Van Rik Wouters tot René Magritte - diversen
Elke schilder zal je vertellen: schilderen draait om verf. De sensualiteit van verf. Het volstaat niet om in de beslotenheid van je huiskamer een plaatboek ter hand te nemen. Je moet de klodders op het doek zien, de spikkels, de borstelstreken. Ik ben zo vrij het daar niet altijd mee eens te zijn. Net zoals boeken soms een welbepaalde leeswijze opdringen — gedoseerd of met haast, in bed of op 'n terrasje — wisselen de optimale kijkomstandigheden van schilder tot schilder.
Een Jackson Pollock moet je zeker in het echt zien. Daar bestaat geen twijfel over. Alleen oog in oog met die enorme doeken voel je de energie waar het de Amerikaan om te doen was. Maar zowat elk schilderij van Magritte stelt me in een museum teleur. De bij wijlen slordige techniek van Magritte zie ik liever niet van dichtbij, en daarom vind ik dat oeuvre beter tot zijn recht komen in een kunstboek. Door de kleinere formaten ogen de reproducties veel scherper dan de originelen, en het egaal makende glanspapier van een kunstboek past heel wel bij de kille, doofstomme sfeer die er uit het werk van deze schilder opstijgt.
Maar goed, ik beken, ik ben geen museumganger. Ik kan me moeilijk concentreren in musea. Het is er te warm, te druk, en er lopen voortdurend mensen door mijn beeld. De treinreizen naar de exposities van mijn voorkeur, bijna altijd in hoofdstad, zijn er ook te veel aan. Dan moet je om twintig mooie doeken te zien voorbij die gore achtertuinen van de Brusselse voorsteden. Op de terugreis volgt dan nog eens een kwartier wachten in de kolenkelder van Brussel-Centraal. Ik ben erg gevoelig voor sfeer. Wat zo'n tentoonstelling heeft gebracht, verdampt dan vaak al ter plaatse.
Op tentoonstellingen krijg ik bovendien gedachten die er niet toe doen. Dan word ik verrast door de formaten van de doeken, om maar iets te noemen. In kunstboeken let ik nooit op de exacte afmetingen; mijn verbeelding maakt die eigenmachtig aan, op het gevoel, met alle fouten van dien.
Van Rik Wouters tot René Magritte brengt de Belgische beeldende kunst van de jaren tien tot en met de Tweede Wereldoorlog in kaart. De twintigste eeuw werd een ongedurige eeuw: scholen en stromingen buitelden over elkaar heen. Inleider Lars Kwakkenbos brengt in herinnering dat het fauvisme de eerste kunststroming van de nieuwe eeuw was. In 1905 schrijft een criticus in Parijs dat Henri Matisse en zijn kunstenaarsvrienden allemaal wilden — fauves — zijn. Kwakkenbos:
Een nieuwe kunststroming is geboren en er zullen er nog veel andere volgen voordat de twintigste eeuw halfweg is. De kunst moet op dat moment nog altijd wennen aan de idee dat die nieuwe eeuw al is begonnen. Impressionisten en luministen hebben de wereld proberen op te lossen in licht en kleur, symbolisten hebben van het kunstwerk een enigma gemaakt, maar de wereld verandert almaar sneller en iedereen heeft het gevoel dat de 20ste eeuw ook nieuwe kunst nodig heeft.Zeker in dit tijdsvak valt opnieuw op wat ik zo'n beetje tegen de hele schilderkunst heb: het beperkte scala aan onderwerpen. Altijd weer die portretten en landschappen. Ook het prachtig onbesuisde kleurgebruik van de fauvisten en expressionisten kan niet verhullen hoe statisch hun taferelen eigenlijk zijn. Mensen en nog eens mensen — zittend, lezend, liggend, wandelend. Een verstilde, burgerlijke wereld. Geen bruuske bewegingen. Nauwelijks groepsportretten.
En toch, als een portret goed getroffen is, kan het diep naar binnen snijden, ook bij mij. Hippolyte Adhemar Daeye (1873-1952) studeerde aan de Gentse academie en begon als impressionist. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef hij in Londen met zijn familie. Daarna bekeerde hij zich tot het expressionisme. Zijn zelfportret uit 1930 vind ik prachtig. Joost De Geest schrijft erbij:
Aan het einde van de jaren 1920 en in de jaren 1930 ontwikkelt Deaye een persoonlijke stijl die niet veel meer te maken heeft met het Vlaamse expressionisme. Dikke kleurlagen, zoals bij Permeke, zijn er niet; de kleur lost op en wordt eerder suggestie dan uitgesproken aanwezigheid. Kleuren en lijnen voeren een eigen bestaan. De achtergrond, die vaak doorheen de figuur zichtbaar is, lijkt op een abstract schilderij. Daeye gebruikt de vervormingen van het kubisme en expressionisme slechts spaarzaam. Tegenover een zeer grote economie van de middelen staat een onverwachte rijkdom aan schakering en lichtreflectie. Achter het schetsmatige van vele werken gaat een groot raffinement schuil. Deze ‘arme’ kunst krijgt vrijwel geen navolging — de liefhebbers van de materie zijn nu eenmaal talrijker. In de tweede helft van de 20ste eeuw zijn er wel schilders die naar eenzelfde zuiverheid en eenvoud streven (bijvoorbeeld Dan Van Severen), maar in dat verband heeft men de neiging eerder naar Giorgio Morandi dan naar de weinig bekende Daeye te verwijzen. Misschien is James Whistler een voorbeeld geweest voor Daeye. Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft Daeye in elk geval tijd genoeg om in Londen de kunst van Whistler en William Turner te bestuderen. Aan deze kunstenaars dankt hij wellicht zijn voortdurend zoeken naar verinnerlijking en een zekere afschuw van het spectaculaire.

Verder onthoud ik de naam van Marthe Donas, die door de Italiaanse critica Lea Vergine wordt beschouwd als de eerste abstracte schilderes. Donas zou internationaal onze succesvolste avant-gardekunstenares zijn.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> mijn persoonlijke favorieten in de commentaren hieronder
Diversen, Van Rik Wouters tot René Magritte
Fauvisme, expressionisme, abstractie en surrealisme
118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek
600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 4
De inleiding van Lars Kwakkenbos in kortschrift:
Fauvisme als reactie tegen het symbolisme en de neiging om de vorm van het schilderij ondergeschikt te maken aan een literaire inhoud. Kijken naar het licht of de natuur (impressionisme) volstaat niet meer. Het gevoel primeert, net als decoratieve patronen: ontluiken van abstracte tendenzen.
Rik Wouters als voorman van de Brabantse fauvisten (‘Brusselse koloristen’) bij het begin van de 20ste eeuw: Ferdinand Schirren, Anne-Pierre De Kat, Willem Paerels, Jos Albert, Fernand Wéry, Jean Vanden Eeckhoudt. James Ensor en Cézanne grote voorbeelden.
Zoals het symbolisme de band vormde tussen de leden van de eerste kunstenaarsgroep van Sint-Martens-Latem, zo was het expressionisme het wachtwoord bij de tweede groep rond 1905: Constant Permeke, Jos Verdegem, Gust De Smet, Leon De Smet en Frits Van den Berghe.
De Eerste Wereldoorlog jaagt de Belgische kunstscene uit elkaar. Veel bekende namen naar het buitenland (Duits expressionisme, Frans kubisme en Italiaans futurisme). Frits Van den Berghe, Gustave De Smet (voorbereiders Vlaamse expressionisme), Georges Vantongerloo (De Stijl), Jules Schmalzigaug (futurist) in Nederland. Marthe Donas (kubiste) in Dublin en Parijs. Constant Permeke, Gustave Van de Woestijne, Edgart Tytgat en Hippolyte Daeye in Engeland.
In België gebeurt weinig. Aan het front (Anne-Pierre De Kat) schilderde men gewoonlijk op jute. Militaire censuur: geen moreel ondermijnende onderwerpen. Abstracte kunst in Brussel: Felix De Boeck, Prosper De Troyer, Victor Servranckx. Avant-garde in Antwerpen: Paul van Ostaijen en Paul Joostens.
Dadaïsme (protest tegen elke vorm van traditie) is in België in tegenstelling tot Zürich en Berlijn het werk van eenlingen: Clément Pansaers en Paul Joostens. Invloed op Van Ostaijen, Burssens en Victor J. Brunclair. Het expressionisme doet het veel beter: Frans Masereel, Permeke, Albert Servaes, Frits Van den Berghe. Dorps, minder waanzin dan in Duitse variant. In Wallonië: Auguste Mambout, Anto Carte. In België geen echte kubisten, maar de expressionisten worden er wel door beïnvloed.
Lezingen van Theo van Doesburg in Brussel in 1920. Jozef Peeters zijn tijdschrift Het Overzicht om: nu spreekbuis voor constructivisme en zuivere beelding (totale abstractie). In de vroege jaren twintig breekt de idee van abstractie door — Karel Maes, Pierre-Louis Flouquet, Jean-Jacques Gaillard, Marcel-Louis Baugniet, de serieuze Georges Vantongerloo — hoewel ze nooit gevestigde kunst wordt en halfweg de jaren twintig ingehaald wordt door het surrealisme. Invloed op Servranckx en Van den Berghe. Brusselse artistieke milieus: Paul Nougé, Marcel Lecomte en Camille Goemans (Correspondances) en E.L.T. Mesens en René Magritte.
In de jaren dertig Marcel Lefrancq, Armand Simon, Max Servais en Paul Delvaux.
Economische crisis treft België. Stromingen gaan ten onder. Einzelgängers: Jean Brusselmans, Edgar Tytgat, Hubert Malfait, War Van Overstraeten. Derde groep van Sint-Martens-Latem: Roger Raveel, Jules De Sutter.

1 reactie(s):
Louis Thévenet, Na de mis
Tafel met kinderstoel
Rik Wouters, Zittende vrouw
Zittende vrouw, prachtige kleuren
Jos Albert, Het grote interieur
Vrouw aan gedekte tafel, fauvistische kleuren
Achille Van Sassenbrouck, Verwoeste straat in Nieuwpoort
Verwoeste straat
Gustave Van de Woestijne, De kindertafel
Gedekte tafel met vijf kinderen
Marthe Donas, Abstracte compositie nr. 5
Hoekige figuren met blauw, geel, rood, zwart.
Paul Joostens, Object-collage
Object met bruin, geel, wit.
Pierre-Louis Flouquet, Grote Vrouwelijkheid
Abstracte met afgeronde vormen, gloeiende kleuren
Fernand Wéry, Portret van Ada Jobart
Lezende vrouw aan tafel
Georges Van Zevenberghen, Guillaume Charlier, lezen
Lezende man aan raam
Frans Masereel, Sky-scrapers
Wolkenkrabbers in strak zwart-wit.
Henri Van Straten, Negor-canallie
Cabaretscène, linogravure
Oscar Jespers, Geboorte
Rechthoekige vrouw, liggend, graniet
Jean Brusselmans, Lente
Vlaams landschap
René Magritte, Éloge de la dialectique
Openstaand raam met zicht op een huis in een huis
War Van Overstraeten, Anne-Marie
Neerkijkend meisje op stoel
Paul Delvaux, Le Musée Spitzner
Nachtelijke tafereel met naakt, skelet, straatkant
Paul Delvaux, Naakte vrouwen
Naakte vrouwen op antiek marktplein
Rachel Baes, Madame Veto
Aristorcratische dame duwt vinger door guillotine
Een reactie plaatsen