De kaas & de wormen - Carlo Ginzburg
Opvallend in de cultuurgeschiedenis vanaf 1960 tot nu, leerde ik van Peter Burke, is de koerswending naar de antropologie. Cultuurhistorici onderzoeken tegenwoordig ook de mentaliteit en de creaties van mensen in een bepaald tijdsvak — en niet alleen van de mensen uit de toplaag van de maatschappij. In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam een specifiek historisch genre op dat kadert in die ontwikkeling: de microstoria, met als belangrijkste vertegenwoordiger Carlo Ginzburg.
In de microstoria (Italiaans, 'microgeschiedenis') werden brede historische ontwikkelingen onder invloed van de antropologie in beeld gebracht aan de hand van onbeduidende individuen of gebeurtenissen. Dit was een repliek op een bepaalde stijl van sociale geschiedschrijving, die slaafs het model van de economische geschiedenis volgde, met veel gebruik van kwantitatieve methoden en beschrijvingen van algemene trends, zonder dat er veel aandacht was voor de verscheidenheid of het specifieke van lokale culturen, laat staan voor individuele belevenissen.
Baanbrekend was De kaas & de wormen (1976) van de Italiaanse historicus Carlo Ginzburg (1939), zoon van schrijfster Natalia Ginzburg. Het boek vertelt het verhaal van een molenaar uit Friuli die door het Heilig Officie tot de brandstapel werd veroordeeld na verschillende theologische disputen. Het leven van de molenaar was volkomen onopgemerkt gebleven, als daar niet de verslagen waren geweest van de twee processen die met een tussenpoos van vijftien jaar tegen hem zijn gevoerd.
De processtukken geven ons een rijk geschakeerd beeld van zijn gedachten en gevoelens, fantasieën en verlangens. Omdat we ook beschikken over stukken van zijn eigen hand en een overzicht, hoewel niet compleet, van de boeken die hij had gelezen (hij kon namelijk lezen en schrijven), kunnen we bestuderen op welke manier zijn lectuur zijn denkbeelden beïnvloedde.
Eigenlijk maakten twee grote historische gebeurtenissen de zaak Menocchio überhaupt mogelijk: de uitvinding van de boekdrukkunst (waardoor Menocchio boeken kon vergelijken met de mondeling overgeleverde traditie) en de Reformatie (die de molenaar de moed gaf in te gaan tegen de pastoor van het dorp). In de zestiende eeuw hadden geleerden kortom niet langer het alleenrecht op geschreven cultuur. Menocchio had
in eigen persoon de historische en niet te onderschatten sprong meegemaakt uit de gesticulerende, mompelende, schreeuwende taal van de mondeling overgeleverde cultuur naar de klankloze, in vaste vormen gegoten taal van de geschreven cultuur. De éne is bijna een verlengstuk van het lichaam, de ander is ‘iets geestelijks’. De overwinning van de geschreven cultuur op de mondeling overgeleverde cultuur is er vooral één geweest van het abstracte op het empirische. In de mogelijkheid bepaalde situaties al schrijvend te beheersen, ligt de band verankerd die er van meet af aan tussen Schrift en macht heeft bestaan. Gevallen als die van Egypte en China, waar kasten van priesters en ambtenaren het schrift, respectievelijk hiërorglyfen en ideogrammen, duizenden jaren lang hebben gemonopoliseerd, spreken duidelijke taal. De uitvinding van het alfabet, dat dit monopolie zo’n vijftien eeuw vóór Christus voor het eerst doorbrak, bracht het geschreven woord echter nog steeds niet binnen ieders bereik. Dat gebeurde pas door de uitvinding van de boekdrukkunst.Deze evolutie naar meer mondigheid werd trouwens al snel de kop ingedrukt door de Contra-reformatie, die de massa opnieuw probeerde te indoctrineren, de volkscultuur wou vernietigen en dissidenten op de brandstapel zette.
Menocchio wist dat zijn ideeën oorspronkelijk waren en was er trots op: daarom wenste hij ze voor de hoogste kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers te ontvouwen. Maar hij voelde tevens de behoefte om zich de cultuur van zijn tegenstanders eigen te maken. Hij begreep dat het schrift en het vermogen om zich de geschreven cultuur eigen te maken en haar over te brengen, een bron van macht was.
In zijn inleiding schetst Ginzburg de problematiek van de historicus die zich wil bezighouden met de ideeën en het wereldbeeld van mensen uit de onderste klassen. De cultuur van die mensen was een mondeling overgeleverde cultuur. Historici van nu kunnen alleen putten uit geschreven bronnen en archeologisch materiaal en dat is dus per definitie "uit de tweede hand in het kwadraat": omdat ze geschreven zijn, en omdat ze geschreven zijn door mensen uit de heersende klassen, door tussenpersonen. De 'Fragen eines lesenden Arbeiters' van Bertolt Brecht blijven dus actueel, te beginnen bij: "Wie bouwde Thebe met de zeven poorten?"
Een belangrijke discussie in het verlengde daarvan is de vraag in welke mate de lagere klassen cultuur opgelegd worden dan wel cultuur voortbrengen. Hoe ondubbelzinnig zijn aanwijzingen in teksten — almanakken, balladen, devotieboeken, heiligenlevens, pamfletten — die toen door het grote publiek werden gelezen? Ideeën, religiositeit en het wereldbeeld, stelt Ginzburg, zijn heus niet zomaar wat losse flarden uit theorieën die oorspronkelijk door de heersende klassen waren opgesteld, misschien wel eeuwen eerder, en op haast mechanische wijze verbreid in de ondergeschikt klassen.
Ginzburg pareert ook de bedenking of kwantitatief demografisch en sociologisch onderzoek niet geschikter is om inzicht te krijgen in de mentaliteit van een Italiaans plaatsje in de zestiende eeuw. Hoe relevant zijn de ideeën van een enkeling van zijn maatschappelijk niveau eigenlijk? Bestaat er iets als een collectieve mentaliteit? Kan je het gemiddelde nemen van een zestiende-eeuwse humanist, koopman, handwerker en boer? Met andere woorden: dreigt niet het gevaar van de anekdotiek? Neen, zegt Ginzburg. Menocchio was een relatief geïsoleerde figuur in zijn dorp, maar: "aan de cultuur van de eigen tijd en de eigen klasse valt niet te ontsnappen, op straffe van geestelijke desoriëntatie en volledig isolement".
Kosmogonie
Domenica Scandella, bijgenaamd Menocchio, werd geboren in 1532 te Montereale, in de regio Friuli. Hij was getrouwd en had elf kinderen, waarvan er vier vroeg gestorven waren. Zijn kost verdiende hij in de eerste plaats als molenaar, maar Menocchio knapte ook klusjes op als timmerman, houtzager, metselaar. Hij kon lezen, schrijven en rekenen en werd in 1581 belast met het dagelijkse bestuur van de dorpsgemeenschap, als een soort burgemeester.
In 1583 werd Menocchio verklikt door de pastoor van het dorp, don Odorico Vorai, en aangegeven bij het Heilig Officie — de oude benaming voor de Congregatie voor de Geloofsleer, een rechtbank binnen de Romeinse Curie waaraan alle zaken die betrekking hebben op de leer van de Katholieke Kerk zijn toevertrouwd. Mennochio werd ervan beschuldigd in ‘ketterse en goddeloze’ bewoordingen over Christus te hebben gesproken en die ideeën te hebben verkondigd.
Ginzburg brengt minutieus de kosmogonie van de molenaar in kaart, daarbij gebruikmakend van de verklaringen die Menocchio aflegde tegenover de inquisiteur van Aquileia, de burgemeester van Portogruaro en de vicaris-generaal. (Een vicaris-generaal is in de Katholieke Kerk de functionaris die een residerende bisschop bijstaat in de dagelijkse uitoefening van zijn ambt in diens bisdom.) Het valt de hedendaagse lezer niet moeilijk te sympathiseren met de beklaagde, die vooral zijn gezond verstand gebruikte en in zijn kritieken opvallend modern is. De basis blijft voor hem de kern van het evangelie.
Voor Menocchio is God 'niets anders dan een ademtocht en wat de mensen verder van hem maken’. Hij ziet hem als een soort vaderfiguur die niet ingrijpt in het dagelijks leven van de mensen — een liefhebbende vader, die wel mijlenver afstaat van het leven dat zijn kinderen leiden. Hij is als een grootgrondbezitter die zijn handen niet vuil maakt, maar het zware werk aan zijn rentmeester overlaat.
De Heilige Schrift werd de mensen inderdaad door God gegeven, maar de centrale boodschap van naastenliefde zou door de mensen zijn aangepast en daarom ondergesneeuwd zijn geraakt: "met vier woorden zou alles in deze Heilige Schrift gezegd zijn, maar het is net als met boeken over veldslagen, die ook almaar uitdijden." Alle bijkomende voorschriften, geboden en sacramenten (doop, vormsel, huwelijk...) zijn dus niet meer dan koopwaar in de handen van de Kerk. De paus en zijn kardinalen en bisschoppen doen weinig meer dan de armen onderdrukken, en hun leerstellingen verkondigen ze ook nog eens in ondoorgrondelijk Latijn.
Menocchio's wereldbeeld is daarnaast verrassend materialistisch: hij weigert de schepping van de wereld aan de godheid toe te schrijven. Zijn ideeën over het ontstaan van de planeet lijken sterk op de moderne astronomische inzichten over de vorming van sterren, al is het beeld dat de molenaar gebruikt heel praktisch. Het kwam uit de ervaring van alledag.
'Ik heb gezegd dat volgens mij alles een chaos was… en uit dat alles ontstond een massa, precies zoals kaas uit melk ontstaat, en daarin ontstonden wormen, en dat waren de engelen; en de allerheiligste majesteit wilde dat dat God en de engelen waren; en onder al die engelen was ook een God die tegelijkertijd uit diezelfde massa was geschapen…'Dan moet de onderzoeker Ginzburg aan het werk en proberen te achterhalen waar Menocchio deze ideeën vandaan had. Waarbij het speerpunt moet liggen op het verschil tussen wat algehele mentaliteit is, en wat individuele vinding. De istoricus moet dus in detail bestuderen wat de molenaar van zijn lectuur maakte, en de relatie beschrijven tussen diens denkwereld en die van de reformatorische bewegingen uit zijn omgeving.
Een nieuwe wereld
Het Friuli van de tweede helft van de zestiende eeuw, legt Ginzburg uit, was een maatschappij met sterk archaïsche trekken. De grote feodale adellijke families drukten nog steeds hun stempel op het leven in de streek. De onderste klassen waren straatarm en dat veroorzaakte heel wat spanning. Het centrale gezag in Venetië nam daarom enkele financiële maatregelen om de onlusten op het platteland in Friuli in bedwang te houden, al waren die meer gericht tégen de plaatselijke adel dan vóór de hardwerkende boeren.
Uiteindelijk voelden de gewone werkmensen dat er maar twee soorten klassen bestonden, armen en rijken, waarbij de kerkelijke klasse zeker bij de rijke uitbuiters werd gerekend — kerkelijk grondbezit dat werd verhuurd aan boeren was uitgesloten van de pachtverlaging die door Venetië was ingesteld. Alleen heeft Menocchio als individu nooit veel te maken gehad met kerkelijke uitbuiting. Zijn ideeën moeten dus eerder als principieel-religieus beschouwd worden.
Zo lijken veel elementen in Menocchio's geloofopvatting terug te grijpen op het religieuze radicalisme van de anabaptisten, zegt Ginzburg: de nadruk op de eenvoud van het woord Gods, het afwijzen van heiligenbeelden, plechtigheden en sacramenten, de ontkenning van Christus’ goddelijkheid, het aanhangen van een praktische godsdienst gebaseerd op goede werken, het pauperistisch getinte verzet tegen de kerkelijke ‘praal’, de verheerlijking van de verdraagzaamheid, enzovoort.
Alleen stonden de anabaptisten niet zo sterk in de streek van de molenaar, en stond Menocchio voor een anabaptist veel te positief tegenover de mis en de eucharistie. Zelfs de link met reformatorische bewegingen in bredere zin levert Ginzburg niets op. Affiniteit met hen had Menocchio blijkbaar niet: tijdens de ondervragingen zeiden protestantse begrippen als ‘rechtvaardiging’ en ‘predestinatie’ hem niets. De religieuze verovering van het Italiaanse platteland vond overigens enkele tientallen jaren later plaats — onder de vlag van Contrareformatie, door de Jezuïeten.
Waar haalde deze eenvoudige molenaar dan zijn ideeën vandaan, ideeën waarop hij zich misschien wel tientallen jaren heeft laten voorstaan, zonder dat het wantrouwen van familie en vrienden, de vermaningen van de pastoor en de dreiging van de inquisitie zijn zelfvertrouwen kon ondermijnen?
Ginzburg duikt in de bibliotheek van Menocchio. 'Bibliotheek' betekent in deze context: een beperkt aantal boeken die de molenaar zomaar te pakken had kunnen krijgen; zijn collectie is zeker niet het resultaat van een bewuste keuze. De boeken waren gesteld in de volkstaal, en de de meeste had de molenaar te leen. Uit dit laatste feit blijkt merkwaardig genoeg dat er in de piepkleine gemeenschap van Montereale een lezerskring bestond die boeken elkaar doorgaven.
De Italiaanse vorser brengt al snel aan het licht dat Menocchio op een eenzijdige en willekeurige manier las — bijna alsof hij de bevestiging zocht van overtuigingen die al stevig bij hem hadden postgevat. Door de veelheid aan geloven en gebruiken die John Mandeville beschreef in zijn (deels gefingeerde) reisverhalen, ging de molenaar zich bijvoorbeeld vooral afvragen waarop zijn geloof en zijn daden waren gebaseerd. Zinnen of flarden van zinnen uit boeken werden het gereedschap om zijn eigen ideeën te formuleren en te verdedigen. Uit de Decamerone diepte Menocchio tijdens zijn verdediging Boccaccio's legende van de drie ringen op.
‘Luister alstublieft naar me, mijnheer. Er was eens een groot heer die verklaarde dat degene die een bepaalde kostbare ring van hem bezat, zijn erfgenaam zou zijn, en toen hij de dood voelde naderen, liet hij nog twee ringen maken die gelijk waren aan de eerste, omdat hij drie zonen had, en hij gaf ieder van zijn zonen een ring; elke zoon dacht dat hij de erfgenaam was omdat hij de echte ring bezat, maar omdat de ringen zo op elkaar leken, was het niet met zekerheid te zeggen. Zo heeft ook God de Vader verschillende kinderen die hij liefheeft, zoals de christenen, de Turken en de Joden, en hij heeft ze allen de wil gegeven om volgens hun eigen wet te leven, en men weet niet welke de goede is: daarom zei ik dat ik christen wil blijven, omdat ik als christen ben geboren en dat ik Turk zou blijven als ik als Turk was geboren’. ‘Dus u gelooft – wierp de inquisiteur tegen — dat men niet weet welke wet de goede is?’ Menocchio: ‘Ja mijnheer, ik geloof dat iedereen denkt dat zijn geloof het ware is, maar dat niemand weet welk het ware is, maar omdat mijn grootvader, mijn vader en mijn volk christenen waren, wil ik christen blijven en geloven dat dit het ware geloof is’.Wat de bijbelse geschriften betreft, hadden begrippen als 'canoniek' en 'apokrief' sowieso geen betekenis voor de molenaar, daar hij al deze boeken als zuiver door mensenhand geschreven achtte en dus zeker niet feilloos. Hoe moest hij ook belang hechten aan geestelijke kennis die de clerus trachtte te monopoliseren maar 'voor twee soldi' bij de boekenstalletjes in Venetië te koop was?
De 'nieuwe wereld' waar Menocchio vaak luidop van droomde was dan ook niet religieus van aard. Hij geloofde niet in een duizendjarig godsrijk of een wederkomst van Christus. De ‘nieuwe wereld’ die hij wou was een menselijke werkelijkheid, die met menselijke middelen nagestreefd diende te worden. Een en ander moet gezien worden tegen het ideaalbeeld van Het Land van Kokanje dat al sinds de Middeleeuwen de ronde deed, gecombineerd met de nieuwe inzichten van Vespucci, die het Amerikaanse continent had ontmaskerd als zijnde een 'nieuwe wereld' en niet het Azië dat Columbus dacht ontdekt te hebben.

Boerenmaterialisme
Carlo Ginzburg komt aldus tot de slotsom dat Menocchio geen gek was, noch een alleenstaand geval, noch de spreekbuis van een contrareformatorisch gezinde intellectuele klasse. Het gedachtengoed van de molenaar was geworteld "in het instinctieve materialisme van generaties en generaties boeren" en handwerkslieden.
Zeker, door zijn scholing, leescapaciteiten en aanhoudende nieuwsgierigheid kon Menoccio voor het tribunaal in een terminologie die grotendeels was ontleend aan christendom, neoplatonisme en scholastiek, zijn eigen verdediging voeren. Maar dat mag ons geen zand in de ogen strooien.
Een vrijwel uitsluitend mondeling overgeleverde cultuur, zoals die van de ondergeschikte klassen uit het Europa vóór de industriële revolutie, laat doorgaans geen of alleen verminkte sporen achter. Daarom is de signalerende waarde van een extreem geval als dat van Menocchio ook zo groot. Het drukt ons nog eens met de neus op iets dat pas nu tot ons begint door te dringen: een groot deel van de hogere Europese cultuur, uit de Middeleeuwen en erna, wortelt in het volk. Mensen als Rabelais en Brueghel waren waarschijnlijk niet de uitzonderingen waarvoor ze nu doorgaan. Met hen werd nochtans een tijdperk afgesloten dat gekenmerkt was door een verborgen maar vruchtbare uitwisseling tussen hogere cultuur en volkscultuur. In de daarop volgende periode werd er namelijk steeds strenger onderscheid gemaakt tussen de cultuur van de heersende klassen en die van handwerkers en boeren; en er ontstond éénrichtingsverkeer, de massa werd van bovenaf geïndoctrineerd. De grens tussen de twee tijdvakken kunnen we leggen in de tweede helft van de zestiende eeuw, wanneer (en dat is niet toevallig) ook de maatschappelijke verschillen zich scherper aftekenen als gevolg van geldontwaarding en stijgende prijzen. De genadeslag was het tweerichtingsverkeer echter al een paar decennia eerder toegebracht, met de Boerenoorlog en het anabaptistische bewind in Münster. De heersende klassen zagen zich toen genoodzaakt de volksmassa’s, die zich aan iedere controle van bovenaf dreigden te onttrekken, weer in het gelid te krijgen (ook in ideologisch opzicht) — en tegelijk de maatschappelijke verschillen te handhaven, en zelfs aan te scherpen.De kaas & de wormen is helemaal niet het boek dat ik verwacht had. Ik hoopte zicht te krijgen op het dagelijkse leven van een laagopgeleide zestiende-eeuwer. Ginzburg focust uiteindelijk op allerlei theologische haarkloverijen — lees alleen al het geestige hoofdstuk 26, een uitgeschreven dialoog tussen molenaar en inquisiteur. Maar omdat de strijd tussen een eenling en de gevestigde instanties altijd prachtig spektakel oplevert, bleef ik doorlezen. Ook al omdat Ginzburg de teugels goed strak houdt, in korte hoofdstukjes, en technische informatie versluist naar zijn notenapparaat (dat absurd groot is voor deze handelseditie).
Deze hernieuwde poging de hegemonie te verwerven, nam in de diverse delen van Europa verschillende vormen aan, al zijn het jezuïtische apostolaatswerk ten plattelande en de fijnmazige, op het gezin stoelende, religieuze ordening der protestantste Kerken, loten aan dezelfde stam. En wat de repressie betreft, ging deze ontwikkeling gepaard met meer heksenprocessen en harde aanpak van marginale groeperingen zoals zwervers en zigeuners. Menocchio’s zaak moet worden bekeken tegen deze achtergrond. Onderdrukking en vernietiging van de volkscultuur.
En Menocchio? Met hem loopt het niet goed af. Hij bleef bijna twee jaar in de gevangenis van Concordia. Na een verzoekschrift en een nederige spijtbetuiging (waarin hij werd bijgestaan door een advocaat) werd zijn straf verzacht. Hij mocht Montereale niet verlaten, een boetekleed dragen en niet over zijn denkbeelden praten.
Maar Menocchio herviel en werd jaren later als ‘relapsus’, een hervallen ketter, beschouwd. In 1601 werd de molenaar terechtgesteld.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Menocchio
Carlo Ginzburg, De kaas en de wormen
Het wereldbeeld van een zestiende-eeuwse molenaar
277 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 1982
Oorspr. Il formaggio e i vermi : il cosmo di un mugnaio del '500 (1976)
Vertaald door Pietha de Voogd,
met medewerking van Ruud Ronteltap
____

1 reactie(s):
The names of kings : the Parisien laborign poor in the Eighteenth century – Kaplow
De la culture populaire aux 17 et 18e siècles : la Bibliothèque bleue de Troyes – Mandrou
Lievre et société dans la France du XVIIIe siècle – Bollème
Society and culture in early modern France – Davis
L’oeuvre de François Rabelais et la culture populaire au Moyen Age et sous la Renaissance – Bakhtin
Primitive rebels : studies in archaic forms of social movement in the 19th and 20th centuries – Hobsbawm
Folie et déraison : histoire de la folie à l’age classique – Revel
The family life of Ralph Josselin, a Seventeenth century clergyman – Macfarlane
Faire de l’histoire – Le Goff
Le problème de l’incroyance au XVIe siècle – Febvre
Crisis and change in the Venetian economy in the sixteenth and seventeenth centuries – Pullan
Class structure in the social consciousness – Ossowski
Saturn and melancholy : studies in the history of natural philosophy – Klibansky, Saxl en Panofsky
Literacy and development in the West – Cipolla
The Counter-Renaissance – Haydn
Critics of the Italian world – Grendler
Primitivism and related ideas in Antiquity – Lovejoy en Boas
The myth of the golden age in the Renaissance – Levin
Utopias and utopian thought – Manuel
The idea of reform : its impact on christian thought and action in the age of the fathers – Meiss
Hérésies et sociétés dans l’Europe préindustrielle – Le Goff
Le catholicisme entre Luther et Voltaire - Delumeau
Een reactie plaatsen