Papierverwerkende industrie - Ger Groot
Ik houd niet van mensen die alleen thrillers kopen, noch van types die hoofdzakelijk de Franse poststructuralisten lezen. De enige lezer die ik vertrouw is de veelzijdige lezer. Neem nu Ger Groot. Hij vertaalde uiteenlopende auteurs als Schama, Duby en Derrida, is kenner van Cioran, Nietzsche en Bataille, maar leest ook Canetti, de Spaanse brieven van Hendrik de Vries, of iets van Arnaldur Indriðason. In de Groene Amsterdammer mocht hij rapporteren over dat grillige leespatroon.
Papierverwerkende industrie brengt een selectie uit de columns die Ger Groot schreef in De Groene Amsterdammer tussen april 2002 en september 2008. Die bijdragen zijn minder hemelbestormend dan de kaft laat vermoeden. Groot is een man van rust, cultuur en beschaving. Een man waarbij de scheidslijn tussen leven en lezen, en tussen lezen en daarover schrijven, nauwelijks nog te trekken valt.
Rond mijn twintigste begon ik boeken te lezen in het bewustzijn dat ik er achteraf iets over schrijven moest. Nog geen tien jaar later las ik alléén nog om er iets over te schrijven — zo niet direct dan toch later, want in de letterenjournalistiek duikt ieder gelezen werk ooit wel weer in het geschrevene op. Zo viel mijn leven gaandeweg steeds meer samen met de tweedeling waarin Sartre zijn autobiografie verdeelde: lire en écrire — zij het dan dat beide elkaar met een lichte faseverschuiving grotendeels overlapten. Het schrijven werd de echo van mijn lezen en mijn boekenkast het stille water waarin ik mij als Narcissus steeds meer weerspiegeld zag. Wie vormde wie? De eerste de laatste denk ik.Maar ook een veellezer ziet zich geplaatst voor dat formidabele drama dat wat hij (ja, ook hij) in een mensenleven aan papier kan verstouwen, slechts een fractie is van het totale aanbod. Er verschijnen onnoemelijk veel boeken, die ons elke seconde onwetender maken. Er zijn te weinig hulpmiddelen om de boeken te vinden die echt bij je passen, en er is überhaupt te weinig tijd voor de boeken die je wou lezen.
Het toeval heeft grotendeels mijn leeswereld bepaald, en die bepaalde míj weer. Een paar zwaartepunten zijn erin te vinden: romans, mentaliteitsgeschiedenis, en natuurlijk de filosofie. Maar over het algemeen vulden mijn boekenkasten zich zonder enige vertoon van intelligent design en werden ze het bewijs van een literaire vraatzucht die al snel moest ontdekken dat boeken zijn als drakenkoppen. Voor alles wat verslonden werd diende zich het tienvoudige als nieuw weer aan.Groot slaat in zijn column niet aan het recenseren. Wat hij leest — romans, gedichten, strips, liedjesteksten — is veeleer een inspiratiebron voor een meditatie over de act van het lezen. Papierverwerkende industrie bestaat overwegend uit stapelstukjes, waarin twee, drie, vier boeken met elkaar in verband worden gebracht. Een detail uit een roman kan leiden tot een breedculturele gevolgtrekking, of net andersom.
De papegaai uit 'Un coeur simple' van Flaubert is aanleiding voor een beschouwing over nabootsingskunst, iets over een papegaaiemuseum en natuurlijk over Julian Barnes. Van de madeleine van Proust gaat over Augustinus naar Bergson, en vooral over het raadsel van de tijd. Zafón roept Borges op, Borges Eco. De bruggetjes zijn dus niet altijd even origineel, en vele stukken waren ook gebaat bij een iets fermere stellingname. Groot haalt niet het niveau van Herman Franke in zijn Waarom vrouwen betere lezers zijn. Hoe meer boeken Groot aankaart in een stuk, hoe amusanter, ja, maar hoe minder kennis me daaruit bijbleef.
Het hele boek lijkt me wel een aanrader voor jongvolwassen lezers die op relaxte toon iets willen vernemen over de vraagstukken waar recensenten altijd over blijven zeuren en twisten: de relatie tussen taal en werkelijkheid (een discussie waar ik acute koppijn van krijg), de spanning tussen vorm en inhoud (idem), de tekstgerichte literatuuropvatting versus het belang van auteursintenties (dito).
Het is natuurlijk logisch dat Ger Groot, van huis uit filosoof, die onderwerpen aanpakt. Maar gelukkig zijn de meeste vragen iets concreter. Hoeveel literaire smaak komt er werkelijk aan te pas, wanneer we in de boekhandel onze keuze maken? Wat is het verschil tussen een verhaal en een betoog? Wat gebeurt er als we stilzwijgend lezen? Hoe gekunsteld is een natuurlijk ogende dialoog in een boek? Hoe snobistisch is het om boeken enkel in de oorspronkelijke taal te willen lezen? Wat is er typisch aan een autodidactische lezer? Wat maakt een werk canoniek? Wat is de functie van rijm in een gedicht?
Rijm is niet louter een tweederangs poëtisch element, dat pas vanaf de tweede eeuw na Christus het metrum gezelschap komt houden, om in de middeleeuwen door te breken, in classicisme en vroegromantiek zijn hoogtepunt te bereiken en vanaf Walt Whitman weer langzaam uit de poëzie weg te deemsteren. Het geeft het gedicht op een hoorbare wijze structuur en verleent het daarmee een eens zo grote gestrengheid.Het best, en dat is een princiepskwestie, vind ik de stukken als ze zo dicht mogelijk bij de boeken blijven. Zo geeft Groot ergens mooi aan wat het verschil is tussen 'de gewone man' in de boeken van Zola en de alledaagsheid in de literatuur die na de Tweede Wereldoorlog ingang begon te vinden. Hoe gemeenschap en individu nog geen tegenpolen waren in de laatmiddeleeuwse, premoderne romans van Sigrid Undset. Waarom vrouwen misschien zo afwezig zijn in de romans van Simenon. Het stukje 'Boekherinnering', over hoe ons geheugen gelezen boeken mismeestert, lijkt overigens voort te borduren op 'Het ongeziene en het ongelezene' van Karel van het Reve.
Een rode draad in Papierverwerkende industrie is het spanningsveld tussen de plezierlezer en de beroepslezer Ger Groot. Van een professionele recensent wordt verwacht dat hij zijn distantie niet kwijtraakt. Hevige stemmingswisselingen tijdens het lezen van een boek zijn "een gevaar voor de beroepseer". Groot komt met een opmerkelijke plaatsbepaling. Hij bekent romans te lezen, niet omwille van het hoe, maar omwille van het wat dat verteld en beschreven wordt. En vloekt daarmee luid in de kerk van de literatuurwetenschap.
Is literatuur er, met andere woorden, alleen voor de gelukkigen, die in hun blijdschap wel tegen een stootje kunnen? Of zijn juist dit de ‘tevredenen of legen’ voor wie de kunst nooit méér is dan een artefact dat de realiteit zelfs niet meer raakt — en daarin nota bene haar hoogste eer bezit?Groot kan voor de verandering, in de minder dwingende vorm van de column, uiting geven aan die ontroering. Maar dat maakt hem natuurlijk nog geen blinde aanhanger van onschuld en spontaniteit in de literatuur. Een geoefende lezer is lastig te verleiden; een schrijver moet alles uit de kast halen om 'm uit zijn lethargie te halen. Maar de trucjes zijn niet het belangrijkste. Er is evenwicht nodig. Ik denk dat Groot dat bedoelt, wanneer hij ergens in het begin van zijn boek schrijft:
Pas als literatuurlezer ging ik behoren tot het volk van het Woord, dat tussen intrige en formulering geen onderscheid maakt. Het literaire zoekt het nu eenmaal bij het ene juiste en onvervangbare woord, dat vanzelf canoniek wordt.Die gedachte, dat de definitie van een boekenminnaar is dat deze de "juiste formulering als een intrige op zich beschouwt", wil ik nog lang met me meedragen. Net als het allereerste citaat van deze bespreking, dat me uitnodigt eens op te schrijven hoe de praktijk van het bloggen mijn leesattitude inmiddels heeft beïnvloed.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
Ger Groot, Papierverwerkende industrie : lezen als beroep
236 p.
Uitgeverij Ambo, 2009

1 reactie(s):
Je sterft maar twee keer : over literair denken en herinnering – Maarten Steenmeijer
Aller zielen – Javier Marías
De zwarte rug van de tijd – Javier Marías
Het vreemde vermaak dat lezen heet : een keuze uit de essays – S. Dresden
De binnenlanden – Euclides da Cunha
De oorlog van het einde van de wereld – Llosa
De Indringer – Jean-Luc Nancy
Illness as metaphor – Susan Sontag
Een karavan uit Perzië – J.T.P. De Bruijn
Filosofie van taal en tekst – René van Woudenberg
Pruimenpolka : de honderd beste vieze liedjes – Erik Nieuwenhuis
De vagina monologen – Eve Ensler
Kut – Juan Manuel de Parada
Ouders van nu – Jan Donkers
Gevoel voor verhoudingen – Jan Donkers
Bij nader inzien – J.J. Voskuil
Moord in de poort – Jacques Presser
De astronauten van de kosmosnelweg – Cortázar en Dunlop
Asfaltreizen : een verkenning van de snelweg – Tijs van den Boomen
De borstkankerplaag – Finoulet en Janssens
Sayyid Pakistani en de bruiloft van de dood Oskar Verkaaik
De letterpiloot – Willem Jan Otten
In mijn door lucht bedorven leven heb ik slechts mijn liefde voor de sigaar behouden – Rubem Fonseca
Nachtvlinders van het Russische Rijk – José Manuel Prieto
Sefarad : het boek der ballingen – Antonio Muñoz Molina
Toewijding : over literatuur, mens en media – Jan-Hendrik Bakker
Proust et les signes – Gilles Deleuze
Marta Oulie – Sigrid Undset
Schetsen uit Spanje – Marcellus Emants
De waarheid waarover ik niets weet te zeggen : over poëzie en waarheid – Ria van den Brandt en Bart Philipsen (red.)
Kiekertak en klotterbooke : gedachten over de canon – Maarten Doorman
De gouden lier : Archaïsche Griekse lyriek – Paul Claes (vert.)
Reading for the plot – Peter Brooks
Emigrantenhotel – Edgardo Cozarinsky
De Bijbel van mijn jeugd – Jan Greven
De grote zaal – Jacoba van Velde
Twee zielen : gesprekken met hedendaagse filosofen – Ger Groot
Living : reflecties over diversiteit en identiteit – Jan Knops (red.)
Virginia Woolf : a biography – Quentin Bell
De put en andere verhalen – Carlos Onetti
Runaway – Alice Munro
Koosjer Nederlands : Joodse woorden in de Nederlandse taal – Justus van de Kamp (red.)
Luchtkastelen – Almudena Grandes
Theologisch traktaat – Czeslaw Milosz
Teder – Daniel Koning en Bernd Wouthuyse (samenst.)
Dus jij denkt dat je een mens bent? : een korte geschiedenis van de mensheid – Felipe Fernández-Armesto
Cahier de Talamanca – Emil Cioran
Exercises d’admiration – Emil Cioran
Lessons from the ‘Varsity of Life’ – Lord Baden-Powell of Gilwell
Bronnen van het zelf : de ontstaansgeschiedenis van de moderne identiteit – Charles Taylor
Een seculier tijdperk – Charles Taylor
De stemmen van de Pamano – Jaume Cabré
Belke hemel – Edzard Mik
Een reactie plaatsen