Mode in de 20ste eeuw - Leontien van Beurden
De mode-industrie — en de vakjury's van de Project Runways van deze wereld bewijzen dat week na week — is mijn idee van de hel. Een schreeuwlelijk universum vol gebruinde ego's dat goeddeels drijft op imagebuilding en loze praatjes. Modeontwerpers verdienen hun brood met de hardnekkige leugen dat inhoud en omhulsel samenvallen. Een lap stof is nooit zomaar een lap stof.
Die reflexmatige weerzin tegen mode stamt uit het begin van de jaren negentig, toen ik zelf gekleed ging in anonieme houthakkershemden (volgens de mode van die dagen, o ironie). Die hemden pasten goed bij me, een arbeiderszoon, en ik dacht er de aandacht mee af te buigen naar mijn persoonlijkheid, naar de inhoud. Kleren mochten een indicatie geven over wie ze droeg, maar mochten niet imponeren. Dat stond niet sjiek. Dat was niet 'authentiek'.
Ik was jong en onnozel, kortom. Het effect van mijn proletariërsplunje bleef natuurlijk nihil. Alleen inzichtelijk voor de medeparochianen, voor wie de code kon lezen. Een bittere les was dat.
Toen leerde ik mijn vrouw kennen, die me modebewustzijn bijbracht. Of beter gezegd: gevoel voor stijl. Inmiddels weet ik dat géén imago ook een imago is, en dat mooie kleding het leven aangenamer maakt.
Ik neig nu zelfs meer naar de andere kant, en beschouw ijdelheid als een belangrijke deugd. De zin om je goed te kleden is een plezier op zich, en een goedzittend pak het begin van alle zelfrespect. Daarom behoorde What not to wear tot de weinige reality-tv waar ik graag mocht naar kijken. Omdat Trinny en Susannah, naast gelikte multimiljonairs, vrouwen echt vooruit helpen met hun kledingadvies (wat iets anders is dan modeadvies).
Maar de industrie blijft me dus afstoten. Designers die de modekleuren decreteren en honderdduizend dames die zich daar probleemloos naar schikken. Wie richtlijnen uitvaardigt over wat passabel is, voert de druk op mensen op die daar niet willen aan meedoen. Mode als primitief onderscheidingsmechanisme. Jij bent oud en ik ben nieuw.
Bij het zien van een modeshow komen altijd twee vragen in me op. Waarom draagt de ontwerper zelf altijd een simpele jeansbroek en T-shirt? Twee: waarom kijken die modellen altijd zo chagrijnig? Ik begrijp de wetten van het wereldje niet, noch het serieux. In een van zijn columns, uit Never hit a jellyfish with a spade, vat Guy Browning mijn kritiek prima samen.
The last genuinely original fashion idea was in the spring collection of 1974. Nevertheless, colours, lengths, cloths and styles still have to change every season. To make sure everything changes at once in the right direction, all fashion ultimately stems from a small office in the European Commission in Brussels overseen by a hypersensitive bureaucrat.In Mode in de 20ste eeuw legt Leontien van Beurden niets van kritische zin aan de dag. Ze noemt de belangrijkste ontwerpers van de vorige eeuw en geeft aan welk kledingstuk wanneer zijn intrede deed. De keuzes die ze maakt, worden niet eens beargumenteerd. Zo is er weinig aandacht voor heren, en helemaal geen voor kinderkleding. Mode blijkt ook een zeer Europese (lees: Parijse) aangelegenheid. Dat zal wel te verantwoorden zijn, en een boek heeft altijd bladzijden te kort, maar het is niet koosjer dat mode stilzwijgend gedefinieerd wordt als de opeenvolgende collecties van een handvol topcouturiers.
The models who model fashion don't look like normal people. That's because if you're wearing odd clothes it helps to look slightly odd yourself. Remember, the cooler fashion, the odder the models. Normal people look silly in high fashion in the same way that models look silly in low fashion. On the catwalk, models are trained to walk in a certain way. Were they to walk in a normal manner, people might think they were just nipping out to the loo. Instead, they walk in a way which guarantees people look at them, if only to wonder what's wrong with their walk. No one knows why it's called a catwalk; it just seemed to work better than dogwalk.
Goed, dit boek hielp me mijn smaak benoemen. Onnadrukkelijke elegantie, zeg maar — Chanel boven Gaultier, Armani boven Versace, Van Noten boven Bikkembergs. Daarnaast leerde ik dat professionele ontwerpers een relatief jong fenomeen zijn. Designers gingen de traditionele kleermakers vervangen toen de welvaart van de burgerlijke cultuur tijdens de Belle Époque geld vrijmaakte voor uitgekiende kleding. Vrouwen (althans vrouwen uit de bovenklasse) werden het visitekaartje van de hardwerkende man. Het meeste lof moet waarschijnlijk uitgaan naar Paul Poiret, die de vrouwen van het corset bevrijdde, en Coco Chanel, die hen verloste van lange japonnen en weelderige hoeden.
Maar het boek bracht weinig over de zaken die me interesseren. De kledij van gewone mensen, vooral. Wat droeg men zoal in, pakweg, het vooroorlogse Bulgarije? Maar ook economische vraagstukken, zoals: hoe ontstaan modes? Wie zwaait de plak in de modewereld? Hoe zit een modehuis hiërarchisch in elkaar? Hoe beïnvloeden toeleveranciers de trends? En tenslotte: psychologische mechanismen. Kledij als statusobject. Of de eenvoudige truc van topcouturiers, die hun onbetaalbare creaties aan de straatstenen niet kwijtraken, en hun merknamen plaatsen op aanverwante artikelen. Kunnen juffrouwen zich alsnog een prinsesje voelen, met die dure handtas. Van Beurden zegt daar wel iets over, maar niet genoeg.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://www.fashion-era.com/index.htm
Leontien van Beurden, Mode in de 20ste eeuw
143 p.
Uitgeverij SUN, 1995
Oorspr. (1988)

1900-1914
Vanaf het midden van de negentiende eeuw economisch en politiek realisme. Een nieuwe kaste van vrije ondernemers, bankiers en kooplieden. Rijk geworden bovenlaag, de beau-monde. Parijs centrum van de mode. De luxueuze kleding van de vrouw is het visitekaartje van de hardwerkende man. S-lijn. Jugendstil: kunst en ambacht, voor de happy few. Mantelpakjes voor vrouwen met een beroep. Van 1880 iedereen ondergoed. Peignoir. Reformkleding (prerafaëlitisch). Empirelijn (niet meer zo ingesnoerd). Charles Frederic Worth. Jacques Doucet. Soeurs Callot. Madame Paquin. Paul Poiret (schaft het corset af, eigen Huis met ook parfums, opwaardering mode-illustraties). Sportkleding voor de elite. Edward VII van Engeland rolmodel voor de herenkleding. WOI: modebedrijf valt stil.
1914-1929
Alle deelnemers verarmd uit WOI. Emancipatiegolf bij vrouwen. Jazz Age. Escapistische film. Chaplin. Duitse avant-garde. Eistenstein. Surrealisme, Freud. Bauhaus, maar moet sluiten onder druk van rechts. Art-deco in de toegepaste kunst. Vrouwenkleding als van voor de oorlog. Wijde rokken, oorlogscrinoline. La Garçonne, recht silhouet. Naaimachine, goedkopere confectiekleding. Cocktailjurk. Chanel: aartsvijand van Poiret, jersey, jumper, no5, petite robe noire, imitatiejuwelen. Jeanne Lanvin. Captain Molyneux. Jean Patou: sportieve kleding. Sonia Delaunay: patchwork, primaire kleuren. Madeleine Vionnet. Elsa Schiaparelli. Vrouwelijke sportkleding. Minimum aan ondergoed, functioneel. Benen! Kapsels: de shingle, de bop. Mantel: de wrap-over. Herenmode: plusfour, colbert.
1929-1945
Grotere koopkracht in VS, tot beurskrach. Roosevelt: New Deal. Hitler. Emigratie van kunstenaars. Parijs tot WOII centrum van kunst en cultuur. De grote kunstvernieuwingen hebben aan elan verloren. Vanaf 1928 sprekende film. Gestroomlijnd silhouet. Verbrede schouders. Economische opleving vanaf 1933. Gouden sieraden. Lastex. Invloed van filmsterren op de mode. In Engeland ‘utility clothes’. Elsa Schiaparelli: trompe-l’oeil-jumper, combineren van stoffen, knopen. Madeleine Vionnet: schuin op de draad. Chanel: het Chanel-pakje blijft populair, doet katoen ingang vinden, pantalon voor dames. Main Rousseau Mainbocher: distinctie. Lucien Lelong: prêt-à-porter. Robert Pinguet. Stoffen mantels boven bontmantels. Uitzinnige hoeden. Nieuw: haarnet. Weer lang haar. Zware damesschoenen. Beha weer in de mode. Weinig verandering in de herenkledij.
1945-1960
Wederopbouw. Jaren vijftig om de vooroorlogse omstandigheden te herwinnen. Pop-art en rock ’n roll. Opkomst van de jeugdcultuur. Laatste bloeitijd van de Haute Couture, voor de happy few, zodat veel ontwerpers doen in nevenprodukten (shawls, kousen, parfums). Straatbeeld, filmidolen popzangers inspiratiebronnen. Modezaken en fabrikanten kunnen nu een origineel model als toile of als papieren patroon kopen. Vanaf 1955 opkomst prêt-à-porter. Italië komt opzetten als concurrent voor Parijs: kleur, lef accent op nonchalante chic. Christian Dior: koning van de Haute Couture, New Look (vrouwelijk, retro-romantisch), Ligne Chinoise, Ligne Princesse, Ligne Tulipe, de A-lijn, de Y-lijn. Balenciaga. Yves Saint-Laurent: neemt Dior over, trapezelijn, straatmode. Hubert de Givenchy: exclusieve stoffen. Jacques Fath. Chanel: terug na een stop van 15 jaar. Pierre Balmain. Nina Ricci. Jean Dessès. Madame Grès. In Engeland: Hardy Amies, Norman Hartnell, Digby Morton, Victor Stiebel. Hoeden in plaats van kapsels. Nieuw: nylonkousen. Inburgering van de panty. Teddyboys. Antihelden: Dean, Brando, Presley, Richard Burton. Dames (Bergman, Leigh), sexbommen (Russell, Ekberg), nu ook kind-vrouwtje (Bardot, Monroe).
1960-1975
Swinging Sixties. Jeugd grote consument. Consumptiemaatschappij. Verzorgingsstaat. Bevrijding. Protestacties. Oliecrisis van 1973. Groene levenswijze. Zelfverwerkelijking en persoonlijke groei. Pop-art. Popmuziek. Kritisch theater. Straatmode van Mary Quant. Bonestaak Twiggy. Modebeeld strak van vorm. Kapsels Vidal Sassoon. Vrouwenkledij geïnspireerd op boerendrachten. Laura Ashley. Hippiedracht. Mode onthult steeds meer individuele smaak van de drager. T-shirts en jeans aanvaarde dracht. Unisex. Boutiques met modesnufjes en accessoires: Biba en Bazaar. Mary Quant: simpel, minirok, Total Look. Sally Tuffin. John Bates. Ossie Clark. John Stephen. Pierre Cardin: eerste ontwerper die begint met prêt-à-porter. Yves Saint-Laurent. André Courrèges: Moongirl, introduceert laarzenmode. Emanuel Ungaro. Theatrale make-up. Diëten, sportbeoefening. Nylon blijkt ideaal voor skikleding.
1975-1995
Troost en veiligheid in een burgerlijk cultuurpatroon. Milieuproblematiek. Hongersnoden. Bewapeningswedloop. Val Berlijnse muur. Toenadering Oost en West. Generatie Nix. Pluralisme in de kunst. Postmodernisme. De uien-look. Powerdressing. Punk. Disco. Pantalon voor vrouwen. Tricot. Styling: total look. Armoelook (Rei Kawakubo). Orgie van kleuren, glimstoffen, pailletten. Yuppen. Androgynie. Iedereen wil voor alles een eigen image. Basics met zeer speciale uitstraling: Esprit, Benetton, Mexx, Sissy Boy, Copain Copine, H & M. Designer’s labels. Sportkleding (nylon en vanaf 1958 lycra) dringt door tot de daagse mode. Grove schoenen, Doc Martens. Grunge. Bergaf met de Haute Couture. Laura Ashley: laat-Victoriaans. Zandra Rhodes: conceptual chic. John Galliano: antimode. Rifat Ozbek. Katherine Hamnett: engagement. Vivienne Westwood: punk. Karl Lagerfeld: duivelskunstenaar. Claude Montana. Yves Saint-Laurent: surfend op heersende trends. Jean-Paul Gaultier: humor en glamour. Christian Lacroix: barokke stijl. Gianfranco Ferré: grote vlakken en sterke kleuren. Duitsers: Jill Sander, Helmut Lang, Wolfgang Joop, Uli Schneider, Stephanie Poten. Amerika toonaangevend qua massaconfectie. Amerikaanse ontwerpers: Claire McCardell, Geoffrey Beene, Ralph Lauren, Donna Karan, Calvin Klein. Italianen: Gianni Versace (sexy, controversieel, exclusief), Giorgio Armani (herenkledij als inspiratie voor dameskledij), Domenica Dolce & Stefano Gabanna, Tai Missoni, Valentino Garavani, de zusters Fendi. De Antwerpse zes: Ann Demeulemeester, Walter van Beirendonck, Dirk Bikkembergs, Dirk van Saene, Dries van Noten, Marina Yee. Japanners: Kenzo Takada, Issey Miyake, Rei Kawakubo, Kansai Yamamoto, Yohji Yamamoto, Hanae Mori, Mitsuhiro Matsudo.

4 reactie(s):
A history of fashion – Black en Garland
Mirror, mirror : a social history of fashion – Batterberry
On human finery – Bell
La mode : art, historie et société – Butazzi
20th century fashion : a scrapbook – Carter
Chanel and her world – Charles-Roux
Fashion – Dorner
Wat gebeurde er na Quant en Courrèges? – Eggels
History of twentieth century fashion – Ewing
Fashions of a decade (5 dl.)
Kostümkunde – Fehlig
Historie du jeans dus 1750-1994
Seeing through clothes – Hollander
In vogue : six decades – Howell
The collector’s book of twentieth century fashion – Kennett
Sociologie van de mode – König
Modesty in dress – Laver
Cross currents (art – fashion – design 1890-1989) – Lewenhaupt
Mode im 20. Jahrhundert – Loschek
The language of clothes – Lurie
Coiture : the great fashion designers – Milbank
The encyclopedia of fashion – O’Hara
Het versierde spijkerpak – Owens en Lane
Street style – Polhemus
Fashion & anti-fashion : an anthropology of clothing and adornment – Polhemus en Procter
De geklede mens – Portnoy
La mode – Roselle
Who’s who in fashion – Stegemeyer
Het seizoen – Terreehorst
Mode nach der Mode : Kleid und Geist am Ende des 20. Jahrhunderts – Vinken
Adorned in dreams – Wilson
Clothes – Wilkerson
The encyclopedia of world costume – Yarwood
Dag Achille,
Het is zoals Rudy Kousbroek het eens zei: Mode is onzin. Even stompzinnig als sport.
Hij had het vooral over het zogenaamd kunstzinnige van de mode-ontwerpers. Mode kunst? Waarom moet er dan elk seizoen weer een nieuwe mode gemaakt worden, en is de mode van het vorige seizoen dan ‘uit’?
Kunst is net als mode een vlottend begrip, dat even onderhevig is aan smaak als kledij. Wat ons het idee geeft van kunst (met de grote K) is een canon die al eeuwen door het prestigieuze goegemeente in stand gehouden wordt. Het is een geloof, net als het geloof in een mode. Mode-industrie met al zijn nare bijklanken (woorden als uit en in, lelijk en mooi, chagrijnige modellen en geldwolven van ontwerpers) is misschien geen kunst. Maar de juiste jurk, het juiste kleur, de juiste lijn bij een vrouw en het juiste maatpak, de juiste proporties en de juiste kleur bij een man, kunnen karaktertrekken verstevigen en het uiterlijk een andere dimensie geven. U hoort mij niet zeggen dat zulks belangrijker is dan het innerlijke. Op momenten kunnen dergelijke creaties ons echter evenzeer bedwelmen als een kunstwerk. En dan is het misschien wel een kunst met grote K...
(eum sport stompzinnig? "Mens sana in corpo sano", zeg ik altijd en zei een ander groot man ooit ook eens, heel lang geleden)
Mode heeft als dynamiek nauwelijks rationele basis en is als dusdanig niet interessant, maar kleding kan heel mooi zijn en dus onze levenskwaliteit verbeteren. Hetzelfde geldt voor sportcompetitie versus lichaamsbeweging.
Kousbroek heeft inderdaad op mode afgegeven. Maar over kleding, in het algemeen, valt wel degelijk veel te vertellen. Nota bene de vrouw van Kousbroek, Ethel Portnoy, schreef er een aardig boek over, 'De geklede mens'. Een dezer dagen wil ik het hier bespreken.
Een reactie plaatsen