donderdag 31 december 2009

Heilwens



Achille van den Branden wenst zijn lezers een leesbaar 2010 toe en veel vrije tijd. Achille neemt een korte eindejaarspauze. Om zijn feedreader uit te mesten, en om eindelijk een boek te lezen dat al jaren ligt te wachten: De metamorfose van de wereld van Peter Conrad.

Maandag 11 januari terug met nieuwe besprekingen. De activiteiten op Prins van Denemarken blijven min of meer doorlopen. Hieronder vindt u het leesjaaroverzicht 2009 en mijn goede voornemens voor 2010. Tot binnen 895 bladzijden.



____

Het leesjaaroverzicht van Achille van den Branden 2009

Weinig tekst, veel titels. Er wordt zoveel mogelijk doorgelinkt naar de corresponderende recensies op Achille van den Branden. In het andere geval (bij de meeste poëzie, bijvoorbeeld) wordt u doorverwezen naar een representatief fragment op Prins van Denemarken. Zie ook de lijst met alle besproken boeken dit jaar op Achille. Zie verder de lijst met alle fragmenten uit de aanraders op PvD.


TRENDS

1. 2009 was het eerste jaar dat ik elke week vier besprekingen schreef, in plaats van vijf. Ik heb daarmee eindelijk mijn ritme gevonden. Ik hoef niet langer de meeste boeken te bespreken die ik lees, enkel degene die zich het beste lenen tot een recensie. De kwaliteit van de recensies is dat hopelijk ten goede gekomen.

2. Achille van den Branden zit in de lift, voor zover een weblog met lange bijdragen over literatuur in de lift kan zitten. Het weblog werd genoemd in een paar nationale kranten in Vlaanderen en Nederland, en haalde de shortlist van de Dutch Bloggies in de categorie 'Literatuur'. Wellicht daardoor komen er meer lezers langs. Reacties zijn over het algemeen waarderend. Vooral met spontaan aangedragen leestips ben ik blij. Wrokkige onbekenden laten zich niet zoveel meer horen.

3. Ook dit jaar werd Achille van den Branden door websites aangezocht om voor hen te komen schrijven; ook dit jaar ging ik daar niet op in. Nieuw is dat een nationaal medium mij wou inhuren als recensent. Voorlopig blijft hun aanbod te vaag om daar iets over te kunnen zeggen.

4. Dit jaar was het tweede jaar dat ik op zijn minst elke twee weken een Engelstalig boek las. Het plezier daarbij is onbeschrijflijk. Ik ben niet langer geïntimideerd door boeken in een andere taal, en mijn nieuwsgierigheid zal zich de komende jaren doorzetten naar het Frans en het Duits. In 2010 probeer ik het aantal Engelstalige boeken nog op te voeren. Misschien kan ik in 2011 aan mijn Frans werken.

5. Ik zie nu eindelijk in waarom je Engelse boeken best in het Engels leest. Raymond Chandler en Dashiell Hammett deden me niks in Nederlandse vertaling. Al zal ik altijd vertalingen blijven lezen; omdat Engels lezen meer energie vergt, en omdat vertalingen zeer gemakkelijk te krijgen zijn in de bibliotheek. Maar ik ben voorzichtiger geworden in mijn oordeel op basis van vertalingen.

6. Een bijzondere ontwikkeling is dat ik de vooroorlogse Angelsaksische literatuur heb leren waarderen. Vooral de Amerikaanse schrijvers rond de jaren dertig (E.B. White, James Thurber, Ring Lardner, noem maar op) blijken een onverwachte goudmijn. Ook erg genoten van hun moderne nazaten, type David Remnick. Er ligt nog veel moois in het verschiet.

7. In 2009 las ik een aantal boeken over cultuurfilosofie, om te merken dat ik daar erg van houd. Frank Furedi bijvoorbeeld (Waar zijn de intellectuelen?) en de boeken van Roger Scruton (De betekenis van het conservatisme en Waarom cultuur belangrijk is). Vroeger las ik af en toe zo'n boek (Curtis White, Nicholas Negroponte, George Steiner), maar ik wil dit in de toekomst systematischer doen.

8. In het verlengde daarvan heb ik sympathie en begrip gekregen voor het conservatieve gedachtengoed. Word ik oud?

9. Het aandeel non-fictie in mijn leespatroon staat nog bijlange niet op punt. Ik las wel enige boeken over geschiedenis (Beliën, Wright), maar dat was me niet genoeg. Meer geschiedenis lezen wordt het aandachtspunt voor 2010.





POËZIE
De verzamelde gedichten gelezen van H.H. ter Balkt (In de waterwingebieden), Adriaan Roland Holst (Gedichten 1911-1976), C.O. Jellema (Verzameld werk : gedichten), en Hans Warren (Verzamelde gedichten). Geen van hen zal de komende jaren tot mijn favoriete dichters behoren.

Zeldzaam, een bloemlezing met gedichten en vertalingen die ik bijna allemaal goed vind: De meesters : wereldpoëzie van twintig eeuwen, van Paul Claes.

In september dit jaar overleden: Christine D'haen. Wie één goeie, representatieve bundel van haar wil lezen, neemt best Mirages.

Een echte ontdekking waren de Amerikaanse Dinggedichte van Karl Shapiro (Selected poems).

Relaxte columns van een poet's laureate met een eclectische smaak: Now & then, van Robert Hass.

Veel plezier beleefd aan de humoristische poëzie in gepaard rijm van Ogden Nash (Candy is dandy).

Om een aspect uit de literatuur te bestuderen, moet je teruggaan naar de auteur, het gedicht of het verhaal waar dat aspect in zijn meest zuivere vorm terugkomt. Kennis van de bronnen, de ouden, de klassieken, het ontstaan van een traditie, is onontbeerlijk, aldus Ezra Pound in ABC of reading.

Beste individuele bundels gelezen in 2009: Namens de ander van Ester Naomi Perquin, De vrijheid van zwijgen van Johan de Boose, Een twee drie ten dans van Eva Cox, De vergeethoek van de slaap van Koen Stassijns en De contouren van het verstrijken van Roland Jooris.


ONTDEKKINGEN

De dystopische kortverhalen van J.G. Ballard: Low-flying aircraft and other stories. Volgend jaar meer van lezen.

De columns van Joe Bennett, Fun run and other oxymorons. Een Brit die in Nieuw-Zeeland woont. Omwille van het rijke Engels, de humor, de pit.

Algemene waarheden verpakt in geestige columns: Never hit a jellyfish with a spade van Guy Browning.

De bijtende eerlijkheid van Thomas Bernhard, in Mijn prijzen.

John Updike (Musea, vrouwen, meisjes) en William Somerset Maugham (Collected short stories volume 1) blijken meesters van het (kort)verhaal.

De pragmatische filosofie, as opposed to de topzware, verabsoluterende continentale filosofie. Mooi inleidend werk van Peter Venmans, Over de zin van nut, waarin hij het uitgebreid heeft over Richard Rorty, naar wie ik heel nieuwsgierig ben geworden.

Ontdekking van het jaar is misschien de Amerikaanse criticus Michael Dirda, die enthousiasmerende essays schrijft met waslijsten aan mij onbekende boeken: Book by book, Classics for pleasure en Readings.


TELEURSTELLEND

De al te brave literatuurcolumns van enfant terrible Frédéric Beigbeder (Dernier inventaire avant liquidation).

Bevoogdend en onleesbaar in Nederlandse vertaling: De pelgrimsreis van John Bunyan.

Kitsch uit Zweden: Kapitein Nemo's bibliotheek van Per Olov Enquist.

Rubem Fonseca werd me aangeraden door een lezer van Achille. Misschien was De pad & de geleerde het verkeerde boek om mee te beginnen.

Ze zien er mooi uit bij De Geus, de boeken van Jean-Claude Izzo, maar Eindpunt Marseille valt alvast veel te licht uit.

De magie van Garrison Keillor en zijn Leven in Lake Wobegon is nog niet tot me doorgedrongen.

Het lijden van vorst Sternenhoch van Ladislav Klíma werd me door twee verschillende lezers van Achille aangeraden. Het boek bleek een sof.

Is dit nu de grote Elmore Leonard? Big Deal, inderdaad.

De weg van Cormac McCarthy wordt door velen aanbeden. Ik vond het nogal makkelijk.

Geerten Meijsing is aan het copywriten geslagen in Siciliaanse vespers.

Franse gevoelerigheid op de vierkante milimeter waar je moe van wordt: Joseph Roulin, de postbode van Van Gogh, van Pierre Michon.

How Mumbo-Jumbo conquered the world van Francis Wheen is een verzameling dossiers, geen boek.

Saaier dan verwacht: De jongen die ik was van Tobias Wolff.


BESTE GELEZEN IN 2009

€ 6,99: fikse afrekening met het reclamemilieu door Frédéric Beigbeder.

Hard gelachen met George Carlin in Brain droppings.

Uitstekend geschreven en rijk boek, met maatschappelijke relevantie: De depressie-epidemie van Trudy Dehue.

Als er dan toch leermeester vs. pupil-boeken geschreven moeten worden, laten ze dan zijn zoals Brief aan de gelukkige jongen die ik was, van Franco Ferrucci.

Meesterlijk compact geschiedenisboek, ideaal voor het vlugge naslaan: Een kleine geschiedenis van de wereld, van E.H. Gombrich.

Zo compact dat ik het eens moet herlezen: Stof waar honger uit ontstond van J. Goudsblom.

Kleine, cynische introductie in de hypocrisie: Handorakel en kunst van de voorzichtigheid van Baltasar Gracián.

Haai op sterk water is een mooie bundel kunstessays van de veelzijdige Hans den Hartog Jager.

In het proevertje On the pleasures of hating komt William Hazlitt naar voren als een briljante essayist.

Peter den Hertog betoont zich in Hitlers schutkleur een consciëntieuze historicus in actie.

Michel Houellebecq en Bernard-Henri Lévy. Het is een onwaarschijnlijke casting, maar het leverde een heerlijk brievenboek op, getiteld Publieke vijanden.

How to lie with statistics van Darrell Huff is een kleinood voor de hedendaagse scepticus.

Prater Violet is een uitstekende roman. Ik wil meer van Christopher Isherwood lezen.

Steven Johnson zet alle cultuurpessimisten een neus in Alle slechte dingen zijn goed voor je.

Sappige journalistiek uit de jaren dertig: Erwin Egon Kisch in De vliegende reporter. Volgend jaar zeker bespreking.

De polemieken van Gerrit Komrij: Heremijntijd, Intimiteiten, Lood en hagel en Papieren tijgers. Komrij is misschien wel de beste levende schrijver die we hebben. Jammer dat hij geen verhalen kan verzinnen.

Ik houd de macho in mij klein met de stukjes van Yvonne Kroonenberg, in Zij houdt van hem. Hij ook.

Ha, ik heb weer een boek om cadeau te doen aan vrouwen: Een tijdelijk ongemak van Jhumpa Lahiri.

Vrouwen zijn trouwens betere lezers. Zie Doris Lessing en Time bites.

Jongensboek op niveau: De witte stilte, verhalen van Jack London.

Klassieke Amerikaanse novelle: Bartleby the scrivener, van Herman Melville.

De haan op de mesthoop is een copieus boek over Franse cultuurgeschiedenis. Van Jelle Noorman.

Ik vermoed dat ik nog veel van 'm zal lezen: John O'Hara. Ik ben alvast begonnen met het meesterwerk Afspraak in Samarra.

Essays die winnen bij bundeling: De andere kleuren van Orhan Pamuk.

Eindelijk De glazen stolp gelezen van Sylvia Plath; onder instigatie van B.

Zo hoort het dus, meneer de journalist. Lees David Remnick in Reporter.

De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen van Karel van het Reve. Brompotten boven!

Joseph Roth and I, a never-ending lovestory. De aflevering dit jaar heet Hotel Savoy.

Bekentenissen van Zeno (Italo Svevo) gelezen naar aanleiding van een bijscholing Italiaanse literatuur met R. Uniek boek.

Oscar Wilde keert alle waarden binnenste buiten in de essays van Het ware masker.

Quirkology is een Fundgrube aan geestige onderzoekjes, verzameld door Richard Wiseman.

Tafelgesprekken op de literaire Olympus: The Paris Review interviews, ingeleid door Joost Zwagerman.





DE BESTE BELGEN

Geen enkel prozaboek gelezen van Belgen dat me aanstond dit jaar, behalve de columns van Luc De Vos (Het werk van de duivel). Al wat goed was, was poëzie. Aan de bundels in de poëziesectie hierboven voeg ik graag nog toe: Het zout van de zee van Karel Jonckheere (een dichter die alleen leesbaar is indien streng gebloemleesd), de rondborstige fin de siècle-pastiches van Mark Meekers (Ropsiennes), en Plattegronden van Geert van Istendael.


GUILTY PLEASURES
Het eerste existentiële mysteriespel van de twintigste eeuw: De hel van Henri Barbusse.

Meedogenloze oneliners van Arthur Bloch in Murphy's Law 2000.

Boekengek kijkt in de spiegel. Een boekenkast vol geesten van Jacques Bonnet.

Een van mijn lievelingsdichters, ook al schrijft hij edelkitsch: Nic van Bruggen. Genoten van Place des Vosges en Tussen feestend volk.

Virtuoos met vitriool: Hugo Camps en de sportcolumns in Omgewaaid staat netjes.

Blij weerzien met een oude geliefde. Al is Aantekeningen uit het ondergrondse niet het beste boek van Fjodor Dostojevski.

Quiet, please : de bibliotheek eindelijk eens bezien van de andere kant van de balie, door Scott Douglas.

Ome Flaubert kan niks verkeerd doen bij mij. Geluk is onmogelijk is een keuze uit zijn brieven.

Bibliotopia, samengesteld door Steven Gilbar is een encyclopedie van nutteloze kennis voor de bibliomaan.

Ferando Pessoa blijft een held. Hoe schattig om 'm verliefd te zien in zijn romance met Ofélia Queiroz. Beide schreven liefdesbrieven.


AMNESIE
Zonder te spieken weet ik nu al niet meer waar deze boeken over gingen: De kardinaal komt niet van Fernand Bonneure, Een geheim van Philippe Grimbert, Het schotschrift van Stefan Heym, Vrouwelijk enkelvoud van Pol Hoste, De vlucht naar voren van Boudewijn van Houten, Het boek van de lach en de vergetelheid (nomen est omen) van Milan Kundera, Alle lust wil eeuwigheid van Lucas Mariën en Isis van Boris Todoroff.


HET BESTE BOEK VAN 2009?
Geen flauw idee. Ik heb amper 16 boeken gelezen die dit jaar zijn verschenen, en daar zat ook nog eens veel poëzie bij. Namens de ander van Ester Naomi Perquin vond ik zoals gezegd heel goed. Bij het proza zitten toevallig twee boeken die iedereen aanbelangen. Iedereen zou Planeet Google van Randall Stross moeten lezen, en iedereen die weleens fotografeert Nerveuze pixels van Johan de Vos.


DON'T BELIEVE THE HYPE
Pat Donnez
(Het is een mooi leven) denkt dat hij een schrijver is. Quod non.

De orde van het spreken van Michel Foucault bevat twee of drie nuttige inzichten. Voor de rest much ado about nothing, en ook nog eens barslecht opgeschreven.

Wat vindt iedereen toch zo goed aan Arnon Grunberg, of pardon, Marek van der Jagt (De geschiedenis van mijn kaalheid)?

Het visconcert. Halldór Laxness is zo'n Nobelprijswinnaar om snel weer te vergeten.

Afdankertjes van Cees Nooteboom: 's Nachts komen de vossen.

De winterreis van Amélie Nothomb. Doe terug wat meer je best, meisje.

De snertfabels van Eric-Emmanuel Schmitt (Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran en Milarepa).

Amoy en De econome van Allard Schröder: keurig confectieproza.

Ik hoop niet dat iemand echt meent dat Christophe Vekeman (Lege jurken) onze hoop is in bange literaire dagen.


KWELLING

Echt niet om door te komen waren de diepkatholieke vertellingen van C.S. Lewis (De grote scheiding), het experimenteel proza van Marcel van Maele (Koreaanse vinken), de would be-novelle Hotel Silesia van Piet de Moor, en de korte, dorre zinnetjes van Anne Tyler (Aardse bezittingen).


OUTSIDERS
De volgende schrijvers en boeken verdienen naar mijn smaak veel meer aandacht: de zwartgallige Amerikaanse Lucy Ellmann (Sweet desserts), de haiku-journalistiek van Félix Fénéon (Het nieuws in drie regels), de sobere vertelling Twee koffers vol van Carl Friedman, de bizarre verhalen van Wolfgang Koeppen (Romaans café), de snedige short stories van Ring Lardner (Knippen), de immigrantenbedenkingen van George Mikes (How to be decadent) en de dagboeken van J. Rentes de Carvalho (Er is hier niemand) en May Sarton (Eenzaamheid).





DE CIJFERS

In totaal 320 boeken gelezen in 2009. Daarnaast 180 boeken gerecenseerd op Achille.


[foto's: het Penguin Books Archive; herkomst niet meer te achterhalen]

____

Goede voornemens voor 2010

1. Het copyright respecteren op AvdB
Ik neem nogal royaal passages over uit de boeken die ik lees. Daar zit geen kwaad opzet bij; ik citeer zoals iemand een mooi wijsje nazingt. Toch moet ik, nu Achille van den Branden steeds meer lezers trekt, me ervan bewust worden dat de auteurs in kwestie daar niet altijd van gediend zijn. Problemen heb ik nog niet gehad — auteurs die me aanspraken nemen het altijd sportief op — maar ik voel me er steeds minder goed bij. Daarom wil ik het aantal geciteerde passages terugbrengen en de citaten zelf kortwieken. Het citeerrecht in Europa is in wezen nogal simpel. Citeren mag om een punt te illustreren, niet als versiering voor een tekst. Citeren moet ook zo kort mogelijk. Mijn hart zal er van bloeden, en het zal enkele weken duren eer ik daar een vorm voor gevonden heb, maar het moet. Het speelkwartier is over. Soit, ieder nadeel heb ook zijn voordeel. Ik wil meer non-fictie lezen, en het weglaten van citaten zal me verplichten duidelijk uit te maken wat voor mij de kern is van een boek.

2. Mijn geschiedenis ophalen
Ik kom daar binnen twee weken op terug.

3. Meerdere boeken lezen van
Calvino (toch een lievelingsschrijver), Coetzee (idem), Pavese (dito), Cortázar (kortverhalen), Greene (ik blijf het uitstellen), Buddingh' (dagboeken), Roger van de Velde (wiens boeken ik allemaal zou willen bespreken dit jaar) en Tsjechov (de verhalen, dus diep in de buidel tasten voor enige delen Van Oorschot).

4. Zoveel mogelijk Engels lezen
Enkele ideetjes: Nicholas A. Basbanes (A gentle madness), O Henry (100 selected stories), Philipp Blom (To have and to hold), Frank Muir (The Frank Muir book), Clive James (Cultural amnesia), Robertson Davies (A voice from the attic), Joseph Epstein (Snobbery : the American version), H.L. Mencken (Minority report), Noam Chomsky (Manufacturing consent), George Orwell (An age like this), Steven Roger Fischer (A history of reading), W.H. Auden (A certain world), Cyril Connolly (Enemies of promise), A.J. Liebling (Just enough Liebling), Charlie Brooker (Screen burn), Donald Barthelme (Sixty stories), John Aubrey (Brief lives), Samuel Butler (Note-Books), Dorothy Parker (The collected Dorothy Parker) Northrop Frye (Unbuttoned), Wodehouse (Psmith journalist).

5. Op het weblog
Een stuk schrijven getiteld 'Reading in English'. Mijn vooroordelen bij het lezen in kaart brengen. Thema's die zich hebben gevormd op AvdB beter ontsluiten. Enkele labels bijmaken: het label 'Conjunctiones' is te algemeen.

6. Meer essays lezen
Keuze zat: Arendt, Allan Bloom, Bourdieu, Dalrymple, Dawkins, Middas Dekkers, Draaisma, Elchardus, John Gray, Guépin, Sam Harris, Hillenius, Hitchens, Icke, Klukhuhn, Lemaire, Luyendijk, Hans van Maanen, Nauta, Pinker, Rorty, Russell, Taleb, Vestdijk, De Waal.

7. Opnieuw enkele auteurs lezen wier werk ik half of helemaal niet ken
De lijst blijft eindeloos: Alcott, Alvarez, Anthierens, Appelfeld, Atwood, Austen, Babel, Bang, Djuna Barnes, De Beauvoir, Beerbohm, Alan Bennett, Berberova, Bordewijk, Boyd, Bracewell, Malcolm Bradbury, Ray Bradbury, Broch, Brodkey, Buzzati, Byatt, Calasso, Chabon, Chesterton, Coe, De Custine, Dahl, D'arzo, Dick, Diderot, Döblin, Von Doderer, Donleavy, Eugenides, Feuchtwanger, Firbank, Fontane, Madox Ford, Fyfield, Gaddis, Galeano, Gibson, Gordimer, Goytisolo, Henry Green, Herzen, Hesse, Hoffmann, Hollinghurst, Von Horváth, Ishiguro, Shirley Jackson, Henry James, Erica Jong, Kellendonk, Kerouac, Koestler, Krauss, Lanchester, D.H. Lawrence, Lem, Wyndham Lewis, Malaparte, Malraux, Mansfield, Martin du Gard, Matsier, McCall Smith, McCullers, Meek, Doeschka Meijsing, Mendoza, Lorrie Moore, Munoz Molina, Nescio, Oates, Oller, Van Oudshoorn, Oz, Ozick, Dorothy Parker, Paustovskij, Carel Peeters, Pinter, Pitigrilli, Polgar, Puig, Pym, Rendell, Von Rezzori, Rhys, Rodenbach, Romains, Henry Roth, Safran Foer, Von Saar, Sayers, Schnitzler, Schulz, Schulze, Walter Scott, Serge, Shields, Skvorecky, Smiley, Spark, Gertrude Stein, Paul Theroux, Toole, Trojanow, Twain, Ungar, Vestdijk, Voltaire, Walpole, Walters, Wharton, Zweig.

8. Poëzie lezen
Verzamelde gedichten van Karel van de Woestijne, Willem Kloos, Guido Gezelle, Jan Elburg, Karel Jonckheere, Annie M.G. Schmidt, H.C. ten Berge en Herman Gorter. Opnieuw Engelstalige poëzie laten invliegen: John Betjeman, Matthew Arnold, Robert Frost, George Herbert, Robert Lowell, Wallace Stevens, Ken Brewer, Andrew Motion, E.E. Cummings, Adrienne Rich, Robert Graves, Paul Muldoon.

____

woensdag 30 december 2009

Een boekenkast vol geesten - Jacques Bonnet

Dit boekje zag ik voor het eerst op de planken van Galignani, aan de Parijse rue de Rivoli, in september dit jaar. Ik kocht het niet, in de veronderstelling dat dit weer zo'n kleine ijle egotrip was, typisch voor de Franse letteren. Maar per toeval kreeg ik de Nederlandse vertaling als kerstcadeau — en stelde vast dat Jacques Bonnet een prima overzicht geeft van de sentimenten van de gemiddelde boekenzot. Al zijn de meeste van zijn inzichten niet nieuw.

Jacques Bonnet — schrijver, bloemlezer, redacteur — verdeelt bibliomanen in twee hoofdsoorten: verzamelaars en veellezers. Volle boekenkasten zijn voor de verzamelaar een doel op zich; voor de veellezer is een uitzinnige bibliotheek eerder het gevolg van zijn gedrag.

Ook hun psychè vertoont verschillen: waar de verzamelaar zich op het obsessieve zorgen maakt over het vinden van de boeken die hij nog niet bezit, maakt de veellezer zich zorgen over het kwijtraken van boeken, de herinneringen uit zijn verleden en de hoop van zijn toekomst, die hij heeft gelezen en die hij misschien ooit zal herlezen. Het boek is voor de veellezer de dierbare belichaming van een emotie, of de mogelijkheid die ooit te beleven, en daardoor kan ook hij geen boeken wegdoen.

Het goede van Een boekenkast vol geesten is dat Bonnet behoort tot de interessantste groep: de veellezers. Mensen voor wie teksten stukken belangrijker zijn dan boeken; voor wie kennis een groter bezit is dan een bibliotheek. Bonnet noemt als zielsverwant de Italiaanse criticus en schrijver Giuseppe Pontiggia, die zijn tienduizenden titels thuis als een handbibliotheek beschouwt, niet als pronkbibliotheek.

Typisch voor de veellezer is dat zijn bibliotheek gespecialiseerd is in zoveel onderwerpen dat ze allround genoemd kan worden. Met enige verdwazing terugblikkend op die volgepakte wanden, concludeert Bonnet dat zijn bibliotheek ook sociologisch te duiden valt — als een product van de verveling en het autoriteitsprincipe dat het naoorlogse Frankrijk overviel. Er werd niet gediscussieerd in het doorsnee Franse gezin, en kinderen konden de verveling slechts bekampen met sport of met lezen. Ik geloof Bonnet niet helemaal, maar zijn verhaal is wel mooi:

De opkomende kleine burgerij wilde haar stijging op de maatschappelijke ladder bestendigen en stuurde haar kinderen naar de universiteit. Het werd tijd om de sprong te wagen van handel naar advocatuur, ziekenhuis of bank. Dat is de diepere oorzaak van mei 1968: de kinderen waren intelligenter — of in elk geval geleerder — geworden dan hun ouders (wat niet moeilijk was) en begonnen nieuwe en gerechtvaardigde kwesties aan de orde te stellen, waarop pas schoorvoetend werd ingegaan toen de eerste straatstenen door de lucht vlogen. Ontsnapping en kennis, alles kwam tot me via boeken. Ik ben ze er eeuwig dankbaar voor, ik voel een soort morele schuld die ik nog altijd aan het afbetalen ben. Daar lezen ook een middel was om te ontsnappen aan de door je familie uitgestippelde weg, besloot ik dat ik mijn leven zou wijden aan het lezen van alle boeken die er bestonden.
Wat Bonnet dan doet, is een overzicht geven van de voornaamste aspecten van de bibliomanie. Een beginnende lezer zal zeker verrukt worden door de manier waarop hij die behandelt — de apocriefe (?) anekdote rond de dood van componist Charles-Valentin Alkan, die verpletterd werd door zijn boekenkast! — , een gevorderde lezer weet dat de Grote Vragen die Bonnet aankaart in elk boek over bibliofilie staan.

- Hoe klasseer je je boeken: op alfabet, genre, formaat, land, kleur, jaar van verwerving, literair tijdvak, taal, chronologisch of volgens een persoonlijk netwerk van verwantschappen à la Aby Warburg?

- Waar haal je de ruimte vandaan om die boeken op te tasten?

- Hoe kies je een boek: via titel, voorplat, film, anekdotes, geheimtips van vrienden, recensies, of advies van de boekhandelaren die nog niet helemaal in beslag zijn genomen door de bedrijfsvoering? Herkenbaar in dat verband is het flipperkastkarakter van literatuur dat Bonnet schetst: hoe het lezen van één boek leidt tot talloze ontdekkingen (68-).

- En wat is de motor die de boekenwurm gaande houdt: zijn erudiete leven dat steeds meer boeken nodig heeft, een aanleg tot misantropie, de behoefte aan een ontsnappingsmiddel uit de echte wereld, of juist de nood aan gereedschap om de echte wereld te ontraadselen?
Een verwoede lezer is inderdaad een veroveraar. En voor hem zijn de contreien van het gedrukte woord die zich voor hem uitstrekken evenveel waard als de door Alexander de Grote, Djengis Khan, Timoer Lenk of Napoleon veroverde gebieden, ze zijn minstens even fascinerend en rijk en ze eisen in elk geval minder nodeloze verwoesting, wreedheid en bloed.
De referenties van Bonnet zijn trouwens klassiek. De ordeningsprincipes van Perec en Borges; de fictieve bibliotheken bij Eco, Huysmans, Canetti en Carlos María Domínguez. Bonnet haalt ook veel weg bij Alberto Manguel, uit diens Dagboek van een lezer en De bibliotheek bij nacht. De manier waarop boeken elke classificatie overstijgen bijvoorbeeld (39-). Verhalen van verwoeste bibliotheken en boekverbrandingen (125-).

Nieuw voor me was het aangename vertoog over hoe Bonnet zijn kunstbibliotheek uitbouwde (79-), een terzijde over het lezen in het licht van de ontwikkeling van de mens (powered by Les neurones de la lecture van Stanislas Dehaene), en zijn notities over biografieën (89-). Biografieën beschouw je het best als fictieve reconstructies, schrijft hij, gebouwd op per definitie fragmentarische informatie uit het leven van iemand die al jaren tot eeuwen dood is (93-). In tegenstelling tot romanfiguren.
Schrijvers zijn slechts fictieve personages, en de paar biografische gegevens zijn nooit voldoende om er levensechte personages van te maken. Terwijl de biografie van een romanpersonage, zelfs al vertoont ze hiaten — en wordt dat eerlijk vermeld — volledig betrouwbaar is: alles is precies zoals zijn schepper heeft besloten.
Ik herkende me nogal in Bonnet. Hij is ook iemand die elk boek leest op de snelheid die het verdient. Die druk onderstreept in boeken, en ze daarmee tot geestelijk verlengstuk van zijn persoonlijkheid maakt. Die gevoelig is voor hoe boeken zich vermengen met de plaats en tijd waarin hij ze leest (62-). Die zijn bibliotheek volstouwt met boeken omdat die boeken iets tastbaars vertegenwoordigen van een bepaalde periode in zijn leven. Die in boeken het verstrijken van de tijd navoelt, meer dan in welk ander medium (Bach is bijna een eeuw lang vergeten, ooit was kubisme shockerend enz.).

Hij wierp bovendien enkele vragen op die ik nog eens voor mezelf moet beantwoorden. Wat waren de formatieve boeken uit mijn jeugd? Wat heb ik thuis staan in de kast? Hoe zou ik die collectie omschrijven? Wat ontbreekt er nog? Welke bibliotheken van mensen uit mijn leven hebben als model gediend voor mijn collectie? Waarom hoef ik niet alle boeken die ik uitlees te hebben? En de kern van de zaak: waarom ben ik een veellezer geworden? Bonnet geeft een uitstekend antwoord.
Lezen vergroot onze uit de aard der zaak begrensde werkelijkheid en biedt ons toegang tot periodes uit een ver verleden, uitheemse gebruiken, gevoelens, gedachten, beweegredenen enzovoorts. Hoe zou je kunnen ophouden met lezen terwijl zich een kans aandient om te ontsnappen aan een per definitie begrensde omgeving? (…) Voeg aan die oneindige nieuwsgierigheid een zekere neiging tot methodisch werken toe, die maakt dat je alle boeken van een schrijver leest en dan alle boeken over hem, vervolgens alle boeken van een andere schrijver, en ook alle boeken over een bepaald onderwerp, en de literatuur van een bepaalde periode, of een bepaald land, en bewaar gaandeweg al die boeken en schaf je ook de nieuwe boeken over het onderwerp aan, interesseer je mettertijd voor steeds meer onderwerpen — en zo word je vanzelf lezer-bibliomaan.
Niettemin blijven er vragen onbeantwoord, me dunkt. Zo wordt het hoog tijd dat er een vrouwelijke bibliomaan opstaat die schrijft over haar ervaringen. Dat zou een interessant verhaal kunnen opleveren — vrouwen zijn minder materialistisch, minder manisch, minder methodisch.

En dan is het ook nog een jaar of dertig wachten op de memoires van een nieuw type lezer: de cyberbibliomaan. De tekstmaniak voor wie internet en de fysieke bibliotheek nagenoeg gelijke grootheden vormen in zijn leven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Richard_Heber
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Antoine-Marie-Henri_Boulard

Jacques Bonnet, Een boekenkast vol geesten
143 p.
Uitgeverij Mouria, 2009
Oorspr. Des bibliothèques pleines de fantômes (2008)
Vertaald door Eveline van Hemert

____

dinsdag 29 december 2009

Books - Larry McMurtry

De memoires van de Amerikaanse schrijver, scenarist en bibliomaan Larry McMurtry vallen een beetje tegen. Als oprichter van de gereputeerde tweedehandszaak Booked Up grossiert McMurtry vooral in boekhoudkundige herinneringen, over kopen en verkopen. "The writer who should have written a masterwork about the secondhand book trade was Anton Chekhov, the genius of small frustrations and little failures. Chekhov had a natural sympathy for fringe cultures."

Larry McMurtry werd geboren in 1936 en groeide op in Archer City, een Texaans olievlekje van misschien twaalfhonderd zielen. Zijn ouders dreven er een ranch en probeerden zo zelfbedruipend mogelijk te leven — sinds de Depressie wisten die wat ontbering was. Een van McMurtry's lievelingsboeken zou The Swiss Family Robinson worden, het verhaal van een al even autarkisch gezin.

Een openbare bibliotheek was er niet in Archer City, en op de ranch werd er niet gelezen. De kleine Larry moest zich laven met de waargebeurde verhalen die de familieoudsten vertelden. McMurtry schrijft in Books over de eerste keer dat hij over een verzonnen figuurtje hoorde, een beslissend moment in zijn ontwikkeling.

I was very puzzled by this, because I didn’t realize, at the time, that there could be made-up stories. At that point I was accustomed to concerning myself with things that clearly existed, particularly poultry, a constant threat to one as small as I was. Reality, such as it was on our ranch, required unwavering vigilance if one were no to be pecked by the poultry, kicked by a mule, or the like.
Nog zo'n kantelmoment: in 1942 valt de zesjarige McMurtry een doos met 19 boeken ten deel, de bibliotheek van een verre neef die vertrekt naar de Tweede Wereldoorlog. Nu kan de boekenliefde van McMurtry echt gestalte krijgen. Hij doorbladert zijn eerste encyclopedie, de hoeksteen van elk middleclass-gezin. Hij doet zich tegoed aan de kleine schoolbibliotheek, waar nog veel meer titels zijn. Hij schuimt leegstaande panden in de buurt af, op zoek naar achtergebleven boeken. Wanneer hij constateert meer belangstelling te hebben voor de bibliografie dan het eigenlijke boek, beseft hij dat hij niet meer te redden valt.

Het is goed dat McMurtry zoete herinneringen ophaalt aan de paperbacks van Mickey Spillane. Het onderstreept nog maar eens hoe belangrijk pulp kan zijn in de vorming van een beginnende lezer. De liefde voor pocketjes en voddige comics zou McMurtry bijblijven: in het midden van de jaren zestig kocht hij hele voorraden eerste drukken op van goedkope pockets, die toen sterk opkwamen. De collectie heeft nog steeds een mooi plaatsje in een bijgebouwtje van Booked Up, dat McMurtry het 'Petit Trianon' noemt.

In de jaren vijftig studeert McMurtry aan Rice University in Houston en North Texas State College in Denton. Zijn ouders hadden betrekkelijk snel ingezien dat Larry geen buitenmens is. "Since most of ranching involves the application of manual skills — fence building, for example — a total lack of them was a serious limitation." Op Rice University kan hij zijn hart ophalen in de Fondren Library. Jaren later wilde de universiteit een leeszaal vernoemen naar McMurtry, maar deze weigerde. Zo'n eremerk zou hem maar "posthuum" doen voelen.

McMurtry's eerste roman verschijnt in 1961. Voor de kost doceert McMurtry creative writing aan de Texan Christian University in Fort Worth en Rice University, tot hij in het midden van de jaren zestig naar San Francisco verhuist. Hij wordt er book scout — iemand die in tweedehandszaken de planken afgaat op zoek naar koopjes, voor eigen gebruik of om door te verkopen.

In Houston begint McMurtry zijn eerste sedentaire baantje in de boekenbusiness, als gerant van boekenwinkel The Bookman. In 1969 verhuist hij naar Washington, D.C., "waar de politici of bureaucraten niet de sterren zijn, maar journalisten, zoals Joe Kraft, Joe Alsop, Ben Bradlee, Katharine Graham, Bob Woodward en Carl Bernstein, I.F. Stone, David Halberstam, Neil Sheehan, Larry L. King, Barbara Howar, Henry Fairlie, Willie Morris, Evans en Novak." Hij koopt er een tweedehandszaak op in Georgetown en begint met twee compagnons een winkel die hij Booked Up doopt.

McMurtry zou een begrip worden in de boekenbusiness. Eind jaren tachtig volgen vestigingen in zijn vroegere thuisbasis Archer City, in Houston en in Tucson. Het filiaal in Archer City telt bijna een half miljoen titels, en is daarmee een van de grootste tweedehandszaken in de VS. In 2005 wou McMurtry de winkel sluiten, door de steeds grotere wordende druk van online verkopers (zelf deed hij niks op het internet), maar zag daar vanaf toen er luid en breed protest kwam.

Tussendoor bleef McMurtry schrijven, aan een gestadig tempo van vijf pagina's daags. Tientallen boeken en scripts rolden uit zijn handen. Niettemin blijft hij in Books aangenaam nuchter over zijn talent, het literaire wereldje en zijn kortstondige roem als Hollywood-screenwriter — in 1985 won hij de Pulitzer Prize voor Lonesom dove; in 2006 kreeg hij een Oscar voor de filmadaptatie van 'Brokeback Mountain', oorspronkelijk een kortverhaal van Annie Proulx.

Kannibalen
Larry McMurtry is in deze memoires veel meer antiquaar dan lezer, en dat is doodjammer. De insteek van Books — ik overdrijf nu een beetje — is de armoeiigste denkbaar: die van boeken als koopwaar. En als McMurtry zijn eigen verhaal af en toe nog had weten terug te koppelen naar algemene ontwikkelingen in zijn sector... Maar dat gebeurt niet. Hij vertelt liever anekdotes.

Dus krijgen we het verhaal over de dame die op zoek is naar een boek van Mark Twain, voor sluitingstijd nog even wil rondkijken en terugkomt met 10.000 dollar aan boeken. Het verhaal van de anonieme joodse boekhandelaar nabij de kantoren van de San Francisco Chronicle, die zijn klanten een verrekijker gaf om de topplanken af te speuren. Het verhaal van de legendarische boekenzoeker I.R. Brussel, die 'Last of the Great Scouts' had staan op zijn visitekaartje. En het verhaal van de nogal impulsieve boekhandelaar Dorman David.
If Charlton Heston walked up to him with a piece with ten commandments scratched on it, Dorman would not be the one to question their authenticity very long. He would buy the rock and figure it out later.
Toegegeven, de kannibalistische praktijken van groothandels als Booked Up spreken wel tot de verbeelding. In de tweedehandsboekenbranche is het opkopen van andermans inboedel of winkel de normaalste zaak van de wereld. Boeken worden met honderden tegelijk ingekocht. Vaak wordt er een globale schatting gemaakt aan de hand van polaroids of een zelfgemaakt filmpje. Of de hele zwik wordt geveild, zoals gebeurde met boekhandel Lowdermilks, de befaamde mastodont uit Washington, die in de jaren zeventig aan het eind van zijn krachten was gekomen.
Freeman’s had the task of disposing some half million volumes in a short amount of time. This was not the famous John Marion of Sotheby’s trying to coax one more million out of rich bidder for a fine Cézanne. Getting these half million books sold required pace, not finesse. The cataloguing was of the simplest. A typical entry might read “six hundred volumes literature” or “four hundred volumes biography.”
Met die enorme toevloed is het een publiek geheim dat boekhandelaren vaak niet toekomen aan het herprijzen van hun stock — wat vervelend is, in een trendgevoelige sector.

Zo gebeurt het dat McMurtry ook in zijn eigen winkel wel eens schatten vindt — zoals een zeldzame Anthony Powell die bespottelijk laag geprijsd staat en nog net op tijd voor het dertigvoudige kan verkocht worden. Of dat McMurtry blundert en een exclusief kunstboek van Hans Bellmer (een Duitse surrealist, en geen "Belgische" zoals McMurtry schrijft) voor een fractie van de waarde van de hand doet. En wie had ooit kunnen denken dat achter een raar pseudoniem (Dod Grile) een beroemde schrijver (Ambrose Bierce) kan schuilgaan?

McMurtry noemt timing (en dus toeval) de voornaamste reden waarom Booked Up zo'n succes geworden is. Zijn winkel kon rustig gedijen in het interval tussen de dominantie van het eerder genoemde Lowdermilks en de bloei van nieuwe zaken zoals Quill and Brush en Second Story Books in het midden van de jaren zeventig.

Tegenwoordig is het geen sinecure meer om een boekhandel te beginnen. Duurdere vastgoedprijzen doen ondernemers de das om. Booked Up is om die reden zelf uitgeweken naar panden diep in de provincie.
The 1970s — decade of the Lowdermilks sale — was part of the sad era that saw the closing of downtown urban bookshops in many American cities. The great dinosaurs began to disappear: Leary’s in Philadelphia, Lowdermilks in Washington, Goodspeed’s on Milk Street in Boston, Dauber & Pine and various others in New York City, Acres of Books in Cincinnati, and a little later, the Holmes Book Company in Oakland. These were venerable bookshops all, and those who loved them miss them still.
What these closings revealed was no secret to anyone in the trade: secondhand books cant’t keep up with downtown real estate values, unless a shop is very well established and manages to become a kind of regional institution — Powell’s in Portland, Oregon; the Strand in New York City; and the Tattered Cover (new books) in Denver. These stores survive because many, many people take sustenance from them.
A good many people take sustenance from our store, Booked Up, also, although it’s located in a town fully two hours from the nearest international airport (Dallas/Fort Worth).
We took Booked Up to Archer City because the real estate there was cheap enough to allow us to house our three-hundred-thousand-volume stock, which we could not afford to do in any sizable city.
McMurtry ondervond ook nogal wat last van de dot-com-bubble in 2001. Dealers wilden door de dure benzine niet meer omrijden naar zijn verafgelegen winkel, en zelfs de snowbirds — gepensioneerde koppeltjes die overwinteren aan de Texas Gulf Coast en heel wat funny money te spenderen hebben — lieten zich niet meer zien. Sinds de digitale revolutie blijft het sowieso behelpen. McMurtry is nogal pessimistisch over de leescultuur in de "Silicon Chip Era" ofte de "Age of Google".
One could argue that Dickens and the other popular, serially published nineteenth-century novelists started this, and the television commercial made interruption beyond all reckoning: iPods, BlackBerrys, laptops all break narrative into shorter and shorter sequences.
Zelfontwikkeling
Pas vanaf hoofdstuk 60 gaat Books terug over lezen (eventjes toch) en wordt duidelijk wat een gemiste kans deze herinneringen zijn. Ik vind, als een geoefende lezer iets moet doen, dan is het zijn expertise vastleggen in een boek, punt. McMurtry had meer moeten vertellen over zijn bibliotheek, die zo'n 28.000 titels telt, en vooral over het bijbehorende leesgedrag.

Af en toe vangt de lezer glimpen op van hoe het had kunnen zijn. McMurtry is mooi op dreef wanneer hij terugdenkt aan Pound's ABC of reading, of het werk van de folklorist en erotomaan Gershon Legman. Waarom moest het daarbij blijven?

Wie nieuwsgierig is naar de rest van zijn voorkeuren kan terecht in de honderden reviews die hij schreef voor Amerikaanse kranten, maar toch: "The result was that I burned out as a reader of fiction", zegt hij over zijn periode als boekbespreker. Het vele recenseren dreef hem naar non-fictie en efemere genres. Daar had ik dus meer over willen weten.

In Books blijkt McMurtry bijvoorbeeld een kenner van oude reisliteratuur. In één hoofdstukje schudt hij dan plots een paar namen van lady travelers uit zijn mouw waar ik nog nooit van heb gehoord: Emily Eden, Amelia Edwards, Ella Maillart, Kate Marshden, Lady Brassey, Mary Kingsley, Susana Moodie, Dervla Murphy, Christina Dodwell, Bettina Selby...

Ik wil afronden met één citaat dat me uit het hart gegrepen is. Ware woorden over de immer voortschrijdende zelfontwikkeling die weggelegd is voor antiquaren en andere bibliofielen. Lezers takelen niet af, in vergelijking met schrijvers. Integendeel.
One reason I’ve hung on to book selling is that it’s progressive — the opposite of writing, pretty much. Eventually all novelists, if they persist too long, get worse. No reason to name names, since no one is spared. Writing great fiction involves some combination of energy and imagination that cannot be energized or realized forever. Strong talents can simply exhaust their gift, and they do.
Book selling, though, being based on acquired knowledge, is progressive. At least, that seems to be the case with the great dealers. The longer they deal and the more they know, the better books they handle.
Overigens is het triest dat juist de memoires van een boekengek zo'n gore kaft moesten krijgen. Niet te geloven dat dit een boek is uit 2008, verschenen bij een grote Amerikaanse uitgever.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> foto's van Booked Up in Archer City op Exilebibliophile

Larry McMurtry, Books
259 p.
Uitgeverij Simon & Schuster, 2008

____

maandag 28 december 2009

Collected short stories volume 1 - William Somerset Maugham

Het schrijven van verhalen is een verraderlijke discipline. Het genre glijdt snel af naar genrefictie. Het verhaal wordt dan een modern sprookje, een anekdote die mikt op de gulle lach, of een pamflet in goedkope vermomming. Verhalen zijn vaak verhaaltjes: de schrijver is blij met één vondst en kleedt die warm aan. Zeldzaam zijn de auteurs die in kort bestek levensechte figuren kunnen oproepen. Alice Munro kan dat. John Updike kon dat. Zo ook William Somerset Maugham.

Eerste opmerking: William Somerset Maugham (1874-1965) moet je in het Engels lezen. Maugham (spreek uit: moowm) oogt flets in het Nederlands. Vals plat. Vele jaren geleden klapte ik De villa op de heuvel dicht zonder dat het boekje smaakte naar meer. Ook De wraak van een magiër is weinig meer dan het werk van een goede verteller. Wie toch een vertaling wil, leze De sterren en meer (omzetting van The moon and sixpence), dat wel een stukje van Maughams genie blootlegt. Maar het beste is gewoon te beginnen met deze verhalen. De vierdelige uitgave in Penguin is goedkoop leverbaar, al zal niet iedereen de vettige letter appreciëren.

De reputatie van Maughams short stories kende ik al langer. In Wie kan het paradijs weerstaan out Michaël Zeeman (denk ik) zich als fan. Het duurde echter tot ik de heerlijk nuchtere memoires in The summing up uithad, eer ik me sterk genoeg voelde voor vierhonderd bladzijden vooroorlogs Engels.

Die schrik bleek nergens voor nodig. Maugham doet prachtige dingen, maar schrijft heel toegankelijk — helder, filmisch, met een amusant sarcasme.

Maugham is een zeer compleet vakman. Hij is goed in de ik-vorm en in de hij-vorm. Wisselt met gemak tussen klinische beschrijving en natuurlijke conversatie. Weet hoe een verhaal te beginnen en hoe er een te beëindigen. Zijn intro's zijn traditioneel sterk en hebben het vermogen het personage al helemaal te typeren. 'The fall of Edward Barnard', over een Amerikaanse man die zich op Tahiti heeft laten verloederen en over de man die tevergeefs op hem heeft ingepraat, begint als volgt:

Bateman Hunter slept badly. For a fortnight on the boat that brought him from Tahiti to San Francisco he had been thinking of the story he had to tell, and for three days on the train he had repeated to himself the words in which he meant to tell it. But in a few hours now he would be in Chicago, and doubts assailed him. His conscience, always very sensitive, was not at ease. He was uncertain that he had done all that was possible, it was on his honour to do much more than the possible, and the thought was disturbing that, in a matter which so nearly touched his own interest, he had allowed his interest to prevail over his quixotry. Self-sacrifice appealed so keenly to his imagination that the inability to exercise it gave him a sense of disillusion. He was like the philanthropist who with altruistic motives builds model dwellings for the poor and finds that he has made a lucrative investment. He cannot prevent the satisfaction he feels in the ten per cent which rewards the bread he had cast upon the waters, but he has awkward feeling that it detracts somewhat from the savour of his virtue. Bateman Hunter knew that his heart was pure, but he was no quite sure how steadfastly, when he told her his story, he would endure the scrutiny of Isabel Longstaffe’s cool grey eyes. They were far-seeing and wise. She measured the standards of others by her own meticulous uprightness and there could be no greater censure than the cold silence with which she expressed her disapproval of a conduct that did not satisfy her exacting code. There was no appeal from her judgement, for, having made up her mind, she never changed it. But Bateman would not have had her different. He loved not only the beauty of her person, slim and straight, with the proud carriage of her head, but still more the beauty of her soul. With her truthfulness, her rigid sense of honour, her fearless outlook, she seemed to him to collect in herself all that was most admirable in his countrywomen. But he saw in her something more than the perfect type of the American girl, he felt that her exquisiteness was peculiar in a way to her environment, and he was assured that no city in the world could have produced her but Chicago. A pang seized him when he remembered that he must deal so bitter a blow to her pride, and anger flamed up in his heart when he thought of Edward Barnard.
Het is moeilijk niet te buigen voor de levenswijsheid in de Collected short stories. Maugham lijkt een schrijver die je liever niet ontmoet, omdat hij je met één oogopslag zou kunnen doorgronden.

Dit eerste deel alleen al toont zijn indrukwekkende bereik. Hij schrijft even overtuigend over de beroepsrelatie tussen twee mannen ('Mackintosh'), de verhouding tussen twee culturen ('The pool'), de dynamiek tussen vrouwen onderling ('The three fat women of Antibes'), de liefde tussen man en vrouw ('Appearance and reality') als over de kloof tussen jong en oud ('The voice of the turtle'). De enige smet op dit boek is 'The unconquered', een draak van een verhaal over een Duitse soldaat en een Frans meisje die samen iets hebben. Jammer overigens, dat in dit boek elke datering ontbreekt.

Maugham reisde veel en was een man van de wereld. Dat is goed te merken. Zijn personages — ambtenaren, dichters, inheemse schonen, vermogende lieden op rust, opnieuw die variatie — hebben de diepte en gewicht van een heel leven, maar zijn in het heden, wanneer het eigenlijke verhaal zich ontrolt, ook verbazend oppervlakkig en onberekenbaar. En omdat de schrijver weet dat hij niet veel van mensen moet verwachten — "Circumstances alter cases" — kan hij ze beschrijven met afstand en, tussen de zwarte terzijdes in, mededogen.

Het briljante verhaal 'The voice of the turtle' kan naar mijn smaak gelezen worden als een metafoor voor Maughams positie als literator. Een aanstormend schrijver ontmoet een oude man (Maugham) in een mondaine badplaats. De jongeman wil in zijn tweede roman de liefdesgeschiedenis schetsen tussen een schrijver en een aantrekkelijke prima donna. Hij heeft zich al door allerhande memoires gewerkt. De oude man hoort hoofdschuddend alle clichés aan waarmee de jonge schrijver deze prima donna wil optuigen. Hij regelt een ontmoeting tussen hem, de schrijver en een echte prima donna. Kan de jongen nog iets van leren. Maar deze blijkt ziende blind voor de ware aard van de ietwat onnozele vrouw en ziet alleen maar wat zijn verliteratuurde verbeelding hem ingeeft. Maar nu komt het mooie. Wanneer de prima donna en de oude man elkaar later opnieuw treffen, zegt ze dat ze zich gebruikt voelt: ze heeft zich helemaal herkend in het portret dat de jonge schrijver in zijn roman heeft verwerkt!

Maughams verhalen zijn overigens vaak het relaas van een ontmoeting met mensen die de hoofdpersoon in lang niet heeft gezien. Een eenvoudige truc van een schrijver die geïnteresseerd is in het volledige plaatje. In 'The romantic young lady' zegt de verteller (in wie we gerust de schrijver mogen herkennen) daarover:
One of the many inconveniences of real life is that it seldom gives you a complete story. Some incident has excited your interest, the people who are concerned in it are in the devil’s own muddle, and you wonder what on earth will happen next. Well, generally nothing happens. The inevitable catastrophe you foresaw wasn’t inevitable after all, and high tragedy, without any regard to artistic decency, dwindles into drawing-room comedy. Now, growing old has many disadvantages, but it has this compensation (among, let us admit, not a few others), that sometimes it gives you the opportunity of seeing what was the outcome of certain events you had witnessed long ago. You had given up the hope of ever knowing what was the end of the story, and then, when you expected it, it is handed you on a platter.
Maar hoe aantrekkelijk die afgeronde biografische vorm ook is, Maugham schreef geen stichtelijke lectuur. Zijn verhalen zijn te grillig, te natuurgetrouw om er zomaar lering uit te kunnen trekken. Maugham is een realist met een grijnslach. Hij saboteert liever de gangbare moraal, dan 'm te bevestigen. 'The ant and the grashopper' start met de beroemde fabel van La Fontaine, waarin vlijt en een vooruitziende blik het halen van domme ledigheid. Dan introduceert Maugham een naamloze ik.
I do not ascribe it to perversity on my part, but rather to the inconsequence of childhood, which is deficient in moral sense, that I could never quite reconcile myself to the lesson. My sympathies were with the grasshopper and for some time I never saw an ant without putting my foot on it.

Ook 'Rain', een verfilmd anthologiestuk over de onwaarschijnlijke band tussen een puriteinse missionaris en een dame van lichte zeden, mag in dat verband exemplarisch heten.

Van harte aanbevolen dus, deze bundel. Al geef ik toe dat de zonnige settings (Borneo, Honolulu, Samoa, de Rivièra, Sevilla) sterk bijdragen tot het leesplezier. Veel speelt in hotels, op oceaanstomers, aan de cocktailbar. Somerset Maugham, dat is dikwijls: melodrama in gemakkelijk zittend vakantieplunje.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

William Somerset Maugham, Collected short stories volume 1
448 p.
Uitgeverij Penguin, 1992

____

zondag 27 december 2009

Goede voornemens 2009 [eindbalans]

Elk jaar publiceer ik op 31 december, in het kielzog van mijn leesjaaroverzicht, mijn goede voornemens voor het volgend jaar. Steevast zijn die ambitieuzer dan ik kan inlossen. Daar zit eenvoudige boogschutterslogica achter: hoger mikken, om toch op een treffelijk resultaat uit te komen.


1. Een aantal internationale auteurs lezen waar ik minder vertrouwd mee ben.
Voor de helft ingelost. Boeken gelezen van Amis, Barbusse, Capek, Chandler, Per Olov Enquist, Fonseca, Hammett, Izzo, Keillor, Laxness, Leonard, C.S. Lewis, London, O'Hara, Pérez Galdós, Rolin, Rouaud, Simon, Sontag, Strindberg, Svevo, Welsh, Wilder en Yourcenar. Blijven over: Austen, Bang, Cortázar, De Custine, Dahl, Diderot, Dreiser, Eugenides, Henry Green, Hesse, Hoffmann, Kerouac, Koestler, Lawrence, Wyndham Lewis, Malaparte, Oz, Pinter, Romains, Martin du Gard, Henry Roth, Serge, Stein, Skvorecky, Theroux, Toole, Voltaire, Wharton en Zweig.

2. Experiment: hinkstapspringend door de lijst gaan van 1001 books you must read before you die.
Voornemen voor enige jaren opgeschort: er zijn nog te veel klassiekers die ik eerder wil lezen dan ze in de lijst van 1001 books voorkomen. De lijst chronologisch willen afgaan, startend met de oudheid, was een blunder: boeken uit de oudheid staan ver van de hedendaagse lezer af — die dingen lezen is altijd hard labeur. Binnen vijf jaar dit plan nog eens herbekijken, maar dan zeker startend met de moderne klassiekers.

3. Nederlanders lezen wier oeuvre me zo goed als onbekend is.
Voor een groot stuk gebeurd. Belcampo, Hotz, Jongstra, Schröder. Meijsing gelezen, zij het niet die Erwin-trilogie (die is zo condens, dat ik die boeken best koop). Een paar vroege essaybundels van Komrij gelezen, zoals gepland. Blijven over: Buddingh' (dagboeken), Bordewijk, Jongstra, Kellendonk, Matsier, Meijsing, Nescio, J. van Oudshoorn, Carel Peeters (essays) en Cyrille Offermans (essays).

4. Meer vrouwen lezen.
Gebeurd. Jhump Lahari, Sylvia Plath, Annie Proulx, Anne Tyler, Alice Walker, Iris Murdoch, May Sarton, Lucy Ellmann, Susan Sontag, Marguerite Duras, Nancy Mitford, Fay Weldon, Carl Friedman. Blijven over: Louisa May Alcott, Julia Alvarez, Margaret Atwood, Djuna Barnes, A.S. Byatt, Shirley Jackson, Erica Jong, Katherine Mansfield, Carson McCullers, Mary McCarthy, Lorrie Moore, Jean Rhys, Jane Smiley, Dorothy Parker, Barbara Pym, Dorothy Sayers, Muriel Spark, Minette Walters, Virginia Woolf.

5. De Slaven lezen, deel 1: de Russen en de Tsjechen.
Mislukt. Paar Dostojevski's gelezen, waaronder zoals gepland De idioot. Begonnen in Boelgakov. Dat is alles. In plaats daarvan opvallend veel Italianen en Amerikanen gelezen. Voornemen uitgesteld voor een paar jaar. Al wil ik wel Tolstoj lezen en de verhalen van Tsjechov, die ik dus zal moeten kopen.

6. Romans lezen van auteurs die het oude Duitstalige Europa belichamen.
Veel Joseph Roth gelezen, maar Gregor von Rezzori, Ferdinand von Saar, Alfred Polgar, Karl Krauss, Arthur Schnitzler, Hermann Broch, Theodor Fontane, Alfred Döblin en Heimito von Doderer verschuiven naar de volgende paar jaren.

7. Engelstalige boeken lezen, dingen die niet in het Nederlands vertaald zijn.
Zeer tevreden: 37 Engelstalige boeken gelezen, wat een pak meer is dan de vooropgestelde één per twee weken. Onvertaalde boeken gelezen van Mencken, McPhee, Terkel, Ballard, Exley, Hornby, Burgess, Lessing, McMurtry, Maugham, E.B. White, Liebling.

Een paar titels kiezen uit de reeks Letters to a young...
Het deeltje van Hitchens gelezen.

En New York Review of Books classics.
Niks, allicht volgend jaar.

8. Verzamelde gedichten lezen.
De verzamelde poëzie gelezen van Adriaan Roland Holst, C.O. Jellema, H.H. ter Balkt en Hans Warren. Blijven over voor volgend jaar: Karel van de Woestijne, Willem Kloos, Guido Gezelle, Jan Elburg, Karel Jonckheere, Annie M.G. Schmidt, H.C. ten Berge en Herman Gorter.

Enkele belangrijke bloemlezingen lezen.
Alleen De meesters : wereldpoëzie van twintig eeuwen gelezen, maar daar wel van genoten. Geen zin in Hotel New Flanders of 500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben. Waarschijnlijk ook niet volgend jaar.

9. Verzuimd voornemen van verleden jaar: onvertaalde poëzie laten invliegen.
Uitgevoerd. Ruime bloemlezingen besteld en gelezen uit het werk van Karl Shapiro en Ogden Nash. Adrienne Rich en Robert Frost liggen klaar.

10. Veel meer non-fictie lezen.
33 non-fictie-werken gelezen, wat tegenvalt. Dat is nog geen boek per week. Wel redelijk wat essayisten gelezen: Frank Furedi, Paul Cliteur, Karel van het Reve, Roger Scruton.

Mijn middelbare schoolboeken van geschiedenis schematiseren.
Staat al twee jaar op het programma; 2010 zal echt in het teken van de geschiedenis staan.

Er komt een klein dossier over Venetië dit jaar, en een zéér uitgebreid over Praag.
Niks van in huis gekomen; mijn interesse ebde weg.

De reeks 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken (De Standaard) lezen.
Vijf deeltjes gelezen, volgend jaar de resterende vijf, en bespreking van alle tien.

Meer lezen over de Moren in Spanje en Europa.
Interesse wat verloren nu I. en ik nauwelijks nog contact hebben met elkaar. Spanje-reis gecanceled dit jaar; misschien ook daar mee te maken. In augustus gaan we wel weer naar Spanje, misschien komt de belangstelling terug.

Aantrekkelijke boeken over Frankrijk lezen.
Jelle Noorman gelezen; volgend jaar Graham Robb en Leo Prick.

Boeken over het geloof lezen.
Niets van terecht gekomen; geen Sam Harris, Pascal Boyer, Dawkins of Hitchens. Dawkins zeker in 2010.

___

zaterdag 26 december 2009

Short talks - Anne Carson

Ik ben een impulsieve koper, soms, als boeken niet veel geld kosten. Short talks trof ik aan in een Listmania-rijtje op Amazon waar dagboeknotities en aforismenbundels stonden opgelijst. Bleek het toch een poëziebundel, met laconieke prozagedichten. En ineens schoot me de naam van Anne Carson weer te binnen. De Canadese dichteres. De classica. Van haar had ik in november 2004 De schoonheid van de echtgenoot gelezen. Een mix van proza, poëzie en dure referenties.

Ook de stukjes in haar poëziedebuut draaien vaak rond een kunstenaar, schrijver of schilder. Zoiets brengt het slechtste naarboven in bespekers, die, zoals ik, weinig met de tekst aankunnen en zich dankbaar vastklampen aan concrete elementen. Een bespreking van de bundel kan dan plaatsmaken voor de ontzettend interessante vraag of de teksten van Anne Carson als bijschrift bij die kunstwerken kunnen gelezen worden.

Short talks ging grotendeels aan mij voorbij. Maar zoals zo vaak bij dichters die resoluut hun eigen gang gaan, stak er tussen alle ruis af en toe iets moois. Iets dat me uit evenwicht bracht, zonder dat ik kon aanstippen waarom.

SHORT TALK ON WALKING BACKWARD

My mother forbade us to walk backwards. That is how the dead walk, she would say. Where did she get this idea? Perhaps from a bad translation. The dead after all, do not walk backwards but they do walk behind us. They have no lungs and cannot call out but would love for us to turn around. They are victims of love, many of them.


SHORT TALK ON THE MONA LISA

Every day he poured his question into her, as you pour water from one vessel into another, and it poured back. Don't tell me he was painting his mother, lust, etc. There is a moment when the water is not in one vessel nor in the other — what a thirst it was, and he supposed that when the canvas became empty he would stop. But women are strong. She knew vessels, she knew water, she knew mortal thirst.
Anne Carson is het type schrijver dat erg teruggetrokken leeft en teksten even serieus neemt als de fysieke werkelijkheid. In 'Short talk on reading' — voor mij de sleuteltekst uit de bundel — geeft ze heel mooi aan hoe voor een lezer leven en literatuur hopeloos met elkaar verknoopt zijn.
SHORT TALK ON READING

Some fathers hate to read but love to take the family on trips. Some children hate trips but love to read. Funny how often these find themselves passengers in the same automobile. I glimpsed the stupendous clear-cut shoulders of the Rockies from between paragraphes of Madame Bovary. Cloud shadows roved languidly across her huge rock throat, traced her fir flanks. Since those days I do not look at hair on female flesh without thinking, Deciduous?
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Anne Carson, Short talks
57 p.
Uitgeverij Brick Books, 2005
Oorspr. (1992)

____

donderdag 24 december 2009

99 novels - Anthony Burgess

Willen best of-lijstjes school maken, dan moeten ze om te beginnen makkelijk en door een ruim publiek in te kijken zijn, ook jaren na dato. Met de komst van internet is dat geen probleem meer. Daar heerst tegenwoordig overkill: zowat elke serieuze krant komt na het afsluiten van een tijdsvak met een eigen canon, meestal anoniem opgesteld. In analoge tijden was de spoeling merkelijk dunner en kon een lijst enkel overleven als die gelinkt was aan een geruchtmakende criticus.

Cyril Connolly was zo'n criticus. In het Engelse taalgebied waren zijn 100 key books of the modern movement 1880-1950 lang toonaangevend. In 1984 zorgde Anthony Burgess voor een soort update van die lijst. In 99 novels koos hij de beste Engelstalige fictie sinds 1939 — Britten, Amerikanen, Ieren, een enkele Australiër. Beide lijsten leerde ik kennen via A pound of paper, waarin de Australische biograaf John Baxter smakelijk vertelt over zijn leven als boekengek.

Anthony Burgess was goed geplaatst om zo'n overzicht te maken. Iedereen kent hem natuurlijk van A clockwork orange, of op zijn best van een van de tientallen andere romans die hij schreef. Maar Burgess was ook een furieuze lezer — het type lezer dat de nieuwe Italiaanse vertaling van A la recherche du temps perdu voor zijn plezier doornam. In zijn beginperiode bij de Yorkshire Post besprak hij in een paar jaar tijd honderden boeken. De krant betaalde traditioneel slecht voor dat werk, zodat Burgess elke week met een propvolle koffer afreisde naar Fleet Street in Londen, en daar zijn recensie-exemplaren verkocht. Dat zwarte zakcentje was meer dan welkom.

99 novels schreef hij naar eigen zeggen op bestelling van Allison & Busby, een Londense uitgeverij toentertijd gerund door Nigerianen. Burgess had volgens de legende twee weken de tijd om het boek te schrijven, de uitgever zou het na nog eens drie weken publiceren.

Nu is dat haastwerk er ook aan af te lezen. Het boekje telt 160 scheutig gelayoute pagina's, en is opgedikt met een al te gedetailleerde bibliografie. Het is niet het meest geïnspireerde proza dat Burgess schrijft, hij recycleert nogal wat uit zijn The novel now (1967), en de entries zijn voor driekwart gevuld met een simpele samenvatting. Afsluiten doet Burgess meestal met een zinnetje dat zo op de flap van het boek kan, als aanbeveling.

Behalve dat Burgess zo weinig vrouwen opneemt, is nauwelijks te begrijpen waarom de lijst indertijd zo veel commotie losmaakte. Een kwarteeuw later doet zijn lijst heel canonfähig aan. Ten bewijze: van het gros van de boeken is er een individuele Wikipedia-pagina beschikbaar. Het persoonlijke van zijn keuze zit, afgezien van die paar auteurs die ik niet kende, in het feit dat hij soms kleinere, minder bekende werken kiest van gereputeerde schrijvers (Bellow, Golding, Nabokov). Burgess hield wel van een beetje reuring.

If you disagree violently with some of my choices I shall be pleased. We arrive at values only through dialectic.
Uit 99 novels leer ik nogmaals dat het erg instructief is om boeken af te zetten tegen andere boeken. Een autistische lofzang op een boek zegt weinig als je het boek in kwestie niet gelezen hebt. Maar als Burgess aanstipt waarom hij Erica Jong heeft opgenomen, en niet Marilyn French, dan wordt veel duidelijk. Spijtig genoeg doet hij dat veel te weinig. Of zijn de referenties veel te grof: Kafka passeert meermaals, net zoals Joyce.

Ik heb trouwens grote moeite met zinnetjes als "Witty, learned, even ironically pedantic, this is one of the best of the American campus novels" (over The groves of academe van Mary McCarthy). Burgess suggereert daarmee te hebben gekozen uit tientallen boeken en auteurs die zich met dat thema hebben beziggehouden. Als dat zo is, dan ken ik ze niet, en wil ik ze leren kennen.

Ik kan dus niet zeggen veel te hebben bijgeleerd. Goed, van veel gereputeerde boeken las ik nu voor het eerst een synopsis, maar die gaven allemaal de indruk het boek tekort te doen.

Een paar weetjes zullen me bijblijven. Dat Mailer The naked and the dead geschreven heeft op zijn vijfentwintigste. Dat Hemingway uitgebreide research pleegde voor The old man and the sea. De wetenschap dat Amerikaanse uitgaven nogal wat verschillen (van titel, van samenstelling) van Engelse.

Ook ging ik beter beseffen hoe belangrijk de modernisten geweest zijn om de makke erfenis van de Victoriaanse en Edwardiaanse roman nieuw leven in te blazen, en hoe lang het duurde eer in het Engeland van Waugh en Powell de arbeidersklasse serieus werd genomen als onderwerp in een roman. Heel opvallend daarnaast: de Wereldoorlogen, of de nawerking daarvan, blijken in de Engelse roman even onvermijdelijk als een olifant in een woonkamer.

Mede daardoor — het snob-appeal en die oorlog dus — heb ik weinig lust om te lezen gekregen. Burgess bevestigt mijn vooroordelen over de gecanoniseerde Engelse literatuur als zijnde druilerig, fantasieloos en laf-ironisch. Daarbij komt nog dat al die boeken die spelen in het Amerikaanse Zuiden me ook al niet trekken. Burgess neemt welgeteld één hartsfavoriet van me op: The bell van Iris Murdoch.

Het beste aan dit boek vond ik nog de inleiding. Daarin probeert Burgess het begrip 'roman' nauwkeuriger te definiëren dan "een stapel papier met fictie dat zo dik is dat er geen nietjes doorheen kunnen". Hij maakt een onderscheid tussen hoge literatuur en triviaalliteratuur. Belangrijkste criterium: in een serieuze roman zijn de personages belangrijker dan de actie, in populaire lectuur is het net andersom.

Een echte romancier moet als God de Vader mensen scheppen van vlees en bloed, complexe wezens dus, met een vrije wil. Geen enkele romanschrijver die een geloofwaardig personage heeft geschapen weet helemaal zeker wat het in de volgende pagina's zal doen. Memorabele romanfiguren onttrekken zich aan de schema's die een schrijver vooraf heeft bedacht. Een schrijver moet dus kunnen schrijven, maar hoeft geen intellectueel te zijn. Een intuïtieve kennis van de wereld en van mensen is soms voldoende.
Novels are about the human condition, which is not easy, and how, if possible, to cope with. The author is concerned about this, and he is concerned that you, the reader, be concerned.
Dat betekent niet dat alles moet kloppen met de werkelijkheid. Waarschijnlijkheid wordt door een romancier hoger aangeslagen dan een romanomgeving waarin alles klopt met de echte wereld. De roman is een kunstige genre, met kunstmatige eisen. Vorm is belangrijk. Dialoog in een roman moet natuurgetrouw ogen, maar is iets anders dan een uitgeschreven cassettebandje. Een romancier moet trucs toepassen om tot een tekst te komen die werkt. Hem indikken, bijvoorbeeld.

Laatste voorwaarde voor een goede roman volgens Burgess: er moet na lectuur een soort "filosofische droesem" achterblijven bij de lezer. Zijn kijk op de wereld moet een kwartslag gedraaid zijn, zonder dat de schrijver op hem heeft zitten inpreken.
Rather a novel will question convention and suggest to us that the making of moral judgements is difficult. This can be called the higher morality.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> integrale lijst op Wikipedia
> mijn persoonlijke selectie in de commentaren hieronder

Anthony Burgess, 99 novels
The best in English since 1939 : a personal choice

160 p.
Uitgeverij Summit Books, 1984

Oorspr. (1984)
____

woensdag 23 december 2009

Het oude nieuws van deze tijden - Herman Brusselmans

Mijn favoriete definitie van 'literatuur' is een maximale: elke schrijver die iets te melden heeft, en dat duidelijk opschrijft met een lezer voor ogen, op een manier die weinigen nadoen, behoort tot de literatuur. Brusselmans scoort vlot op die drie punten. Hij legt getuigenis af van een illusiearm levensgevoel (een nobel streven dat dikwijls met de nek wordt bekeken), doet dat voor een ruim publiek, en in dik een kwarteeuw heeft zijn werk nauwelijks epigonen opgeleverd.

Dat gebrek aan epigonen kan op twee dingen wijzen. Ofwel is Vlaanderen te klein voor een tweede Herman Brusselmans en weigeren uitgevers alle manuscripten die rieken naar in nederfrans gedrenkt nihilisme. (Brusselmans stuurde ooit zelf onder valse naam een van zijn boeken in; het manuscript werd prompt geweigerd; een zelfrelativerende test die ik weinig schrijvers zie doen.) Ofwel is dit proza veel moeilijker te imiteren dan het lijkt.

Is dit laatste waar, dan gaat het verwijt van 'broodschrijver' dat Brusselmans aankleeft, slechts gedeeltelijk op. Zo'n verwijt kan dan niets meer te maken hebben met de kwaliteit van het werk, hoogstens met de eentonige manier waarop de schrijver zijn talenten uitvent. Het is al vaker gezegd: Brusselmans schrijft altijd hetzelfde boek. Maar inmiddels mag duidelijk zijn dat die herhalingsdwang meer te maken heeft met een vakman die zijn beperkingen kent, dan met luiheid.

Zeker, ook ik vind dat Brusselmans te weinig ambitie aan de dag legt. Vaker boeken zou moeten schrijven met een kop en een staart. Tegelijk weet ik dat het leven zelf geen kop en een staart heeft — mijn leven toch niet — en Brusselmans wat dat betreft een hardnekkige realist is.

Het oude nieuws van deze tijden — uit 1994, Brusselmans is dan al een paar jaar op het hoogtepunt van zijn roem dankzij een optreden in Het huis van wantrouwen — bevat alleszins een poging tot plot.

Het boek verhaalt over een zelfverklaard 'taalkundige'. Deze figuur blijft naamloos ("X"), is zesendertig jaar oud en heeft een hond gekocht. Speedy is het soort mormel dat je eerder met oude dametjes associeert dan met een volwassen man.

Voor wie meent dat de actieradius in Brusselmans' recente boeken krap is: in het midden van de jaren negentig was dat ook al zo. De hoofdpersoon in Het oude nieuws van deze tijden heeft alleen contact met zijn bejaarde overburen Maurice en Gusta, ene Benoit (die samen met Maurice in het verzet zat), zijn nieuwe bovenbuurvrouw Linda (aka "LT Van Meensel", ze is rijkswachter en studeert voor het kapiteinsexamen) en haar tienerdochter Katia.

In de beperking toont zich de loser: X is zelfs te lui om zijn hondje uit te laten en koopt daarom kranten waarop het dier zich kan ontlasten. Zijn voorkeur gaat uit naar Het Laatste Nieuws, want "die heeft meer katernen dan De Morgen en biedt dus meer ruimte om op te schijten".

Voor de veertienjarige Katia vat X, zoals te verwachten viel, een acute hartstocht op. (De Dutroux-hetze zou pas in 1996 uitbarsten.) Katia is een typische Brusselmans-heldin: mooi, onbereikbaar en niet van de snuggerste — ze bestaat het in Rome de Sixtijnse Kapel te bezoeken "zonder op het plafond te letten". Maar zelfs als Katia zich aanbiedt, gaat X daar niet op in. Hij heeft de excessen van zijn vroegere leven — vrouwen, drank, tabak en motoren — vaarwel gezegd. Vooral de liefde houdt hij op veilige afstand. X heeft geleden onder vroegere relaties met vrouwen.

De liefde heeft ons te vaak van een voetstuk gestoten, tegen de schenen geschopt, ons verstand volgepompt met gifgas.
In dat licht is meteen ook Brusselmans' sentimentele hondenadoratie begrijpelijk. Dieren zijn trouw. Dieren kennen geen cynisme. Speedy is een lieve, niet-bezitterige, niet-veeleisende compagnon, die zijn baasje schijnbaar belangeloos liefde geeft. Wanneer je leest hoe Speedy al pissend zijn beperkte territorium afbakent, besef je dat beestje en baasje veel gemeen hebben.

Zoals zo vaak laat Brusselmans zijn boek leiden door het toeval, door objets trouvés. In Het oude nieuws van deze tijden zijn dat krantenberichten en lemmata uit het woordenboek. Vooral de excursies in Van Dale vond ik erg sterk. X zoekt geconcentreerd naar de definities en finesses van woorden. Het verklarend woordenboek krijgt zo de allure van een Bijbel, een gebruiksaanwijzing bij het leven. Van Dale als Het boek der Openbaringen. Maar Brusselmans blijft Brusselmans: eer er zoiets als een metafoor kan ontstaan, wordt die al bestreden met zwarte humor.
Een doorsnee, wat is een doorsnee? Iedereen weet het, niemand kan het zeggen zonder te struikelen. Nog een geluk dat het, zoals alles, in een boek staat. ‘Een vlak waarlangs een lichaam is doorgesneden, met name de rechthoekig op de lengteas genomen grootste snede.’ Maar ook is een doorsnee een ‘denkbeeldig vlak, door een lichaam heen gebracht, en de figuur die daarop ontstaat door de punten en lijnen van het lichaam welke in dat vlak vallen’. Wie had dat ooit kunnen denken? Weet je wat het is: het interesseert me gewoonweg niet meer wat iets betekent. Ik kan er de kracht niet meer voor opbrengen om betekenissen tot in hun diepste wezen te doorgronden. De vorm in sommige gevallen misschien nog wel, maar niet de inhoud. Maar ik moet doorgaan, het is tenslotte mijn vak.
Speedy hoestte, en sliep verder.
Ik denk dat er enorm veel mensen zijn op de wereld die niet weten wat het verschil is tussen een ambassade en een consulaat. Niet enkel huisvrouwen, landbouwknechten, gootneukers en achterlijken. Ook professoren, popsterren, scheikundigen of personen die een baan hebben op een ambassade of een consulaat. Deze laatsten weten mogelijk wel dat ze op een ambassade werken en niet op een consulaat, of omgekeerd, maar daarom weten ze het verschil nog niet. Het is een veel voorkomende fout te veronderstellen dat iemand die in een autofabriek werkt veel van auto’s afweet. Of dat iemand die iets doet in een televisiebedrijf iedereen kent die ooit met zijn bakkes op tv is geweest. Of dat iemand die met taal arbeidt alles kan benoemen. Integendeel.
Speedy hoestte alweer. Nog zoiets: de medicatie tegen hoest lijkt ervoor te zorgen dat de zieke nog meer hoest. Maar dat komt omdat je verwacht dat hij juist minder gaat hoesten. Ongeduld dat bestraft wordt.
Ik kwaakte als een kikker. Speedy besteedde er geen enkele aandacht aan.
Het toeval is de hoogste macht, de tijd de op één na hoogste macht, de dood de op twee na hoogste macht. Verder zijn er geen machten. Alleen zwakheden, zoals liefde, haat, ziekte, gezondheid, honger, taal, filosofie, democratie, dictatuur, oorlog, eenzaamheid, rijkdom, armoede, pijn, verrukking, enzovoort.
Speedy kroop langzaam van de fauteuil, ging op de krant pissen, en kwam terug. Hij was te zwak om te springen en ik gaf hem een zetje.
Toeval, tijd en dood zijn onontbeerlijk voor een bestaan, de rest is bijkomstig, noem het overbodig.
Ik besloot om iets te eten.
‘De oneindigheid op schaal 1:200,’ zei ik bij mijzelf, ‘verpakt in een hartvormige doos. Dat zou een mooi cadeau zijn.’
Ik at drie boterhammen met kaas, dronk twee koppen thee, at twee Chokotoffs, hoewel er niks te vieren viel, en dronk een kwart liter Evian-water.
Overigens is 'het verschil tussen een consulaat en een ambassade' één van de betere running gags in het boek. Brusselmans is daar heel goed in: door uitgekiende timing een handvol grappen succesvol recycleren.

En goed, dan is er ook nog iets met een Mexicaans mes uit een antiekwinkel, dat zoals gezegd zal leiden tot een soortement pointe, maar al bij al is dat niet zo belangrijk.

(Gebaseerd op notities van 12 juni 2009.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Brusselmans op Achille: De dollartekens in de ogen van moeder Theresa

Herman Brusselmans, Het oude nieuws van deze tijden
170 p.
Uitgeverij Prometheus, 1994



Extra: Brusselmans als recyclagekunstenaar. Bekijk hoe in DWDD eerdere elementen uit het gesprek omgevormd worden tot grappen, die tegelijk het opzet van zo'n gesprek prachtig relativeren. Je moet er wel het hele fragmentje voor uitzitten.



____

Related Posts with Thumbnails