kilima’s, Carnaby Street contra couture, stripboek contra trilogie, een stickie contra soep uit een zakje, lange manen contra het frictionnetje, oosterse goeroes contra de zondagspreek, ban-de-bom contra de Koude Oorlog, seksuele vrijheid contra de band voor het leven, engagement contra onpartijdigheid, generatiegevoel contra gezinsverband, proletarisch contra bourgeois, progressief contra gematigd, anti-autoritair contra gezagstrouw, internationaal contra eigen… je kunt ook zeggen ná de oorlog geboren contra vooroorlogs. En voeg eraan toe: manipuleerbaar contra standvastig, onverzoenlijk contra tolerant.
Het particuliere dichtbundeltje voor vrienden daargelaten, zal Zaal zich vooral als intermediair manifesteren in het literaire veld. Het woord 'Ateur' op de flap lijkt in deze een pijnlijke Fehlleistung. Zaal schrijft Italiaanse reisverhalen, een heiligenkalender, een naslagwerk over plagiaat, een boek rond het tijdschrift van de 'omstreden Mussolini-vereerder' Wouter Lutkie, een reportage over de negentiende eeuw in de Lage Landen en, last but not least, herinneringen aan schrijvers. Zaal heeft ze in alle soorten en maten meegemaakt, en vaak als de grote vertrooster moeten optreden.
Wat er in de literatuur niet allemaal rondliep! Hartveroverende schrijvers van snertboeken, draaikonten met groot talent, tere dichters plomp als tanks, mussen met een pauwenstaart, zwoegers volgens rooster, twijfelende tobbers, kruidjes-roer-me-niet… en even bontgeschakeerd was hun werk: wazige romans die opgang maakten, juweeltjes waar niemand naar omkeek, delicatessen voor een paar smikkelaars, met een bezemsteel geschreven leesvoer, bekroonde krullendraaierij, verhalen zonder één geloofwaardig personage en geloofwaardige personages zonder enig verhaal. Plus alles daartussen, in elke combinatie.
Zestig jaar in de beschaving bevat aardige anekdotes over Frans Pointl (‘1960’), Jan Cremer ('Magisch Amsterdam'), Marcel van Maele ('Vlaanderen'), Neel Doff ('Grote gevolgen'), Marnix Gijsen ('Niets dan goeds'), Jac. van Hattum ('Niets dan goeds'), illustrator Eppo Doeve ('Het Supplement'), Gerrit Komrij ('Het Supplement'), V.S. Naipaul ('V.S. Naipaul') en W.F. Hermans ('W.F. Hermans').

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Wim Zaal, Zestig jaar in de beschaving
175 p.
Uitgeverij Aspekt, 2002

____

1 reactie(s):

ijsbrand zei

Mooi hoe de achtergrond van de lezer het lezen kleurt. Ik heb waarschijnlijk te veel gelezen over Nederland in de jaren twintig tot en met vijftig -- daar kan niemand me meer over verrassen. Tegelijk kan me dat dus ook blind maken voor wat een auteur daar voor bijzonders over te melden heeft.

Related Posts with Thumbnails