Leve het vooroordeel! - Theodore Dalrymple
Toergenjev schiep met de jonge arts Bazarov het prototype van de nihilist. De held uit Vaders en zonen (1862) was ook een held van mij. Bazarov heeft een afkeer van tradities en overgeërfde vormen van gezag, en hecht slechts waarde aan de wetenschap. Maar zie, in Leve het vooroordeel! maakt Theodore Dalrymple brandhout van dit soort hyperrationalisme en veegt in één beweging door de vloer aan met een moderne verschijningsvorm daarvan: het politiek correcte denken.
In de 29 hoofdstukjes van Leve het vooroordeel! trekt de Engelse conservatief Theodore Dalrymple evenveel korte sprinten aan, om met alle macht in te beuken op de vastgeroeste opvattingen over ethiek en goeie smaak. Wat Dalrymple (eigenlijk Anthony M. Daniels) schrijft, is zo contra-intuïtief, dat zijn boekje ook voor mij een bolwassing betekende. Leve het vooroordeel! is zeer leesbaar, en eigenlijk verplichte kost voor iedereen met vaaglinkse ideaalbeelden.
Dalrymple houdt in feite een lang pleidooi voor het vooroordeel. En dat is raar. Vooroordelen hebben al een tijdje een slechte naam. Omdat ze irrationeel zijn, ingegeven door ons buikgevoel, acht men ze verwerpelijk. Een fatsoenlijk mens, grijnst Dalrymple, moet tegenwoordig als een overspannen Descartes elke vraag die hem wordt voorgelegd rationeel benaderen. Elke opvatting moet door elk individu persoonlijk overdacht zijn, niet het produkt van overlevering.
Die trend hangt nauw samen met de kwalijke reputatie die elke vorm van gezag of autoriteit tegenwoordig aankleeft. Je ziet het ook bij bepaalde historici: de geschiedenis van het gezag verwordt te vaak tot de geschiedenis van het misbruik van die macht. Dalrymple geeft het voorbeeld van Australië, en de uiterst berouwvolle manier waarop historici lijken te schrijven over het lot van de Aboriginals.
Geschiedenis is zo'n beetje de opvolger geworden van het religieuze erfzondebegrip. Eenzijdige geschiedschrijving brengt de onvolmaaktheid van de mens en zijn tradities aan het licht. Dat inzicht verlost de hedendaagse mens van het gewicht van het verleden én dat van het gezag van het verleden. Als resultaat daarvan zadelt het hem wel op met de plicht om alles zelf te bedenken.
Hetzelfde idee speelt bij anti-autoritaire opvoeding: wie zijn wij immers om onze kinderen te vertellen hoe zij moeten leven? Dat lakse gedrag leidt ertoe dat kwalijke invloeden, reclame voor junkfood bijvoorbeeld, de gedaante van een natuurverschijnsel aannemen, zegt Dalrymple. Alsof ze onvermijdelijk zijn. En natuurlijk, wanneer ouders weigeren tussen te komen, kiezen kinderen bij gebrek aan ervaring altijd hetzelfde — dat wat ze nu direct het aantrekkelijkst of prettigst vinden.
Dalrymple zet in Leve het vooroordeel! een tegenoffensief in, dat overigens veel subtieler is dan de lofzang op onze blinde instincten, dat zijn intellectuele tegenstanders ervan willen maken. Hij wil dat we de voordelen van vooroordelen inzien, niets meer, niets min. Hij herstelt het begrip 'vooroordeel' in ere en maakt duidelijk dat een bevooroordeeld iemand nog geen fanaticus is — d.i. iemand die zijn eerste oordeel nooit meer aan een onderzoek wil onderwerpen. Hij wijst op de noodzaak van gezag, op het inprenten van vooroordelen, omdat ze onze sociale betrekkingen stroomlijnen (dat je beleefd moet zijn tegen mensen is zo'n vooroordeel, zo'n ongeschreven wet). En hij vraagt zich luidop af of we inderdaad zo vrij zijn van vooroordelen. Lees: of onze moderne opvattingen wel zo grondig beredeneerd zijn.
Dalrymple meent immers dat het verlaten van vooroordelen vaak is ingegeven door de drang zich koste wat kost te keren tegen de traditie. Progressieve mensen zijn doodsbang om zich te bezondigen aan kuddegedrag. Onconventionaliteit is ongeveer een deugd op zich. Daardoor wordt het ene vooroordeel geruisloos door het andere vervangen. Het vooroordeel dat het verkeerd is om buiten het huwelijk zwanger te worden, is omgeslagen in zijn tegendeel: het heeft plaatsgemaakt voor het vooroordeel dat daar helemaal niets mis mee is.
Het is Dalrymples diepste overtuiging dat zogenaamd soevereine geesten gewoonlijk niet zozeer bezwaar maken tegen een specifieke grens — tot hier en niet verder — als wel tegen het bestaan van grenzen als zodanig. Ze willen een leven zonder grenzen. Dit soort lui gaat er bijvoorbeeld prat op informele kledij te dragen bij begrafenissen. Dat is oprechter. Dalrymple: "Alsof schijnheiligheid zó gemakkelijk van het menselijke repertoire te halen is".
De populariteit van de cartesiaanse methode is niet het gevolg van een verlangen om een metafysische twijfel te verwijderen en zekerheid te vinden, maar juist van het omgekeerde: van het verlangen om alles in twijfel te trekken en zo het bereik van de persoonlijke vrijheid te vergroten, door bij voorbaat iedere filosofische basis voor het beperken van je eigen begeertes te vernietigen. De radicale scepticus is, vandaag de dag althans, niet zozeer op zoek naar de waarheid, maar naar vrijheid — dat wil zeggen: vrijheid voorgesteld als het grootste denkbare terrein waarop zijn grillen kunnen worden bevredigd.Grote boosdoener volgens de auteur van Leve het vooroordeel! is John Stuart Mill, en vooral de aanhangers van Mill die zijn gedachtengoed verkeerd hebben uitgelegd.
John Stuart Mill (1806-1873) had een streng rationalistische vader, die meende dat juist handelen kon worden gereduceerd tot een formule — namelijk dat dié handeling juist was die het grootste geluk gaf aan het grootste aantal mensen. Mill senior hoopte dat zijn zoon de ultieme belichaming zou worden van dit idee. Maar Mill junior kon dit niet bolwerken. De jongeman stortte in op zijn twintigste en ging onder invloed van romantische dichters als Wordsworth en Coleridge beseffen dat zo'n haast wiskundige zienswijze niet alle menselijke behoeften kon vervullen. In zijn Autobiography en het beroemde traktaat On liberty beschrijft hij hoe voor zichzelf het probleem heeft opgelost: via een synthese van de romantische cultus van het individu en het puriteinse utilisme van zijn vader.
In On liberty neemt Mill het op voor de individuele vrijheid en toont daarbij zijn misprijzen voor conventie en conformiteit. Hij stelt de vraag welke beperkingen legitiem aan de vrijheid van het individu mogen worden opgelegd. Omdat volgens Mill geluk bestaat uit de bevrediging van behoeften, moet politieke vrijheid bestaan uit de vrijheid om daarin te voorzien. Die vrijheid moet maximaal zijn. Mill rechtvaardigt de waarde van vrijheid op een utilitaristische manier. Zijn essay tracht de positieve effecten van vrijheid aan te tonen op alle mensen en op de maatschappij als geheel. In het bijzonder verbindt Mill vrijheid met de mogelijkheid tot vooruitgang en het vermijden van sociale stagnatie.
En die oplossing, die legitimering, zegt Dalrymple, was zo krachtig, in retorische zin in elk geval, dat ze sinds die tijd door een groot deel van de westerse intelligentia werd overgenomen. Mill deed het onmogelijke en verenigde de doctrines van Jean-Jacques Rousseau en Jeremy Bentham: al naargelang de ontwikkeling van zijn individualiteit wordt ieder mens waardevoller voor zichzelf, en kan hij zo ook waardevoller zijn voor anderen.
Dalrymple bekritiseert de denkbeelden van Mill, omdat die alleen konden ontstaan doordat zijn kennis van mensen uit andere standen dan de zijne tamelijk beperkt was. Mill leidde een teruggetrokken bestaan en zag onvoldoende in dat een mens geen eiland is. Ook moeten zijn ideeën, net als deze van Ruskin, Carlyle en Marx, gezien worden tegen het licht van een snel oprukkende geïndustrialiseerde wereld: negentiende-eeuwse denkers waren bang dat de mens tussen al die geautomatiseerde werkprocessen zijn individualiteit zou verliezen. Het probleem is dat Mills invloed tot ver reikt voorbij de negentiende eeuw.
De hele westerse filosofie bestaat, volgens de fameuze opmerking van A.N. Whitehead, de idealistische filosoof uit het begin van de twintigste eeuw, uit ‘voetnoten bij Plato’; de hele maatschappelijke gedragslijn van het Westen bestaat uit voetnoten bij Mill, zij het met consequenties waarvoor hij niet de minste waardering zou hebben gehad.Want werkelijk vervelend is de verkeerde manier waarop Mills ideeën door latere generaties werden uitgelegd. Dalrymple citeert met instemming de grote historicus Lord Acton, die zei: "Ideeën hebben hun uitstraling en ontwikkeling, hun eigen voor- en nageslacht, waarin mensen eerder de rol van peetvader en peetmoeder dan die van de wettige ouders spelen."
Het gaat om het volgende. Omdat geen enkele waarheid vaststaat, vond Mill dat er vrijheid van meningsuiting moest zijn. Hij ging zelfs een stapje verder, en stelde voorop dat die meningen uit jezelf kwamen; het mochten geen overgeleverde meningen zijn. Dat is niet minder dan absurd, betoogt Dalrymple tussendoor met de nodige voorbeelden — niet alle producten van eigen denkwerk hebben waarde. Erger is dat Mill zo langzaam de peetvader werd van een idee dat in feite niet helemaal het zijne is — namelijk dat de ene opvatting even goed is als de andere, zelfs bij feitelijke kwesties.
Een vulgair soott postmodernisme komt die opvatting via een andere invalshoek tegemoet. Als niets zeker is, wat betekenen feiten dan nog? Het zijn meningen. Zo wordt vrijheid van opvatting gelijkheid van opvatting: want wat betekent vrijheid zonder gelijkheid? Onzin natuurlijk, zegt Dalrymple. Wijze mensen twijfelen alleen aan dingen die de moeite van het betwijfelen waard zijn. Gezag is geen vies woord. Dat de Slag bij Hastings in 1066 plaatsvond, hoef ik zelf niet opnieuw te onderzoeken, en mag ik op gezag van historici aannemen.
Net zo mogen de meeste fatsoensnormen voetstoots aangenomen worden. In hoofdstuk 16 toont Dalrymple overtuigend aan hoe moeilijk het überhaupt is alledaags fatsoen te baseren op rationele basisprincipes. Neen, tot sociale deugden kom je voornamelijk via sociale vooroordelen, die door de ouders dienen bijgebracht. Pedagogie is weinig meer dan dat, het inprenten van de juiste vooroordelen. Metafysisch denken en reflectie volgen later. Eventueel.
Leve het vooroordeel! getroost zich grote moeite om de waarde van vooroordelen en sociale normen te onderstrepen, in tijden waarin het ronduit elitair bevonden wordt een onderscheid te maken tussen hoger en lager, beter en slechter, diepzinnig en oppervlakkig. Het gevaar dreigt om te beginnen dat alles wat niet verboden is, een recht wordt. Want uiteraard heb je het recht om die dingen te doen die door niemand mogen worden verboden. Dat werkt een radicaal individualisme in de hand "dat mensen doordringt van een diepgaand vooroordeel ten gunste van zichzelf en hun eigen ego". De sociale cohesie tussen de mensen neemt af, waardoor het leven alleen nog "wordt opgevat als een eindeloze expansie van consumptieve keuzes". Economische spelers hebben dan ook niets liever dan de versnippering van maatschappij.
Het radicale individualisme, vervolgt Dalrymple, heeft nog een ander paradoxaal effect: het vergroot de macht van de overheid over individuen. Want als alles wat niet verboden is wordt toegestaan, wordt de wet en dus de wetgever de morele scheidsrechter van de samenleving. En de mens is zwak: reken maar dat die wetgevers gaan genieten van de macht, in de vaste overtuiging dat ze die verdienen. Met andere woorden: hoe minder sociale vormen van gezag tussenkomen &mdahs; het gezin, de Kerk, beroepsorganisaties, enzovoort — hoe meer we centraal zullen worden aangestuurd.
Het is trouwens een noodlottige illusie te denken dat de mens van de grond af op geheel rationele wijze kan worden getuned. De mens wordt nu eenmaal geboren met vooroordelen. En dat is maar goed ook: we richten ons aandacht niet onwillekeurig op zaken, we richten onze aandacht op zaken die ons ten goede komen, die onze overlevingskansen verbeteren. Seksuele belemmeringen kan je misschien wegnemen, het onderdrukken van het verlangen naar exclusief seksueel bezit is al veel moeilijker.
Aangeboren egoïstische reflexen impliceren echter allerminst dat ons leven gepredestineerd is: "Niemand gaat ervan uit dat het aangeboren taalvermogen van de mens ook echt bepaalt wat hij gaat zeggen." Het komt er gewoon op aan die natuurlijke neigingen positief aan te wenden. Dalrymple noemt Adam Smith die, ook al wordt hij nu door links vaak als "apostel van het egoïsme" weggezet, vooreerst moraalfilosoof was. Het moreel stelsel van Smith bouwde verder op het inzicht dat elk mens geneigd is om met andere mensen te sympathiseren. Meteen een adequate definitie van psychopathie: het volstrekt ontberen van sympathie voor anderen.
Tot slot worden in Leve het vooroordeel! de gevaren opgelijst van een al te rationalistische ethiek à Bazarov. Belangrijkste noties: absolute gelijkheid bestaat niet, en het streven ernaar kan zelfs leiden tot tyrannie.
In de ogen der rationalisten zijn alle mensen niet alleen gelijk geboren, maar moeten ze ook gelijk worden behandeld. Er moet niet alleen sprake zijn van formele gelijkheid van behandeling — gelijkheid volgens de wet — maar die moet ook leiden tot de gelijke gevolgen, want als dat niet gebeurt, is de gepropageerde gelijkheid een farce.Maar klassendiferentiatie begint al bij de geboorte, stipt Dalrymple aan. Om die weg te werken zou je kinderen al van bij hun ouders moeten wegnemen, en dat zou een totalitaire dictatuur noodzakelijk maken. Daarnaast is het een fabeltje dat rijkdom per definitie leidt tot verarming van andere mensen. Is iemand armer geworden van de rijkdom van Bill Gates?
Dalrymple is kortom een fel tegenstander van al te grote overheidsinmenging. Sociaal achtergestelde klassen moeten niet gepamperd worden. Wijs ze gerust op hun verantwoordelijkheid. Hij vertelt hoe een hele Sikh-gemeenschap zich omhoogwerkte op de maatschappelijke ladder, door simpelweg te geloven in de waarde van inspanning en onderwijs. Ook hier speelde de kracht van een collectief vooroordeel, namelijk het bevoordelen van je naaste leefomgeving: het belang van het gezin gaat voor alles.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> zeer beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
Theodore Dalrymple, Leve het vooroordeel!
De noodzaak van vooropgezette ideeën
143 p.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2008
Oorspr. In praise of prejudice
The necessity of preconceived ideas (2007)
Vertaald door Jabik Veenbaas

1 reactie(s):
The nature of prejudice – Gordon W. Alport
Menace in Europe – Claire Berlinski
The theory of moral sentiments – Adam Smith
The mountain people – Colin Turnbull
Animal liberation – Singer
Obedience to authority – Stanley Milgram
God als misvatting – Richard Dawkins
The fire next time – James Baldwin
Een reactie plaatsen