maandag 18 januari 2010

Maximen - François de La Rochefoucauld

Als jonge twintiger was de zeventiende-eeuwse aforist François de La Rochefoucauld een openbaring. Toevallig was hij de eerste die met zijn maximen mijn toen nog katholieke begrippenapparaat op zijn kop zette. Tien jaar later vermaak ik me nog altijd prima met het werk van radicale pessimisten. In mijn boekenkast zet ik La Rochefoucauld niet bij de Franse schrijvers, maar op het plankje humor, met eerbiedwaardige collega's als Schopenhauer, Cioran en Bierce.

De Maximen kregen onlangs een nieuwe vertaling, van Maarten van Buuren, die er ook een heel informatief nawoord aan toevoegde, al is-ie wat karig met biografische informatie. De bitterheid van François de La Rochefoucauld (1613-1680) is voor een groot stuk ingegeven door persoonlijke ervaringen. In de Fronde, legt van Buuren uit, spande hij samen met de vorst van Condé tegen Louis XIV — die de oorlog won en het kasteel van La Rochefoucauld verwoeste. Daarna liet zijn maîtresse hem in de steek.

De rest van zijn leven zou La Rochefoucauld zich toeleggen op het scherpslijpen van zijn somberheid in venijnige oneliners. Hij bezocht de Parijse salon van de jansenistische markiezin van Sablé, waar ook Blaise Pascal regelmatig uithing. Drie leden van de salon, De Sablé zelf, Jacques Esprit en La Rochefoucauld, werkten er aan een bundel 'maximen' — afgeleid van maxima sententia, 'uiterst beknopte spreuken'.

Maximen schrijven was een tijdverdrijf voor enk'le fijne luiden. Even belangrijk als het ventileren van zwarte gal, was het spelelement. Een maxime, schrijft Van Buuren, moest aan drie voorwaarden voldoen: "kernachtig zijn, algemeen menselijke gedragingen betreffen, en een pointe bevatten die hun spelkarakter (en later hun literaire succes) garandeerden".

La Rochefoucauld had een genadeloos mensbeeld. Hij geloofde niet in de christelijke en adellijke deugden van zijn tijd, maar al evenmin in heidense deugden of een stoïcijnse levenshouding (lees maxime 504, over de leugenachtigheid van onze verachting van de dood!). De mens laat zich niet leiden door ethiek, maar door blinde driften: ijdelheid, luiheid, angst, trots, lusteloosheid en eigenliefde.

Elke zogenaamde deugd kan herleid worden tot een van deze ondeugden, en dat is wat La Rochefoucauld hier demonstreert. Liefde voor rechtvaardigheid is vrees om te lijden onder onrechtvaardigheid. Verstand wordt altijd om de tuin geleid door gevoel. Lof is vleierij. Goedheid komt bijna altijd neer op luiheid of lamlendigheid. Vrijgevigheid is ijdelheid. Bescheidenheid wordt opgelegd door de middelmatigen. Goedheid is zwakheid of inschikkelijkheid. Onrecht verwerpen we, niet omdat we er een afkeer van hebben, maar omdat we er schade van ondervinden. En trots bespaart ons de pijn van al deze onvolkomenheden onder ogen te zien.

De reden waarom ik altijd moet lachen met La Rochefoucauld is dat hij mijn ingesleten pessimisme altijd een paar stapjes voor is, en dat is verkwikkend.

145
We mengen onze complimenten vaak met venijn om in degenen die we complimenteren gebreken zichtbaar te maken die we op een andere manier niet durven te onthullen.

178
De reden waarom wij graag nieuwe kennissen maken is niet zozeer dat wij de oude beu zijn, of graag een nieuw gezicht zien, maar eerder dat we ons ergeren onvoldoende te worden bewonderd door degenen die ons te goed kennen, en hopen dat meer te zullen worden door degenen die ons nog niet zo goed kennen.
Eigenliefde, ofte amour-propre, een religieuze term, zou de kern blijven van La Rochefoucaulds mensopvatting, ook toen hij zich meer en meer ontworstelde aan de invloed van het jansenisme en woorden als 'zonde' en 'genade' achterwege liet. Het begrip 'eigenliefde' ("Ze draait met alle winden mee, haar metamorfoses overtreffen die van Ovidius, en haar spitsvondigheid die van de scholastici") zou ook een belangrijke rol spelen in de theorieën van Adam Smith, hoewel het begrip oorspronkelijk gemunt werd door een kerkvader.
‘Eigenliefde’ is afkomstig van Augustinus, die in De civitate dei het onderscheid maakte tussen de liefde van de mens gericht op zichzelf (amor sui), of op God (amor dei). De eigenliefde is een van God afgewende liefde (aversario), die door de mens in een narcistische beweging is teruggeplaatst in zichzelf. De mens tekent daarmee zijn ondergang, want hij sluit zich af voor een goddelijke genade die hem alleen ten deel kan vallen als hij zich bekent tot de amor dei en zijn liefde ‘omkeert’ in de richting van God (conversio — ons woord ‘bekering’, het Franse conversion, heeft hierin zijn oorsprong).
La Rochefoucauld herlezend lette ik ditmaal op het verschil met moderne groten in het genre, zoals Stanisław Jerzy Lec. Waarbij opvalt dat de Fransman een echte boeteprediker is. Hij moraliseert en blijft daarbij dicht bij de kale redenering. Hij gebruikt paradoxen, maar geen beelden. La Rochefoucauld is heel Frans, in de zin dat hij een voorliefde heeft voor absolute waarden, en geen grijstinten kan zien. Van Buuren legt uit waarom de onpersoonlijke formulering van het origineel zo lastig te vertalen is, en wijst op een andere stijlfiguur die bepalend is voor La Rochefoucaulds wereldbeeld.
Hij schrijft zijn Maximen in een periode en een intellectuele omgeving die in het teken stonden van de wiskunde. De invloed van schrijvers/wiskundigen als Descartes, Spinoza en Pascal is goed merkbaar. La Rochefoucauld heeft dan ook de neiging om zijn maximen te construeren als vergelijkingen volgens het grondmodel a:b=c:d. bijvoorbeeld: ‘maximen willen schrijven zonder er aanleg voor te hebben is net zo belachelijk als tulpen willen kweken zonder bollen te hebben geplant’ (Nagelaten maximen). Op deze strakke, bijna mathematische opbouw maakt La Rochefoucauls allerlei inbreuken. Hij laat bijvoorbeeld een lid van de vergelijking weg (a:b=c) en dwingt zo de lezer de ontbrekende schakel in te vullen. Of hij suggereert een symmetrie die niet bestaat of raadselachtig is. De maximen vertonen met andere woorden open plekken. Er wordt van de lezer aanzienlijk inzet vereist om de maximen aan te vullen en op te lossen en juist deze kwaliteit verklaart waarom de maximen hun kracht door de eeuwen heen behouden hebben. ‘Mensen zien nog liever valse verdienste door de vingers dan dat ze werkelijke verdienste veroordelen’ (Maximen 455). In deze maxime is het geijkte grondpatroon a:b=c:d makkelijk te herkennen, maar er klopt iets niet. Volgens dat patroon zou je iets verwachten als: ‘Mensen zien nog liever valse verdienste door de vingers, dan dat ze werkelijke verdienste prijzen’. Ze zien nog liever iets negatiefs (onredelijks) door de vingers dan dat ze iets positiefs (redelijks) doen. De vervanging van dat ze ‘verdiend succes prijzen’ (+) door ‘dat ze werkelijke verdienste veroordelen’ (-) schept een dissymetrie. In deze dissymetrie wordt de plus vervangen door een min, zodat de vergelijking iets absurds krijgt (liever – dan – ), en de zwarte kijk onthult die La Rochefoucauld op mensen had, doordat hij ervan uitgaat dat mensen niet kiezen tussen goede en slechte alternatieven, maar tussen slechte en nog slechtere.
La Rochefoucauld ging tot op het bot en was in geschrifte kennelijk niet geïnteresseerd in de praktische consequenties van zijn ideeën. Wie zijn wereldbeeld tot het uiterste volgt kan immers alleen maar verzanden in immobilisme.

Als dit boekje voor mij daarom één ding bewijst, is het wel dat het katholieke begrippenkader past op de mens als een tang op een varken. Tegenwoordig neig ik meer naar het pragmatisme. Wat baten ons begrippen als 'goed' en 'kwaad' en het vruchteloze zondebesef dat daaraan vast zit? De vraag is: hoe kunnen we zo'n krachtige motor als eigenliefde in concrete situaties inzetten tot het nut van 't algemeen?

Aan de andere kant zou ik dringend meer moeten weten over hoe wetenschappers aankijken tegen ethiek. Wetenschappers à la Frans de Waal. Mijn noties daarvan zijn te algemeen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees de Maximes in het Frans
> lees de Maximes in het Engels
> zeer beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

François de La Rochefoucauld, Maximen
Bespiegelingen over het menselijk gedrag

127 p.
Uitgeverij Historische Uitgeverij, 2008
Oorspr. Maximes et réflexions diverses (1664)
Vertaald door Maarten van Buuren

49
On n'est jamais si heureux ni si malheureux qu'on s'imagine.

64
La vérité ne fait pas tant de bien dans le monde que ses apparences y font de mal.

135
On est quelquefois aussi différent de soi-même que des autres.

154
La fortune nous corrige de plusieurs défauts que la raison ne saurait corriger.

175
La constance en amour est une inconstance perpétuelle, qui fait que notre coeur s'attache successivement à toutes les qualités de la personne que nous aimons, donnant tantôt la préférence à l'une, tantôt à l'autre; de sorte que cette constance n'est qu'une inconstance arrêtée et renfermée dans un même sujet.

213
L'amour de la gloire, la crainte de la honte, le dessein de faire fortune, le désir de rendre notre vie commode et agréable, et l'envie d'abaisser les autres, sont souvent les causes de cette valeur si célèbre parmi les hommes.

218
L'hypocrisie est un hommage que le vice rend à la vertu.

234
C'est plus souvent par orgueil que par défaut de lumières qu'on s'oppose avec tant d'opiniâtreté aux opinions les plus suivies: on trouve les premières places prises dans le bon parti, et on ne veut point des dernières.

280
L'approbation que l'on donne à ceux qui entrent dans le monde vient souvent de l'envie secrète que l'on porte à ceux qui y sont établis.

287
Ce n'est pas tant la fertilité de l'esprit qui nous fait trouver plusieurs expédients sur une même affaire, que c'est le défaut de lumière qui nous fait arrêter à tout ce qui se présente à notre imagination, et qui nous empêche de discerner d'abord ce qui est le meilleur.

340
L'esprit de la plupart des femmes sert plus à fortifier leur folie que leur raison.

343
Pour être un grand homme, il faut savoir profiter de toute sa fortune.

375
Les esprits médiocres condamnent d'ordinaire tout ce qui passe leur portée.

377
Le plus grand défaut de la pénétration n'est pas de n'aller point jusqu'au but, c'est de le passer.

383
L'envie de parler de nous, et de faire voir nos défauts du côté que nous voulons bien les montrer, fait une grande partie de notre sincérité.

386
Il n'y a point de gens qui aient plus souvent tort que ceux qui ne peuvent souffrir d'en avoir.

414
Les fous et les sottes gens ne voient que par leur humeur.

420
Nous croyons souvent avoir de la constance dans les malheurs, lorsque nous n'avons que de l'abattement, et nous les souffrons sans oser les regarder comme les poltrons se laissent tuer de peur de se défendre.

424
Nous nous faisons honneur des défauts opposés à ceux que nous avons: quand nous sommes faibles, nous nous vantons d'être opiniâtres.

446
Ce qui rend les douleurs de la honte et de la jalousie si aiguës, c'est que la vanité ne peut servir à les supporter.

469
On ne souhaite jamais ardemment ce qu'on ne souhaite que par raison.

482
L'esprit s'attache par paresse et par constance à ce qui lui est facile ou agréable; cette habitude met toujours des bornes à nos connaissances, et jamais personne ne s'est donné la peine d'étendre et de conduire son esprit aussi loin qu'il pourrait aller.

496
Les querelles ne dureraient pas longtemps, si le tort n'était que d'un côté.
____

3 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Le degré zéro – Roland Barthes
La Rochefouauld and the language of unmasking – Henry C. Clark
La Rochefoucauld : l’homme et son image – Jean Lafond
French moralists : the theory of the passions 1585-1649 – Anthony Levi s.j.
La Rochefoucauld : his mind and art – W.G. Moore

Frank Hellemans zei

In het Frans zijn deze maximes inderdaad nog zoveel sprekender!
Bien vu, Achille.

CC zei

In verband met de ambitie die je in de laatste alinea uitspreekt: Darwin's Dangerous Idea en Freedom Evolves van Daniel Dennett kan ik van harte aanbevelen. Vooral dat eerste boek heeft mijn denken fundamenteel beïnvloed. (Ik ben er zelfs van werk door veranderd)

Related Posts with Thumbnails