De geklede mens - Ethel Portnoy
Onderschat de kracht van kleding niet. Onze leadgitarist liep vroeger bij voorkeur rond in ongewassen T-shirts en gerafelde jeans. Hij had lak aan kleding en modeconventies. Dácht hij. Op een avond moesten we spelen op wat bij nader inzien een exclusief huwelijksfeest bleek te zijn. Dure jurken, smokings en glimmende schoenen. Onze gitarist kroop weg achter mijn drumstel. Reed na een halfuur naar huis om een zwarte vest.
In De geklede mens noemt Ethel Portnoy camouflage als een van de belangrijkste dingen die we van onze kleren verwachten. Kleding stelt ons in staat op andere mensen te lijken. Kijk maar eens goed rond: ondanks de exuberante creaties van couturiers blijven eenvoud en onopvallendheid de stilzwijgende normen in ons straatbeeld.
Daar zit iets in van het verlangen naar schutkleur. Tenzij we in een recalcitrante bui zijn voelen we ons niet prettig wanneer onze kleding niet helemaal juist is voor de tijd van de dag, de gelegenheid, het gezelschap, onze leeftijdsgroep of klasse.Toch blijven er voldoende parameters in onze kledij over om ons te onderscheiden van andere mensen. Want dat willen we evenzeer. We huiveren van het idee een perfecte replica te zijn van iemand anders. Denk alleen al aan de gala-avond waarop twee vrouwen krek dezelfde kleren dragen.
Absolute uniformiteit is ook zelden succesvol. Pogingen van de overheid om nationale klederdracht verplicht te stellen, mislukken of botsen op weerstand. Chinezen wierpen hun uniform af toen het maoïsme werd verworpen. In de oude Sovjet-Unie heeft men een atypisch niet-Russisch kledingstuk, de jeansbroek, in productie moeten nemen, als reactie op de wanhopige pogingen van jonge Russen om ze te kopen van buitenlandse toeristen. Een egalitaire maatschappij is een illusie. Kleding kan gelijkgeschakeld worden, ons gezicht (lelijk, mooi of doorsnee) bijvoorbeeld al niet.
De drie belangrijkste menselijke behoeften, vervolgt Portnoy, zijn voedsel, kleding en onderdak. Het soort onderdak dat we hebben is betrekkelijk conventioneel en hangt af van de huizenmarkt. Ook qua voedsel experimenteren we niet zo erg. Dus blijft alleen kleding over om onze persoonlijkheid uit te drukken. Afhankelijk van de temperatuur, het tijdstip, de gelegenheid, onze stemming, ons figuur, de harmonische samenhang, de mode, de indruk die we willen maken en bij welke subcultuur we horen, maken we een keuze uit onze kleerkast.
Het leeuwendeel van De geklede mens gaat dan ook over de signalen die we, bewust of onbewust, met onze kleding uitzenden. Die uiterlijke kenmerken — goed, netjes, slordig, schoon, vuil, nieuw, modieus, neutraal — zijn nodig op een primitieve manier. Ze helpen ons erachter te komen wat voor vlees we in de kuip hebben — vrienden of vijanden.
Kleding is de snelste methode om te laten zien dat je bij de tijd bent of om de aandacht van de anderen te wekken. Ze zegt iets over onze klasse, welstand en nationaliteit. Als de mannen de aankoop van hun kleren overlaten aan hun echtgenote, zal hun kleding de maatschappelijke klasse van hun vrouw weerspiegelen.
Kleding zal ook van verre een boodschap duidelijk maken bij mensen die je niet kent. Een zakenkostuum zal bekwaamheid en privacy uitstralen en seksuele signalen dempen. Lingerie is bedoeld om de fantasie te prikkelen, daar het naakte lichaam op zichzelf geen bijster erotische indruk maakt. De recalcitrante outfit van punkers, die na de anti-autoritaire vredelievendheid van de hippies niet meer hadden om zich tegen af te zetten, diende om te protesteren tegen het idee van bevalligheid. Een ander belangrijk signaal is het ‘gender’-signaal, al vervagen de grenzen stilaan — mannen met lang haar, vrouwen in mannenkleren. Het uniform, ten slotte, is kleding die al helemaal geen mis te verstane boodschap brengt.
Ik draag niet alleen kleding die past bij deze mededeling, maar zolang ik die kleding draag, ‘handel’ ik ook daarnaar. Bovendien kunt u erop rekenen dat ik mijn rol goed speel. Ik heb voorlopig, zolang ik deze kleding draag, mijzelf als particulier persoon terzijde geschoven. Ik bèn nu in mijn functie.Wanneer het enkel staat voor 'gezag' (zoals een politieuniform) is het respect voor het uniform gedaald in vergelijking met vroeger. Het minst gedevalueerd is de kledij die op een bepaalde vaardigheid wijst: de overall van de monteur, het verpleegstersschort, het vest van de piloot, de kapperskiel, het zwarte pak van de kelner.
Het enige waar ik problemen mee heb, is waar Portnoy beweert dat je aan haveloze, kleurloze kledij de geestelijke gezondheid van iemand kan aflezen — mij lijkt: hoogstens de mate van zelfrespect. Prikkelend is dan weer haar gedachte dat de meest elitaire attitude tegenover kleding te beweren is er totaal geen belangstelling voor te voelen, en dat gebrek aan belangstelling te demonstreren in het dagelijks bestaan.
Zo’n attitude maakt onmiddellijk duidelijk dat zo iemand te belangrijk is om zich bezig te houden met dingen als kleding of de wisselende mode (te rijk, te druk, te machtig, te begaafd, te veel verwikkeld in belangrijk werk), en daarnaast dat zijn of haar status zo hoog is, zo belangrijk op een of ander gebied, dat men zich die attitude kan veroorloven.Haardracht verdient speciale aandacht in het verhaal van Portnoy, want is het onderdeel van ons lichaam dat het meest plooibaar is en zich het makkelijkste leent voor zelfexpressie. Wie een stoppelbaard laat staan, is misschien gewoon lui, of geeft te kennen een haastig en avontuurlijk leven te lijden. Alles wat men met het haar doet, schrijft ze, wordt gedaan voor andere mensen.
En dat gaat veel dieper dan ordinaire behaagzucht. Overal te wereld wordt het haar gebruikt om iemands verhouding tot de maatschappij duidelijk te maken. Lang haar staat voor naturel, vitaliteit, potentie, vrijheid van beperkingen. Gemilimeterd haar — denk aan gevangenen, soldaten, monniken — staat voor opgelegde discipline, de onderwerping aan sociale controle, de overwinning van de cultuur op de natuur.

Dan moet Ethel Portnoy het nog hebben over de modefabrikanten, die munt hopen te slaan uit enerzijds ons verlangen er net zo uit te zien als andere mensen, en aan de andere kant ons verlangen naar zelfvernieuwing. In de mode zijn twee evoluties van belang.
Eerst die van de betaalbaarheid. Pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw kon de mode-industrie bogen op een brede klantenkring en dus een hoge vlucht nemen. Tot in de jaren vijftig was kleding immers bijna even duur als meubilair. Tegenwoordig is ze goedkoop door zeer voordelige arbeidskrachten in Derde Wereldlanden.
Daarnaast is de mode in dat decennium ook van snit gedemocratiseerd. De jaren zestig zorgden voor een grote bevrijding in de persoonlijke levenssfeer, die wel de verplichting met zich meebracht een individualiteit voor zichzelf te creëren. In die dagen liet men zich inspireren door oosterse religies, indianendracht of kledij uit de Victoriaanse tijd. Tegenwoordig zijn vereenvoudiging en gemak de grote criteria, nu elke vrouw zo ongeveer draagt wat ze zelf wil. Het enige echt frivole element in de vrouwelijke garderobe in deze tijd kan men bij de schoenen vinden.
De fabrikanten van confectiekleding proberen de patronen van kledingstukken hoe langer hoe meer te vereenvoudigen met het oog op de produktieprocessen en de kostprijs. Hoe minder plooien, naden en andere bewerkelijke handelingen een kledingstuk vraagt tijdens het produktieproces, des te goedkoper en sneller kan het geproduceerd en op de markt gebracht worden.
Manuele stofbehandeling (verf, opdruk, borduursel) en lastige draperieën zijn tegenwoordig alleen gereserveerd voor de haute-couture. En zelfs de couturiers moeten nu 'de straat' volgen en niet omgekeerd. De geklede mens (en nog een ander boek dat ik binnenkort bespreek) helpt me dus van het vooroordeel af dat mode-ontwerpers in staat zijn één enkele modelijn te dicteren.
Een welbepaalde groep mensen die sowieso niet aan de grillen van de mode wenst deel te nemen is de groep die in Nederland ‘ons soort mensen’ wordt genoemd, in Vlaanderen 'dikke nekken', in de Verenigde Staten 'preppies', in Engeland ‘Sloane Rangers’ en in Frankrijk ‘bon genre’. Mensen uit de gegoede klasse, uit de vrije beroepen (juristen, diplomaten, artsen), hooggeplaatste ambtenaren, leden van het koningshuis. Zij zijn uiterst klassiek gekleed, in duurzame stoffen. Mensen die graag bij deze groep willen horen, kunnen daarom niet volstaan met het imiteren van kledij. De etiquette van deze gegoede klasse draait om veel subtielere dingen.
De globalisering van mode brengt meer mensen nader tot elkaar (gelijke kledij genereert een gevoel van verwantschap), al zorgt ze uiteraard ook voor culturele verschraling. Klassieke kleding keert vaak terug in tijden van economische crisis. Opvallend is dat bejaarden, waar weinig geld aan te verdienen is, door de mode-industrie als paria's worden behandeld. Kledij voor senioren wordt hoe dan ook verschoond van seksuele connotatie.
Portnoy ziet geen diepere betekenis in de veranderende silhouetten van de damesmode door de jaren heen. Mode is een dynamisch proces, en alles moet wel ooit omslaan in zijn tegendeel, lijkt ze te zeggen. In de gay nineties moesten vrouwen wulps zijn en een wespentaille hebben, in de Edwardiaanse tijd was de matrone het ideaal, in de jaren twintig tengere meisjes zonder boezem, in de jaren veertig en vijftig kwam de 8-vorm in de mode, en in de jaren zeventig en tachtig werd een atletische lichaamsbouw geaccepteerd en zelfs begeerlijk geacht.
Tegenwoordig gaan veel vrouwelijke rolmodellen gekleed zoals prostituees vroeger. Daarbij zijn het hoofd en de benen volgens Portnoy de meest interessante punten waarop de houding van de vrouw in de twintigste eeuw is veranderd. Vrouwen werden vroeger met afgewend hoofd afgebeeld, met geloken ogen, of met het hoofd naar één kant opzij. Nu blikken dames uitdagend in de camera, eventueel met de benen wijd gespreid, in plaats van eertijds zedig over elkaar geslagen, of helemaal niet in het zicht.
De slanke vrouw als norm ziet Portnoy ontstaan in de negentiende eeuw, met als omslagpunt de prerafaëlieten. In het Westen, tenminste; in arme streken is een weldoorvoed figuur juist aantrekkelijk. Fotomodellen hebben bij ons best een maatje minder, omdat een foto elk figuur tien kilo zwaarder maakt. Lichaamsbeharing voor een vrouw is not done. Een gebruinde huid is dan weer een must, want teken van gezondheid en rijkdom (verre zonvakanties in de winter). Hangborsten en slappe billen wijzen op vermindering van de elasticiteit van de huid en dus op ouderdom.
Een groot aantal industrieën buit de ongeluksgevoelens van vrouwen uit die nooit tegen het culturele ideaal opkunnen: uitgevers van dieetboeken, de cosmeticamarkt, plastisch chirurgen en de farmaceutische industrie. Mannen, intussen, mogen rustig elk figuur hebben zonder dat ze daarop worden afgerekend. Al proberen fabrikanten ook hen mannenparfum, vermomd als aftershave-lotion of gezichtscrème, aan te smeren.
Het inzicht dat me het meest trof in het boek, is de wetenschap dat een analyse van de taal waardoor kleding wordt omgeven ons duidelijk kan maken welke waarden wij onbewust naleven. Simpelweg door de gebruikte terminologie om te keren.
De modefotografe Rose Hartman bijvoorbeeld schrijft in de inleiding van haar boek Birds of paradise: ‘Een handige toepassing van de subtiliteit van de mode kan de onmiddellijke illusie van lengte, schoonheid, slankheid, mysterie, individualiteit, zelfvertrouwen en rijkdom creëren.’ Heeft u gemerkt dat ze het woord ‘illusie’ gebruikt? Door deze positieve termen nu om te keren kunnen we erachter komen wat de schrijfster — èn de maatschappij — als onaantrekkelijke kenmerken van vrouwen beschouwen — namelijk dat ze klein van stuk zijn, niet mooi, gezet, niet mysterieus, net als andere mensen, verlegen en arm.
Overigens is het redelijk lastig de geschiedenis van het gewone werkmansplunje te schrijven. Afgedragen kleren zonder esthetische meerwaarde werden vroeger zonder pardon weggegooid. Alleen mooie kleren hadden kans te worden bewaard.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Ethel Portnoy, De geklede mens
160 p.
Uitgeverij Cantecleer, 1986

0 reactie(s):
Een reactie plaatsen