Van Barend Van Orley tot Pieter Bruegel - Katharina van Cauteren
Een rechtzetting. In mijn bespreking van het vorige deeltje schreef ik: "Mijn afkeer van de barok is in zekere zin vreemd, omdat overdaad en maniërisme in de literatuur me veel minder storen." En dat was dom. Barok en maniërisme zijn niet hetzelfde. Barok heeft te maken met dramatische effecten, sterke gevoelens en contrastwerking. Maniërisme met de geldingsdrang van de kunstenaar, overdreven elegantie en gekunstelde emoties.
Een barokschilder herken je aan zijn liefde voor pathetiek en overdaad. Een maniërist wil tonen waar hij technisch toe in staat is, zelfs als dat ten koste gaat van de toegankelijkheid van het eindresultaat. In dat licht wordt het makkelijker mijn voorkeuren te definiëren. Bij barok in de literatuur denk ik aan Milton, waar niet doorheen te komen is. Bij maniërisme aan de vroege Meijsing, die ik wel mag.
De barok volgt de Renaissance en het maniërisme op. Alleen moet je in de kunstgeschiedenis de verleiding onderdrukken om te denken in termen van progressie. Behalve technische innovaties is de kunstgeschiedenis geen ontwikkeling naar steeds 'betere' kunst, maar een eindeloze ketting van smaakvoorkeuren die de wacht aflossen.
Het is ook niet zo dat de ene stroming netjes uit de andere voortvloeit. Het ‘evolutionair-chronologische’ denken moet worden genuanceerd, schrijft Katharina van Cauteren in de inleiding bij Van Orley tot Pieter Bruegel: "een stilistische ontwikkeling gebeurt weer volgens verschillende tempo’s, afhankelijk van kunstenaars, specialiteiten, afzetmarkten en lokale voorkeuren."
In de Renaissance krijg je vanaf de zestiende eeuw twee belangrijke invloedsferen, Noord- en Zuid-Europa. Economische contacten zorgen ervoor dat kunstenaars uit beide streken profiteren van elkaars kunde, het Noorden weliswaar iets later dan het Zuiden.
In Zuid-Europa — lees: Italië — ontstaat het stijlidioom van de Renaissance al in het tweede kwart van de vijftiende eeuw, met de zorg voor evenwicht en symmetrie, de ingebruikname van de perspectief en de belangstelling voor antieke motieven en stijlkenmerken. Antieke architectuur en ornamenten zijn populair: triomfbogen, medaillons, rankwerk, pilasters (zuilen die minder dan hun breedte voor de gevel uitsteken), acanthusbladeren (sierlijk krullende bladeren), tondi (ronde schilderijen), griffioenen, putti (mollig naakte kinderfiguurtjes), saterfiguren en eierlijsten.
In Vlaanderen bouwt de noordelijke Renaissance (door de continuïteit van middeleeuwse elementen ook 'laatgotiek' genoemd) verder op de verworvenheden van de Vlaamse Primitieven. Panelen worden nu met olieverf beschilderd, waarbij uiterste zorg wordt besteed aan een anatomisch correcte weergave van het lichaam. Het duurt een tijdje eer de Italiaanse perspectief in onze streken ingang vindt. Nog lang wordt diepte hier gesuggereerd door kleurgebruik, dat vervaagt naarmate de afstand tot de waarnemerspositie vergroot: aardetinten op de voorgrond, schakeringen van groen op het middenplan, blauwgrijs op de achtergrond.
Belangrijk in de Renaissance wordt het gebruik van de verkorting. Daarmee wordt aangeduid dat een lichaamsdeel of een ander voorwerp dat naar de schilder toe wijst of er vandaan, door de werking van het perspectief sterk wordt verkort. Pas als een tekenaar of schilder de verkorting goed in beeld kan brengen, kan hij een realistisch lichaam afbeelden.
En overal verandert er iets in het zelfbeeld van de kunstenaar. Waar de middeleeuwse schilder zichzelf zag als een ambachtsman, iemand die opdrachten uitvoert, is zijn renaissancecollega overtuigd van zijn overmacht en kunde. Dat onderscheid is tegenwoordig helemaal terug: denk maar aan de opdeling in illustratoren en kunstenaars.
Voor de hedendaagse toeschouwer wordt het steeds lastiger om schilderijen te ontrafelen. Hall’s Iconografisch handboek ligt best binnen handbereik. Figuren zijn dikwijls alleen te identificeren door hun attributen (de zalfpot van Maria Magdalena). Wanneer de Meester van het Heilig Bloed een Lucretia schildert, of Jan Massys een Judith — twee onderwerpen die Michel Leiris zo in vervoering brachten — blijven die werken uitdrukkingsloos als je het bijbehorende verhaal niet kent. Soms bevatten kunstwerken een politiek statement (Karel V die zich naast de mythische Karel de Grote laat afbeelden) of zit er heel verhaal verscholen in de kledij (Margaretha van Oostenrijk die zich bewust als weduwe laat portretteren, p. 27).
Mijn lievelingsschilder uit dit tijdsvak is zonder twijfel Pieter Bruegel de Oude. Omwille van zijn aardse thematiek, zijn encyclopedische composities en zijn kleurgebruik. Zijn werk is invloedrijk, ook al omdat het wordt voortgezet door zijn zoons Jan en Pieter II, en diens zoon Pieter III. Katharina van Cauteren bespreekt in het boek een werk van Pieter Brueghel de Jonge:
Met De strijd tussen carnaval en vasten maakt Pieter II Brueghel een kopie van zijn vaders werk, dat zich nu in Wenen bevindt. Het thema is telkens het toernooi waarbij de dikbuikige Carnaval, gezeten op een wijn- of bierton, en de uitgemergelde Vasten elkaar zullen bestrijden. De Vasten wordt bijgestaan door de pater en de non die zijn processiewagen trekken, terwijl Carnaval, die alvast zijn braadspies heft, wordt vergezeld door feestvierders. Het toernooi vindt plaats op een plein waaraan links een herberg en rechts een kerk liggen. Voor de herberg worden pannenkoeken gebakken, zitten dobbelaars en muzikanten en worden kluchten opgevoerd. Aan de kerkzijde van het plein eet men vissen, krakelingen, pap en brood. Er wordt gebedeld en gebeden, terwijl gelovigen palmtakjes ronddragen. In de tijd van de Brueghels komen dergelijke conflicten tussen gelovigen en carnavalvierders, die het begin van de vasten — en dus de kerkelijke orde — negeren, vaak voor. De kenmerkende hoge horizon laat toe hier een scala van uit het leven gegrepen scènes weer te geven.

Bruegel de Oude heeft ook een bijdrage geleverd aan de Vlaamse landschapsschilderkunst. In zijn tijd werkten schilders meestal met drie elkaar overlappende plannen — voorgrond, midden-, achterplan — die het oog van de toeschouwer sturen. Een boom stond bijvoorbeeld op de voorgrond, en een rivier leidde de blik verder het landschap in. Bruegels composities maken van het landschap een echte eenheid.
Zijn collega Jacob Grimmer is dan weer de eerste Vlaming die landschappen vrijwaart van symbolisch geladen elementen, al durft hij het nog niet aan pure natuur te schilderen, zonder menselijke figuurtjes.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Dutch_and_Flemish_Renaissance_painting
Katharina van Cauteren, Van Barend Van Orley tot Pieter Bruegel
Renaissance en maniërisme
118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek
600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 9
De inleiding van Katharina van Cauteren in kortschrift:
1500: Karel V. Moeder: Johanna de Waanzinnige, vader: Filips de Schone. Na dood Johanna’s moeder Isabella van Castillië eisen ze de troon op. Filips de Schone overlijdt in verdachte omstandigheden. Ferdinand van Aragon (man Isabella) stelt Castiliaanse troon vrij voor kleinzoon Karel. Tot hij oud genoeg is heerst Margaretha van Oostenrijk over de Habsburgse Nederlanden (België, Nederland, stuk Frankrijk).
Vroege 16de eeuw: beïnvloeding tussen Noord- en Zuid-Europa. Laatgotische stijl vs. renaissancestijl. In Italië stijlidioom van de Renaissance sinds tweede kwart 15de eeuw. Vlaamse Primitieven en Renaissancekunst: anatomisch correct lichaam en perspectief. Economische contacten tussen Noord en Zuid: olieverf naar Zuiden, later (eerste helft 16de eeuw) perspectief naar Noord.
In Italië daarbij belangstelling antieken (Laokoöngroep, Domus Aurea), via o.a. Michelangelo, Leonardo da Vinci en Rafaël. Hoogrenaissance of maniera grande = monumentaal, krachtig, indrukwekkend, heroïsch, één cruciaal moment. Niet meer mythologische/heidense verhalen verchristelijken (middeleeuwen) maar aandacht voor oorspronkelijke tekst én setting. Jan Gossaert. Aemulatio. Overnemen en verbeteren van motieven. Pieter Pourbus, Lambert Lombard, Frans Floris. Drukkunst draagt bij tot verspreiding in he Noorden. Gravures en ontwerpreeksen van tapijten = reclamecampagne.
Quinten Metsijs, Jan Mostaert, de Meester van het Heilig Bloed: mengstijl: detailrealisme en vormelijke, decoratieve (niet-essentiële) renaissance-elementen. Cornelis II Van Coninxloo, Pieter Coecke van Aelst.
Invloed heersers. Barend Van Orley en Jan Gossaert: voluit Renaissancestijl. Beiden hofschilders onder Margaretha van Oostenrijk en/of Maria van Hongarije. Revival van mythe van Apelles en Campaspe. In prinsbisdom Luik (dat politiek onafhankelijke koers vaart tg Spaanse Nederlanden): Lambert Lombard onder Erard de la Marck: eerste academie in Noorden (tegen de heersende corporatieve kunstenaarsopleiding.)
Sculptuur los van middeleeuwse beeldhouwtradities door materiaalkeuze: brons en marmer, ipv geelkoper, hout en albast. Onbeschilderd hout als surrogaat voor brons, onbeschilderd albast als surrogaat voor marmer. Invloed van Donatello: basreliëfs (dieptesuggestie) vervangen het reliëf in ronde-bosse (“poppenkastvoorstelling”).
Belangrijke onderstroom: beeldtaal van Jeroen Bosch: Pieter Huys, prenten uitgegeven door Hiëronymus Cock, getekend door de jonge Pieter Bruegel. (Alpen)landschappen van Bruegel: vogelperspectief, kosmische eenheid ipv voorgrond, midden-, achterplan. Zoons Jan, Pieter II en diens zoon Pieter III.
Karel V verdedigt fanatieke religieuze eenheid in zijn rijk. Nederlaag bij godsdienstvrede van Augsburg: troonsafstand ten voordele van Filips II. Godsdienstfanaticus. Reactie: beeldenstormen. Reactie: Hertog van Alva. Geuzenstrijd tegen Spaans gezag. Alleen Noordelijke Nederlanden bevrijden zich in 1648. Relatief vrede in Zuidelijke Nederlanden vanaf 1585 (inlijving bij Spaanse rijk). Concilie van Trente.
Maniërisme: Michiel Coxcie, Maarten De Vos, Jacob De Backer, Bartholomeus Spranger (aan het Praagse hof, onder Rudolf II), Hendrik de Clerck. Overdreven elegantie, onnatuurlijke poses, S-houding. Ook nog tijdens de vroege Barok van Rubens.

1 reactie(s):
Jan Mostaert, H. Christoffel
Legende van de H. Christoffel
Barend Van Orley, Triptiek met de Deugd van het Geduld
God en Job
Jan Gossaert, Venus en Amor
Mollig en naakt
Marinus Van Reymerswaele, De stadsontvanger
Dubbelportret, inhalige grijns
Meester van het Heilige Bloed, Lucretia
Vrouw van legerofficier verkracht, zelfmoord
Joos Van Cleve, Het kindje Jezus en de H. Johannes
Kussend onder baldakijn
Ambrosius Benson, Maria Magdalena
Zachte verschijning met zalfpot
Jan Sanders van Hemessen, De verloren zoon
Parabel van de verloren zoon
Cornelis Floris de Vriendt, Sacramentstoren
Torenvormig tabernakel
Frans Floris de Vriendt, De val van de opstandige engelen
Michaël tegen de zevenkoppige draak
Pieter Huys, Bekoring van Sint-Antonius
Invloed van Bosch
Joannes I en Lucas Van Doetechum, Het grote Alpenlandschap
Gezien door Bruegels op reis naar Italië
Pieter Bruegel de Oude, De val van Icarus
De ploeger, de herder en de visser doen rustig voort
Pieter Bruegel de Oude, De voorzichtigheid
Pentekenign in bruine inkt, dorpse taferelen
Pieter Bruegel de Oude, De dulle Griet
Personificatie van de ketterij, het geweld of het kwaad?
Pieter Bruegel de Oude, De val van de opstandige engelen
Invloed van Bosch
Jan Massys, Judith
Israëlische weduwe hakt hoofd Assyrische opperbevelhebber Holofernes af
Jacob De Backer, Het Laatste Oordeel
Druk doek, Christus oordeelt over levenden en doden
Michiel Coxcie, De marteling van Sint-Sebastiaan
Romeinse soldaat heeft zich bekeerd tot Christendom
Gilles Van Coninxloo, Woudlandschap met Cephalus en Procris
Jaloerse Procris doodt Cephalus ten onrechte
Pieter Brueghel de Jonge, De strijd tussen carnaval en vasten
Toernooi op plein, links herberg, rechts kerk
Paul Bril, De haven
Hoog standpunt, groenige schijn
Een reactie plaatsen