Illustere voorgangers - Jean Rouaud
Een van de moeilijkste aspecten van schrijven lijkt me het handhaven van een bepaalde toon. Een goeie schrijver is vele mensen, zeker in dit tijdsvak dat zich laat voorstaan op een versplinterd gevoel van identiteit. Daar één stem uit te kiezen en die leugen ook nog honderden bladzijden volhouden, vereist kadaverdiscipline. Misschien hebben schrijvers die opgroeien in de provincie het iets makkelijker. Het leven daar is ondubbelzinnig. Kapsones worden er niet geduld.
Jean Rouaud, bijvoorbeeld, werd grootgebracht in het Bretoense plaatsje Cambon. Na de middelbare school te hebben afgewerkt in Saint-Nazaire, gaat hij moderne letterkunde studeren in Nantes. Dan volgen verschillende baantjes. Eind jaren tachtig baat Rouaud een krantenkiosk uit in het negentiende arrondissement in Parijs, een volkswijk bij La Vilette. Rouaud koestert inmiddels literaire ambities, maar zijn eigen probeersels, heldere weemoedige verhalen, steken schril af tegen de postmoderne pretenties die Frankrijk vanaf de jaren zeventig in de greep houden.
In 1988 ontmoet hij Jérôme Lindon, directeur van Éditions du Minuit. Die geeft De velden van eer uit, waarna de onverwachte zegetocht van Rouaud begint. Deze roman, de geschiedenis van Rouauds grootvader tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog, met doortastende beschrijvingen van de slagvelden in België en Noord-Frankrijk, wint de Prix Goncourt en gaat met honderdduizenden over de toonbank.
Het boek blijkt het eerste deel van een familiekroniek. Rouaud is erg getekend door het drama dat plaatsvond toen hij elf was, wanneer in één jaar tijd zijn grootvader, zijn oudtante en zijn vader overlijden. De boeken zijn een alibi om op zoek te gaan naar het familieverleden en een poging daarmee in het reine te komen. Na De velden van eer volgen Illustere voorgangers (over zijn vader), De wereld bij benadering (over zijn studentenjaren), Voor al uw geschenken (over zijn moeder) en In de hemel zoals op aarde (moeder die postuum commentaar geeft op het beeld dat Jean van haar heeft opgehangen). Decor is steeds de Loire-Inférieure (sedert 1957 Loire-Atlantique).
In deze romancyclus, ook door Van Oorschot in één band uitgegeven, kom ik dus onbehouwen binnenvallen bij deel twee — om meteen getroffen te worden door de liefdevolle elegantie waarmee Rouaud over zijn afkomst schrijft: de bevolking van een plaatsje dat hier met een knipoog "Random" wordt genoemd, een dorpskern van bescheiden omvang, met niet minder dan zeventien cafés.
Illustere voorgangers speelt overwegend in de jaren vijftig. Ook in deze landelijke uithoek van Frankrijk wint de moderniteit veld, als een bulldozer met een niet te stoppen duwblad. Boeren moeten ineens 'agrariërs' worden en hun grondgebied wordt heropgedeeld.
Want er is een ervoor en een erna in Bretagne: het ervoor van de minuscule perceeltjes, breinbrekers voor de experts van het kadaster, die een talrijk nakomelingschap eindeloos bleef verkavelen tot er voor de erfgenamen niets meer overbleef dan een plaats om de voeten neer te zetten en het recht om te emigreren, en het erna van de herverkaveling, toen men er, op het hoogste niveau, gezien de povere resultaten van de Bretonse landbouw toe overging een hele streek op te stoten in de vaart der volkeren en de moderne tijd. Kenmerkend voor de moderne tijd is dat men weigert met kruimels genoegen te nemen: hoe in die velden Peau-de-chagrin de volumineuze machines te laten manoeuvreren die in een uur het werk verzetten waarvoor tien mannen een week nodig hebben? Hoe de grond te bemesten zonder dat winde en madeliefjes baat zouden hebben bij de stikstofhoudende toevoeging? Hoe de spreeuwen te verhinderen het gezaaide graan op te pikken en zo tegelijkertijd de verwachte oogst te consumeren? Hoe een boer aan te raden, door hoog op te geven van de zegeningen van het arbeidersleven en de geneugten van de grote stad, een schrale grond in de steek te laten? Hoe samen te voegen wat is verstrooid: de velden, de huizen, de dieren? Hoe te verstrooien wat is samengevoegd: de generaties, de herinneringen? In de beslotenheid van zijn werkkamer maaide de grote assemblator een verwoestende arm over Bretagne zoals een onbehouwen kerel een overvolle tafel met een zwaai leegveegt. Op het zo vrijgekomen terrein tekende hij nu uitgestrekte rechthoeken die aan alle kanten open waren, traceerde gebaande, rechte wegen, en zette, oordelend dat het zo dik voor elkaar was, zijn handtekening onder zijn magnum opus. Was het geheime vonnis eenmaal verzonden naar de verre provincie, dan kon de kaalslag beginnen.In dit klimaat probeert Joseph, de vader van Jean, zich staande te houden. Hij drijft een winkel in aardewerk en probeert een cent bij te verdienen door Bretagne te doorkruisen met koopwaar — serviezen, daarna ook opvoedkundige platen voor lagere scholen.
Voor de andere was hij degene op wiens terugkeer men wachtte, een lentebode, een trekvogel. Voor ons de heer des huizes. Voor de reconstructie van het leven dat hij door de week leidde ver van ons vandaan, beschikten we alleen over de namen waarmee hij zijn verhalen lardeerde: namen van personen, van plekken, van hotels die, omdat we ze niet konden plaatsen, in onze ogen een mythische dimensie kregen. Hij heerste over een geografie die afkomstig leek uit fabels: Pont-Aven, Vannes, Quimper, Péaule, Roscoff, Rosporden, Landivisiau, Hennebont, Loudéac.De vehicels waarmee Joseph zich verplaatst, eerst een gammele Panhard Dyna, later een metallic groene Peugeot 403, zijn een forse uitwijding waard. Want dat is de manier waarop Rouaud te werk gaat: hij zoekt naar sprekende details, in plaats van naar een plot.
Sprekend is ook de reis naar de Parijs van het gezin, een hele gebeurtenis in die tijd, of het uitje naar de alignements de Carnac, die al even memorabel worden beschreven als de jeugdige Flaubert dat ooit deed. Hoewel de zee vlakbij is, heeft Joseph, zelf een man uit één stuk, een hartstocht voor stenen. Joseph verzamelt stenen om later thuis een tuin aan te leggen.
Als hij voor een opeenstapeling van rotsen, een menhir of een kunstig opgetrokken muur stond, was het of hij voor een stamboom stond.De belangrijkste opbindstok voor de doodgewone geschiedenis van Illustere voorgangers is taal — Marianne Kaas heeft trouwens voortreffelijk zitten vertalen. Rouaud is een fijnslijper, maar draait geen overdreven krullen, of gaat op zijn Frans banaliteiten kapot analyseren. Dit boek is niet het zoveelste verslag van een overgevoelige jeugd; integendeel, de ik van Illusterere voorgangers is een zich wegcijferend ik. Vader staat voorop — lees de prachtige bladzijden waarin Joseph een kachelpijp verlengt om de slaapkamer via een buizensysteem te verwarmen.
In het laatste derde van het boek, deel II, vindt Rouaud het nodig om terug te gaan in de tijd. Dan krijgen we Joseph als jongeling te zien. In 1941 wordt hij via de Vichy-regering opgeroepen door de Duitse autoriteiten voor verplichte tewerkstelling in Duitsland. Maar hij weet te ontkomen in het station van Nantes. Joseph gaat in het verzet. Het boek eindigt in 1943, met de Amerikaanse bombardementen ("moordend zaaigoed") op Nantes. Joseph en zijn toekomstige vrouw zullen het overleven.
Inzoemen op beide voorvallen is een grove kunstgreep. Maar het werkte wel. In tweede instantie toch, toen ik een maand later mijn notities van deel I overlas voor deze bespreking. Nogmaals die kennismaking met een zinvol besteed mensenleven, dat anders gedeporteerd was naar Buchenwald wegens desertie. Dat ontroerde me.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Jean Rouaud, Illustere voorgangers
160 p.
Uitgeverij Van Oorschot, 1994
Oorspr. Des hommes illustres (1993)
Vertaald door Marianne Kaas

4 reactie(s):
Ik las enkele jaren met veel plezier de ganse cyclus van Rouaud.De laatste twee delen over de moeder vond ik zo mogelijk nog overtuigender en ontroerender dan de eerste twee boeken waar de vader centraal staat.Het boek over zijn studentenjaren vond ik wat minder, oppervlakkiger en minder origineel dan de rest.
Van Pierre Michon waarover je minder positief schrijft is het misschien interessant "Roemloze levens" te lezen.Het kostte me meer moeite dan Rouaud, vooral door het wat aparte taalgebruik, maar ik vond het wel veruit het beste van de vier boeken die ik van hem las.
Ik heb niets tegen Pierre Michon op zich. Ik las met veel plezier 'De hengelaars van Castelnau' en ook nog 'Vuur van Brigid en andere wintermythen'.
'Joseph Roulin' vond ik alleen makkelijk aanschurken tegen een populair Frans thema, zonder daar iets substantiëlers dan een pretentieuze woordenbrij aan toe te voegen.
Dat laatste komt volgens mij omdat je "Joseph Roulin" in een oude en allesbehalve overtuigende vertaling hebt gelezen. In "Meesters en knechten" (uitg. Van Oorschot) staat een schitterende nieuwe vertaling van "Joseph Roulin", door Rokus Hofstede.
Dat treft. Deze week kreeg ik een mail van Rokus Hofstede met aangehaakt een oud artikel uit De Standaard waarin hij vertaalster Marijke Jansen op al haar fouten wijst.
Een reactie plaatsen