vrijdag 19 februari 2010

Kloten van de engel - Tijs Goldschmidt

De westerse continentale filosofie wordt goeddeels verpest door Plato, van wie ze, naar het woord van Whitehead, een voetnoot is. In het oude Europa wordt al eeuwen rampzalig gegoocheld met ideaalbeelden en absolute begrippen. Ook ik, die christelijk ben opgevoed, heb daar een grote slok van binnengekregen — de invloed van het platonisme op het christendom is aanzienlijk. Biologen lezen voelt dan ook aan als afkicken van een oude slechte gewoonte.

Want als ik de Nederlandse schrijver en bioloog Tijs Goldschmidt goed begrijp, is de westerse biologie — met zijn nadruk op variëteit variatie, soorten en geleidelijke overgang — zo'n beetje een voetnoot bij Aristoteles. In Kloten van de engel, een verzameling stukken uit onder andere NRC Handelsblad, Dietsche Warande & Belfort en Raster, focust Goldschmidt voor de gelegenheid op een aantal inzichten uit zijn vakdomein die aantonen dat een zeer beruchte absolute waarde, die van de scheidingslijn tussen mensen en dieren, een fictie is.

Goldschmidt legt uit dat de drang om een duidelijke mens-diergrens af te bakenen op zijn minst enkele duizenden jaren oud is. U kent de kreten. De mens zou het enige politieke dier zijn, het enige wezen met moraal, het enige lachende dier, of het enige met rede begiftigde. Geen dier zou besef van tijd hebben. De mens zou als enige werktuigen gebruiken, symbolisch kunnen denken, zich van zichzelf bewust zijn, taal hanteren, een ziel bezitten en in staat zijn tot een religieuze ervaring. Goldschmidt put uit het werk van Frans de Waal (The ape and the sushimaster, Good natured) om die stellingen één voor één te relativeren of helemaal te weerleggen.

Dat mensen al zo lang de verschillen benadrukken tussen mens en dier kan er alleen maar op duiden dat er grote belangen mee gemoeid zijn. Goldschmidt noemt de these van de Britse historicus Keith Thomas, die het trekken van zo'n grens zag als een malafide rechtvaardiging van het jagen, domesticeren, vlees eten, vivisectie en het op grote schaal uitroeien van roofdieren. Wie hoger in de hiërarchie staat, of beter gezegd: wie zich buiten categorie acht, kan zich vanalles permitteren met de wezens onder hem.

Ook voor de verhouding tussen mensen onderling heeft de tweedeling gevolgen. Want iedereen die zich vroeger niet gedroeg zoals dat een beschaafd mens betaamde — inboorlingen, gekoloniseerde volken — verlaagde zich tot het dierlijk stadium en mocht bijgepraat worden.

Het opheffen van het dualisme mens vs. dier is ook principieel belangrijk, want het impliceert dat de biologie een veel beter referentiekader is om menselijk gedrag te begrijpen dan filosofie of psychologie. Of religie. Want ook het christendom gaat van de tweedeling uit, dat mensen door God bezielde wezens zijn, in scherpe tegenstelling met de zielloze dieren en planten. Geloven in creationisme kan begrepen worden als een rechtstreeks gevolg van dit dualistisch denken: het kan toch immers niet dat een uiterst geraffineerd wezen als de mens uit primitieve beesten is ontstaan? Daar moet toch een schepper achter zitten?

Dieren hebben inderdaad geen ziel, maar wij ook niet, zegt Goldschmidt. De mens is een dier, en dus niet meer dan een lichaam. De mens is uniek, jazeker, maar dat zijn álle plant- en diersoorten. In Kloten van de engel trekt Goldschmidt van leer tegen biochemicus Michael Behe en de Nederlandse biofysicus Cees Dekker, twee prominente verdedigers van Intelligent Design. ID is de opvatting dat de complexiteit van ons heelal en zijn bewoners niet verklaard kan worden door evolutie, enkel door de aanname van een intelligente ontwerper. Het verschil met orthodox creationisme is dat ID zich niet uitspreekt over de aard van de 'ontwerpende intelligentie'. Goldschmidt weerlegt ID met argumenten die me bekend waren. De onvolkomenheden in het mechaniek van de schepping alleen al...

De mens stamt niet af van de aap — populaire misvatting — maar mens en aap hebben wel een gemeenschappelijke voorouder. Die algemeen aanvaarde consensus betekent niet dat alle vraagstukken omtrent de evolutietheorie opgelost zijn. Dat bewijst 'Het succes van een blind, passief proces', Goldschmidts enthousiaste doorlichting van Almost like a whale, het boek waarin Steve Jones de leer van Darwin actualiseerde voor de 21ste eeuw.

Jones volgde daarbij nauwgezet de structuur van Darwins meesterwerk On the origin of species, maar reserveerde voor de genetica een veel grotere rol in het evolutieverhaal dan Darwin kon of wou. Na erfelijke variatie en natuurlijke selectie is het doorgeven van de bevoorrechte eigenschappen echt wel de derde peiler van de evolutietheorie.

Dan zijn er nog de belangrijke twisten tussen darwinisten. Hoe groot is de rol van toeval: gaat het bij de verliezers om ‘slechte’ genen of gewoon domme pech? Met welk tempo voltrekken evolutionaire veranderingen zich? Kunnen nieuwe soorten ook zonder geografische isolatie tussen variëteit en moedersoort onstaan? En waarom zijn er zo weinig fossiele overgangsvormen gevonden?

In het opstel 'Waterapenangst' wordt uitgelegd hoe bepaalde geleerden tegenwoordig proberen te verklaren hoe prehistorische mensen evolueerden naar moderne mensen, met een steeds grotere herseninhoud. De expensive tissue-hypothesis van Aiello en Wheeler zegt dat om een vergroting van het brein mogelijk te maken, een zeer energetisch en veeleisend orgaan, bepaalde lichaamsfuncties economischer moesten omspringen met energie. Dat kon eindelijk toen de mens overschakelde op een eiwitrijk dieet na de uitvinding van het koken. De darmen werden ontlast door dat makkelijker te verteren vlees.

Elders merkt Goldschmidt op dat de evolutie van de mensachtigen wel geen lineaire ontwikkeling was zoals het in educatieve schema’s vaak wordt voorgesteld.

The Great Chain of Being, met aan de ene kant van het schema een primitieve aap die zich via vele tussenstadia ontwikkelt tot het voorlopig hoogtepunt van beschaving, een fundamentalistische christelijke Amerikaan die niet in evolutie gelooft. De voorgestelde lineariteit is vanzelfsprekend misleidend. Twee miljoen jaar geleden liepen er alleen al in Kenia vier, vijf of zes verschillende hominidensoorten rond. Stuk voor stuk rechtop lopende, harde knollen etend, jagend op wild en begiftigd met een flinke herseninhoud (…).
Superwalvis
Kloten van de engel serveert enkele prikkelende staaltjes van de verwantschap tussen mens en dier. Zo gaat het titelstuk (genoemd naar de gecontesteerde testikels waarvan beeldhouwer Jacob Epstein de engel voor het graf van Oscar Wilde voorzag) over de wijze waarop mensen hun tegenstander vernederen. Wie origineel werk van iemand anders overschildert, of canonieke doeken kapotsnijdt in een museum, doet een haast dierlijke aanval op de hiërarchie. Net zoals de Amerikaanse soldaat, die in Bagdad de Amerikaanse vlag om het hoofd van Saddam bond.

In 'De baltsarena' wijst Goldschmidt op de parallellen tussen wat er zich op de salsadansvloer afspeelt en het baltsgedrag van kemphanen. In 'Koko en Kafka' behandelt hij gedrag dat in het bijzonder de soortgrens tussen apen en mensen doet vervagen. Gorilla’s kunnen best televisiebeelden interpreteren, en elkaar troosten en misstappen vergeven; de bonobo Kanzi is heel handig met werktuigen.

Die gedetailleerde gedragsstudie van dieren is overigens nog niet zo oud. In het begin van de vorige eeuw dacht men dat het gedrag van vissen, vogels en zoogdieren, inclusief dat van de mens, vloeiend en vluchtig was.
Een agressief gebaar, een dreighouding op de grens van een territorium, een verleidingspose uit een paringsceremonie — ze waren heel even te zien, maar gingen een volgend moment al ongemerkt over in nieuw gedrag.
Door langdurig en met eindeloos geduld dieren te observeren, kwamen gedragsbiologen zoals de Britse Esther Cullen erachter dat dit gezichtsbedrog was. Gedrag bleek opgebouwd uit stereotiepe patronen, elementaire gedragsdeeltjes, die verband hielden met vaste bedoelingen. Ze
gingen weliswaar snel in elkaar over, maar waren toch duidelijk te onderscheiden. Net als een oog, long, of hand hadden die houdingen en gebaren uit het gedragsrepertoire van een dier een vastliggende ‘vorm’. Gedrag bleek je te kunnen opvatten als vorm in beweging.
Door dit vertoon van gedrag (displays) talloze keren te observeren en kwantitatief te analyseren volgens de methode die Cullens leermeester Niko Tinbergen in de jaren dertig en veertig had ontwikkeld, kon ze conclusies trekken over de bedoeling van zulk gedrag (bij meeuwen tenminste, haar studieobject).

Goldschmidt vertelt ook het verhaal van de Britse natuuronderzoeker Charles Waterton (1782-1865), die te beschouwen is als een voorloper van de huidige gedragsbiologie. Hij fileerde het gedrag van de meest uiteenlopende diersoorten als ijsvogels, kevers en dassen in een tijd waarin haast niemand daar oog voor had. Op die manier exploreerde hij intuïtief de methode van ongewapende toenadering die pas in de jaren zestig van de vorige eeuw gangbaar werd dankzij veldbiologen als George Schaller, Jane Goodall en Dian Fossey.
In die tijd mochten rooms-katholieken geen universitaire opleiding volgen, waardoor het [Waterson] onmogelijk werd gemaakt officieel geschoold te raken in biologische onderwerpen. Dat veroorzaakte een levenslange frustratie ten opzichte van de universitair geschoolde naturalists en misschien valt zijn afkeer van boekenkennis daarop terug te voeren.
Meteen wordt duidelijk wat biologie gemeen heeft met het appreciëren van kunst: het belang van goed en onbevooroordeeld kijken. Die paar bijdragen over kunst in Kloten van de engel staan daar dus niet toevallig. Ook Goldschmidt haalt Ways of seeing aan, waarin John Berger betoogt dat het zien aan het woord voorafgaat, en dat het zin heeft om dat zien een kans te geven zonder het bij voorbaat te laten vertroebelen door begeleidende tekst.

'Hitlers lade' gaat over de beeldend kunstenaar Gert Jan Kocken, die beelden fotografeert die tijdens de Beeldenstorm beschadigd werden. Omgekeerd reisde Kocken af naar de militaire collectie van het Pentagon om er authentieke aquarellen van Hitler te fotograferen, ironisch genoeg vier van de best tegen iconoclasme beveiligde kunstwerken ter wereld. In 'De eilandbaron' bezoekt Goldschmidt Insel Hombroich, het utopische museumeiland van bouwmagnaat Karl-Heinrich Müller. 'Carl Frederik Hill' bespreekt het werk van de Zweedse schilder (1849-1911), bewonderd door Picasso, Matisse, Kokoschka.

Ik heb Kloten van de engel erg graag gelezen. Met zijn heldere stijl en, zoals het hoort, uiteenlopende interesses voegt Goldschmidt zich in de traditie van zijn leermeester Dick Hillenius (1927-1987). Wat Hillenius dacht over zijn eigen werk gaat ook voor Goldschmidt op: "Schrijverij die te veel schrijverij is om onder de biologie te vallen en die te veel biologie bevat om mee te streven in de literaire hiërarchie, maar die me wel het gevoel geeft een eigen territorium te bezitten."

Het is bovendien aardig een bioloog te lezen die kritisch is over de groene beweging. Goldschmidt heeft het niet begrepen op de romantische voorstelling van de autochtone bewoners van natuurgebieden, alsof die automatisch zouden weten wat goed is voor het natuurbehoud. Vernietigend schrijft hij over de groene propagandamachine.
Door pr-medewerkers van natuurbeschermingsorganisaties zijn met flair aantrekkelijke eigenschappen van sterk uiteenlopende walvissoorten bij elkaar gevoegd. Zo is op papier, en misschien niet eens bewust, de ideale walvis geassembleerd om als totemdier te dienen en donaties los te weken. Een symbolische superwalvis die nooit heeft geleefd en nooit zal leven. (...) Neem het volume van de blauwe vinvis, het grootste dier op aarde. Pers in de kop de overvloedig geplooide hersenen van de potvis, het grootste brein dat een dier ooit heeft meegetorst. Geef hem de speelsheid mee van de bultrug en de sociale intelligentie en nieuwsgierigheid van de dolfijnen uit de Sundarbans en laat hem als het even kan geheimzinnig glimlachen als een boeddha. Dan, en dat is cruciaal, zijn leefgebied afbakenen. De symbolische superwalvis leeft ver van vervuilde steden en rivieren en komt uitsluitend voor in zuiver zeewater. Het zijn vrijwel mensloze gebieden waar hoogstens af en toe een o zo nobele Inuit in zijn kajak voorbij peddelt.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Tijs Goldschmidt, Kloten van de engel
Beschouwingen over de natuurlijkheid van cultuur
211 p.
Uitgeverij Athenaeum-Polak en Van Gennep, 2007

____

5 reactie(s):

Achille van den Branden zei

The destruction of art – Dario Gamboni
Het leven der bijen – Maeterlinck
The hungry tide – Amitav Ghosh
Ecuador een reisjournaal – Henri Michaux
Het verbond met de tijger – Jet Bakels
The future of life – Edward Wilson
Almost like a whale – Steven Jones
Het dier in zijn wereld – Niko Tinbergen
Het mysterie der mysterieën – Menno Schilthuizen
Het romantisch mechaniek – Dick Hillenius

Ben Hoogeboom zei

Een schitterend boek schitterend besproken!

Achille van den Branden zei

Dank.

Toch heb ik in mijn haast een fout gemaakt, door 'creationisme' en 'Intelligent Design' op een hoop te gooien. Meer bepaald in de passage:

"Geloven in Intelligent Design kan begrepen worden als een rechtstreeks gevolg van dit dualistisch denken: het kan toch immers niet dat een uiterst geraffineerd wezen als de mens uit primitieve beesten is ontstaan? Daar moet toch een schepper achter zitten?"

Ik bedoelde: "Geloven in creationisme kan..." en heb dit inmiddels verbeterd.

ID is de opvatting dat de complexiteit van ons heelal en zijn bewoners niet verklaard kan worden door evolutie, enkel door de aanname van een intelligente ontwerper. Het verschil met orthodox creationisme is dat ID zich niet uitspreekt over de aard van de 'ontwerpende intelligentie' Creationisten houden wel vast aan een duidelijke schepper, God.

ID speelt het sluwer, omdat het wil opgenomen worden in de curricula van de Amerikaanse scholen. Creationisme is er verboden.

Maar goed, beiden zijn pseudo-wetenschap.

Anoniem zei

Nota bene! "varieteit": wordt meer en meer fout gebruikt daar waar waar "variatie" wordt bedoeld. Zelfde geldt voor "specifiek", waar "speciaal" of "in het bijzonder" wordt bedoeld. Niettemin een uitstekende bespreking van Goldschmidts boek. leve de wetenschap!

Achille van den Branden zei

Terechte opmerking. Variëteit is (in de plantkunde)een taxonomische rang lager dan 'soort'. Genetische variatie is het bestaan van verschillen (variatie) in het genetisch materiaal van een populatie, een biologische soort of een heel ecosysteem.

Ik bedoelde dus heel zeker variatie. Inmiddels verbeterd.

Related Posts with Thumbnails