maandag 22 maart 2010

De hasjkruiser - Henry de Monfreid

Als kind las ik avonturenboeken en detectives. Stevenson, Flanders, Verne. Dat hoort ook zo. Om een of andere reden sijpelde de belangstelling voor spannende verhalen weg in mijn puberteit. Ik ging dagboeken lezen, trage, melancholische schrijvers en dikke turven vol introspectie. Van die evolutie ben ik nooit helemaal hersteld. Toch ga ik soms nog eens op zoek naar wat ik 'jongensboeken voor volwassenen' noem: Casanova, Hemingway, Jack London. Of uit Frankrijk: Monfreid.

Henry de Monfreid (1879-1974) werd geboren in Leucate, Aude, Zuid-Frankrijk, in een keurige familie. Maar liever dan zich te settlen onder een azuurblauwe mediterrane hemel, wou Monfreid andere horizonten verkennen. In 1911 verliet hij Europa en trok, Arthur Rimbaud achterna, naar de Franse koloniën in Afrika. Monfreid wou zich vestigen zich in Djibouti, om er koffie te gaan verhandelen. Hij bouwde een dhow, een traditioneel Arabisch schip, en stak de Rode Zee over.

"Ik heb een rijk, rusteloos en magnifiek leven geleefd," zei Monfreid in 1974, kort voor zijn overlijden op vijfennegentigjarige leeftijd, en daar is geen woord van gelogen. Tussen 1912 en 1940 beleefde hij zijn gloriedagen. De handel bracht hem naar de kusten van de Hoorn van Afrika en het Arabische schiereiland. Het zou alleen niet bij koffie blijven: Monfreid deed in wapens, drugs, parels, hasj en morfine. (Betrokkenheid bij de slavenhandel van Afrika naar Arabië heeft hij altijd ontkend.) De burgerzoon was een piraat geworden.

Reizen deed Monfreid steevast per boot, altijd beducht voor de havenautoriteiten. Hij wist die te omzeilen door een 'harem' van moslimvrouwen mee te nemen aan boord. De kustwachten, vol schroom, lieten zo'n boot na een tijdje ongemoeid.

Monfreid kon overal gedijen omdat hij zich uitstekend wist aan te passen aan de inheemse bevolking en geen graten zag in opportunistische kunstgrepen. Zo werd hij in zijn Arabische periode moslim: hij liet zich besnijden en mat zich een islamitische naam aan, Abd-el-Haï (Dienaar van Hij die Leeft).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Monfreid, inmiddels een kranige zestiger, gevangen genomen door de Britten en overgebracht naar Kenia: hij had de Italianen diensten bewezen en zijn vrouw was de dochter van een voormalige Duitse gouverneur in de Elzas. Na de oorlog trok Monfreid zich terug in Ingrandes, een plaatsje in de Indre. Hij speelde er piano, schreef, schilderde en... verbouwde opium in zijn tuintje. De gendarmerie kreeg er lucht van, maar vervolging bleef uit. Opium had in die dagen nog een zeker artistiek cachet en Monfreid was nu eenmaal een meester-manipulator.

Dat schrijven deed Monfreid trouwens al lang. In de jaren dertig had Joseph Kessel hem aangemaand zijn avonturen op papier te zetten en dat bleek een uitstekend advies: veel van zijn ruim zestig boeken (Monfreid schreef als een gek) werden bestsellers. Op momenten dat de schrijverij te weinig geld binnenbracht, verpatste Monfreid schilderijen van Gauguin (die hij als kind gekend had) uit de familieverzameling. Later bleken die vals te zijn.

De aantrekkingskracht van Monfreid is goed te begrijpen: hij was een uitstekende verteller, spaarde zichzelf en zijn omgeving niet, en beschreef gebieden waar weinig Europeanen kwamen. De kusten van Afrika en het Arabische schiereiland leenden zich in die dagen nog niet voor snoepreisjes.

Pas als je gigantische angsten hebt doorstaan, de bodem van je zwakheid tegenover de natuur hebt meegemaakt, doodsbang bent geweest en zonder getuigen bovennatuurlijke krachten hebt aangeroepen, pas dan word je bescheiden en kun je bepalen hoeveel medelijden je mag hebben met jezelf en met alle andere verwaande kwasten die de wereld bevolken.
De bekendste boeken zijn Les secrets de la mer Rouge (over zijn avonturen in de wapenhandel) en La croisière du hachich, waaruit bovenstaand citaat komt. De hasjkruiser is het verslag van een drugssmokkel in de jaren twintig. Hasj werd toen onder meer in Griekenland geproduceerd en in Egypte verkocht. Monfreid vertelt ons in zijn boek hoe hij, niet gehinderd door warenkennis of kennis van vaarroutes, en ondanks de strenge grenscontroles en de doortraptheid van zijn zakenpartners, 600 kilo hasj op een klein zeilschip weet te transporteren naar het land van de piramiden.

De hasjkruiser is ook als Penguin Classic verschenen, en dat is volledig terecht. Dit boek lezen, dat is de spanning proeven, misschien niet van de pionier, maar dan toch van de waaghals. Monfreid is direct, nieuwsgierig en verstoken van alle sentiment. De Fransman, niet toevallig bewonderd door Edgar du Perron, leeft pas op bij de aanblik van gevaar en houdt ervan de strijd aan te binden met de elementen:
Als ik een idee of een plan heb bekijk ik alles uitsluitend vanuit het gezichtspunt van het doel. Het doel staat altijd als een soort filter tussen mij en de buitenwereld in en laat alleen die gewaarwordingen door die er direct mee in verband staan. Dat is bijna ziekelijk.
Monfreid wist ook dat de mens in al zijn dadendrang niets vermag tegen de kracht van de natuur: wanneer hij uiteindelijk de piramiden in ogenschouw neemt, verveeld, vol onbegrip, kan hij zich snel genoeg uit de voeten maken.

Hij is bovendien een hele goeie observator, en een mensenkenner. Hij maakt zijn handen vuil, gaat om met matrozen, smokkelaars en bureaucraten, en kent het dierlijk instinct van de mens uit de eerste hand. Met sympathie tekent Monfreid de primitieve inheemse bevolking en laat die soms positief afsteken tegen het klatergoud van het Franse koloniale bestuursapparaat. En wanneer iemand die veel meemaakt ook nog eens kan schrijven, ontstaat vanzelf een aantrekkelijk boek.
De twee mannen springen op alsof er een bom midden in de kamer is gevallen. Zij werpen verschrikte blikken op de deuren.
‘U bent rampzalig,’ zegt de chef van de douane half lachend half serieus tegen me, ‘je kan wel zien dat u het niet weet, maar hasj is streng verboden in Egypte!’
‘Werkelijk?’ zeg ik lachend alsof ik stomverbaasd ben. ‘Dat wist ik niet. Maar ik heb gelezen dat het wel gerookt wordt, en ik zou graag eens willen zien wat het is.’
‘Zeker, het wordt gerookt… En veel zelfs. Maar je mag er nooit over praten. Pas op dat u dat woord nooit uitspreekt in Egypte.’
De dokter lacht stilletjes.
Na deze emoties en in afwachting van het late avondmaal, gaan we de commandant opzoeken.
Het is een Maltees, en zoals alle Maltezen in overheidsdienst aapt hij de Engelsen na alsof hij zich erop toelegt een karikatuur van ze te maken. Hij toont een duidelijke minachting voor alles wat Egyptisch is; hij spreekt hen aan met de koele beleefdheid die wordt gebruikt voor stijlvolle bedienden tot wie je je alleen richt om orders te geven. Daarbij vermijd je elk oogcontact, zoals het hoort wanneer je tegen onpersoonlijke mensen in de derde persoon spreekt.
Al bij de ingang golf- en tennisuitrusting aan de muur, Engelse gravures die de geschiedenis van de Mail Coach en de Pickwick Club voorstellen.
Als we het grote en door een glazen venster verlichte vertrek betreden, gaat de man schuil achter de Times waarboven rookwolken opstijgen. Rocking-chair, whisky soda, geur van Virginia-tabak.
Eindelijk gaat de krant naar beneden en lijkt de man zich bewust te worden van onze aanwezigheid. Hij heeft niets van een Angelsaks, ondanks zijn Oxford-vest met leren knopen en geborduurd wapenschildje. Hij heeft een donkere huid en zwarte haren als een Boliviaan, hij is zorgvuldig geschoren, maar de baardhaartjes liggen zo dicht opeen dat zijn gezicht blauw is tot onder zijn slapen. Borstelige wenkbrauwen, gitzwarte ogen en een grote neus met diepe neusgaten waaruit allemaal haartjes steken waar je je ogen niet van af kunt houden. Hij spreekt Italiaans, met de heldere klank van de mediterrane volken. Ik moet meteen aan de onbeschofte gondeliers van zijn geboorte-eiland denken.
Niettemin is Monfreid een kind van zijn tijd: de koloniale wantoestanden (van de Engelsen, de Fransen, de Italianen) worden wel beschreven maar niet als dusdanig herkend.

Wie de heroïek van deze Franse schavuit wil bijgesteld zien, die leze Mes secrets de la Mer Rouge (1981) van dochter Gisèle de Monfreid. Daarin vertelt ze hoe het was om haar jeugdjaren in Djibouti te moeten doorbrengen met een dominante, opgefokte vaderfiguur.

(Gebaseerd op notities van 1 januari 2007.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://www.henrydemonfreid.com/

Henry de Monfreid, De hasjkruiser
256 p.
Uitgeverij Amber, 1991
Oorspr. La croisière du hachich (1933)
Vertaald door Arnan Oberski

____

2 reactie(s):

De papieren man zei

Het is Du Perron, met twee r

Goed dat Monfreid eens opgevist wordt

Achille van den Branden zei

Met dank.

Te veel Cortázar gelezen, de laatste tijd.

Related Posts with Thumbnails