dinsdag 30 maart 2010

Mijn Nederland - Geert van Istendael

Een halve boekenkast kan je vullen met boeken van Vlamingen die Nederland en Nederlanders die Vlaanderen ontdekken. In de eerste categorie is vooral Onder Hollanders (2001) van Steven De Foer een beginnerstip voor Nederlanders die willen weten hoe een genuanceerde zuiderbuur over hun land denkt. Met Geert van Istendael weet de lezer automatisch dat hij een veel taliger boek krijgt, en dat de lemmata in Mijn Nederland vooral zullen dienen om stokpaardjes te berijden.

Geert van Istendael (1947) wordt geboren in Ukkel, maar brengt zijn jeugd door in Utrecht, waar zijn vader vijf jaar lang het Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV) bestuurt, voor het hoofdkwartier naar Brussel verhuist. Het echtpaar Vanistendael (zoals de naam eigenlijk gespeld wordt) belandt in een protestantse buurt, maar brengt hun kind onder in een katholieke kleuterschool.

Het leert er lezen met de verhalen van Annie M.G. Schmidt (Ot en Sien krijgen een hoofdstukje in Mijn Nederland) en de methode aap-noot-mies. In die periode ontkiemt de liefde van Geert van Istendael voor puntgaaf gesproken en geschreven Nederlands, dat een paar jaar later ook in een andere verschijningsvorm terugkeert, het negatief daarvan — de afkeer voor alle vormen van taalverloedering, in Vlaanderen en Nederland. Ten zuiden van de grens het Nederfrans en het Verkavelingsvlaams ("Ebde gij dien auto goe geparkeerd?"), ten Noorden de overmaat aan verkleinwoorden en het Amsterdamengels ("Nou, dat is on wolking distuns, maar u laup wel heilemaal fukkeerd"). Het Nederlands zoals Lennaert Nijgh het schrijft en Boudewijn de Groot het uitspreekt zou volgens hem de norm moeten zijn.

Wanneer hij naar Vlaanderen terugkeert, gebeurt iets waarin ik mezelf herken. De puber die alleen maar wil lezen vindt zijn gading niet in het boekenaanbod van zijn vaderland. We schrijven eind jaren vijftig, begin jaren zestig, moet je rekenen: de katholieke censuur kent in onze contreien nog zedelijke quoteringen toe aan boeken, en leerlingen krijgen Claes, Streuvels en Timmermans op hun bord in plaats van Elsschot, Boon, Claus en Walschap.

Mijn leraars Nederlands ignoreerden Nescio, erger, ze hadden de naam nog nooit gehoord en in de boekhandels, waar ik uren lezend doorbracht zonder iets te kopen, want mijn zakgeld was bij het begin van de week altijd op, vond ik geen spoor. Sindsdien ben ik er rotsvast van overtuigd dat literaire canons schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Elke literaire canon wil de prachtigste boeken verstoppen, verdonkeremanen, wegmoffelen, in de duisternissen werpen, verbannen naar oorden van nooddruft. Wie literaire canons bemint, haat literatuur. De literaire canon is de boekverbranding van de gierigaard. Je hoeft niet eens lucifers te kopen. De literaire kanonnier is een van God verlaten grootinquisiteur. In de hel zal hij branden, op een mutsaard van zijn eigen dorre geschriften, methodisch en geestdriftig gestookt door de dichters die hij veroordeelde tot de vergetelheid. [uit 'Nescio']
Niet dat ik als middelbare scholier nog Heimatromans moest lezen in de jaren negentig. Neen, wat ik herken is dat geen enkele leerkracht me ooit warm heeft kunnen maken voor een binnenlandse schrijver, of wist aan te tonen dat er in Vlaanderen überhaupt een literaire cultuur bestond die het verdiende opgevolgd te worden. Op onze leeslijsten stonden Elsschot, Boon, Claus juist wel, maar ik heb in die zes jaar nooit iemand met een stuk krijt en bordenwisser gezien in wiens leven die schrijvers een zichtbaar verschil hadden gemaakt.

Ik wil niet veralgemenen — onderwijs is een zaak van een paar inspirerende leerkrachten en je moet gewoon de juiste mensen treffen — maar het punt is dat ik net als Van Istendael mijn literaire volwassenheid te danken heb aan Nederlanders. Hun boeken zagen er mooier uit in de bibliotheek, ze zeiden vinniger dingen in interviews, en je zag ze weleens opduiken in algemene televisieprogramma's.

Als ik in mijn puberteit al Vlaamse schrijvers las — Brusselmans, Lanoye, De Coninck — zaten die om een of andere reden ook al bij een Hollands uitgevershuis. Sterker, later bleken alle Vlaamse schrijvers die me interesseerden daar te zitten. En kijk, zonder Amsterdam bestond de Vlaamse literatuur niet, noteert Van Istendael, onder een gelijknamig kopje.
Toen Felix Timmermans zijn uitbundige Pallieter wilde publiceren en prompt de harde kromstaf van de bisschop op zijn krullenbol kreeg, trok hij naar Amsterdam, naar Van Kampen. We schreven 1916. De Kapellekensbaan, waarin Louis Paul Boon een experimentele taal gebruikt die het Aalsterse dialect oproept, verscheen in Amsterdam. Claus? Amsterdam. De Coninck? Amsterdam. Lanoye? Amsterdam. Nolens? Amsterdam. Uw dienaar? Amsterdam. Zonder Amsterdamse uitgevers bestond de Vlaamse literatuur niet. Trouwens, er bestaat alleen een Nederlandse literatuur, waarin je Brabantse, Surinaamse, Vlaamse, Hollandse, calvinistische, joodse, roomse en vooral veel gemengde afdelingen aantreft. Maar ik dwaal af. [uit 'Amsterdam']
Behalve Manteau was er in het Vlaanderen waarin Van Istendael groot werd geen enkele volwassen uitgever te vinden. Met 'volwassen uitgever' bedoel ik: een rendabel bedrijf van formaat dat met een kosmopolitische blik literaire romans publiceert. Soethoudt startte zijn activiteiten pas in 1964. Van Istendael zou er nota bene debuteren, maar publiceert sinds de vroege jaren zijn boeken in... Nederland. Het is overigens in die periode dat zijn liefde een tweede opstoot krijgt; in de jaren zeventig had hij het land wat verwaarloosd.

Voor dit boek maakte hij twee jaar lang uitstapjes naar Nederland, las Nederlandse kranten, keek Nederlandse televisie en doorploos thuis geschiedenisboeken en wetenschappelijke rapporten. Zijn bevindingen krijgen, zoals de Atlas-reeks 'Mijn...' het wil, hun beslag in tientallen makkelijk te verhapstukken hoofdstukjes, alfabetisch gerangschikt. Achtenvijftig in totaal: van '1830' (met 1585 de datum die het hart van orangist Van Istendael het meest doet bloeden) tot 'Zoeaven' ("Ze vochten voor de paus? Dubbel vreemd, dubbel vreemd. Welke Nederlander vecht nu voor de Heilige Vader?").

Mijn Nederland laat zich moeiteloos uitlezen. Omdat de schrijver zijn boek afwisselend documenteert met feiten en sentimenten. En omdat hij, zoals altijd, volmaakt Nederlands schrijft. Hier is een auteur aan het werk die even graag walgt als bewondert. Ode en reprimande liggen zo dicht bijeen, omdat Van Istendael dan pas ronkende volzinnen kan bouwen. Eindeloos gedubbelcheckte volzinnen.
Terwijl ik dit verhaal schreef heb ik de dikke Van Dale meer dan vierhonderdtachtig keer geconsulteerd. In dit stuk staan iets meer dan drieduizend woorden, dat betekent dat ik voor zowat één woord op zes de goede raad nodig had van de hoofonderwijzer uit Sluis en zijn hooggeleerde stedenhouders. Ik dank hen allen zeer. [uit: 'Johan Hendrik van Dale']
Er is de zorgeloze Van Istendael die nieuw bloed tracht te pompen in de sterotiepen die Hollanders zelf liever vermijden: 'Molens', 'André Hazes', 'Oranje' en 'Tulpen' ("dit is niet de baard van Calvijn, dit is de feestende prachtlievendheid van Ottomaanse kaliefen"). Er is de welwillende Van Istendael die naast het voorspelbare (maar daarom voor de Belg niet minder geestige) hekelschrift over bitterballen de lof zingt over het kruidenbitter beerenburg. En er is de ouderwetsige Van Istendael die, net zoals in zijn beste gedichten, op zoek gaat naar degelijke, ambachtelijk gemaakte dingen — klompen, of de meubels van Alexander Jacobus Kropholler. Prachtig hoe hij daarover schrijft.


Hoek van Holland, Akbar Simonse (2007); picture available under a Creative Commons license via Flickr

Edoch, nogal wat zaken die worden behandeld in het boek zijn niet typisch Nederlands, maar typisch West-Europees, typisch Westers. Dan gebruikt Van Istendael een toevallig Nederlandse sample om te kunnen doorbomen over zijn neurosen.

Gruwzame architectuur en ruimtelijke ordening is er daar een van. In Nederland kun je nog de grens zien tussen stad en platteland, verzucht de schrijver dan, terwijl België verziekt wordt door lintbebouwing — het gevolg van de wet-De Taeye (een katholieke minister die wou dat mensen hun woningen in eigen dorp bouwden, opdat ze niet onder invloed van de socialisten in de steden zouden komen). Van Istendael prijst het planmatige van de Nederlanders. Tegelijk overvalt hem een degout van te veel overzicht en mercantiliteit in de moderne binnensteden; typevoorbeeld: Almere ("Het is geen stadscentrum, het is een darmstelsel volgepropt met consumptiegoederen").

Zijn weerzin tegen de uitwassen van de vrije markt is nog zoiets. De overheersende ideologie vandaag is die van de zakenman, zegt Van Istendael. Ze wordt niet eens meer waargenomen als ideologie, wat het kenmerk is van overheersende ideologieën. Privatisering van overheidsbedrijven is slechts één van haar aspecten. Wat graag weerlegt hij tijdens een ritje met de trein of een bezoek aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie de "schandelijke hedendaagse leugen" dat privébedrijven beter zouden werken dan openbare instellingen. Liberalisering en individualisering gaan in zijn optiek trouwens hand in hand. Van Istendael bespreekt Schets van een beschavingsoffensief van G. van den Brink en prijst een term daaruit, 'de privatisering van het normbesef', een gedachte ook al eens beschreven in Leve het vooroordeel! van Theodore Dalrymple.

Wat Nederland werkelijk exotisch maakt voor mij, en de gemiddelde Belg, daar heeft hij het gelukkig ook over. Hoe een klein land als Nederland een zelfvertrouwen bezit dat in massiviteit niet hoeft onder te doen voor dat van Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië; zich zelfs gidsland waant. In het verlengde daarvan: het kale onbegrip (Van Istendael gebruikt de woorden in de opmaat van Het Belgisch labyrint) voor wat buiten de landsgrenzen ligt. In het verlengde dáár weer van: de grote mond die Nederlanders opzetten tegen al wat vreemd is en zich verbazen over de nare gevolgen die daarbij horen. Eén van de stukjes in Mijn Nederland heet 'Tact'. Een ander is getiteld 'Xenofobie'. Daarin wordt met een paar halen de geschiedenis van de Nederlandse verdraagzaamheid getekend, te beginnen bij de zeventiende eeuw, die zo tolerant voor Spinoza was geweest.
Een paar eeuwen later muteerde de Nederlandse verdraagzaamheid tot verzuiling. Je had je eigen kerk, je eigen school, je eigen universiteit, je eigen vakverbond, je eigen partij, je eigen zangkoor, je eigen zomerkamp, je eigen bakker en je eigen sigaren.
Niet eens één eeuw later muteerde de netjes verkavelde verdraagzaamheid tot algemeen wildplassen; vanuit het buitenland bekeken de doorgaans welingelichte waarnemers met stijgend onbegrijp de hasjdampen die uit de ramen van statige grachtenpanden omhoogkronkelden en de lange haren die van onder de helmen van de Nederlandse dienstplichtigen omlaagkronkelden. Wat zij niet zagen en nog veel minder hoorden, om de goede reden dat de meesten van hen geen woord Nederlands kenden, was de steeds wijder opengesperde brutale bek. Na provo en de bezetting van het Maagdenhuis heeft Nederland de brutale bek geïnstitutionaliseerd. Tussen de brutale bek en het vrije woord werd een gelijkheidsteken geplaatst. Aangezien het vrije woord in een democratie inderdaad onaantastbaar is, kon het grofste van het grove niet alleen bon ton worden, maar, we zijn in Nederland, vrienden, grofheid werd dus ook nog eens plicht.
Waarom plicht? In protestants Nederland moet en zal alles worden uitgepraat. Alles. De calvinisten zijn de nudisten van het woord. [uit: 'Xenofobie']
Zeer zeker onbegrijpelijk is het protestantse geloof. Niet eens de warboel aan kerken boven de Moerdijk, een krant als het Reformatorisch Dagblad, het bannen van rituelen, decorum, pastoors. Of het feit dat men er geen aardse instituten duldt die religieuze dogma's uitvaardigen. Neen. Dat laatste is begrijpelijk en zelfs te prijzen. Het gegeven dat een gelovige helemaal afhangt van de genade Gods, zonder dat zijn gedrag daar iets kan aan veranderen, dát vindt een katholiek van een absurde en onrechtvaardige hardvochtigheid. Bij uitbreiding zal hij ook de kilte van het calvinisme niet begrijpen, noch het bijbehorende gebrek aan generositeit en savoir vivre in het leven van alledag.

Het meest actuele van alle Hollandse bizarrerieën is echter de discrepantie tussen het zelfbeeld en de werkelijkheid. Onverschilligheid gaat in Nederland verkleed in tolerantie, conformisme wordt er vermomd als individualiteit, brutaliteit gelijkgesteld aan vrijemeningsuiting. En is Nederland wel zo exemplarisch-vredelievend? Tijdens de Eerste Wereldoorlog kon het mooi neutraal blijven. In de Tweede Wereldoorlog beschermde het gezagstrouwe Nederland de joden veel minder goed dan gedacht (in Nederland overleefde slechts een kwart van de joden de oorlog, in België meer dan de helft; Van Istendael stelt de vraag: "Wanneer wordt een gebrek aan inzicht schuldig?"). Er waren de militaire strafexpedities tegen Indonesische onhankelijkheidsstrijders. Er was Srebrenica. En het land voert nog steeds oorlog in Afghanistan.

Van Istendaels analyse van bovenstaande problemen — xenofobie, geen tact, verstoord zelfbeeld, verstikkende religie — is niet origineel en komt te laat. Een probaat middel wordt ook al niet aangeleverd, of overstijgt nauwelijks de Spielerei. Zo mijmert de schrijver dat een voortzetting van de Verenigde Nederlanden het katholieke en protestantse elkaar mooi in evenwicht hadden kunnen houden.
Denk na, handel, doe wat moet, met calvinistische ernst, met roomse genadigheid, met liberale buigzaamheid, met sociaal-democratische slagkracht. En af en toe een witz uit de ouwe Jodenbreestraat.
Voorts staat bescheidenheid hoog op zijn agenda — discretie is echt geen zelfcensuur. Het blinde geloof in Angelsaksische modellen moet verlaten worden. Doorgedreven pluralisme is een van de remedies ("Iedereen in de minderheid, het lijkt me een goed beginsel voor de organisatie van een maatschappij") en het poldermodel kan misschien dienen om een te sterke islam in op te lossen ("Binnen de kortste keren zal een dolerende islam ontstaan, een vrijgemaakte islam, een islam van gekrookte dadelpalmen, een islam binnen hersteld verband, een oud-islamitische islam, natuurlijk naast, onder, tussen, boven en tegen de vanouds bestaande facties").

Tot slot moet Nederland het beste van haar tradities behouden en herwaarderen. Het zuivere Nederland van dorpen en kleine steden, orde en regelmaat. Van fietsers. Van kaasmakers. Van schaatsenrijders!
Op dagen van ijs verandert Nederland. Dat was al zo in de somberste tijden, toen het land zich nog niet had bevrijd van normen en waarden. Schaatsers zijn uitgelaten, schuldeloos, zorgeloos. Ze zijn behulpzaam en een enkele keer zelfs voorkomend. Het werkelijk goede van de vaderlandse gastronomie wordt met volle teugen genoten: beerenburg en hete snert. De NV Nederland gaat voor een paar dagen dicht, ondanks de schrille kreten over concurrentie en competitie waarmee managers, politici en Europese Commissarissen de opwellende vreugde proberen te dempen. Tijdens die verlossende dagen is de wapenspreuk van de Nederlanders eendrachtig: vriezen we dood, dan vriezen we dood. En ze trekken nog een paar fraaie krullen. Voor al het andere zijn ze doof. Zou het toeval zijn dat Hendrick Avercamp, de beroemdste, en na Pieter Bruegel de Oude ook de beste schilder van ijspret, zelf doofstom was?
Zodra de natie ijsvrij krijgt flitst ze terug naar de hoogste bloei van haar beschaving, naar de zeventiende eeuw. [uit 'IJsvrij']
Een mooi boek dat om zijn liefhebberende miniaturen moet geprezen worden, niet omdat hier duidelijk een volk en een natie worden ontleed.

(Gebaseerd op notities van 30 oktober 2005)

> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Geert van Istendael, Mijn Nederland
382 p.
Uitgeverij Atlas, 2005

____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Is Nederland veranderd? - M. Anstadt
Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal
Het verdriet van Nederland : een Fransman stoeit met de Nederlandse ziel – C. Chartier
Intellectuelen in Nederland : publieke controversen over kernenergie, armoede en Rushdie – R. Gabriëls
De lage hemel : Nederland en de Nederlanders verklaard – H. van der Horst
De lege tolerantie : over vrijheid en vrijblijvendheid in Nederland – M. ten Hooven
De Lage Landen 1780-1840 – E.H. Kossmann
De engel van Amsterdam – G. Mak
Hoe God verdween uit Jorwerd – G. Mak
De eeuw van mijn vader – G. Mak
De herontdekking van Nederland : over vaderlandse mentaliteiten en rituelen – H. Pleij
Overvloed en onbehagen : de Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw – S. Schama
Verslag van een tocht door Nederland – G. van Westerloo
De levende have : een modern bestiarium – K. van Zomeren

En verder: Gerard den Brabander, J.B. Charles, Chr. J. van Geel, W. Hussem, Pierre Kemp, Freek van Leeuwen, Jacobus Revius, Daan Zonderland, Adriaan Morriën, Godfried Bomans, Jacques Presser (Ondergang), Joseph Kessel (Belle de jour) en Willem Barnard (Anno Domini : dagboeken 1978-1992).

Related Posts with Thumbnails