Vuile was - Koenraad Goudeseune
Er wordt geen literatuur geschreven in het West-Vlaams. Wil ik iets lezen in de taal die ik elke dag gebruik en me het meeste dierbaar is, dan moet ik mijn hoop stellen op auteurs die een soort hybride Nederlands schrijven — standaardtaal opgetuigd met regionale woordenschat — en daarmee gepubliceerd raken bij een Hollands uitgevershuis dat die combinatie wel schattig vindt. Claus lukte dat, en later Leo Pleysier. Beter aansluitend bij mijn eigen generatie: Koenraad Goudeseune.
Lang voor De helaasheid der dingen verscheen van hem het bijna even mooie Vuile was. Het is dan ook niet meer dan begrijpelijk dat Koenraad Goudeseune in de brievenverzameling Het boek is beter dan de vrouw gepikeerd reageert op het succes van zijn vroegere buddy Dimitri Verhulst ("Het Waalse orakel"), terwijl zijn eigen prozadebuut reeds lang vergeten is. Later in het boek toont hij zich groots, wanneer hij De helaasheid zelf gelezen heeft, en zijn bewondering daarover uitspreekt.
De parallellen met Vuile was zijn frappant. Goudeseunes boek, zeven verhalen die samen een soort geromantiseerde jeugdmemoires vormen, speelt dan wel in Zuid-West-Vlaanderen, maar het tijdsvak (1965-1988) is min of meer gelijklopend, en de gretigheid waarmee de ontluistering van zijn leefomgeving — een milieu van arbeiders en kleine middenstand vol vrolijk interveniërende nonkels en tantes — lyrisch wordt opgeschroefd, is dezelfde als van Verhulst. Vandaar die titel trouwens. Van: 'de vuile was buitenhangen'.
Beide boeken eindigen ook identiek. Verhulst vindt een uitgever, wordt schrijver, en ontrukt zich aan zijn miserabilistische familie. Goudeseune wint de tweede prijs in een poëziewedstrijd, waarna zijn moeder sterft: ook hij moet zijn jeugd als voltooid verleden tijd beschouwen.
Het vertelinstinct van Verhulst is wel groter dan dat van Goudeseune, die uiteindelijk toch een dichter bleek te zijn, en zich later alleen nog waagde aan proza op de korte baan — dagboekachtige brieven. Vuile was maakt een moeizame, langzaam bewerkte indruk, alsof de auteur vooral situaties zocht om zijn beeldend vermogen een alibi te geven. Over de tijd van uitputtende proza-experimenten zei hij in Het boek is beter dan de vrouw:
Er viel ontzettend veel te schrijven. Maar waar te beginnen? Van een heus begin was er nooit sprake. En toch moest je ergens beginnen. Ik kon onmogelijk op vele fronten tegelijk beginnen, zoals de werkelijkheid dat deed. Eén front kreeg noodgedwongen de voorkeur en daar begon de vertekening al.De hele opzet van Vuile was is behoorlijk cliché: een gevoelige puber ontdekt zijn literaire instinct, dat snel een wapen wordt om zich te handhaven in de ruwe wereld. Goudeseune koos als motto enige zinnen uit Het verlangen van Claus, waarvan vooral de laatste ons de verongelijkte toonaard opspelt waarin we het boek moeten lezen.
Weet je waarom hij geen koeien wil houden opDe jonge Goudeseune heeft — letterlijk — de boot gemist van zijn voorvaders, die naar Canada zijn geëmigreerd: "daar vertakte de familieboom zich in massieve stronken van een edeler houtsoort en er bestond geen twijfel over dat God zich schandelijk had vergist toen Hij mij hier, in West-Vlaanderen, in die dode platte uithoek van de wereld, het levenslicht had laten zien."
zijn ranch? Omdat hij als kind bij zijn ouders
koeien gezien heeft die zolang in de woestijn
moesten staan dat ze onder het stof zaten en dat
stof, door de zon en de regen, kweekte gras op
hun vel. Hij kon daar niet tegen als kind.
En dus zien we hem in een intellectueel achtergesteld West-Vlaanderen, terwijl hij seksueel tot ontluiking komt, op het college temidden van paters en hardhandige opvoeders, aan het werk in een bakkerij in Veurne, in confrontatie met het bezopen deel van de mensheid (opnieuw Verhulst!) en liefdesbrieven schrijvend aan de aanbedene "uit de Poezelstraat".
Natuurlijk is dat Zuid-Westen in de jaren tachtig Vlaams en katholiek. Vlaams: chocoladeletters van een taart in de vorm van 'Bonne année' roepen de woede op van het Taal Aktie Komitee. Katholiek: Kerk en Leven ligt op tafel, een pastoor maakt bezwaren tegen de muziek uit de juke-box en de jongen gebruikt de hoofdletter als hij over Mama vertelt, haar "een Lourdesgezicht" toeschrijvend als zij in een bui van lankmoedigheid verkeert.
Het staat in schril contrast met de werkelijkheid van alledag, waarin een bakkersknecht masturbeert in het brooddeeg, een konijn door belhamels wordt doodgeklopt, en gelaarsde boeren weiden bestrooien met witte vetkorrels. Destijds herinnerden dat aardse en wrede van Vuile was Herman de Coninck aan Reve's Werther Nieland. Wreedheid als "een averechts soort oefening in gevoeligheid".
Vernieuwend is het allemaal niet, maar Goudeseune schrijft het met smaak op, plukkend uit het jargon van zijn jeugd. Nederlanders zullen een vette kluif hebben aan dit boek: een menage hebben, pintelieren, ampoulekes, noenetukje, contrarie zijn, ge hebt er geen gedacht van, tegen mijn hand vliegen, haar pensioen afdragen, naar de koer kunnen gaan, galetten, miliciens, begraving, niet van z’n pierlowiet kunnen blijven, schortblauw, kloekte kweken, kobbejager, netenkam, trunte, in kennis zijn, een schoon rapport... Dit is ook mijn taal en ik kon er niet ongevoelig onder blijven.
Maar goed, dat ver doorgevoerde naturalisme kan bij een auteur geboren in 1965, en opgegroeid met Jeroen Brouwers en andere Hollandse groten, alleen maar een bewuste keuze zijn, en daarom niet zonder humor. Recensenten die zich storen aan het zelfvergrotende van Vuile was zien dat over het hoofd. Het pleit overigens voor Goudeseune dat hij in zijn boek niet alleen zijn omgeving, maar ook zijn eigen literaire praatjes door de mangel haalt.
En de manier waarop hij de finale van zijn verhaal aanpakt, is beslist knap.
(Gebaseerd op notities van 9 maart 2003.)
Koenraad Goudeseune, Vuile was
136 p.
Uitgeverij Atlas, 1993
____

0 reactie(s):
Een reactie plaatsen