dinsdag 23 maart 2010

To have and to hold - Philipp Blom

Philipp Blom is bij ons bekend van De duizelingwekkende jaren, een boek over het Europa van net voor de Eerste Wereldoorlog. Nog niet vertaald is zijn aardige cultuurgeschiedenis van het verzamelen. Al is 'cultuurgeschiedenis' te veel eer voor een boek dat meer een portrettengalerij is dan een grondige synthese. Nu accordeert dat nevengeschikte karakter wel met het onderwerp. Immers, welke stijlfiguur past beter bij de verzamelaar dan de opsomming?

To have and to hold ontstond uit een bijdrage voor de Süddeutsche Zeitung. Aangemoedigd door onder andere Geert Mak breidde Philipp Blom zijn krantenstuk uit tot een boek.

Bloms fascinatie voor verzamelaars is goeddeels autobiografisch. In het inleidende hoofdstuk ‘Three old men’ spreekt hij over de mensen uit zijn kennissenkring die hem deden nadenken over de rol van verzamelen in iemands leven. Zijn overgrootvader was zo'n figuur. Willem Eldert Blom werkte zich via avondstudie op van timmermanshulpje tot een allround intellectueel die bij zijn dood een doctoraat Russisch op zak had, zeventien talen sprak en kon terugkijken op een zeer veelzijdig beroepsleven. De man liet een bibliotheek na met dertigduizend banden. Boekenkennis had hem, zoals zoveel verzamelaars, toegelaten de grenzen van tijd, ruimte, afkomst en opvoeding te overstijgen.

De verzameling als rariteitenkabinet
Philipp Blom begint ermee, in wat meteen zijn boeiendste bladzijden zijn, de oorsprong van het moderne verzamelen te situeren in het zestiende-eeuwse Italië. Dat land bruiste toen van de intellectuele activiteit, en het verschil met vroeger was dat de drijvende krachten geleerden en liefhebbers waren, geen priesters of oude filosofen. Men ging inzien dat wijsheid evengoed, of misschien zelfs beter, op de marktplaats te vinden was, als in de bibliotheek. Het aardse, het materiële mocht eindelijk de studiekamer binnen, en dat opende de deur voor het verzamelen als zelfstandige activiteit.

Voorheen, in de middeleeuwen, bleef verzamelen voorbehouden voor koningen, keizers en kerkvaders. Zij gaarden relieken en andere kostbare objecten bijeen. Uit die middeleeuwse schatkamers ontstond vanaf de veertiende eeuw langzaam een particuliere variant, de studiolo. Het verzamelen van kunst en kostbaarheden begon een tijdverdrijf te worden, en kon zelfs ontaarden in een allesverterende passie. Privacy, dat onlosmakelijk verbonden was met het idee van zelfstudie, onderscheidde deze particuliere collecties van de meer openbare verzamelingen van hoge lieden.

Wat deze veertiende-eeuwsers en vijftiende-eeuwers verzamelden werd wel nog altijd beschouwd als een getrouwe afspiegeling van de natuur, van de wereld buiten het verzamelcabinet. De echte wereld bleef het primaat. Verzamelen had nog niets te maken met de jacht op zeldzaamheden en curiositeiten die een hoge vlucht zou nemen in de zestiende en zeventiende eeuw.

In de zestiende en de zeventiende eeuw veranderde de mentaliteit. De wereld bleek veel groter dan gedacht. Nieuwe continenten werden ontdekt en bereisd, de macrokosmos werd in kaart gebracht via de telescoop, de microkosmos via de microscoop. Europa stapte uit de schaduw van de oudheid. Men besefte dat de antieken veel over het hoofd hadden gezien. Met het prille ontluiken van een wetenschappelijke attitude in de Renaissance besefte de geleerde dat hij zijn behaaglijke salon uitmoest, de dingen voor zichzelf moest zien. Tegelijk kwam de wereld dichterbij. Vooral in de Nederlanden, wier handelsbetrekkingen liepen van de Baltische Zee tot de Indië, kwamen exotische spullen binnen, via de havens van Amsterdam en Rotterdam.

Why was it during the sixteenth century that Europe experienced its first explosion of collecting activity, indeed the first collecting activity not limited to a handful of people known since Roman times?
The answer, it seems, lies partly in this world and partly in the next. The worldly explanation is that the expansion of knowledge in the sixteenth century necessitated new responses, new approaches to new phenomena. Scholars across Europe explored the macrocosm through the telescope and the smallest things through the microscope. Technological innovations, such as the printing press, advances in ship building and navigation facilitated trade across the globe and brought more and cheaper wares to Europe. At home, a more sophisticated banking system smoothed the exchange of goods. With trading empires such as the Dutch and Venetian republics came unprecedented wealth, another crucial factor for a flourishing collecting nature. In order to take objects out of circulation or to devote oneself to finding useless things, one has to be able to afford the time and resources to do so.
In een meer geseculariseerde wereld werden mensen zich ook bewuster van hun eigen sterfelijkheid. Als de dood het einde betekende, een onherroepelijk verlies van het leven, en niet een onderdeel van de eindeloze cyclus van Gods schepping, dan was het normaal dat de focus verschoof richting materiële wereld, naar het hic et nunc. Zelfbewuste burgers gingen belang hechten aan materiële goederen. In de kunst kwam het genre van het portret en het stilleven tot bloei.
Together with these earthly revolutions [cf. supra, AvdB], though, another, less palpable, one was occuring, a change in the perception of death and the material world. Medieval Christians were forced to choose either to love the physical world and the pleasures in it and suffer eternal damnation, or to renounce it in favour of heaven — for little it profit a man if he gain the whole world but lose his own soul, as the gospel put it. From the perspective of the faithful, death was a transition, a moment of reckoning marked by public spectacle and common ritual. Even for those few able to afford it, accumulating objects without immediate use was acceptable only if they were in accordance with this conception of the world: relics and works of beauty, glorifying God. We do not know of any collections of plants, stones or animals during this time, though individual pieces with seemingly otherwordly properties such as ‘dragon bones’, usually fossils, often found their way into the treasuries of Church and nobility.
By the increasingly secular and capitalist 1500s attitudes to mortality and to worldly goods had changed. A heightened awareness of the impending end dominated poetry and art, as witnessed by the innumerable vanitas still lifes that were part of every wealthy home. In every one of them, the seductive beauty of the here and now is contrasted with its inherent decay. Every blossom was seen to contain the germ of putrefaction, and on every canvas the passage of time was counted down by hourglasses, skulls or burning candles among the sumptuous displays of fruit, precious objects or beautiful flowers.
Zo ontstonden het kunst- en later het rariteitenkabinet. Het woord 'kabinet' sloeg aanvankelijk op het opbergmeubel waarin deze voorwerpen verzameld werden. Mettertijd ging men de kamer waar de 'rariteiten' opgeslagen waren kabinet noemen, en tenslotte omvatte het woord kabinet de hele verzameling. De Kunstkammer bevatte schilderijen, kostbare munten, edelstenen en antiquiten. Toen deze verzameling niet meer volstond om de eindeloze mogelijkheden te weerspiegelen die de wereld bood, was er een verfijndere verzameling nodig: de Wunderkammer.

De kunst- en rariteitenkabinetten vonden vooral ingang in Nederland in de zeventiende eeuw. De plotse populariteit was vooral te verklaren door de inwijking van handelaars en intellectuelen uit de Zuidelijke Nederlanden na de val van Antwerpen in 1585, en, zoals gezegd, door het contact van Hollandse handelaren met exotische tropische oorden. Onder 'rariteiten' werden zeldzame voorwerpen verstaan die meestal waren ingevoerd vanuit de kolonies. Dat konden vreemde schelpen, exotische dieren en planten zijn. De 'kunstcollectie' omvatte vooral schilderijen, waarvan Nederland in zijn Gouden Eeuw een enorme productie had. Het calvinisme stond mensen niet toe om hun rijkdom uit te dragen in het straatbeeld, maar binnenskamers mocht het blijkbaar wel.

Toch moet Blom de Nederlandse grens over voor zijn meest fascinerende voorbeelden. Hij noemt de 'ark' van de Britse natuurvorser John Tradescant de Oude in 'An ark abducted' als een van de prototypes van het rariteitenkabinet. Blom maakt daarnaast melding van het Kunstschrank van Philipp Hainhofer. Dat was niet zomaar een kast met rariteiten maar een heuse "encyclopedie in objecten"; geen meubelstuk maar een "metafysisch manifest" in 3D, waarvan elk object zijn plaats had in Gods schema. Merk inderdaad op dat er in die dagen nog geen onderscheid werd gemaakt tussen ‘artificieel’ en ‘natuurlijk’.

Dan, in het hoofdstuk ‘A melancholy ailment’, wordt de Wunderkammer van het Praagse hof bezocht, waar Rudolf II tal van maniëristische kunstenaars (Von Aachen, Spranger, Archimboldo) en occulte geleerden (John Dee) rond zich verzamelde. Blom legt uit dat alchemie in de zestiende eeuw nog werd gezien als wetenschap op het scherp van de snee. Van alchemisten en magiërs werd verwacht dat ze het alfabet van het leven ontcijferden, een taak die qua prestige te vergelijken is met het DNA-onderzoek tegenwoordig.

In ‘The exquisite art of Dr Ruysch’ belicht Blom een ander soort verzameling waarmee later, in de zeventiende eeuw, getracht werd de geheimen van de goddelijke schepping te ontrafelen: de collectie menselijke lichamen die in het theatrum anatomicum werden opgesneden.
Anatomists and other daring to make the human body not only subject but also object of the collecting passion have staged some of the most dramatic productions in the theatre of memories. While collectors in Italy dramatized nature and art, and while Rudolf II acted out his own inclination towards melancholy as a cosmic drama, the men pictured in this group portrait and those who shared their passion went further than anybody else by putting on stage the last frontier of an increasingly secular world: mortality. By collecting and investigating parts of human bodies in the name of science they dropped, reluctantly at times, the last meditation between the human condition and the material world by focusing on the fact that bodies could themselves be objects, dead matter. Always in part a striving for eternity, for memory, and for transcending the death, collecting was put before the public here more naked than at any other time. Public dissections of criminals were seen as recognized form of entertainment and as a part of the sentence spoken over them, a posthumous punishment, part grizzly spectacle, part moral drama, part revelation, and were performed throughout Europe.
To have and to hold bespreekt het werk van de grote Nederlandse anatoom Frederik Ruysch. Ook zijn anatomische lessen waren niet in strijd met de leer van de calvinistische kerk: de dissectie van lijken van misdadigers en armelui werd gezien als een morele les.

De verzameling als studieobject
Waarna Blom stilaan toewerkt naar een nieuwe belangrijke evolutie: de versmelting van de particuliere kunst van het verzamelen enerzijds en de meer systematische wetenschapsbeoefening anderzijds. Uit dat samengaan zou namelijk een nieuw instituut ontstaan dat we vandaag nog steeds kennen: het museum. ‘The curious old gentleman’ portretteert Hans Sloane, die met zijn verzameling manuscripten, tekeningen, prenten, drukwerk, munten, antiquiteiten, (edel)stenen en wiskundige instrumenten, de basis legde voor het British Museum.

Sloane was allicht de laatste universele collectioneur. De Verlichting kwam eraan, en men ging op een wetenschappelijk verantwoorde manier verzamelen. De verzameling kreeg een systematisch karakter, met een onderverdeling in rubrieken. Het bijeenbrengen, dat in het rariteitencabinet van de zestiende tot de achttiende eeuw vooropstond, maakte plaats voor het rangschikken. Een verzameling moest nu vooral representatief zijn. Duplicaten waren niet meer gewenst. Alles verzamelen was sowieso onzinnig geworden. De wereld was gewoon te groot. De studie van die wereld diende onderverdeeld in disciplines, beoefend aan gespecialiseerde academies.

Geneeskunde was zo'n discipline die een gespecialiseerde collectie studieobjecten behoefde. Als voorbeeld mag Frans Joseph Gall (hfdst. ‘Angelus novus’) gelden. Hij was een pionier in de studie van het lokaliseren van mentale functies in het brein, en een grondlegger van de frenologie. In die hoedanigheid had hij een indrukwekkende verzameling menselijke schedels en gipsafdrukken onder zijn hoede.

Ook hier is er een verschuiving in mentaliteit te zien. De anatomische collecties van hospitalen en universiteiten (Blom geeft als voorbeeld de verzameling preparaten in de Narrenturm in Wenen, de eerste psychiatrische kliniek) drukten de mens met de neus op zijn sterfelijkheid. Net zoals de anatomische lessen — akkoord. Maar er gaapt een ideologische kloof tussen de voornoemde preparaten en de lijken van Frederik Ruysch. Terwijl het werk van de Nederlandse anatoom nog gratie had, en een hoger doel, waren collecties als deze in de Narrentrum helemaal verstoken sentiment, en bedoeld om nuchter te bestuderen.

De verzameling als tentoonstelling
Hoewel het een particulier uit Amerika was die het eerste gebouw liet optrekken dat bedoeld was als museumruimte — Charles Willson Peale (hfdst. 'The mastodon and the taxonomy of memory’) — kwam het museumwezen pas goed tot bloei in het negentiende-eeuwse Europa, toen de pasgeboren natiestaten de noodzaak voelden om het nationale verleden en een collectieve mythologie gestalte te geven.

Het hoofdstuk ‘The greatness of empires’ gaat dieper in op die ontwikkeling. In de negentiende eeuw groeide opnieuw het geloof in verzamelingen als een weerafspiegeling van de wereld, als instrument om die wereld en de rol van de mens daarin te begrijpen. Men begreep ook dat een museum via een uitgekiende presentatie elke willekeurige opvatting kon onderstrepen. Musea werden daarom ingezet om de imperiale ambities te rechtvaardigen. Verzamelingen dienden niet langer een wetenschappelijk doel — onderzoek — maar hadden in de eerste plaats een instructief doel: mensen bewust laten worden van een gedeeld verleden.
During the nineteenth century, burgeoning museums were thrown into a series of curiously ill-matched marriages: young states wanted long ancestries and tried to invent them spiritually if they could not establish them practically. At the same time the finest achievements of the arts had to be displayed as scientifically as possible; the all-dominating spirit of rationalism, commerce and inquiry was attempting to establish its own mythology.
Many museums throughout Europe set out to achieve what the great Vienna museums were to proclaim in their very architecture: completeness and universality. Rooms filled with plaster casts at the Victoria & Albert Museum still remind visitors that what was not actually there could be recreated in order to show the public all that was great in art, but during the nineteenth century the British Museum, too, filled the gaps in its ranks of Greek and Roman sculpture with plaster casts of great masterworks.
In their new public function, museums assumed the roles of public educator and arbiter of taste and knowledge with the whole-hearted ferocity of a Victorian missionary bringing to childlike natives the gospel and the rules of cricket. As empires expanded into increasingly remote parts of the globe it was felt necessary to display the spoils of this new-found power at home, arranged in a Darwinian, or even Hegelian, progression of civilizations and human types from the primitives who had been found in a pitiful state and blessed with the gift of Christian progress to the very pinnacles of this culture, which happened to coincide (depending on the museum’s location) with the life and horizons of the British ruling class, of German Protestantism, of the newly restored French monarchy, or of the liberty of the Americans.

De kunstenaar in zijn museum (detail), zelfportret van Charles Willson Peale, 1833; afbeelding via Wikipedia.

Toch verliep de overgang van private collecties naar nationale musea traag. Blom toont aan hoe lastig het was het Louvre, van oorsprong een koninklijk paleis, om te turnen tot een museum. Er kwam pas schot in de zaak in 1804, toen Napoleon Vivant Denon aanstelde als directeur van het nieuwe Musée Napoleon in de gebouwen van het Louvre. De kunstwerken van Napoleons verzameling waren voor een groot deel afkomstig uit de Franse koninklijke collectie, aangeslagen kastelen, ontwijde kerken en opgeheven kloosters. Lees: geroofd of onder dwang afgestaan. Beroemd is de buit die voortkwam uit Napoleons Egyptische expeditie in 1798.

Denon bracht die collectie bij elkaar, vulde hiaten op, en, uniek voor die tijd, presenteerde de kunstwerken op een doordrachte manier: systematisch, in de geest van natuurvorsers als Carl Linnaeus en (zijn opponent) Buffon. Door vergeten werken aan een breder publiek te tonen en te catalogeren verkregen zij weer allure. De Franse museumstaf ontwikkelde ook nieuwe restauratietechnieken om de werken te verdoeken of van hout op doek over te brengen. Men begreep dat de geëtaleerde collectie van groot cultureel belang was en in stand moest gehouden te worden.

Terwijl in de negentiende eeuw de grote Europese naties hun erfgoed in de vitrinekast begonnen te zetten, keek vanover de Atlantische oceaan een bepaald slag mensen aandachtig mee naar wat er op het oude continent gebeurde. Mensen met geld. In ‘An elevator to the heavens’ kiest Blom J. Pierpont Morgan en William Randolph Hearst uit als voorbeelden van Amerikaanse moguls die Europa beroofden van talrijke kunstschatten.

De machtige bankier J.P. Morgan stond tijdens zijn leven bekend als verzamelaar van boeken, schilderijen en andere objecten. Veel hiervan leende of schonk hij aan het Metropolitan Museum of Art, waarvan hij zelf president was. Ook stonden veel van zijn verzamelde werken in zijn huis in Londen en zijn privébibliotheek in New York. Uit de Pierpont Morgan Library groeide het huidige Morgan Library and Museum. Krantenmagnaat William Randolph Hearst begon in 1919 met de bouw van Hearst Castle, een immens landgoed in het dorpje San Simeon halverwege Los Angeles en San Francisco. Het hoofdgebouw was opgetrokken uit een ratjetoe van stijlen ("in what was later called the Bastard-Spanish-Moorish-Romanesque-Gothic-Renaissance-Bull-Market-Damn-the-Expensive Style"). Daarnaast had Hearst uitgebreide magazijnen waar een immense hoeveelheid in Europa opgekochte kunstschatten (tot volledige gedemonteerde gebouwen toe) stonden te verstoffen. [zie verder mijn bespreking van de roman De nacht in van Olaf Olafsson]

Kunsthandelaren als Joseph Duveen waren belangrijke schakels in dit gebeuren. Zij waren het die nieuw Amerikaans geld in contact bracht met oude Europese kunstschatten. Bedoeling was de kopers te doen geloven dat ze een soort Medicis waren — dat ze via hun aanschaffen ook onsterfelijkheid kochten, want deel gingen uitmaken van een prestigieuze stamboom van vorige bezitters.

De verzameling als geheugenpaleis
In het laatste derde van To have and to hold gaat Philipp Blom dieper in op de psychologische aspecten van het verzamelen. Het hoofdstuk ‘Why boiling people is wrong’ behandelt het verzamelen van objecten als poging om direct fysiek contact met het verleden te verkrijgen, en de handel in relikwieën in het bijzonder. En daarmee belanden we onvermijdelijk in de katholieke Middeleeuwen.
Many religions venerate relics, and they are important in some Buddhist traditions, but nothing can equal Christian fervour in this respect. Being an important part of Christian worship, relics were treated very seriously by theologians. Scholastic writers classified relics into reliquiae insignes, those that included either the entire corpse or at least head, arms or legs, and reliquiae non insignes, lesser relics. The division was carried further when the faithful came to distinguish between notabiles, large and significant body parts, and exiguae, such as fingers and teeth. Even today, the relics of the Catholic Church are officially classified as being first calls, i.e., insignes, second class, exiguae, and third class, i.e., objects merely touched by or belonging to a saint.
Blom noemt Suger van St. Denis. Hij was de abt van de abdij van Saint-Denis en raadgever van Lodewijk VI. De onder zijn leiding en volgens zijn ideeën uitgevoerde verbouwing van het koor van de abdijkerk, die ook de Franse koningsgraven herbergt, geldt als het begin van de gotiek. Daarnaast was hij een van de grootste reliekjagers van de elfde eeuw.

Later, nadat de kruisvaarders het Midden-Oosten hadden ontsloten, bloeide de handel in relieken pas echt. Wanneer eminente of heilige mannen stierven in den vreemde werd het vlees van hun botten gekookt (volgens de technieken van de kruisvaarders), waarna de botten meegenomen werden naar huis. Dat een heilig bot of been niet te onderscheiden was van dat van een gewone sterveling, daar deden handelaren hun voordeel mee.

Een van de zenuwknooppunten van de relikwiehandel was Constantinopel. Maar ook in West-Europa was er een markt voor. Naar verluidt werd Franciscus van Assisië toen deze zijn einde voelde naderen onder permanent bewaking gesteld, opdat gauwdieven uit het naburige en vijandige Perugia hem niets afhandig zouden kunnen maken.

Het valt de lezer moeilijk om dat soort verhalen niet met meewarigheid te lezen. En toch, zegt Blom, is het koesteren van relieken een krachtig mechanisme, dat teruggaat tot de bakermat van onze beschaving, waar magie, fetisjen, totems en scalpen een belangrijke rol speelden. Wie, schrijft hij, kan onberoerd blijven wanneer hij de viool van Mozart in zijn hand houdt, een manuscript van Shelley, de pantoffels van Churchill, een basebal met handtekening van Babe Ruth?
Ancestor cult is one of the very oldest forms of religious observance and evidence of it dates back to the earliest finds of human cultural activity. Even the mightiest regimes and ideologies have been powerless to eradicate it while others, such as Stalin’s USSR, found it expedient to encourage it. No amount of atheist rationalism, though, has been able to expunge it altogether; when the Red Guards smashed China’s great heritage during the Cultural Revolution, even the zealous mobs of youngsters driving the destruction did not dare lay a finger on the tombs of the Ming emperors, wich still stand today as they were hundreds of years ago, protected by an avenue of mythical beasts in stone, untouched by the hammers of ideology, staring at the visitors, exactly as the did centuries ago.
'Three flying ducks’ signaleert, voor het eerst eigenlijk in To have and to hold, hoe gewone, niet noodzakelijk welbemiddelde mensen een degelijke verzameling kunnen aanleggen. Dat kon natuurlijk pas toen massagoederen op de markt kwamen. Bloms hoofdstuk gaat dan ook over kitschobjecten, die hij definieert als goedkope imitaties van dingen die werkelijk waarde bezitten.
Het woord 'kitsch' werd voor het eerst gebruikt door kunsthandelaren in München rond 1870. Ze zochten manieren om hun producten te verpatsen aan niet-Duitssprekende kopers die verzochten om een goedkope ‘sketch’, ‘schets’, van het authentieke product. Kitsch is gedomesticeerde kunst — kunst of kunstobjecten getemd om binnenskamers bij gewone burgers te kunnen aarden. Kitsch is gezellig, want verkleint de grote dramatische momenten van het leven tot postkaartformaat.

Interessant is Bloms terloopse opmerking dat het idee van 'de verzameling compleet hebben' pas kon ontstaan in tijden van massaproductie. Voorheen kon niemand de illusie koesteren 'de volledige set' te bezitten. Verzamelobjecten waren nu eenmaal zeldzaam, of uniek, en raakten makkelijk versnipperd.

Het hoofdstuk ‘A theatre of memories’ gaat over de functie van de verzameling als geheugenpaleis: het cultiveren van musea of denkbeeldige musea om het geheugen te ontwikkelen door de te onthouden stof te dramatiseren. De Britse historica Frances Yates wijdde haar beroemde boek The art of memory aan dit fenomeen. De 'geheugenkunst' — men leert dingen uit het hoofd door middel van een mnemotechnische bruggetje waarbij sleutelbegrippen aan plaatsen en beelden worden gelinkt — gaat terug tot de tijd van de oude Grieken. In de eeuwen vóór de boekdrukkunst was een geoefend geheugen van vitaal belang, en de manipulatie van beelden in het geheugen raakte tot op zekere hoogte de hele psyche.

Cicero beschouwde in zijn De oratore het vermogen om te onthouden als een van de vijf onderdelen van de retorica, en ook in een andere beroemde verhandeling over redenaarskunst, Quintilianus' Institutio oratoria, komt het fenomeen voor. Om een reeks plaatsen in het geheugen te formeren, zegt Quintilianus, moeten wij ons een huis in gedachten nemen, en wel een zo ruim en gevarieerd mogelijk gebouw, met een voorhof, een huiskamer, slaapkamers en zitkamers, en niet te vergeten standbeelden en andere ornamenten waarmee de kamers zijn gedecoreerd. De beelden waarmee de redevoering wordt onthouden zetten we in onze verbeelding op die plaatsen die we ons in het huis in het geheugen hebben geprent. Hierna worden, zodra we ons de feiten weer voor de geest willen roepen, al deze plaatsen om beurten bezocht en de verschillende deposito's van hun bewakers teruggevraagd. We moeten de klassieke redenaar voorstellen als iemand die in zijn verbeelding door zijn geheugengebouw beweegt terwijl hij zijn redevoering houdt, en van de in zijn geheugen geprente plaatsen de beelden wegneemt die hij daar heeft neergezet. De methode garandeert dat de verschillende punten van zijn betoog in de juiste volgorde worden onthouden, omdat de volgorde is vastgelegd in de opeenvolging van plaatsen in het huis.

Blom zelf heeft het over Giulio Camillo Delmino, een van de beroemdste mannen van de zestiende eeuw. Camillo besteedde bijna heel zijn leven aan zijn theater, een houten bouwsel, dat hij in opdracht van de Franse koning Frans I mocht construeren. Vermoedelijk was het een soort renaissancekastachtig bouwwerk, halfcirkelvormig, zodat twee volwassen mannen er voor of in konden staan. De vorm was geïnspireerd op de Vitruviaanse architectuur. Een andere beoefenaar van de geheugenkunst Sir Thomas Browne, die met zijn Musaeum Clausum or Bibliotheca Abscondita een van de grote catalogi maakte van de zeventiende eeuw.

Een extreme toespitsing van de verzameling als extern geheugen is wanneer die verzameling het laatste overblijfsel is van de verzamelaar — wanneer de verzamelaar door zijn verzameling onsterfelijk wordt.

Zo beschrijft Blom in ‘Leporello and his master’ de nadagen van Casanova. In 1785 moest Casanova, straatarm geworden was, het reizen opgeven. De beroemde rokkenjager werd bibliothecaris van de Hertog van Waldstein in het kasteel van Dux in de Bohemen (nu Duchcov in Tsjechië). Daar besteedde hij zijn laatste levensjaren aan het schrijven van zijn memoires. Op die manier redde Casanova zijn verzameling vrouwen van de vergetelheid en werd hij zelf onsterfelijk. Blom onderzoekt onder meer de link tussen Casanova en de catalogusaria van Don Giovanni. Casanova zou mogelijk suggesties gegeven hebben aan librettist Lorenzo Da Ponte voor de opera van Mozart. Verder is er aandacht voor de erotische implicaties van het bezitten van een verzameling.

Sommigen maken bij leven al een soort graftombe voor zichzelf en hun werk. Sir John Soane (hfdst. 'Mr Soane is not at home') was een Engelse architect die gespecialiseerd was in het Brits neoclassicisme. Hij kreeg het voor elkaar om de uiteenlopende invloeden van Giovanni Battista Piranesi, Robert Adam en de Engelse barok met elkaar te verenigen. Soane zag zijn huis als een Gesamtkunstwerk en stouwde het vol met tekeningen, antiquiteiten en maquettes.

Soanes huis is nu een museum — zijn verzameling werd dus gered voor het nageslacht. Dat een verzameling intact blijft na de dood van de verzamelaar is echter verre van zeker. Het levenswerk van de eerder besproken Vivant Denont, de beheerder van de kunstcollectie van Napoleon, werd vernietigd toen het tweede Verdrag van Parijs, opgesteld in 1815 na de definitieve nederlaag van Napoleon in Waterloo, bepaalde dat alle roofkunst diende terug te keren naar de rechtmatige eigenaars. Toen Talleyrand protest aantekende, stuurde Paus Pius VII zijn beeldhouwer Antonio Canova naar Parijs om teruggave te verkrijgen van alles wat uit het Vaticaan geroofd werd. De Pruisen lieten alles in beslag nemen waarop zij recht op meenden te hebben. De Oostenrijkers eisten alle kunstwerken op die uit de Oostenrijkse gebieden waren geroofd, inclusief Venetië en vrijwel geheel Noord-Italië. Enzovoort.

Ook Sir Thomas Phillipps (hfdst. ‘A veritable vello-maniac’), een van de grootste boekengekken ooit, trof het niet met zijn verzameling. Zijn Bibliotheca Phillippica raakte versnipperd toen hij niet op tijd zijn testament had weten te maken. Pogingen van Harvard en de British Library om de collectie in zijn geheel op te kopen, strandden. Van Philipps' kolossale boekenverzameling resten slechts de catalogi.

Persoonlijke appreciatie
Onlangs werd er in mijn streek een leraar aangehouden toen er op zijn computer anderhalf miljoen plaatjes en duizenden filmpjes met kinderporno werden aangetroffen. Kranten waren er als de kippen bij om dit cijfermateriaal te vermelden. Met die aantallen suggereren ze ergens dat het hier om een extremere pedofiel ging dan iemand die een paar honderd plaatjes en filmpjes had gedownload. Het voorval — waarbij twee ziektebeelden, dat van de pedofiel en de dwangmatige verzamelaar, op een hoop worden gegooid — deed me beseffen dat Blom het in zijn boek nergens heeft over de technieken die het aanleggen van een verzameling mogelijk maken of zelfs in de hand werken. Met de digitale opslagcapaciteit van tegenwoordig en het gemak dat downloadmanagers bieden, zijn we ondertussen allemaal verzamelaars geworden. Van foto's, bestanden, teksten, filmpjes, muziek. Niets daarover bij Blom.

Maar To have and to hold mist nog op een andere manier de aansluiting met de eenentwintigste eeuw. Ons tijdperk is het eerste waarin verzamelen volledig geautomatiseerd kan gebeuren, via webcrawlers. Het meest tot de verbeelding sprekende bedrijf van de laatste jaren, Google, heeft van het verzamelen van alle informatie ter wereld zelfs zijn mission statement gemaakt. Google is in wezen een zeer autoritaire verzamelaar, maar slaagt er niettemin in zich aan de buitenwereld te verkopen als een wilde weldoener die haar collecties kostenloos aanbiedt en ontsluit. Blom heeft het anno 2002 niet over zoekmachines, en dat maakt To have and to hold ineens tot een ouderwets, zelfs weemoedig boek.

Verder mis ik toch wat synthese. Blom komt aanzetten met een portrettengalerij, waardoor zijn boek per definitie een willekeurige indruk maakt. Een andere auteur had andere voorbeelden gekozen — ik had zelf Eugène Atget willen zien opduiken — of een paar clichés ingeslikt. In het enige hoofdstuk dat ik goed kan inschatten, recycleert Blom twee overbekende sleutelteksten, 'Ik pak mijn bibliotheek uit' van Walter Benjamin en 'De bibliotheek van Babel' van Jorge Luis Borges. Hij komt hij niet verder dan de basale notie dat een bibliotheek niet zomaar een stapel boeken is, maar dat alleen wordt als die collectie doorzoekbaar is gemaakt volgens een bepaalde logica.

Over wat verzamelaars drijft, schrijft Blom uiteindelijk een opvallend kort hoofdstuk, ‘Anglers and utopias’, waarin hij verzamelen bij uitstek een mannelijke bezigheid noemt. Collectioneurs moeten houden van de jacht en de competitie: het belangrijkste exemplaar van de verzameling is waar de verzamelaar nu achteraanzit, het exemplaar dat de honger gaande houdt. Tegelijk laat een verzamelaar zich een leven lang vrijwillig opsluiten in een wereld van voorspelbare patronen. Wie de orde van een verzameling liefheeft, kan misschien moeilijk overweg met de complexiteit die gepaard gaat met het onderhouden van een sociaal leven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide, selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> lijst van verzamelaars in de commentaren hieronder

Philipp Blom, To have and to hold
An intimate history of collectors and collecting

273 p.
Uitgeverij The Overlook Press, 2003
Oorspr. (2002)

____

5 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Zarafa – Allin
The rare art traditions – Alsop
Mémorie de Dablier : collections, mode d’emploi – Attali
The complete essays of Francis Bacon – Bacon
The Kunst- und Wunderkammern – Balsinger
Portrait of an obsession – Barker
Excavations and their objects – Barker
The diary of John Evelyn – Beer (ed.)
Vom Raritäten-Kabinett zur Sammlung als Institution – Bekcer
Barocke Sammellust – Belper
The garden, the ark, the tower, the temple : biblical metaphors of knowledge in

early modern Europe – Bennett en Mandelbrote
The birth of the museum – Bennett
De wereld binnen handbereik – Bergvelt
Verzamelen : van rariteitenkabinet tot kunstmuseum – Bergvelt
The Chinese collector through the centuries – Beurdeley
Booksman’s bedlam – Blumenthal
Die grossen Bibliophilen – Bogenig
The portrait of Sir John Soane RA – Bolton
Les collectionneurs de l’ancienne France – Bonnaffé
Les collectionneurs de l’ancienne Rome – Bonnaffé
The lure of antiquity and the cult of the machine – Bredekamp
Selected writings – Browne
Tradition and innovation in Renaissance Italy – Burke
Die Geschichte grosser Sammler – Cabanne
Nineteenth-century collecting and the British Museum – Caggill
La curiosité à la Renaissance – Céard
Das historische Museum – Cifford
Ancient and medieval memories : studies in the reconstruction of the past –

Coleman
Great family collections – Cooper
Great private collections – Cooper
Relics – Cruz
Der Kunstsammler – Donath
Children’s collecting activity related to social factors – Durost
On collecting – Eccles
The cultures of collecting – Elsner
Collections et collectionneurs – Eudel
The making of the Habsburg Monarchy – Evans
Rudolf II and his world – Evans
Possessing nature – Findlen
Essays on museums and other subjects connected with natural history – Flower
Prag um 1600 – Fucikova
Curiositäten und Inventionen aus der Kunst- und Rüstkammer – Gamber

Achille van den Branden zei

The New Oxford book of English verse – Gardner (ed.)
La jeunesses des musées – Georges
Great women collectors – Gere
Finders, keepers : eight collectors – Gould en Purcell
On private madness – Green
Exhibiting cultures – Greenblatt
Marvelous possessions – Greenblatt
The devil and Dr Barnes – Greenfeld
The Verrine orations – Greenwood
Macrocosmos in microcosmos – Grote
Logik der Sammlung – Gryoys
The English as collectors – Herrmann
The rise and fall of the House of Medici – Hibbert
Early anthropology in the sixteenth and seventeenth centuries - Hodgen
Creators, collectors and conoisseurs – Holst
Museums and the shaping of knowledge – Hooper-Greenhill
The diary of Ralph Thoresby – Hunter (ed.)
The origin of museums – Impey
Die Welt als Museum – Jeudy
Age of the marvelous – Kenseth
Saturn und die Melancholie – Klibansky
Fakes : a handbook for collectors and students – Kurz
Mélanges militaire, littéraires et sentimentaires – Ligne
The queen’s pictures : royal collectors through the centuries – Lloyd
Bücherlust – Lucius
Exemplum : the rhetoric of example in early modern France – Lyons
Ark to Ashmolean – MacGregor
Sir Hans Sloane – MacGregor
Zur Psychologie des Sammelns – Mandelartz
Inventing the Louvre – McClellan
Der Sammlungswesen in der frühen Neuzeit : Minges
Collecting : an unruly passion – Muensterberger
Phillipps Studies – Munby
The formation of the Phillipps Library up to they year 1840 – Munby
The travels of Peter Mundy, in Europe and Asia 1608-1667 – Mundy
Museums : their history and their use – Murray
Interpreting objects and collections – Pearce
Museums, objects and collectors – Pearce
The Faustian bargain : the art world in Nazi Germany – Petropoulos
L’anticomanie – Pomian
Collectors and curiosities : Paris and Venice 1500-1800 – Pomian
Der Ursprung des Museums – Pomian
Les collectionneurs – Rheims
La vie étrange des objects – Rheims
Collections management for museums – Roberts
A life in natural history – Roger
D’Amboinsche Rariteitkammer – Rumphius
Die Kunst- und Wunderkammern der Habsburger – Scheicher
Rudolf II, der Saturnische Kaiser – Schwarzenfeld
The curator’s egg : the evolution of the museum concept from the French

Revolution to the Present Day – Schubert
Merchants of art – Seligman
The collecting of origins – Skeates
Description of the house and museum on the North side of Lincoln’s Inn Fields –

Soane
Memoirs of the professional life of an architect – Soane
Obliscence : theories of forgetting and the problem of matter – Sonnabend
Citizen Hearst – Swanberg
Curiosities and texts : the culture of collecting in early modern England – Swann
The taste of angels : a history of collecting from Ramses to Napoleon – Taylor
The scholar in his study : ownership and experience in Renaissance Italy –

Thornton
History of four-footed beasts – Topsell
The foundations of scholarship : libraries and collecting – Vaisey
The romantic interior : the British collector at home – Wainwright
Mr Wilson’s cabinet of wonder – Weschler
The museum : its history and its tasks in education – Wittllin
Theatre of the world – Yates

Achille van den Branden zei

Lijst van verzamelaars:

Ulisse Aldrovandi
Michele Mercati
Francesco Calceolari
Carlo Ruzzini
Ferdinando Cospi
Athanasius Kircher
Mapheus Cusanus
Oliviero Forza
Piero de' Medici
August van Saksen
Ferdinand II
Hubert Goltzius
Ole Worm
Pierre Broel
Christiaen Porret
Nicolaes Witsen
Bernardus Paludanus
Frederik Ruysch
Jan Jacobsz. Swammerdam
Rudolf II van het Heilige Roomse Rijk
Philip Hainhofer
Francesco Calceolari
John Tradescant de oude
Elias Ashmole
Peter de Grote
Sir Hans Sloane
John Woodward
Charles Willson Peale
Franz Joseph Gall
J. Pierpont Morgan
William Randolph Hearst
Andrew Mellon
John D. Rockefeller, Jr.
Henry Clay Frick
Andrew Carnegie
Benjamin Altman
Samuel H. Kress
Josph Duveen
Robert Opie
Alex Shear
Giulio Camillo
Sir John Soane
Henry E. Huntington
Sir Arthur Gilbert
Jean-Nepomucene Auguste Pichauld

Ben Hoogeboom zei

Men ging inzien dat wijsheid evengoed, of misschien zelfs beter, op de marktplaats te vinden was, dan in de bibliotheek.
Áls in de bilbiotheek zou ik zeggen, maar dat is een minor fault. Wat een fantastische bespreking!

Achille van den Branden zei

Omgekeerd gebruik ik liever 'bibliotheek' dan 'bilbiotheek'. ;-)

Maar u hebt natuurlijk gelijk.

Related Posts with Thumbnails