The merry heart - Robertson Davies
Robertson Davies was een van de belangrijkste auteurs van Canada. Ik kende op zijn best zijn reputatie als essayist — die goed is, in beperkte kring. Na het lezen van The merry heart, een postume verzameling speeches uit de periode 1980-1995, kom ik tot een drieledige conclusie. Dit dikke boek las ik zonder problemen uit; Davies' positie in de periferie van het Engelstalige literaire wereldje is ook zonder meer interessant; maar hij maakt me niet nieuwsgierig naar zijn romans.
Robertson Davies (1913-1995) groeide op in Ontario en studeerde in Toronto en Kingston. Hij werd een ontzettend productieve schrijver van romans, toneel en beschouwend werk, in de beste negentiende-eeuwse traditie, en bouwde daarnaast nog drie andere carrières uit. Hij was acteur annex Shakespeare-kenner bij de Old Vic Company in Londen; hoofdredacteur van de Canadese krant de Peterborough Examiner na zijn terugkeer uit Engeland na de Tweede Wereldoorlog; en tenslotte professor in de Letterkunde aan de universiteit van Toronto.
Davies, met imposante baard, groeide uit tot de grand old man van de Canadese letteren, die op een gegeven moment in de running was voor de Nobelprijs. Vereremerkt werd hij door ruim twee dozijn universiteiten, en ook andere instanties fêteerden hem met de regelmaat van de klok. Vaak zat daar een lezing aan vast, waar Davies, geen reiziger en geen podiumbeest, erg tegenop zag. Omdat hij niettemin werk maakte van zijn speeches, konden er bij leven al bundels met mengelwerk uit gedestilleerd worden: The merry heart is te beschouwen als een vervolg op One half of Robertson Davies en Happy alchemy.
Het werd een goed boek, gewoon omdat de auteur verstandige dingen zegt over onderwerpen die ertoe doen. Hij is ook niet bang om zijn gehoor tegen de haren in te strijken. Tijdens een lezing op Johns Hopkins Medical Institution stelt hij vragen bij de patiënt-dokterrelatie: "Medicine may be your game, but the detection and identification of gods in modern life is mine, and I assure you that you look like a god." Op Yale maant hij het publiek aan zich niet al te behaaglijk te voelen nu het universiteitsdiploma op zak is. Doorgedreven specialisatie staat immers niet gelijk aan een evenwichtig gecultiveerd verstand. "Although many of the world’s leading intellectuals are citizens of the United States, you do not, as a nation, take pride in the pleasures of the intellect, enjoyed for their own sake, as adjuncts of the truly good, well-rounded life."
A country without a mythology
Veel in de bundel gaat over het geboorteland van Robertson Davies. Die stukken zijn heel herkenbaar voor iemand als ik, een Vlaming met een passie voor literatuur die, bij een gebrek aan opwindende schrijvers van eigen bodem, zijn gerief moest zoeken bij grote broer Nederland.
Davies is zelf de eerste om toe te geven dat Canada niet erg tot de verbeelding spreekt. Het mag dan wel het tweede grootste land ter wereld zijn, het telt minder inwoners dan Polen. Terwijl in de VS elke staatsinmenging met achterdocht bekeken wordt, is Canada een welvaartsstaat naar West-Europees model. Niettemin is veel cultuur import uit Amerika en Groot-Brittannië. Alleen de National Film Board heeft naam gemaakt ver buiten de grenzen.
Een parallel met Vlaanderen: Davies omschrijft de Canadezen als introverte, weinig genereuze, weinig trotse mensen. Misschien heeft dat te maken met het feit dat ze een volk van emigranten zijn — Fransen, Schotten, Ieren en Amerikanen die op de vlucht voor de ellende zelfs bereid waren zich in het grimmige Noorden te vestigen. Canada kampt volgens Davies met een gebrek aan schrijvers die zich beijveren voor iets als 'een nationaal bewustzijn'. De literatuur staat er eigenlijk nog in de kinderschoenen, te vergelijken met de Amerikaanse literatuur anderhalve eeuw geleden.
It is a land where there is no easily accessible guide to the past, no widely accepted tale of our beginnings, no friendly jumble of things that are taken for granted. A country, in fact, without a mythology.De hoofdstroom in de Canadese literatuur was er lang een van troosteloos realisme. Humor mocht misschien, maar moest wel functioneel blijven. In dit klimaat begon Davies zijn boeken te schrijven. Essays over onmodieuze negentiende-eeuwse schrijvers. Dikke, joyeuze trilogieën, met invloeden uit de mythologie en de psychoanalyse. Davies is een groot bewonderaar van de schilder Bronzino en ziet zichzelf ook als een maniërist: "I write as I do because I need the grotesques, the Classical and Biblical echoes and the high colour to say what I have to say, and what I call reality."
What is a mythology, after all? A body of ill-assembled religious belief, a cosmology, a muddle of superstition and folk-belief? It may be these things to people of crudely rational mind, but if we look deeper we see that a mythology looks very much like the unconscious mind of a people, that area which is accessible only in dreams and visions, and where extraordinary energy resides.
Daarom bespeurt de lezer in The merry heart vaak een defensieve ondertoon. Overdaad bij een schrijver is altijd extra verdacht. Taal is het materiaal van de schrijver, zoals brons en marmer dat zijn voor een beeldhouwer en verf voor een schilder. Alleen gebruikt iedereen taal — kan iedereen spreken en schrijven — zodat een zeker kunstig, kunstmatig of gekunsteld gebruik van taal achterdocht wekt. ‘Is dit wel oprecht?’
Exuberantie neemt bij Davies evenwel niet de gedaante aan van fel doorgevoerde experimenten met taal of vertelstructuur. De Canadees houdt van de grote vertellers uit de wereldliteratuur, eerder dan van schrijvers die zich moralisten of zieners wanen. Niet James of Woolf hebben zijn voorkeur, maar Dickens, Balzac, Tolstoj, Mann, Dostojevski, Proust. Veel favorieten van Davies zijn ook de mijne. Ibsen komt vaak terug als grote held.
Davies blijkt een groot kenner van het Victoriaanse toneel. Heel informatief is zijn bijdrage over de invloed van het negentiende-eeuwse theater op iemand als Dickens. Theater, met zijn razendsnelle decorwisselingen en emotionele uitbarstingen, was film, televisie, circus en ballet ineen, en trok veel toeschouwers. Ook serieuze schrijvers als Dickens, George Eliot, Thackeray, Tennyson en Matthew Arnold waren er dol op. Dickens wou erg graag het theater in, maar kon het zich niet veroorloven. Schrijven voor toneel werd in die dagen onderbetaald. Zijn toneelinstinct leefde hij dan maar uit in vaak gezwollen romans en de theatrale en druk bijgewoonde voorleeslessies uit zijn werk.
Natuurlijk zijn Dickens en co geen eigentijdse schrijvers. De Victorianen waren hopeloos traag en schreven alles van naadje tot draadje uit — het voorstellingsvermogen van de moderne lezer is daar te groot voor geworden. Maar dat deert Davies niet. Hij leest zelfs tweedehandsschrijvers uit de negentiende eeuw, omdat zelfs deze mindere goden bij wijlen very entertaining waren. En grote literatuur is nu eenmaal tijdloos. Als een boek er van de eerste keer niet in wil, zegt Davies, geef het dan een tweede kans en herlees het als je zo oud bent als de auteur toen hij het schreef.
As you see, I am a great man for marvels, and I dearly love to read books that had a greater importance in the past than they have now, because they are a port of entry not merely to an age that has gone, but to the human mind, which changes its fashions, but its body.

Robertson Davies, foto Harry Palmer (1984); via Wikimedia Commons.
Not a doll in a doll's drama
The merry heart bevat veel materiaal over de positie van de schrijver in de samenleving. Voor Robertson Davies is een schrijver een religieus iemand — niet in de betekenis van 'uitdrager van een of ander geloof' of 'pleitbezorger van een hoger doel', maar als een wezen dat het menselijk bestaan met liefde en zorg inspecteert en niet bang is van de paradoxen en contradicties in de bevindingen die daaruit volgen. Schrijvers zijn niet noodzakelijk intellectuelen, in de zin dat ze sterk zijn in analyseren en theoretiseren. Maar hun intuïtie is wellicht groter dan bij de doorsnee mens. Ze begrijpen dingen zonder hulp van een theoretisch kader.
The scientific approach to humanity is wholesale; the approach of art, and the art we are talking about here is fiction, is retail. Not masses, but individuals.Bovenal kunnen grote schrijvers personages van vlees en bloed scheppen. Literatuur wordt zo het trefpunt waar alle angsten, dromen en fascinaties van de mens samentroepen die te soft zijn voor de gestrengheid van de wetenschapper.
When the Ancient Mariner suffers his long misery after the slaughter of the albatross, we do not demand that at least eighty per cent of the personnel of the British Navy suffer a similar anguish of the soul before we believe in it.Dat een literator geen moralist is in de kwezelachtige zin van het woord, ontdekte Davies na de lectuur van Dickens (die slechte karakters vaak heel rijk en aantrekkelijk maakte), Thackeray (die van snobisme een krachtige motor maakte in zijn boeken) en Thomas Hardy (die een hardvochtige God over zijn personages liet heersen). Een auteur moet geen medelijden hebben met zijn held, maar hem wel rechtvaardig behandelen.
For me ['moralist'] meant not someone who imposes a moral system upon his art, but someone who sees as much of life as he can, and who draws what conclusions he may. What courses of action lead to what results? Are there absolute standards of good and evil? To what degree is what appears to be acceptable to society rooted in the truth of a particular man or woman? To what degree may the acceptance of a popular or socially approved code of conduct define or perhaps distort a character? Where do the springs of behaviour lie; to what degree may they be controlled; how far is a human creature accountable to his group, or his country, or his professed belief (or unbelief) for what he does? How far is it permissible to talk of what a human creature “makes” of his life, and to what degree does an element of which he may be unaware in himself “make” his life for him? How far may we accept the dictum that life is a dream, and that we are creatures in that dream, which is being dreamed by something of which we have no knowledge? These, it seems to me, are the concerns of the true moralist. He is an observer and a recorder; he may not permit himself to be a judge, except by indirection.Ik herken mezelf in Davies' wantrouwen jegens geëngageerde schrijvers, of zij die zich helemaal te buiten gaan aan research. Alsof engagement een richtsnoer is voor auteurs die uit zichzelf geen krachtige stem hebben die hen de juiste kant op wijst. Goede schrijvers malen niet om boodschappen of ideeën, zegt Davies. Dickens was alleen gepassioneerd door zijn personages; vergelijk zijn romans maar eens met de verbazingwekkend vlakke opiniestukken die hij schreef voor de kranten.
Auteurs die hun boeken moedwillig een bepaalde kant opsturen, zijn meestal geen blijvers. Davies noemt het voorbeeld van East Lynne, het ooit beroemde boek van Henry Wood, dat een gelijklopende thematiek heeft als Anna Karenina van Tolstoj.
Why has Anna Karenina lived, whereas Lady Isobel is forgotten by all except hobbyists like myself? Because in East Lynne the cards are all stacked to the benefit of the principal character, the repentant sinner, the woman whose sins are forgiven her chiefly because she is the heroine of a popular novel. But Anna Karenina is a human being, not a doll devised to perform in a doll’s drama.Een open geest en een brede blik, dat zijn de capaciteiten die de poëtica van Davies compleet maken. Literatuur is niet het mooi bijelkaar geharkte tuintje dat snobs er willen van maken. In romans moet er plaats zijn voor het ordinaire, het vulgaire en het obscene. Ze moeten voortspruiten uit het leven en niet uit andere boeken. Neem Henrik Ibsen, hij had ter inspiratie alleen de Bijbel nodig en een paar ochtendbladen.
In een laudatio voor Mavis Gallant meldt Davies weinig op te hebben met het proza dat in The New Yorker verschijnt: de Sylvia Plath-achtige verhalen met een overgevoelige, analystisch ingestelde en toch ook weer oppervlakkige hoofdpersoon.
Angst is the malaise of a single character. It is essential an egotistical ailment. Mavis Gallant’s people do not live under the shadow of anything so trivial as that. When they are unhappy, their unhappiness is related to the unhappiness that is always lurking, in every corner of the globe, for its victim. It is not personal; it is universal and it takes a writer of broad range to make it manifest in a short story without plunging the whole piece of work into a more than Dostoyevskian misery.Als er één ding duidelijk is, dan is het wel dat schrijven een talent is en een roeping. Alleen begrijpen mensen dat zo slecht tegenwoordig. We leven in democratische tijden, die voorspiegelen dat alles binnen ieders bereik ligt — als een schrijver creatief kan zijn, dan ik ook.
Als publieke persoonlijkheid krijgt Robertson Davies veel verzoekjes van aspirant-schrijvers. Wat is het geheim, de goedbewaarde formule om een succesvol boek te schrijven? De meesten begrijpen niet dat schrijven zwoegen is, en dat in dat zwoegen de grootste verslaving steekt, omdat het je in contact brengt met het werkelijk waardevolle deel in jezelf.
They want to write, but unhappily they want to write like somebody else, whose work they admire; they do not offer anything which is indisputably their own.Slotsom
This not wholly bad. Many writers have begun be imitating established masters, but very soon they discover that they cannot say what they themselves have to say disguised as somebody else. They must find their own voice and their own way of looking at the world, and follow that even if it means failure. But there are many aspiring writers who never proceed so far as making that discovery. They are discouraged because their imitations do not quickly win them the recognition they want. And therein lies an important truth. They want recognition, and if writing will not bring it, they stop writing.
En toch, hoe talrijk zinnige passages als deze ook zijn bij Davies, hij maakt me niet nieuwsgierig naar zijn eigen werk. Te wijdlopig, denk ik. John Irving schijnt een van zijn navolgers te zijn en dat zegt eigenlijk al genoeg. Maar het zit 'm ook in andere dingen. De fascinatie voor het bovennatuurlijke in The merry heart. De onverhulde trots waarmee Davies zichzelf neerzet als "technomoron". Zijn vulgaire kijk op het DNA-onderzoek. Het vreselijke gedweep met Jung.
Die facetten zijn ergerlijk en laat ik daarom links liggen in deze bespreking. Maar ze dienen wel vermeld.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
Robertson Davies, The merry heart
Reflections on reading, writing and the world of books
385 p.
Uitgeverij Penguin, 1996
____

1 reactie(s):
Boeken:
Tanglewood tales – Nathaniel Hawthorne
The kind of the golden river – JohnRuskin
The heroes – Charles Kingsley
Mademoiselle de Maupin – Théophile Gautier
Studies in the psychology of sex - Havelock Ellis
Elmer gantry – Sinclair Lewis
A Glastonbury romance – John Cowper Powys
The watch taht ends the night – Hugh MacLennan
As for me and my house – Sinclair Ross
Where nests the water hen – Gabrielle Roy
Charles O' Mally - Charles Lever
Harry Lorrequer - Charles Lever
The golden legend - Jacobus de Voráginé
The ingoldsby legends - Richard Harris Barham
Arrowsmith - Sinclair Lewis
Trilby - Georges du Maurier
The rose and the ring – William Thackeray
Orley farm – Anthony Trollope
Auteurs:
Charles Reade
Wilkie Collins
Harrison Ainsworth
Neil Gunn
Sylvia Townsend-Warner
Alan Ayckbourn
Een reactie plaatsen