woensdag 17 februari 2010

Een doodgewoon leven - Karel Čapek

Van de belangrijke Tsjechische auteur Karel Čapek (1890-1938) zijn opvallend weinig hoofdwerken in een moderne Nederlandse vertaling beschikbaar. Dat komt deels omdat zijn oeuvre veel toneelwerk bevat. Het stuk R.U.R. uit 1920 zal hem onsterfelijk maken. Daarin valt voor het eerst in de geschiedenis het woord 'robot' — van het Tsjechische robota: slavenarbeid. En zeggen dat die term eigenlijk gemunt werd door de broer van de schrijver, de schilder Josef Čapek.

Maar ook R.U.R. (Rossum's Universal Robots) is momenteel niet in het Nederlands voorhanden. Net zo min als alle andere science fiction en wetenschappelijke satire die Karel Čapek (spreek uit: ka-RUL tjap-PEK) heeft gepubliceerd. Via de Wereldbibliotheek komt tot ons enkel Een doodgewoon leven, een mooie, zij het nogal schematisch opgezette roman waarin Čapek de versplinterde identiteit heeft willen verbeelden waar ook de meest doorsnee twintigste-eeuwse mens mee te kampen had.

Wanneer het naamloze hoofdpersonage komt te sterven aan aderverkalking vindt een dokter zijn manuscript. Een autobiografie: net vooraleer de dood hem voorgoed zou overplaatsen naar de vergetelheid heeft de eenvoudige spoorwegbediende zijn leven willen overdenken. Alle tastbare documentatie was er nog: zijn doopakte, rapport van de eerste klas, trouwakte, akten van aanstelling. Het kwam er alleen op aan de verbanden te leggen. Het idee voor de roundup overviel hem bij het tuinieren. Het zit nu eenmaal in het bloed van een gepensioneerde ambtenaar om "alle rommel op orde te krijgen". Alle laden opgeruimd. Aktes en autobiografie keurig bijeengebonden met een lint. De laatste vereffening.

Alleen heeft deze man een weinig opzienbarend bestaan achter de rug. Zijn leven volgde een rechtlijnige, duidelijke weg, met een vanzelfsprekend verloop van de dagen. Echter, hoe meer hij erover nadenkt, hoe waardevoller het hem toeschijnt juist dat aan het papier toe te vertrouwen. Dramatische verwikkelingen zijn ook zelden iemands persoonlijke verdienste.

Mijn hele leven lang ben ik een verwoed lezer geweest. Wat heb ik niet gelezen aan merkwaardige avonturen, ontmoet aan tragische personages en zonderlinge naturen, alsof je het niet over iets anders dan over ongewone, uitzonderlijke en op zichzelf staande voorvallen kon hebben! Het leven is immers geen buitengewone natuur, maar een algemene wet; dat wat er ongewoon en onalledaags aan is, is slechts geknars in het raderwerk.
Dus begint zijn autobiografie met de rustige beschrijving van zijn plattelandsjeugd. De man memoreert zijn vader, die meubelmaker is ("Hem aanraken, dat was alsof je tegen een muur of een kolossale pilaar leunde"), het belang van het kinderspel, en zijn school, waar hij voor het eerst kennis maakt met de hiërarchische orde. Het enige dat zijn geboortestadje in beroering lijkt te brengen is de aanleg van een spoorweg; in de meubelwerkersplaats is te horen hoe de rauwe werklieden steen laten springen op de hellingen.

Voor het overige is onze held een behoorlijke student, iets wat ingegeven is door het denkbeeld dat het echte leven pas na het eindexamen komt, door zijn ingekeerde natuur, en door de rustige vastheid van zijn vader.
Daar ik goed kon leren en uit eenzaamheid en eenzelvigheid altijd met mijn neus in de boeken zat, liet vader me doorleren; ook verder sprak dat min of meer vanzelf, al was het maar omdat vader respect voor de heren koesterde en materiële en sociale vooruitgang beschouwde als de heiligste en vanzelfsprekende taak van een fatsoenlijk man en zijn nakomelingen. Het is me opgevallen dat de meest begaafde kinderen (in de zin van de levensloopbaan) in de regel afkomstig zijn uit de nijvere, sociale middenlagen die net begonnen zijn om, bescheiden en onzelfzuchtig, de basis te leggen voor iets als een recht op een beter leven; onze vooruitgang wordt gedreven door de inspanningen van onze vaders. Ik had toentertijd geen enkel idee wat ik wilde worden; ik wist alleen dat het luisterrijk moest zijn, zoals de koorddanser dat was die op een avond boven ons pleintje kwam balanceren, of de dragonder te paard, die eens stilhield aan ons hek en in het Duits naar iets vroeg; mijn moeder gaf hem een glas water, waarop de dragonder salueerde, het paard danste en moeder bloosde als een roosje.
Na de middelbare school trekt de man naar Praag om letteren te studeren aan de universiteit. Hij schrijft er zijn eerste gedichten en raakt door toedoen van zijn medestudenten kortstondig aan de boemel. Hierdoor ontdekt hij zijn ambtelijke natuur: hij heeft blijkbaar plichten nodig, huiswerk of een verplicht lesrooster, om goed te kunnen functioneren. "In zekere zin moet je je leven vergooien om het op waarde te kunnen schatten."

Hij herpakt zich en dient een verzoek in bij de spoorwegdirectie als kandidaat-beambte. Tot zijn verrassing krijgt hij daarop een positief antwoord. Vanaf dat moment is Een doodgewoon leven een ketting van overplaatsingen, van station naar station. Een Tsjechische elckerlyc bij de spoorwegen: de Bohumil Hrabal van Zwaarbewaakte treinen moet dit boek goed gekend hebben.

Omdat de man last heeft van sputum — Čapek zelf zou aan een dubbele longontsteking sterven — wordt hij al snel overgeplaatst naar een spoorwegstationnetje in de bergen. Na de vereiste periode daar wordt hij getransfereerd naar een station van hogere rang. Hij huwt dan de dochter van de chef en krijgt nog een groter station toegewezen ("somber en rumoerig als een fabriek; een belangrijk knooppunt"). Dáár weer na krijgt hij een sjiek station onder zijn hoede in een idyllische omgeving ( "klepperende molens en diepe adellijke bossen met jachtkasteeltjes").

Het doet hem goed eindelijk iets wezenlijks te bezitten. Ook zijn gezinsleven loopt als een goed geoliede machine. Zijn ingoede vrouw voelt hoe haar man haar ontglipt door zijn drukke baan, maar neemt daar vrede mee. Ze slikt haar kinderwens in en blijft haar echtgenoot, die nog altijd met zijn gezondheid sukkelt, goed verzorgen. In het station leeft de man nu eenmaal op. Het is zijn bewust afgepaalde biotoop. "Een speelgoedwereld." Tegen het echte leven, het grote leven daarbuiten, schijnt hij niet opgewassen.
Het spel is een ernstige zaak, het heeft zijn regels en zijn bindende orde. Het spel is een zich verdiept, teder of geestdrift concentreren, op iets alleen; dus waarom niet op datgene waardoor we geboeid worden, geïsoleerd van al het overige, door zijn regels ervan afgezonderd en uitgezonderd van de omringende werkelijkheid. En daarom denk ik dat het spel een voorliefde heeft voor de verkleinde schaal; wanneer je iets tot een minimaat terugbrengt, is het uitgezonderd van die andere werkelijkheid, is het meer en in diepere zin een wereld op zichzelf, onze wereld, waarin we kunnen vergeten dat er ook nog een andere bestaat.
Maar zelfs in dit onbewogen leven blijft de idylle niet duren. Het station wordt getroffen door de Eerste Wereldoorlog. Er komt een militair commandant leiding geven en het station raken in verval. Aan het eind van de oorlog — meteen het eind van de dubbelmonachie, waartoe ook Tsjechië behoort — krijgt de man een oproep uit Praag om bij het nieuwe ministerie van Spoorwegen te komen werken. Hij haat echter de papierrommel die bij de reorganisatie van de spoorwegen komt kijken.


Karel Čapek. Foto via Wikimedia Commons.

Tot dan toe heeft de lezer een keurige roman gelezen. Wellicht is er wat ergernis omdat Čapeks systematische opzet het boek jammerlijk in het gareel houdt, maar de vele opmerkingen, terzijdes en formuleringen die zo in de beste echtgebeurde autobiografieën zouden passen, maken veel goed. Ook de evidente symboliek van spoorweg, wissels, rammelende treinen, tussenstations, het rechtlijnige spoor, en het station als verbinding met de rest van de wereld, wil de lezer best voor lief nemen.

Heeft Čapek het roer bewust omgegooid, uit vrees een mat boek te zullen afleveren? Of was de plotselinge ommezwaai van meet af aan de bedoeling? Punt is dat de Tsjechische schrijver zijn held vanaf hoofdstuk 20 laat twijfelen aan de consistentie van zijn zelfonderzoek. De man krijgt hartproblemen bij het schrijven van zijn memoires. Zijn verdiende loon omdat hij op het punt stond een grote leugen op te tekenen?

Een twistzieke tegenstem begint hem parten te spelen. De stem laat hem alles in een ander licht zien. De man ontdekt de hypochonder in zichzelf, de carrièrist, de bedelaar, de lafbek, de pervert. Is de beschaafde samenhang van zijn leven echt zo'n prestatie? Of is die het gevolg van zwakte — een gebrek aan wilskracht om diepverscholen impulsen te volgen?

Zijn jonge jaren als dichter waren misschien alleen ingegeven door eerzucht. Het feit dat hij de dochter van de stationschef trouwde en zo hogerop kwam, lijkt verdacht veel op een carrière per vaginam. Trouwens, als hij eerlijk is, moet hij toegeven dat zijn kuise, zorgzame vrouw hem soms tot moordlust heeft gedreven, omdat ze hem niet "het genot van het kwaad" kon geven, zoals bijvoorbeeld dat zigeunerinnetje uit zijn jeugd. Heeft hij ook niet verdrongen hoe zijn moeder zijn vader, die slappeling, haatte? En die ene keer dat hij een verzetsdaad stelde tijdens de oorlog, was dat een kwestie van heldenmoed of pure onbedachtzaamheid?

Gewoonte en toeval blijken krachtige parameters te zijn in het leven van de spoorwegbeambte, in elk leven, en de man vindt dat een afschuwelijke vaststelling. Had hij werkelijk een krachtige wil bezeten, dan was hij geen ambtenaar geworden, maar had hij een eigen stuk grond gekocht om te beheren. Had hij werkelijk ambitie, dan had hij het verder geschopt, net zoals de gewiekste snuiters in zijn omgeving. Was hij echt een held, dan zou hij ernstiger verzetsdaden hebben gepleegd, die hij misschien met de dood had moeten bekopen.
Het leven van een mens is een massa verschillende, mogelijke levens, waarvan er slechts één, of slechts een aantal, werkelijkheid wordt, terwijl die andere enkel onvolledig, kortstondig of helemaal nooit tot uitdrukking komen.
Karel Čapek heeft veel geschreven over de uitwassen van totalitaire regimes. In de jaren dertig noemde de Gestapo Čapek niet voor niets "Tsjechoslovakije's publieke vijand nummer 2". Toch heeft hij zijn vaderland nooit willen verlaten. De schrijver stierf in 1938, kort na het Verdrag van München. Nazi-Duitsland had al een deel van Bohemen ingelijfd. In Een doodgewoon leven gaat het over andere, onzichtbare, tirannen: regelmaat en levensangst, conformisme en sleur.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Karel Čapek, Een doodgewoon leven
191 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2008
Oorspr. Obyčejný život (1934)
Vertaald door Irma Pieper

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails