Niet als de anderen - André Gide
In dagboeken en memoires zoek ik vooral introspectie. Geef mij niet de avonturiers met een rijkgevuld leven. Geef mij de woelwaters, die grote problemen hebben om hun geestesleven waterpas te houden. André Gide (1869-1951) probeerde een leven lang in het reine te komen met zijn protestantse opvoeding en zijn homoseksualiteit, ook al omdat financiële welstand hem te veel tijd liet om over zijn leven na te denken. In Niet als de anderen memoreert hij zijn jeugdjaren.
Niet als de anderen (Si le grain ne meurt) vormt naast de dagboeknotities van Het innerlijk blauw de tweede grote Gide-vertaling van Mirjam de Veth uit 2006. André Gide beschrijft er zijn eerste vijfentwintig levensjaren in, tot en met het moment waarop hij zich eindelijk verlooft met zijn platonische liefde, het twee jaar oudere nichtje Madeleine Rondeaux. Niet als de anderen maakt de oude vertaling Als de graankorrel niet sterft uit 1970 overbodig. Afgezien van die desastreuze titel heeft De Veth het boek in soepel en aantrekkelijk Nederlands omgezet.
In haar inleiding schetst ze de grillige ontstaansgeschiedenis van het boek en de manier waarop die verweven is met Gides leven. Gides interesse voor zijn kindertijd ontkiemt in 1894, wanneer hij zijn moeder vraagt een overzicht te geven van zijn jeugdjaren en de bepalende data daarin. Pas vanaf 1916 begint hij met zekere regelmaat herinneringen te noteren, niet malend om chronologische volgorde of herhaling.
Si le grain ne meurt zal uiteindelijk uit twee delen bestaan. Hoofdstukken 1 tot en met 8 heeft Gide voltooid eind 1917. De eerste vier hoofdstukken daarvan zijn, in de woorden van De Veth, "donker, zwaar aangezet om de invloed van de ontmoeting van de engel, de bevrijdster Madeleine aan te zetten." De vier daaropvolgende zijn lichter van toon: de vriendschap met de veel oudere neef Albert doet zijn liefde voor muziek ontwaken, en Gide krijgt toegang tot de bibliotheek van zijn vader, waarvoor zijn moeder hem heel lang te jong vond. Op school ontmoet hij bovendien een geestverwant in de persoon van Pierre Louis, die later bekend wordt als de schrijver Pierre Louÿs.
In juni 1918 vertrekt de schrijver naar Londen. Tijdens zijn afwezigheid gebeurt iets wat hem blijvend zal tekenen. Madeleine, alleen achtergebleven in het kasteel van Cuverville, ontdekt in Gides correspondentie passages over homo-erotische avontuurtjes en verbrandt in een vlaag van wanhoop alle brieven die hij haar in dertig jaar schreef. Dat ontdekt Gide als hij na zijn reis data wil verifiëren voor zijn memoires. Het heeft zijn weerslag op de twee laatste hoofdstukken van deel één. De fut is eruit.
Daarna legt Gide niettemin de laatste hand aan wat deel twee zal worden. Daarvan waren in 1910 al grote stukken ontstaan, toen hij zijn herinneringen aan zijn eerste Noord-Afrikaanse reis neerschrijft, de setting van zijn homoseksuele ontgroening. Gide betracht in deel twee een voor die tijd ongewone openheid over zijn geaardheid, al wordt het seksuele verkeer meer gesuggereerd dan beschreven.
In 1920 verschijnt in Brugge een eerste oplage van Si le grain ne meurt, voor een beperkt publiek. De eerste volledige publieksuitgave wordt gedrukt in 1924 en belandt in de verkoop vanaf 1926, na publicatie van Les faux-monnayeurs (De valsemunters).
Niet als de anderen is geen mis boek. Dezelfde combinaties van anekdotiek en jeremiade, arrogantie en zelfbeschuldiging die Het innerlijke blauw tot zo'n prachtig journal maakten, vind je terug in Niet als de anderen, maar dan in volgehouden narratieve vorm. Misschien dat de vertaalster daarom haar dagboekselectie beperkte tot de interbellumjaren, in de wetenschap dat Niet als de anderen de vroege jeugd coverde. Een geboren verteller is Gide niet — daarvoor weet hij zijn innerlijke contradicties onvoldoende glad te strijken — maar hij schrijft direct en fris van de lever. Al klinkt zijn proza in het Nederlands banaler dan in het Frans.
Ik herinner me mezelf op die onschuldige leeftijd waarop men een kind graag louter als een open, teer en zuiver zieltje ziet, alleen als teruggetrokken, lelijk en achterbaks.Prehistorische menstypen
André Gide is de zoon van een protestantse vader uit de Midi en een protestantse moeder uit een Normandisch gezin met een voorgeslacht van bekeerde katholieken. Hij wordt streng opgevoed, al is zijn vader iets inschikkelijker dan zijn moeder. "Mijn moeder was van mening dat een kind moet gehoorzamen zonder te willen begrijpen, en mijn vader was geneigd me altijd alles uit te leggen." Het gezin woont op verschillende adressen in Parijs. De Gides zijn vermogend, houden er huispersoneel op na, en verblijven tijdens de zomervakantie op een geërfd buitenverblijf op La Roque-Baignard, in de Calvados: een kasteel op een klein eilandje waar de kleine André naar hartelust de natuur kan exploreren en verstoppertje spelen.
Paul Gide sterft als André elf is, waarna Gide wordt opgevoed door zijn moeder en zijn tante. Onderwijs volgt hij, met tussenpozen vanwege zijn labiele gezondheid en tal van psychosomatische kwalen, op de Parijse École Alsacienne. Daar komt hij er in confrontatie met zijn medeleerlingen achter dat hij protestants is, "want katholieken geloven in de Maagd Maria". Dat heeft belang in een land als Frankrijk, waar iedereen de aangeboren behoefte voelt zich te legitimeren en partij te kiezen, republikeins of monarchistisch, katholiek, protestants of goddeloos. De puriteinse opvoeding zal voor de jongvolwassen schrijver de voedingsbodem zijn van zowel frustraties als creatieve successen.
De kerstvakantie brengt André door in Rouen bij de familie van zijn moeder; de paasvakantie in het afgelegen Uzès in de Cevennen bij zijn grootmoeder langs vaderskant. In Niet als de anderen beschrijft hij Uzès als een enig mooi plaatsje — "Als je in Umbrië zou liggen, zouden de toeristen uit Parijs toestromen om je te bezichtigen" — waar een soort "prehistorische menstypen" wonen: vrome, gestrenge lieden net zoals zijn grootvader, die de herinnering in ere houden aan de achtervolgingen waaraan hun voorouders, de hugenoten, hebben blootgestaan. Gide wordt heen en weer geslingerd door de tegenstrijdige impulsen van zijn vader en zijn moeder, en beide families waar hij vertoeft.
Maar juist uit de producten van een kruising in wie tegengestelde eisen naast elkaar bestaan, die alleen maar toenemen als men probeert ze op te heffen, komen volgens mij scheidsrechters en kunstenaars voort.Gide schrijft zijn memoires op zoals ze zich aandienen, zonder een poging ze te ordenen of "de lege kamers van zijn geheugen achteraf te stofferen". Hij groepeert zijn herinneringen hooguit rondom plaatsen en mensen. Hij geeft niet om lacunes en expliciteert zijn verwarring als een bepaalde historie duister blijft. Niet als de anderen maakt sprongen in de tijd, en de lezer moet meespringen. Tegen zijn goede vriend Roger Martin du Gard legt Gide uit hoe hij tewerkgaat: zijn geheugen belicht zijn jeugd niet lineair of chronologisch, maar "als een lichtbundel die een halve boog aftast", voortdurend zwenkend van links naar rechts.
Zeker in het eerste deel van het boek houdt Gide van interieurbeschrijvingen, die kennelijk als solide mentale plattegrond dienen om de portrettengalerij op te bouwen die Niet als de anderen voor een groot stuk is. Tot de gedenkwaardigste profielen behoren: Anna Shackleton, de gourvenante van zijn moeder, met een voorliefde voor plantkunde; Auguste Gueroult, Gides muziekleraar tussen 1878 en 1883; Albert Démarest, de twintig jaar oudere kunstzinnige neef waar Gide erg naar opkijkt; en de heren Vedel en Bauer, leerkrachten die hem als kostganger in huis namen, toen Gide op pension moest.
Naar vrijmoedige hedendaagse maatstaven springen Gides jeugdmemoires in het eerste deel niet echt uit de band. Niet door wat hij vertelt, en niet door de manier waarop. "Gides grootste kwaliteit is zijn vermogen, zijn behoefte om tegen zichzelf in te denken", schrijft Mirjam de Veth terecht in haar inleiding, maar dat spektakel speelt zich veel meer in Gides dagboeken af dan in dit boek, althans in het eerste driekwart daarvan.
Onder de meest memorabele bladzijden uit het eerste deel noem ik niettemin: die keer dat Gide bij een protestants gezin belandt, na zich te hebben overslapen in een trein (p. 51); de jonge André die zich verlekkert aan de naakten in het Musée du Luxembourg (65); met onderdirecteur Brunig naar de Jardin des Plantes en de galerij met opgezette dieren (84); het zelfgemaakte krantje met fragmenten uit Buffon en Boileau (95); Gides verblijf in Lamalou-Le-Bas, de badinrichting voor zenuwlijers (110); zijn ontluikend doodsbesef (124); het pianoconcert van Anton Rubinstein (152); de blijde intrede in de bibliotheek van zijn vader (176), zijn vriendschap met de latere dichter Pierre Louÿs (hfdst. 7) en zijn Flaubertiaanse tocht door Bretagne (215).
Even mythisch, fragmentarisch en mysterieus als in de openingsbladzijden van Het innerlijke blauw komt de verschijning van Gides nichtje langs moederskant opzetten. Al vroeg neemt hij zich voor deze Madeleine Rondeaux te trouwen. Hij heeft haar getroost toen ze de amant van haar moeder ontdekte, en heeft sindsdien een niet te stuiten geestelijke genegenheid voor haar opgevat. Zij kleurt zijn wereld en zal hem inspireren tot zijn literaire debuut.
De bijzondere belangstelling die ik nu overal in stelde kwam vooral voort uit het feit dat ik Emmanuèle voortaan altijd bij me voelde. Ik wilde haar direct deelgenoot maken van alles wat ik ontdekte, en mijn vreugde was pas volmaakt als zij die deelde. In de boeken die ik las schreef ik haar voorletters naast iedere zin die ik treffend, mooi of behartenswaardig vond.Natuurlijk verbiedt de moeder van Gide deze incestueuze liaison. Hij moet met zijn kameraadjes spelen en ondergaat het culturele programma (muziek, schilderkunst, poëzie) dat zijn moeder in petto heeft om zijn smaak en oordeelsvermogen, en die van haarzelf, te ontwikkelen. Gide vangt ook lang bot bij Madeleine, zelfs wanneer hij zijn debuutboek Les cahiers d'André Walter helemaal op haar toespitst. Kort na zijn moeders dood zal Gide zich toch met de twee jaar oudere Madeleine — in zijn boeken Emmanuèle, Em. of M. — verloven. Niet als de anderen eindigt ermee. (Het huwelijk blijft aseksueel en kent grote dalen, deels door Gides buitenechtelijke jongensrelaties.)
Deel één eindigt in de Parijse praatsalons, waar de jonge Gide aansluiting probeert te vinden bij het literaire wereldje, dat dan nog wordt overheerst door symbolistische dichters en Parnassiens: Stéphane Mallarmé, José-Maria de Heredia, Henri de Régnier, Francis Vielé-Griffin, Robert de Bonnières en Albert Mockel. Wanneer Bonnières de aankomende schrijver verplicht de aard van zijn werk uit te leggen in één allesomvattende baseline, riposteert Gide schuchter met ‘We moeten allemaal ergens voor staan.’
Het begon me te dagen dat plicht misschien niet voor iedereen hetzelfde was en dat God zelf weleens een hekel kon hebben aan die gelijkvormigheid waartegen de natuur protesteerde, maar waarnaar het christelijk ideaal volgens mij streefde omdat het de natuur wilde temmen. Ik accepteerde alleen nog een individuele moraal, ook al stelde die soms tegenstrijdige eisen. Ik raakte ervan overtuigd dat ieder mens, of althans iedere uitverkorene, een rol had hier op aarde, zijn eigen unieke rol, die op geen andere leek, zodat iedere poging om zich te onderwerpen aan een gemeenschappelijke regel in mijn ogen een veraad was, jawel, een veraad, dat voor mij hetzelfde was als de grote zonde tegen de Geest, ‘die niet vergeven zou worden’, waardoor het individu zijn unieke, onvervangbare betekenis, zijn ‘eigen smaak’ zou verliezen, die hij niet meer zou terugkrijgen. Ik had als motto voor mijn Journal dat ik toen bijhield een Latijnse zin opgeschreven, die ik ik weet niet meer waarvandaan had gehaald: Proprium opus humani generis totaliter accepti est actuare semper totam potentiam intellectus possibilis. [Uit de Monarchia van Dante: Het is de taak van de mensheid in haar geheel om voortdurend alle vermogen van de mogelijkheden van de geest om te zetten in daden.]

Château de Cuverville, woonst van André Gide en Madeleine Rondeaux van 1900 tot 1928. Foto overgenomen met de vriendelijke toestemming van schrijver Renaud Camus. De hele Flickr-galerij van Camus zij bij deze warm aanbevolen.
Leven zonder adelaar
Bovenstaande bekentenis is een mooi opstapje naar het bijwijlen verzengende tweede deel, de resterende vijftig bladzijden waarin Gide verhaalt over zijn reis naar Tunesië, Algerije en Sicilië. Ineens geeft het lome eerste deel (tweehonderd bladzijden) een interessant contrast te zien met het tweede (vijftig bladzijden), waardoor ook de lezer prettig wordt opgeruid. Zo traditioneel Gides kindertijd is in deel één (het literaire cliché van de overgevoelig eenling in een bekrompen omgeving), zo bevrijdend is deel twee. De overtocht naar Afrika, in 1893 ondernomen met zijn boezemvriend de schilder Paul Laurens, krijgt onder de pen van Gide iets van een hemelvaart. Aan de andere kant van de Méditerranée komt hij seksueel tot ontluiking. Voor het eerst zet hij God opzij, van wie hij het niet langer pikt niet volgens zijn aard te mogen leven. Voor het eerst ook hoeven de vleselijke verlangens van zijn lichaam niet te wachten op de goedkeuring van zijn geest.
Destijds moest ik alles nog ontdekken, ik moest én kwaal én het geneesmiddel uitvinden, en ik weet niet welk van beide ik het vreselijkst vond. Mijn puriteinse opvoeding had me zó gevormd, en bepaalde dingen zo belangrijk gemaakt, dat ik me niet kon indenken dat de vragen die mij kwelden niet de hele mensheid en ieder mens individueel bezighielden. Ik was als Prometheus, die zich erover verbaasde dat je kon leven zonder adelaar, zonder je te laten verslinden. Overigens hield ik van deze adelaar zonder het te weten, maar ik begon met hem te schipperen.En Gide, geruggesteund door de kritiek van Roger Martin du Gard (die het manuscript tot dan toe al te terughoudend vond), wil in zijn boek de zaken die zijn gevoel en gedachten beroeren in hetzelfde licht laten zien als waarin hij ze toen zag, zonder ze al te veel laten kleuren door zijn oordeel achteraf. Gides geheim moet eruit: omdat hij geen vertrouwen heeft in postume publicaties, en omdat de aanval de beste verdediging is. Zoals hij schrijft in zijn dagboek op 19 januari 1917:
Ik schrijf deze herinneringen niet om me te verdedigen. Ik hoef me niet te verdedigen, want ik word niet beschuldigd. Ik schrijf ze vóór ik beschuldigd word. Ik schrijf ze om beschuldigd te worden.De reis brengt naar Gide naar Algiers, Kairouan, Biskra en Syracuse. Hij ervaart hoe zijn driften worden "heropgevoed" door de mohammedaanse muziek, de inheemse jongelingen en de zeden van de Oulad Naïls-stam, die hun dochters zonder schaamte naar de stad brengen als ze ternauwernood de huwbare leeftijd hebben bereikt. Na een paar jaar kunnen ze dan weer naar hun geboortestreek terugkeren, mét een bruidsschat. Gides Afrikaanse reis levert prachtige gevoelsuitstortingen op (p. 272, 298 en 312). Niet als de anderen is de verzoeking van Sint-Antonius in de woestijn, maar dan met een protagonist die wel aan zijn opwellingen toegeeft. Gide maakt verschillende nummertjes met plaatselijke knapen.
Eentje snijdt de in elkaar verstrikte veters die hij als ceintuur draagt los met een dolk, waardoor zijn broek op de grond zakt en naakt voor Gide staat, "als een god". In Blidah ontmoet Gide dan weer Oscar Wilde en lord Alfred Douglas als hij hun namen spot op de gastenlijst van zijn hotel. Gide portretteert het tweetal levensecht. Wilde bedekt zijn oprechtste gevoelens, zijn slapte en gebrek aan wilskracht onder een mantel van aanstellerigheid, in tegenstelling tot de extraverte, cynische, schaamteloze en snel verveelde Douglas. Toch is het Wilde die Gide seksueel op sleeptouw neemt. De Ierse dandy sluit zich op met een aantrekkelijke darboekspeler; Gide eindigt in het achterste kamertje met de kleine Mohammed, waarmee hij vijf keer het hoogtepunt bereikt.
Het zou heel gemakkelijk zijn dit weg te laten of het om te buigen naar wat geloofwaardig is, doch ik streef hier geen geloofwaardigheid na maar de waarheid, en verdient de waarheid niet het meest gezegd te worden wanneer zij het minst geloofwaardig is?Niet als de anderen eindigt even wrang als ontroerend. Voor ontroering zorgt de serene hulde die Gide brengt aan het sterfbed van zijn moeder. "Ik voelde vooral bewondering voor de voortdurend inspanning die haar leven was geweest om steeds dichter te komen bij alles wat haar beminnenswaardig leek of verdiende bemind te worden. Ik was alleen in die grote kamer, alleen met haar, en ik was aanwezig bij het plechtige binnendringen van de dood (…)" Erg wrang is dan weer, in het licht van alle voorgaande avontuurtjes, de verloving van Gide met de preutse Madeleine. Want reken maar dat zelfs Gides bekentenissen selectief zijn. Hij liegt niet, maar verzekert zich wel van het juiste moment en het juiste publiek om tot bekentenissen over te gaan, en verbloemt waar nodig.
Blijft over de vraag: waarom zou een moderne lezer (ik bedoel: wie niet per se met zijn homoseksualiteit worstelt) dit boek ter hand moeten nemen? Zijn Gides jeugdherinneringen een omweg waard? Neen, wat mij betreft, voor wie een tijdloos meesterwerk verwacht van een beroemde Nobelprijswinnaar. Ja, zeg ik, voor iedereen die de moeilijkheidsgraad kan navoelen van Gides openhartigheid: dit boek verscheen in een tijd dat de biografen van Whitman en Rimbaud de homoseksuele aard van hun onderwerp nog wegpoetsten.
Ja ook, voor wie in deze tijden van behaagziek kitschproza haast vergeten is dat de Franse literaire traditie er ooit een was van precies en onversierd proza — een fiere bloedlijn die reikt van Stendhal over deze Gide naar Jean-Paul Sartre. Voor Gide was een goede prozatekst zeldzamer dan een goed vers. Hoe ouder hij wordt, hoe meer hij alle mooischrijverij weert. Wanneer hij ergens in Niets met de anderen zijn debuut (André Walter) openslaat, ergert hij zich aan de geëxalteerde toon.
Ik was destijds dol op woorden die alle ruimte laten aan de verbeelding, zoals onzeker, oneindig, onzegbaar — en op die woorden deed ik steeds een beroep, zoals Albert nevelen gebruikte om de gedeelten van zijn model te verhullen die hij moeilijk kon tekenen. Dergelijke woorden komen veel voor in het Duits en dat gaf die taal in mijn ogen iets bijzonder poëtisch. Pas veel later begreep ik dat het juist eigen is aan het Frans om te streven naar precisie. Als die Cahiers niet zo duidelijk getuigden van het rusteloze mysticisme van mijn jeugd zou ik maar heel weinig passages van dat boek willen bewaren. Maar toen ik het schreef leek het me een van de belangrijkste boeken van de wereld, en de crisis die ik erin beschreef was volgens mij van het grootste, dringendste belang voor iedereen. Hoe zou ik toen hebben kunnen begrijpen dat die alleen voor mij gold?> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Si_le_grain_ne_meurt
André Gide, Niet als de anderen : herinneringen
350 p.
Uitgeverij Atlas, 2006
Oorspr. Si le grain ne meurt (1924)
Vertaald door Mirjam de Veth
____

0 reactie(s):
Een reactie plaatsen