Geen ochtend ter wereld - Pascal Quignard
Zoals ik bij het parfumeren ook geen heel flesje leegkap over mijn hoofd, maar omzichtig met de verstuiver speel, zo lees ik Franse literatuur. Echt grote schrijvers hebben ze niet meer in Parijs, maar er lopen een paar aardige specialisten rond die doen waar Fransen al eeuwen goed in zijn: schrijven over de schoonheid, de liefde, en de schoonheid van de liefde. Met inzicht, en zonder ironie. Pascal Quignard (1948) is er een van. Ik mag zijn boeken graag lezen — indien goed gedoseerd.
Geen ochtend ter wereld — allicht kennen meer mensen de verfilming van Alain Corneau, Tous les matins du monde — was een van de deeltjes waarmee Van Oorschot zijn Franse Bibliotheek op gang schoot, begin jaren negentig. De novelle van Pascal Quignard is een soort pendant in fictie van diens essay uit 1987, La leçon de musique.
In dat essay gaf hij een nogal mallotige verklaring waarom bijna alle componisten mannen zijn. Compensatiegedrag, zegt Quignard. In de puberteit slaat de kinderstem van een jongen aan het muiten en dat wordt aangevoeld als verraad. De muzikaal begaafde jongeman zoekt dan maar naar een nieuwe, pure manier om een 'stem' te geven aan zijn talent: via het muziekinstrument. En zie, in Geen ochtend ter wereld laat Quignard iemand van zijn hoofdpersoon, een virtuoze zeventiende-eeuwse gambist, zeggen dat hij
erin slaagde alle buigingen van de menselijke stem na te bootsen: van de zucht van een jonge vrouw tot de snik van een hoogbejaarde man, van de oorlogskreet van Hendrik van Navarra tot de zachte ademhaling van een kind dat ingespannen aan het tekenen is, van het onregelmatige gereutel dat het genot soms uitlokt tot de bijna sprakeloze ernst, met zeer weinig, en heel sobere, akkoorden, van een man die opgaat in zijn gebed.Ook de man waar het in het eerste deel van La leçon de musique over ging, Marin Marais, een koorknaap in het koor van de koning die wordt weggestuurd wanneer hij de baard in de keel krijgt, komt letterlijk terug. Ook in dit boek wordt hij de leerling van de (voornaamloos gebleven) monsieur de Sainte Colombe, de virtuoze gambist waarvan sprake.
Deze Sainte Colombe zou de geschiedenisboekjes alleen ingaan als de leermeester van de beroemd geworden Marin Marais. Quignard, die van Sainte Colombe juist de centrale held maakt, probeert hem recht te doen in zijn novelle, of liever: hij buit de paar gegevens die van deze historische figuur bekend zijn uit om er een feeëriek boek op te enten. Dat doen Franse schrijvers vaak, en zonder schaamte — denk alleen al aan Joseph Roulin, de postbode van Van Gogh van Pierre Michon.
De geraffineerde zinnen van Quignard — Prix Goncourt 2002 met Les ombres errantes — doen je bijna vergeten hoe schematisch de vertelling is. Er is de ernstige, jansenistische meester op de viola da gamba — een wereldverzakende weduwnaar die na de dood van zijn vrouw een hut in de tuin laat bouwen, in de takken van een moerbeiboom, en daar via zijn muziek in contact met haar treedt. En er is de koortsachtig ambitieuze Marin Marais (in de film gespeeld door Guillaume Depardieu en Gérard Depardieu) die na het verlies van zijn kinderstem op zijn zeventiende in de leer gaat bij de meester om zijn kunde op een ander instrument te vervolmaken.
Om de gestrengheid van Sainte Colombe te illustreren, laat Quignard dienaars van het hof aanrukken, die de begenadigde muzikant naar Versailles willen halen. Bevel van de koning! De gambist is echter niet onder de indruk van het profane kransje en berispt hun schaamteloosheid.
Ik verkies het licht van de ondergaande zon op mijn handen boven het goud dat hij me in het vooruitzicht stelt. Ik verkies mijn kippen boven de violen van de koning en mijn varkens boven uzelf.Muziek dient niet om te behagen, dient zelfs niet ter vermaak van de hoogste pieten. Muzikanten zijn geen circuspaarden die kunstjes vertonen voor de koning. Sainte Colombe wil met zijn kunst enkel een stem geven wat van zichzelf geen stem heeft. Hoe haalt de buitenwereld het in zijn hoofd dat het per definitie recht heeft op zijn bladmuziek?
Het is dezelfde les die de onstuimige Marin krijgt te horen, die het belang van ascese en gebundelde aandacht ook niet lijkt te begrijpen.
'U beheerst de houding van het lichaam. Uw spel is niet zonder gevoel. Uw streek is licht en danst. Uw linkerhand springt als een eekhoorn en sluipt als een muis over de snaren. Uw versieringen zijn vindingrijk en soms charmant. Maar muziek heb ik niet gehoord.'De leraar heeft twee dochters, Madeleine en Toinette, die ook musiceren. Met de oudste krijgt Marin een verhouding, en dat zorgt ervoor dat hij onder de moerbeiboom een tijdje naar de muziek van Sainte Colombe kan blijven luisteren, nadat deze hem eerst zijn congé heeft gegeven. Maar hij wordt ontdekt en moet nu voorgoed verdwijnen.
De jeugdige Marin Marais was aan gemengde gevoelens ten prooi bij het horen van de conclusies van zijn leermeester: hij was blij dat hij was aangenomen en kookte van woede bij de bedenkingen die monsieur de Sainte Colombe de ene na de andere naar voren bracht met even weinig emotie als had hij de tuinman jonge loten en zaaigoed aangewezen.
‘U zult van nut kunnen zijn bij het dansen voor de mensen die dansen.’ Vervolgde de laatste. ‘U zult de acteurs die zingen op het toneel kunnen begeleiden. U zult uw brood verdienen. U zult leven omringd door muziek maar musicus zult u niet zijn.'
Als Madeleine gestorven is, probeert Marin opnieuw in contact te komen met zijn vroegere leermeester. Sainte Colombe is inmiddels een oude man geworden, Marin heeft intussen naam gemaakt als een van de belangrijkste musici aan het hof van de Zonnekoning, aan de zijde van Couperin. Marin wil de muziek van Sainte Colombe redden van de vergetelheid. Maar of dat lukt?
Het geluid van de warme urine
Ik heb goeie herinneringen aan Geen ochtend ter wereld. Ik las het verhaal als jonge twintiger. Verrukkelijke avond. Setting en timing waren perfect. Het was op een feestje dat me verveelde; ik trok me terug in een belendende kamer (vol zilverwerk en schilderijen en antiek), deed de deur op slot, nam het parelmoeren boekje en las, op de achtergrond de typisch afgeronde klank van muziek waar een muur tussen zit. Ik was ook jong genoeg. Ik had nog geen idee waarin de Franse literatuur zich onderscheidde van, bijvoorbeeld, de Nederlandse of de Engelse.
Ik vond dat Quignard een juweel had geschreven. 'Een juweel uit één stuk' zeggen mijn notities van toen. Inmiddels kan ik de losse bestanddelen zien die in Geen ochtend ter wereld zitten. Het is toch vooral een fabel; een fabeltje in een marinade van kunstige beschrijving.
Ik zie deze novelle nu als een moderne nazaat van de préciosité — de literaire stroming in het Frankrijk van, jawel, de vroege zeventiende eeuw, waarin vooral geëmancipeerde vrouwen, maar ook enkele mannen, zich afzetten tegen de ruwe, mannelijke cultuur aan het hof van Hendrik IX en Lodewijk XIII. Precieuse literatuur was in feite één groot manifest tegen de ongemanierdheid. Van adel zijn alleen was niet meer genoeg, men moest nu ook over noblesse du coeur beschikken.
Kijk maar. Quignard zet zijn geaffecteerde held af tegen de vulgaire buitenwereld. De hele stijl van het boek is er een van bovenmenselijke, ultrasonore esthetiek ("Het geluid van de warme urine die door de sneeuw drong vermengde zich met het geluid van de sneeuwkristallen die geleidelijk smolten").
Wat de novelle moeilijk te weerstaan maakt, is dat onverwoestbare thema natuurlijk, de liefde over de dood heen, maar ook het sjabloon van de getormenteerde, hypersensitieve kunstenaar. Voorts blijft muziek heel dankbaar als grondstof voor een roman. Lezen over muziek is als kijken naar ballet op tv, met het volume op nul: een soundtrack als een lege mal, die iedereen naar wens kan invullen. Dat Quignard soms heel concreet wordt, doet er niet toe. Wie is thuis in zeventiende-eeuwse strijkmuziek?
Wat Quignard uiteindelijk redt, is zijn scènische aanpak. Het boekje gaat niet ten onder aan de introspectie die veel Franse romannetjes impotent maakt; het beschrijft juist heel filmisch wat er gebeurt, in 27 korte hoofdstukjes. Het hoeft niet te verbazen dat de schrijver in het jaar van publicatie al overging tot het maken van een scenario voor het witte doek. De blauwdruk was er al.
Meer van deze schrijver op Achille:
> Villa Amalia - Pascal Quignard
Ook besproken uit Van Oorschots Franse bibliotheek:
> Illustere voorgangers - Jean Rouaud
> Het roze huis - Pierre Bergounioux
> Meer - Jean Echenoz
(Gebaseerd op notities van 6 januari 2001.)
Pascal Quignard, Geen ochtend ter wereld
78 p.
Uitgeverij Van Oorschot, 1993
Oorspr. Tous les matins du monde (1991)
Vertaald door Marianne Kaas
____

1 reactie(s):
Het blijft gevaarlijk je oude liefdes te gaan fileren − of het nu vrouwen zijn of boeken: grote kans dat er niets van ze overblijft. Net als u werd ik door Geen ochtend ter wereld gegrepen toen ik het begin jaren negentig las. Dankzij de opnames van Jordi Savall en Wieland Kuijken met de Concerts à deux violes esgales du Sieur de Sainte Colombe kwam ik op het spoor van de film van Alain Corneau (mooi) en Quignards novelle (mooier).
U signaleert terecht dat het verhaal schematisch van opzet is, maar dat hangt juist samen met het feit dat in het boek zoals u ook vaststelt gelukkig weinig wordt nagedacht en het uit korte scènes is opgebouwd − iets wat u later terecht roemt.
Een jaar of wat geleden herlas ik het boek en viel mij op dat Quignard een romantisch perspectief had gekozen; dat van de kunstenaar die zich van de wereld afwendt. Eigenlijk een cliché, maar prachtig gedaan.
Er is nog steeds slechts een handvol gegevens bekend over Sainte Colombe, maar zeker weten we, en wisten we al toen Tous les matins du monde werd geschreven, dat niet alleen Marin Marais een leerling van hem was, maar ook zijn eigen zoon. Die zoon van Sainte Colombe komt niet in het boek voor, terwijl van hem ook composities zijn overgeleverd, waaronder een tombeau voor zijn pa. In plaats daarvan zijn er twee dochters en Marin Marais krijgt een verhouding met een van hen. Daarmee brengt Quignard, naast de zuivere liefde van Sainte Colombe voor zijn overleden vrouw, ook begeerte en lust in zijn verhaal.
Wat ik achteraf veel knapper vind dan toen ik het voor het eerst las, is de manier waarop Quignard de feiten naar zijn hand zet en een Sainte Colombe neerschrijft die tot leven komt. Zonder schaamte, zoals u zegt. Inderdaad: allemaal leugens en verzinsels! Tot en met geestverschijningen toe − hoe gothic kan het worden in de zeventiende eeuw?
Zijn stijl is in het Nederlands − en vast ook in het origineel − wat maniëristisch, maar hij laat zich nauwelijks verleiden tot de kwaal van de meeste historische romans met hun overdaad aan beschrijvingen van voorwerpen, gewoontes, gerechten, landschappen, stadsgezichten, geuren, markten. Hij begrijpt dat je personages, historisch of niet, tot de verbeelding van de lezer laat spreken door ze sterke karakters te geven en in dramatische situaties te plaatsen.
In mijn exemplaar vond ik potloodstreepjes bij enkele van dezelfde passages als die u citeert, waar Quignard probeert muziek in woorden te vangen. Die zullen dan wel echt de moeite waard zijn.
Dank voor deze blast from the past.
Een reactie plaatsen