vrijdag 12 maart 2010

A reader's manifesto - B.R. Myers

Dit prachtige lezersmanifest had ook 'De nieuwe boeken van de keizer' kunnen heten. B.R. Myers hakt in op vijf kwalijke trends in de huidige Amerikaanse literatuur én op de critici die door onzorgvuldig te lezen die trends in de hand werken, ja zelfs aanprijzen. Samengevat: schrijvers moeten niet langer blijk geven van intelligentie; een geaffecteerde schriftuur volstaat al om zich, bij een gemakzuchtige culturele elite, te onderscheiden van de genrefictie.

Het lange essay van B.R Myers, in 2001 verschenen in The Atlantic Monthly, leerde ik pas laat kennen, in 2008, toen eamelje.net (wie anders?) naar een oude post verwees. Dat het essay ook in boekvorm verscheen, ontdekte ik nog veel later. Twee weken geleden pas.

Het verhaal achter A reader's manifesto gaat als volgt. In 1999 had de toen zesendertigjare Myers, hoogleraar internationale betrekkingen aan de universiteit van Busan, Zuid-Korea, in eigen beheer een boekje laten drukken, getiteld Gorgons in the pool (naar een krom stukje beeldspraak uit McCarthy's All the pretty horses). Daarin onderwerpt hij lange passages uit het werk van vijf gereputeerde Amerikaanse schrijvers aan een minutieus stilistisch onderzoek: Annie Proulx, Don DeLillo, Cormac McCarthy, Paul Auster en David Guterson. Wanneer Myers The names bespreekt van DeLillo gaat dat dan ongeveer zo:

This ploddingly realistic novel is set in Greece, and features as its protagonist an American expatriate called James. Though an intellectual obsesses with language, James cannot speak even enough Greek to tell his concierge Niko where his is going.
In time I began to lie. I would tell him I was going to a place that had a name I could easily pronounce. What a simple, even elegant device this seemed. Let the nature of the place-name decide the place.
But James is not letting the nature of the name decide the place. He is merely letting the nature of the name decide the name. Simple, yes. Elegant? Of course not.
But the lies began to worry me after a while… There was something methaphysical disturbing about them. A grave misplacement.
Either something is disturbing or it isn’t; the word “metaphysically” is there for no other purpose than to persuade readers that what follows will be over their heads. Just in case they miss the point they are told flat-out not to trust their common-sense:
[The lies] were not simple but complex.
Now it is time to start putting over central “idea”.
What was I tampering with, the human faith in naming, the lifelong system of images in Niko’s brain? I was leaving behind in the person of the concierge an enormous discrepancy between my uttered journey and the actual movements I made in the external world, a four-thousand mile fiction, a deep lie.
But since Niko does not know where James is really going, no “discrepancy” is being left behind in him, and neither his “faith in naming” nor his “lifelong system of images” is being tampered with. Even if he did know the guest’s true destination, he would merely conclude that he is being lied to. DeLillo knows this too of course, so he throws in the following.
The lie was deeper in Greek than it would have been in English.
This may put any last doubts to rest for monolingual readers, but those of us who know that it’s always easier to lie in a foreign language (or swear, or say we love someone) become more skeptical than ever. Of course, DeLillo has an answer ready.
I knew this without knowing why.
So we’ve come full circle. The trivial issue of one man deceiving his concierge has gone from being pulled up into a grave metaphysical problem — i.e. one of universal human relevance — to being deflated into a personal that conveniently defies articulation.
Myers liet een honderdtal exemplaren van zijn boekje drukken, bood het te koop aan op Amazon, en stuurde recensie-exemplaren naar de redacties van grote Angelsaksische kranten. Verkopen deed A reader's manifesto voor geen meter, maar de redactie van The Atlantic Monthly zag er wel iets in, en bood aan een gekortwiekte versie van het essay te publiceren in haar vakantienummer van 2001.

Aldus geschiedde, daarmee vooral een gevoelige snaar rakend bij de niet-professionele lezers. "I feel confident," schrijft Myers in een terugblik, "in claiming that mine was the first piece of literary criticism in American history to receive more attention from the public than from the cultural elite." Beroepslezers, van hun kant, negeerden het artikel of reageerden, op een paar uitzonderingen na, furieus. Daarover later meer.

Deze nieuwe uitgave van het A reader's manifesto is een poging om het oorspronkelijke essay te herstellen qua lengte en qua toon, die in de geknipte versie nogal negatief was uitgevallen. (Myers had zijn tegenvoorbeelden van hoe het wel moest moeten schrappen.) Verder is het manifest aangevuld met een analyse van de feedback die Myers kreeg en de uiterst vermakelijke 'Tien Geboden voor Serieuze Schrijvers'. Met nieuwe inhoudelijke argumenten komt Myers niet. Maar de oude stellingen zijn zeker nog eens een samenvatting waard.

Want waar draait het in dit manifest om? Het gaat Myers niet zozeer om de auteurs van zijn keuze af te branden, als wel om de niet-professionele lezer zijn vertrouwen te laten terugwinnen in zijn eigen oordeel, los van wat Cultureel Correct is. Myers verwijt Amerikaanse recensenten dat ze in hun besprekingen om een belangrijk punt van discussie heenslalommen: de stijl. Ze hebben het over de personages, die ze automatisch serieus nemen, ze verklappen het plot, waar niemand mee gediend is, en in ronkende volzinnen plaatsen ze een roman in een groter verband — historisch, economisch, sociologisch. Maar over de stijl, behalve enige dooddoeners ('verontrustend', 'poëtisch', 'doorvoeld'), geen woord.

De onderliggende boodschap van deze doofpotoperatie lijkt te zijn: als lezers hun tanden breken op literair proza, als ze zich erbij vervelen, als ze het nut van een precieuze stijl in vraag stellen, dan zijn ze dit soort literatuur gewoon niet waard. Dan moeten ze maar triviale dingen lezen.

Dit soort snobisme maakt Myers woest. Zijn verweerschrift moet begrepen worden als een eenmanspoging om deze situatie recht te trekken.

De kern van het lezersmanifest bestaat uit een catalogus van de vijf soorten 'geaffecteerd' en pseudo-intellectueel proza die Myers onderscheidt. Ik verwijs graag naar het oorspronkelijke artikel uit The Atlantic Monthly, dat berstensvol voorbeelden zit, inclusief de gemakkelijke lof die de boeken te beurt vielen van critici. Hieronder niettemin een samenvatting.

1. Suggestief proza
Suggestief proza (evocative prose, typevoorbeeld Annie Proulx) wordt geschreven door auteurs die hun gevoel voor poëzie in proza laten bezinken. Suggestief proza werkt als je het snel leest; laat je het leestempo zakken, dan vallen de zinnen uit elkaar. De losvaste lyriek in het proza van Proulx heeft niets te maken met de weliswaar omstandige, maar in een strakke syntaxis georganiseerde zinnen van pakweg Virginia Woolf. Proulx’ lange zinnen zijn vaak lijstjes. Wat de lezer ziet zijn de rommelige plaatjes van een haastige fotograaf. Het gaat niet om irrelevante details, die had Dickens ook, en Sterne, en Gogol, maar bij de oude meesters waren het ten minste details die tot de verbeelding spraken. Myers haalt een citaat van Evelyn Waugh aan, waar die zegt dat professionele besprekers zo veel ondermaatse boeken moeten lezen, dat ze maar wat blij zijn als ze prikkelende zinnen onder ogen krijgen. Myers:
Proulx also benefits from the current practice of viewing a novelist’s writing less in terms of prose than in terms of individual sentences. Critics go through a novel half-consciously adding up the “good” ones, by which they mean the showy kind that can stand alone in the excerpt box, and if these attain a certain critical mass — the more famous the writer, the slighter the mass, the book is praised.
2. Proza op het scherp van de snee
Proza op het scherp van de snee (edgy prose, typevoorbeeld Don DeLillo) bestaat uit zwaar aangezette kritiek op de consumptiemaatschappij. De zinnen laten zich lezen als boodschappenlijstjes. De ironie ligt er moddervet bovenop. DeLillo's personages komen uit de brave middenklasse, maar kijken verbaasd om zich heen, bevreemd door de hen omringende maatschappij, als kwamen ze van een andere planeet. DeLillo suggereert in interviews dat schrijven 'een geconcentreerde vorm van denken' is, maar laat zijn personages niet denken, maar de ene sensatie na de andere beleven. Hij toont een oppervlakkige wereld van fenomenen, en getroost zich dan de grootste moeite om als de eerste de beste astroloog te doen uitschijnen dat er een dieper realiteit achter verborgen zit. DeLillo is typisch een schrijver die neerkijkt op realistische schrijvers, maar daar alleen incoherent proza tegenoverstelt, met als excuus dat de incoherente wereld hem zo’n proza oplegt. Myers noemt als tegenvoorbeeld Verloren illusies van Balzac. Balzac toont ons niet alleen de koopcultuur, maar maakt de aantrekkingskracht van het materiële inzichtelijk. Balzac gaf zijn personages ook individuele stemmen. Bij DeLillo hoor je alleen DeLillo spreken. Myers vraagt zich ook af hoe het mogelijk is dat kritiek op de consumptiemaatschappij nog steeds zo verontrustend wordt bevonden, tientallen jaren nadat Warhol al op dezelfde spijkers hamerde.

3. Spierballenproza
Spierballenproza (muscular prose, typevoorbeeld Cormac McCarthy) staat lijnrecht tegenover het vrouwelijke poëtische proza. De taal is eenvoudig en gespierd. Er staat geen woord te veel in en met de sobere woordenschat stelt de schrijver zich uitdrukkelijk voor als de gelijke van de lezer. Een schrijver als McCarthy grossiert in korte nevengeschikte zinnetjes, verbonden door het voegwoord ‘en’. Zijn alinea's kan je gevoeglijk diagonaal lezen zonder veel te missen. Daarnaast werkt hij met archaïsche taal dat het heroïsche verleden van de natie lijkt te weerspiegelen. Hij laat aanhalingstekens weg en gebruikt zogenaamd authentieke zinnetjes Spaans. McCarthy noemt veel bij naam, ogenschijnlijk in de hoop dat er wel iets zal bijzitten van waarde. Zijn proza is volgens Myers slechte poëzie hergeformateerd in doorlopende tekst. Een cowboyverhaal blijft een cowboyverhaal, maar is bij McCarthy verpakt als literatuur, om het publiek uit de middenklasse op hun gemak te stellen dat ze geen genrefictie lezen. Myers bekritiseert ook de filosofie van McCarthy, met veel dooddoeners over leven, dood en het noodlot. Regelrechte kitsch is McCarthy's neiging om elk pietluttig detail uit het cowboybestaan met met majesteitelijke diepzinnigheid te behangen. Myers:
I think it was Robert Graves who said that nothing marks the Koran more clearly as the product of a desert people than its lack of reference to camels; no one who grows up abusing animals for transport is likely to spend much time pondering their souls.
4. Uitgepuurd proza
Uitgepuurd proza (spare prose, typevoorbeeld Paul Auster) bestaat uit korte zinnetjes die de critici in de waan laten dat er geen woord te veel staat. Het tegendeel is echter waar. Met talloze voorbeelden laat Myers zien hoeveel nutteloze herhaling te vinden is bij Auster, herhaling van het type: "My father was tight; my mother was extravagant. She spent; he didn’t." Uitgepuurd proza maakt er zich ook graag makkelijk vanaf, op momenten dat schrijvers juist de diepte in moeten. Ergens besluit Auster een korte, platte seksscène met dure woorden ("a secret religion restricted to just two members") zonder zo’n conclusie voor te bereiden, aan te tonen, aannemelijk te maken. Auster is vaak niet geïnteresseerd in de werkelijkheid. Om zijn boeken dan een air van diepte te geven speelt hij met dubbelzinnige namen, makkelijke anagrammen en dure referenties om de lezers uit de middenklasse te imporen of te behagen. Hij dekt zich ook in door zijn verhalen op te zetten als metaliteratuur. ('Loopt het verhaal mank? Dat was de bedoeling!'). Auster, zegt Myers, heeft de invalshoeken van Borges gejat (het detective-element, een hoofdpersonage dat biografisch onderzoek pleegt) en diens favoriete thema (de onmogelijkheid om iets te weten), maar, in tegenstelling met de Argentijn, zonder de lezer ook maar een moment te entertainen.

5. Literair proza van de grootste gemene deler
Literair proza van de grootste gemene deler (generic literary prose, typevoorbeeld David Guterson) is in wezen mediocere genre-fictie die zich bedient van een amalgaam van trendy stilistische tics om haar eigen bescheiden afkomst te verdoezelen. De personages zijn sjablonen en worden op een zeer vlakke manier beschreven. Die beschrijvingen worden echter zo veel mogelijk opgerekt, om de indruk van literatuur te geven. Dit soort proza is heel sonoor, somber en langzaam. De juiste mood, vaak melancholisch, is belangrijk. De auteur bekomt een pseudo-lyrisch effect door het tempo eindeloos te laten zakken. Krachttermen (‘enorm’, zeer’, ‘uiterst’) bewijzen de onmacht van de schrijver.

Conclusie
Geaffecteerd proza is proza dat boven zijn stand leeft. Het ziet er alleen indrukwekkend uit als je je laat meedrijven op de roes. Uptempo gelezen, dus. Dat kan ook makkelijk: veel hedendaagse schrijvers hoef je niet zo geconcentreerd te lezen. Bij lange, ogenschijnlijk complexe passages moet je niet mee te zijn om het einde nog te kunnen begrijpen.

Ga je nadenken over individuele zinnen, over de draagwijdte ervan, over wat nu exact gezegd wordt, dan valt de tekst vaak in plukjes uiteen. Zeker, goed proza is soms moeilijk, schrijft Myers, maar altijd lucide. Proza is het resultaat van nauwkeurig denken. Van vooráf denken, niet van gemijmer op het ritme van welluidende zinnen. Een goede schrijver schrijft niet geaffecteerd, maar precies.

En toch blijven bovenstaande auteurs met alle egards behandeld worden door de Amerikaanse pers. Reputaties gelden blijkbaar voor het leven. Schrijvers en literaire jury's houden samen de traditie van het geaffecteerde proza in stand. "The Serious Writers’ Club is a bit like the Mafia; once the critics “make” you, you’re in for life, and the worst you’ll ever hear is that your new book is not quit as hauntingly evocative as your old one." Ofwel wordt het nieuwste werk van een gereputeerde schrijver geprezen, ofwel wordt het een beetje als ondermaats beschouwd ('maar toch een waardevolle bijdrage aan het oeuvre in zijn geheel'), ofwel wordt het helemaal niet besproken. Frontale kritiek is schaars. De meeste critici nemen een roman, vatten het verhaal samen, citeren een paar prikkelende zinnetjes, en klaar is kees. Myers:
Maybe our nation's book-reviewers are just more generous than I am, but keep in mind how selective their generosity is. No one scours thrillers or romance novels in search of a decent line to praise, though I dare say there isn't a "genre" writer in the country who can't match the quality of that Auster quote every dozen pages or so.
Respons
Veel reacties uit het professionele veld op het artikel van Myers waren ronduit bedroevend. Een paar eminente critici besloten het lezersmanifest te negeren. Onder meer Michael Dirda deed dat, wat me dik tegenvalt van hem. Anderen verweten Myers boeken niet te beoordelen aan de hand van de normen die het boek zelf stelt. (Myers verwerpt die kritiek in dit boekje met tegenvoorbeelden.)

Nog anderen pleegden ordinaire karaktermoord op de auteur. Myers heeft teveel rondgezworven over de aardbol om nog voeling te hebben met de literatuur van zijn geboorteland, klonk het. Wat weet een professor in Zuid-Korea af van literatuur en haar interne dynamiek? Het is een klassieke truc: door te stellen 'jij bent niet één van ons', ontslaat men zich van de plicht zich te verantwoorden in het debat.

Een grote groep critici lazen het manifest slordig als een pleidooi voor lowbrow writing. Literatuur als veredelde journalistiek. Ze beschuldigden Myers van populisme. In het aanhangsel bij A reader's manifesto wordt daarom nog eens fijntjes het verschil uitgelegd tussen eenvoud en helderheid. Een niet gering aantal critici verweten Myers passages uit hun context te rukken. Wat de auteur ontkent. En de genoemde schrijvers, tot slot? Die lieten zich helemaal niet horen.

Persoonlijke appreciatie
Zonder me op de hoogte van Myers te willen stellen, herken ik me nogal in zijn aanpak. In mijn recensies houd ik er zelf aan ruim te citeren, zodat de lezer een indruk van de stilistische capaciteiten van de auteur krijgt. Soms voeg ik daar een prijzend of venijnig woordje aan toe, vaker laat ik de passages voor zichzelf spreken. Dat ik citaten gebruik om een deel van het verhaal te illustreren, sluit overigens geen stijlkritiek uit.

Aan de andere kant is het inderdaad verraderlijk een aantal repen tekst uit hun context te rukken. Er is onmiskenbaar iets als de roes van het lezen, de flow van het verhaal. Welke lezer legt elke zin, zoals Myers zou willen, onder de microscoop? Een lezer kan wel wat ruis aan. Een lyrische terzijde, een stokpaardje hier en daar, waarom zou het niet mogen? Een schrijver moet keuzes maken, risico's wagen, anders verzandt elke roman in leesbare middelmaat.

A reader's manifesto lijkt me ook typisch een boek dat alleen door een man geschreven kan worden. Door een technicus, iemand die graag in het binnenwerk van een machine zit te priegelen. Myers vertelt weinig over de kunst een levensecht personage te scheppen. Over een geloofwaardig verhaal. En zeker over de ontroering die je soms overvalt wanneer je meeleeft met een romanfiguur, kan een critica beter schrijven dan een criticus.

Myers overschat mijns inziens ook de invloed van critici. Ten eerste hebben de genoemde auteurs toch weinig echte bestsellers geschreven, in vergelijking met hun tegenhangers in de genrefictie. Paul Auster misschien, met zijn latere boeken. Ten tweede valt het wel mee met de mondigheid van de niet-professionele lezer. Wie even doorzet, vindt heel waardevolle kritiek van gelegenheidsrecensenten op Amazon.com. Zaken die je in klassieke recensies niet leest. Daarbij, echt een reader's manifesto, dus opkomend voor de rechten van de 'gewone' lezer, kan je een doortimmerd werk van een hoogleraar (iemand die analytisch heeft leren denken) natuurlijk ook niet noemen.

Een serieuze leemte is het gebrek aan historische duiding in het manifest. Myers legt niet uit hoe de situatie zo scheef heeft kunnen groeien. Zo valt misschien iets te zeggen over de insijpeling van Franse pomo in de Amerikaanse universiteiten. En dat terwijl Myers zo opgeeft over onze Europese literaire traditie!

Maar het grootste punt van kritiek lijkt me toch het gebrek aan een degelijk antidotum. Waar blijven de goede schrijvers in het manifest? Ook in deze extended version, en in tegenstelling tot wat Myers aankondigt, vallen maar met mondjesmaat leestips te sprokkelen. Hij noemt, tot mijn groot plezier, Isherwood en O'Hara. Hij noemt verder Dreiser en Bellow, en een trits mij onbekende namen. Maar wat met mijn twee grote ijkpunten in de contemporaine Amerikaanse literatuur, Roth en Updike? Hoe kijkt Myers tegen hen aan? Roth indachtig kan ik uit de losse pols meteen een categorie bijverzinnen: proza dat lijdt aan onwaarachtige psychologisch acribie.

Het is bizar. Ik heb overwegend zitten knikken bij Myers stellingen en praktijkvoorbeelden. Tegelijk was het alsof ik het meeste intuïtief al wist, zonder daar gedetailleerd over te hebben nagedacht. DeLillo sloeg mij al met verveling. Guterson interesseert me niet. Het weinige dat ik van McCarthy las deed me niks. Proulx vond ik goed, ja, maar ik voel de nood niet haar te verdedigen. En ook wat Auster betreft, kan ik Myers goed volgen. Als Auster dicht bij zijn autobiografie blijft, kan ik 'm zeer appreciëren; zijn metafysische raadseltjes laten me siberisch.

Maar als ik even op mijn tanden bijt, en een paar stellingen transponeer naar Europese voorbeelden, brengt Myers mijn zekerheden wel degelijk aan het wankelen. Is Saramago wel zo goed als ik 'm inschat? Is Sebald geen overspannen nostalg? Modiano een mislukte detectiveschrijver? Umbral een ordinaire woordkramer? Márai een sentimentele draak?

Eigenlijk schreeuwt A reader's manifesto om een Nederlandstalige pendant. Of, als je rekent dat Hans Goedkoop al prachtig werk heeft geleverd boven de moerdijk, een Vlaamse variant. Goedkoop liet mensen liggen als Cees Nooteboom, Leon de Winter, Allard Schröder. In Vlaanderen valt iets te zeggen voor een kritische doorlichting van Kristien Hemmerechts, Stefan Hertmans, Erwin Mortier, Dimitri Verhulst, Saskia de Coster, Leen Huet, Paul Claes, Guido van Heulendonk en Tom Lanoye. Maar dan zou je al die matige boeken ook nog moeten lezen...

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> het oorspronkelijke essay, in The Atlantic Monthly
> A reader's manifesto op Wikipedia
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

B.R. Myers, A reader’s manifesto
An attack on the growing pretentiousness in American literary prose
149 p.
Uitgeverij Melville House, 2002

____

3 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Een selectie non-fictie-titels uit Myers' boek, aangevuld met titels waarin in besprekingen ván zijn manifest werd naar verwezen:

Kitsch, Konvention und Kunst : eine literarische Streitschrift – Karlheinz Deschner
Required writing – Philip Larkin
The war against clich’s : essays and reviews – Martin Amis
World within walls : Japanese literature of the pre-modern era 1600-1867– Donald Keene
A dark night’s passing – Shiga Naoya
The paper door and other stories – Shiga Naoya
Writing a novel – John Braine
Postmodern American fiction : a Norton anthology – Mark Leyner
Class : a guide through the American status system – Paul Fussell
The art of fiction – David Lodge
The stories of William Sansom – William Sansom
The essays, articles and reviews of Evelyn Waugh – Evelyn Waugh
Panic among the philistines - Bryan Guinness
Intellectual sky-writing - Philip Nobile
American plastic - Gore Vidal
Kicking against the pricks - John Metcalf
When words deny the world - Stephen Henighan
Ripostes - Philip Marchand
This is our writing - T.J. Rigelhof


Door Myers aangeprezen fictie:

Sister Carrie – Theodore Dreiser
What makes Sammy run? – Budd Schulberg
Appointment in Samarra – John O’Hara
Hangover Square – Patrick Hamilton
The second curtain – Roy Fuller
Caleb Williams – William Godwin
The waiting years – Enchi Fumiko
Wild geese – Mori Ogai

Ben Hoogeboom zei

Die Nederlandse pendant bestaat al jaren: Gerrit Komrij. Een veel betere schrijver ook nog.

Anoniem zei

"Myers legt niet uit hoe de situatie zo scheef is kunnen groeien."
Goed Nederlands is: "...HEEFT kunnen groeien."; "kunnen" is een "infinitivus pro perfecto".

Related Posts with Thumbnails